Dombey en Zoon

Part 38

Chapter 383,962 wordsPublic domain

Men zou niet zoozeer kunnen zeggen dat de liefderijke moeder met dezen uitroep hare kwijnende, flauwe affectatie hernam; want zij had die niet afgelegd, en het was ook niet waarschijnlijk dat zij dit ooit zou of kon doen, behalve in het graf. Maar haastig allen zweem van ernst of erkentenis van een opzet, hetzij goed of kwaad, verwijderende, die haar gezicht, stem of houding voor een oogenblik had verraden, lag zij weder zoo flauw en lusteloos als altijd op de sofa, toen Edith de kamer binnenkwam.

Edith, zoo schoon en statig, maar zoo koud en terugstootend—die even toonde dat zij de aanwezigheid van majoor Bagstock opmerkte, toen een scherpen blik naar hare moeder wierp, zich achter het gordijn van een venster neerzette en daar naar buiten bleef kijken.

“Lieve Edith,” zeide mevrouw Skewton, “waar in de wereld zijt ge toch geweest? Ik heb erg gebrek aan u gehad.”—“Gij hadt gezegd dat gij belet hadt, en daarom bleef ik weg,” antwoordde zij, zonder haar hoofd om te keeren.—“Dat was wreed voor den ouden Joe, mevrouw,” zeide de majoor met zijne gewone galanterie.—“Het was wreed, dat weet ik,” zeide zij, nog naar buiten kijkende, en met zulk eene kalme minachting, dat de majoor geheel uit het veld geslagen was en geen antwoord meer kon bedenken.—“Majoor Bagstock, lieve Edith,” teemde hare moeder, “die gewoonlijk het onbruikbaarste en onaangenaamste schepsel op de wereld is, gelijk gij weet—”—“Het is waarlijk de moeite niet waard, mama,” zeide Edith, nu omkijkende, “die manier van spreken in acht te nemen. Wij zijn geheel alleen, en wij kennen elkander.”

De stille verachting die uit haar schoon gelaat sprak—eene stille verachting, die blijkbaar haar zelve, niet minder dan hen, ten doel had—was zoo doordringend, dat het lachje harer moeder, hoewel anders onverschrokken genoeg, er voor bezweek.

“Maar meisje lief,” begon zij weder.—“Nog geene vrouw?” zeide Edith met een glimlach.—“Hoe wonderlijk zijt ge vandaag, kindlief. Laat ik u mogen zeggen, liefje, dat majoor Bagstock een allerliefst briefje van mijnheer Dombey heeft gebracht, eene invitatie om morgen bij hem te komen ontbijten en dan naar Warwick en Kenilworth te rijden. “Wilt gij gaan, Edith?”—“Of ik gaan wil!” zeide zij met eene hoogroode kleur en snel ademhalende, terwijl zij omkeek en hare moeder aanzag.—“Ik wist wel dat ge zoudt, liefje,” zeide de moeder losweg. “Het vragen is, gelijk ge zegt, maar eene formaliteit. Hier is mijnheer Dombey’s briefje, Edith.”—“Bedankt. Ik heb geen verlangen om het te lezen,” was haar antwoord.—“Dan zal ik het misschien best maar zelve beantwoorden,” zeide mevrouw Skewton, “hoewel ik gedacht had u te vragen om mijn secretaris te zijn.”

Daar Edith geene beweging maakte en geen antwoord gaf, verzocht mevrouw Skewton den majoor om het tafeltje bij haar te schuiven, het lessenaartje dat het bevatte open te slaan, en haar aan pen en papier te helpen, welke galante diensten de majoor met veel onderdanigheid en ijver verrichtte.

“Uwe groetenis, lieve Edith?” zeide mevrouw Skewton, met de pen in de hand wachtende om een naschrift te zetten.—“Wat ge wilt, mama,” antwoordde zij, zonder haar hoofd om te keeren, en met stroeve onverschilligheid.

Mevrouw Skewton schreef dus wat zij wilde, zonder nadere aanduiding te verlangen, gaf haar briefje aan den majoor, die het als eene kostbaarheid ontving en deed alsof hij het dicht bij zijn hart wilde bergen, maar het eindelijk in zijn broekzak moest steken, daar zijn vestzakje niet zeer veilig was. Daarop nam de majoor een hoffelijk en ridderlijk afscheid van beide dames, hetwelk de oudste op hare gewone manier beantwoordde, terwijl de jongste, met haar gezicht naar het venster zittende, zóó eventjes haar hoofd boog, dat het grooter compliment voor den majoor zou zijn geweest als zij geheel niets gedaan had, zoodat hij had kunnen denken dat men hem niet gehoord had.

“Wat verandering bij haar betreft, mijnheer,” peinsde de majoor op den terugweg—waarop hij, daar het een zonnige middag was, den inboorling met de lichte bagage vooruit liet marcheeren, en in de schaduw van dien gebannen prins wandelde—“wat verandering betreft, mijnheer, en kwijnen en zoo al meer, dat wil er bij Jozef Bagstock niet in. Dat gaat niet op, mijnheer. Maar dat er somtijds verdeeldheid tusschen haar is—of eene kloof, gelijk de moeder zegt—verd...d mijnheer, dat schijnt waar genoeg te zijn. En het is wonderlijk genoeg ook! Wel mijnheer!” hijgde de majoor, “Edith Granger en Dombey zijn goed gepaard; laten zij het uitvechten! Bagstock houdt het met de winnende partij!”

Daar de majoor, in het vuur zijner gedachten, deze laatste woorden overluid uitsprak, bleef de ongelukkige inboorling stilstaan en keek om, in de meening dat hij persoonlijk werd aangesproken. Verbolgen over dit blijk van insubordinatie, stiet de majoor (hoewel hij juist opgetogen was over zijne eigene geestigheid) den inboorling zijn rotting tusschen de ribben, en bleef hem zoo, den geheelen weg naar het logement, bij kleine tusschenpoozen porren.

Niet minder ongemakkelijk was de majoor terwijl hij zich voor het diner verkleedde, onder welke bezigheid de bruine knecht eene hagelbui van zeer gemengden aard naar het hoofd kreeg,—voorwerpen tusschen de grootte van eene laars en een haarborstel, en alles insluitende wat zijn meester in zijn bereik kreeg; want de majoor was er grootsch op dat hij den inboorling zoo compleet had gedrild, en strafte alzoo de geringste afwijking van de strengste discipline. Als men hier bij voegt dat de inboorling hem ook tot afleiding van irritatie diende, wanneer hij door zijn pootje of andere onaangenaamheden werd geplaagd, zou het schijnen dat de bruine man zijn loon—dat niet groot was—wel verdiende.

Toen de majoor eindelijk alles wat hem voor de hand kwam had vergooid, en den inboorling zooveel nieuwe scheldnamen had gegeven, dat deze zich zeker over den rijkdom der Engelsche taal had moeten verwonderen, liet hij eindelijk toe dat zijne das werd omgedaan; en zich door zijne vorige lichaamsbeweging bijzonder opgewekt gevoelende, ging hij naar beneden om Dombey en zijn rechterhand-man te vervroolijken.

Dombey was nog niet in de kamer, maar zijn rechterhand-man was er, en al zijne tanden waren, volgens gewoonte, voor den majoor gereed.

“Wel, mijnheer,” zeide de majoor, “hoe hebt gij uw tijd doorgebracht, sedert ik het genoegen had van u te zien? Hebt gij al gewandeld?”—“Een kuiertje gedaan van niet langer dan een halfuur,” antwoordde Carker. “Wij hebben het druk gehad.”—“Met zaken, he?” zeide de majoor.—“Met allerlei kleinigheden die noodzakelijk moesten afgedaan worden,” antwoordde Carker. “Maar weet gij wel—dit is iets zeer ongewoons van mij, die in eene school van wantrouwen ben opgevoed, en doorgaans niet zeer mededeelzaam ben,” zeide hij, afbrekende en een innemend rondborstigen toon aannemende—“maar met u gevoel ik mij terstond vertrouwelijk, majoor Bagstock.”—“Veel eer voor mij, mijnheer,” zeide de majoor; “maar gij moogt het ook wel zijn.”—“Weet gij dan wel,” hervatte Carker, “ik vind mijn vriend—onzen vriend, moest ik hem liever noemen—”—“Meent gij Dombey, mijnheer!” riep de majoor uit. “Gij ziet mij hier wel staan, mijnheer Carker! Joe Bagstock?”

Hij was dik genoeg om hem te zien en Carker zeide ook dat hij dat genoegen had.

“Dan ziet gij een man, mijnheer, die door vuur en water zou loopen om Dombey te dienen,” liet de majoor daarop volgen.

Carker glimlachte en zeide dat hij zich daarvan verzekerd hield. “Weet gij wel, majoor,” hervatte hij, “om weer te beginnen waar ik gebleven ben, dat ik onzen vriend vandaag niet zoo oplettend voor de zaken vind als gewoonlijk?”—“Niet?” zeide de verheugde majoor.—“Ik vond hem eenigszins verstrooid; zijne aandacht zwierf dikwijls af,” zeide Carker.—“Waarachtig,” riep de majoor uit, “dan is er eene dame in het spel.”—“Dat begin ik waarlijk ook te gelooven,” antwoordde Carker. “Ik dacht dat gij maar woudt schertsen toen gij op zoo iets scheent te doelen, want gij militairen...”

De majoor liet zijne paardenkuch hooren en schudde zijn hoofd en schouders, als wilde hij zeggen: “Ja, wij zijn vroolijke snaken, dat is niet tegen te spreken.” Daarop greep hij Carker bij een knoopsgat, en fluisterde hem met uitpuilende oogen in het oor, dat zij eene buitengemeen bekoorlijke dame was, mijnheer. Dat zij eene jonge weduwe was, mijnheer. Dat zij van goede familie was, mijnheer. Dat Dombey tot over de ooren op haar verliefd was, mijnheer, en dat het aan beide kanten een goed huwelijk zou zijn; want zij had schoonheid, afkomst en talenten, en Dombey had fortuin; en wat kon een paar meer hebben? Daar hij Dombey hoorde aankomen, viel de majoor zich zelven in de rede, met te zeggen, dat Carker haar morgenochtend zou zien en dan zelf kunnen oordeelen; en daarna bleef de majoor, afgemat door de inspanning om dit alles met een heesch gefluister te zeggen, met waterende oogen zitten gorgelen tot het diner gereed was.

Gelijk sommige andere edele dieren was de majoor bij den tijd van het voederen het fraaist en interessantst om te zien. Bij deze gelegenheid schitterde hij aan het eene eind van de tafel, met den zachteren glans van Dombey aan het andere tot pendant; terwijl Carker, aan eene zijde, zijne stralen beurtelings met die van een van beide lichten vereenigde, of ze ook door beide liet overschijnen.

In het begin van den maaltijd was de majoor gewoonlijk ernstig; want de inboorling haalde, volgens een algemeen geheim bevel, alle sausen en specerijen voor hem bij elkander, en gaf hem veel te doen om alles op zijn bord ondereen te mengen. Bovendien had de inboorling afzonderlijke kruiderijen op het buffet, waarmede de majoor zich dagelijks de keel verschroeide, om niet te spreken van wonderlijk gefatsoeneerde flesschen, waaruit hij onbekende vloeistoffen in des majoors glas liet spuiten. Doch bij deze gelegenheid vond de majoor te midden van deze omstandigheden tijd om gezellig te zijn; en zijne gezelligheid bestond in eene reeks van slimheden, waarmede hij Dombey’s gemoedstoestand aan Carker verried.

“Dombey,” zeide de majoor, “gij eet niet. Wat scheelt er aan?”—“Verplicht,” was het antwoord. “Ik ben zeer wel. Maar ik heb vandaag niet veel eetlust.”—“Wel, Dombey, waar is die dan gebleven?” zeide de majoor. “Waar is zij naar toe? Gij hebt ze niet bij onze vriendinnen gelaten, dat kan ik bezweren; want ik weet dat zij vandaag bij het twaalf-uurtje ook geen eetlust hadden. Ten minste van eene van de twee kan ik dat zeggen; ik wil niet zeggen van wie.”

De majoor wenkte Carker, en werd zoo schrikkelijk slim, dat de inboorling hem zonder bevel af te wachten op den rug moest kloppen, of hij zou waarschijnlijk onder de tafel verdwenen zijn.

Later onder den maaltijd, namelijk toen de inboorling aan des majoors elleboog stond, gereed om de eerste flesch champagne te laten schuimen, werd de majoor nog geestiger.

“Schenk boordevol, gij schavuit,” zeide de majoor, zijn glas ophoudende. “En mijnheer Carker ook boordevol. En mijnheer Dombey ook. Kom aan, heeren,” zeide de majoor, zijn nieuwen vriend wenkende, terwijl Dombey, met een gezicht alsof hij wel begreep wat er volgen zou, op zijn bord keek, “wij zullen dit glas wijn aan eene godin wijden, die Joe er trotsch op maakt dat hij haar mag kennen en op een eerbiedigen afstand nederig bewonderen. Edith,” zeide de majoor, “is haar naam; engelachtige Edith!”—“De engelachtige Edith!” riep de glimlachende Carker.—“Edith, zeer gaarne,” zeide Dombey.

Het binnenkomen der knechts met nieuwe schotels deed den majoor nog geestiger worden, maar in een ernstiger trant. “Want hoewel, onder ons, Joe Bagstock op dat punt scherts en ernst ondereenmengt, mijnheer,” zeide de majoor, met een vinger op de lippen en half ter zijde tot Carker, “acht hij dien naam te heilig om het eigendom van die knapen, of van knapen in het algemeen gemaakt te worden. Geen woord, mijnheer, terwijl zij hier zijn.”

Dit was eerbiedig en wellevend van den majoor, en Dombey gevoelde duidelijk dat het zoo was. Hoewel op zijne koude manier eenigszins verlegen met de zetten des majoors, had Dombey niets tegen zulke scherts, dit was duidelijk, maar beviel ze hem veeleer. Misschien was de majoor vrij dicht bij de waarheid geweest, toen hij dien morgen giste dat de groote man te trotsch was om zijn minister over zoo iets formeel te raadplegen of in zijn vertrouwen te nemen, en toch wenschte dat hij alles weten zou. Dit zij gelijk het wil, hij keek dikwijls naar Carker, terwijl de majoor zijne lichte artillerie liet manoeuvreeren, en scheen op te letten welken indruk dit op hem maakte.

Maar de majoor, iemand beet hebbende die, wat luisteren en glimlachen betrof, zijn gelijke op de wereld niet had—“kortom een drommels aardige en leepe kerel,” gelijk hij dikwijls naderhand verklaarde—wilde hem niet zoo gemakkelijk, met eenige snakerijen ten koste van Dombey, loslaten. Eer de tafel werd afgenomen vertoonde hij ook zijne uitgebreide talenten als verteller van militaire anekdoten en militaire grappenmaker, hetgeen hij met zulk eene kwistige mildheid deed, dat Carker buiten adem raakte (of veinsde te raken) van het lachen; terwijl Dombey over zijne gestevene das toekeek, als was hij een deftige berenleider, die weltevreden was dat zijn beer zoo goed danste.

Toen de majoor te schor was geworden om zich langer verstaanbaar te maken, ging men aan de koffie; en daarna vroeg de majoor aan Carker, blijkbaar met weinig hoop op een bevestigend antwoord, of hij piket speelde.

“Ja, zoo’n beetje,” zeide Carker.—“En ook triktrak, misschien?” merkte de majoor aarzelend aan.—“Ja, triktrak ook zoo’n beetje,” antwoordde de man van tanden.—“Carker speelt alle spellen, geloof ik,” zeide Dombey, zich zelven op de sofa leggende alsof hij een man van hout zonder gewrichten of geledingen was, “en alles evengoed.”

Inderdaad speelde hij de twee genoemde spelen zoo uitmuntend, dat de majoor er van verbaasd was en hem in het wilde vroeg of hij ook schaak speelde.

“Ja, ik schaak ook zoo’n beetje,” antwoordde Carker. “Ik heb wel eens een spel gespeeld en gewonnen zonder het bord te zien—maar dat is maar een kunstje.”—“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor starende, “ge zijt een compleet contrast van Dombey, die geen een spel speelt.”—“O, hij!” antwoordde Carker. “Hij heeft nooit aanleiding gehad om zich zulke kunstjes eigen te maken. Menschen als ik komen ze somtijds te pas; gelijk nu, bij voorbeeld, majoor Bagstock, om een spelletje met u te kunnen meedoen.”

Het mocht alleen de valsche mond zijn, zoo breed uitgerekt; maar er scheen onder de nederigheid en gedienstigheid van deze gezegden iets hoonends te schuilen, en voor een oogenblik had men kunnen denken, dat de witte tanden de hand, die zij bezeverden, wilde bijten. Maar de majoor dacht niet daaraan; en Dombey lag, zoolang het spelen duurde—dat den geheelen avond was—met half gesloten oogen te peinzen.

Toen het tijd was om te scheiden, was Carker, hoewel hij bestendig had gewonnen, zoo hoog in de schatting des majoors gestegen, dat deze, toen Carker tot aan zijne kamer met hem medeging, als eene bijzondere oplettendheid, den inboorling (die altijd voor zijn meesters deur op eene matras op den grond sliep) met hem medezond om hem in staatsie den gang langs naar zijne kamer te lichten.

De spiegel in Carker’s kamer had eene fout en gaf dus misschien valsche beelden. Maar dien avond vertoonde hij het beeld van een man, die in zijne verbeelding een aantal menschen voor zijne voeten op den grond zag liggen slapen—gelijk de arme inboorling voor zijn meesters deur—en tusschen hen doorging, boosaardig genoeg naar beneden ziende, maar zonder (voor alsnog) op een der omhooggekeerde gezichten te trappen.

XXVII.

DONKERDER SCHADUWEN.

Carker de chef stond met den leeuwerik op en ging in den zomerochtendstond uit wandelen. Zijn gepeins—en hij peinsde al voortkuierende met saamgetrokken wenkbrauwen—scheen niet zoo hoog als de leeuwerik te zweven, of die richting te nemen; het bleef integendeel dicht bij de aarde en wroette daar tusschen stof en wormen. Maar er was geen onzichtbaar zingende vogel in de lucht, verder buiten bereik van ieder menschelijk oog dan Carker’s gedachten. Hij had zijn gezicht zoo volmaakt onder bedwang, dat weinigen van zijne uitdrukking meer bepaalds konden zeggen dan dat het lachte of peinsde. Het peinsde nu met inspanning. Naarmate de leeuwerik hooger steeg verzonk hij in dieper gedachten. Naarmate de leeuwerik zijn gezang helderder uitgalmde, werd zijn stilzwijgen strakker en ernstiger. Eindelijk, toen de leeuwerik, met verdubbeld geschal, naar beneden kwam duiken en dicht bij hem in het groene koren neerviel, dat in het ochtendkoeltje als eene rivier golfde, ontwaakte hij uit zijn gemijmer en keek eensklaps met een glimlach rond, zoo beleefd en vriendelijk alsof hij een aantal opmerkers met zich te verzoenen had. Ook vergat hij zich, aldus gewekt, niet weder, maar streek zijn gezicht glad, als bedacht hij zich dat het anders rimpels zou kunnen krijgen en geheimen verklappen, en kuierde, als tot oefening, al glimlachend voort.

Misschien was het dewijl hij wist hoeveel van een eersten indruk afhangt, dat Carker dien ochtend bijzonder net en zorgvuldig gekleed was. Schoon altijd eenigszins stijf in zijne kleeding, in navolging van den grooten man wien hij diende, ging hij echter niet zoover als Dombey’s stijfheid; misschien te gelijk omdat hij wel wist dat deze belachelijk was, als omdat hij daardoor wederom een middel vond om zijne bewustheid van het verschil en den afstand tusschen hen aan te duiden. Sommige menschen noemden hem in dit opzicht een paskwil op zijn bevrozen patroon, maar de wereld is zeer genegen om iets verkeerd uit te leggen, en Carker was niet voor die slechte neiging verantwoordelijk.

Zoo net en proper, blozend en welgedaan, met een voorzichtigen stap, die het gras nog zachter scheen te maken, kuierde Carker de chef door de weiden, en gleed hij tusschen het groene geboomte door, tot het tijd werd om te gaan ontbijten. Toen omkeerende om een naderen weg terug te nemen, zeide hij hardop: “Nu om de tweede mevrouw Dombey te gaan zien!”

Hij was om de stad heengedwaald en naderde deze weder langs eene wandelplaats, door zwaar geboomte beschaduwd, en waar hier en daar banken stonden voor hen die verkozen te rusten. Daar deze plaats nooit druk bezocht werd, en op dat stille morgenuur er zeer eenzaam en verlaten uitzag, meende Carker geheel alleen te zijn, en kreeg het dus in zijn hoofd—daar hij nog twintig minuten tijd had voor een weg, dien hij gemakkelijk in tien kon afleggen—om geen pad te volgen, maar slingerend tusschen de dikke stammen der boomen heen te gaan, voor den eenen heen en achter den anderen om, als het ware een net van voetstappen over het bedauwde gras vlechtende.

Hij bevond dat hij zich vergist had met te denken, dat er niemand in dit boschje was, want toen hij zachtjes om den stam van een grooten boom heenstapte, met een bast zoo ruw en knobbelig als de huid van een rhinoceros, zag hij onverwacht eene gedaante op eene bank dichtbij zitten, welke hij een oogenblik later in zijn net zou hebben ingevlochten.

Het was eene dame, zeer elegant en kostbaar gekleed, welker donkere, trotsche oogen op den grond gevestigd waren, en in wier binnenste een of andere hartstocht scheen te woelen. Want terwijl zij daar zoo zat, had zij een hoek harer onderlip tusschen hare tanden getrokken, zwoegde hare borst en trilden hare neusgaten, beefde haar hoofd, rolden er tranen van verontwaardiging over hare wangen, en was haar voet op het mos gedrukt alsof zij het tot niet had willen stampen. En toch zag hij bijna met denzelfden blik, waarmede hij dit opmerkte, dezelfde dame opstaan met eene houding van lustelooze verveling, en zich omkeeren met een gezicht waarop niets anders dan koude schoonheid en hooghartige minachting te zien waren.

Eene gerimpelde, leelijke oude vrouw, gekleed niet zoozeer als eene heidin, dan als behoorde zij tot dat gemengde ras van vagebonden, die bedelend, stelend, ketellappend en biezen vlechtend het land afloopen, had insgelijks deze dame gadegeslagen; want toen zij opstond, krabbelde deze tweede gedaante—zulk een zonderling contrast met de eerste—van den grond op (scheen bijna daaruit op te rijzen) en trad haar in den weg.

“Laat ik u eens uw fortuin voorzeggen, mooie dame,” zeide het oude wijf, met hare kaken mommelende alsof het doodshoofd onder hare gele huid ongeduldig was om er uit te komen.—“Dat kan ik zelve wel doen,” was het antwoord.—“Ja, ja, mooie dame, maar niet recht. Gij hebt het niet recht gedaan toen gij daar zat. Ik heb u wel gezien. Geef mij een stuk zilver, mooie dame, en ik zal u waarzeggen. Er is rijkdom, mooie dame, in uw gezicht.”—“Dat weet ik wel,” antwoordde de dame, haar met een donkeren glimlach en een trotschen tred voorbijgaande. “Dat wist ik te voren al.”—“Wat, wilt ge mij niets geven?” riep het oude wijf. “Gij wilt mij niets geven om u te zeggen wat ik weet, mooie dame? Hoeveel wilt ge mij dan geven om het niet te zeggen? Geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen!” kraste het oude wijf kwaadaardig.

Carker, achter den boom, dien de dame juist wilde voorbijgaan om op het pad te komen, kwam vooruit, zoodat hij haar moest ontmoeten, nam in het voorbijgaan zijn hoed af, en beval het oude wijf om zich stil te houden. De dame dankte voor zijne tusschenkomst door even haar hoofd te buigen en ging haars weegs.

“Geef gij mij dan wat, of ik zal het haar naschreeuwen,” gilde het oude wijf, tegen zijn uitgestrekten arm inloopende. “Of kom,” vervolgde zij, en liet eensklaps hare stem dalen, zag hem ernstig aan en scheen in een oogenblik het voorwerp harer gramschap te vergeten, “geef mij wat, of ik zal het u naschreeuwen.”—“Mij naschreeuwen, moedertje!” antwoordde Carker, de hand in den zak stekende.—“Ja,” zeide het wijf, hem nog strak aanziende en hare verschrompelde hand uitstekende. “Ik weet veel.”—“Wat weet gij dan?” zeide Carker, haar een schelling toewerpende. “Weet gij wie die mooie dame is?”

Al mommelend en met een boosaardigen schelen blik raapte het oude wijf den schelling op, en ging toen achteruit als eene krab, of liever als een geheele hoop krabben, want hare handen, met de kromme zich beurtelings sluitende en openende vingers, hadden er twee kunnen voorstellen, en haar verwrongen gezicht nog een aantal meer. Zij liet zich op den knoestigen wortel van een boom neerzakken, haalde een kort, zwart pijpje uit den bol van haar hoed, stak het met een vuurslag aan en ging stil zitten rooken, altijd nog den vrager aanziende.

Carker lachte en draaide zich luchtig om.

“Goed!” zeide het oude wijf. “Een kind dood, en een kind in leven; eene vrouw dood, en eene vrouw op zicht. Ga maar naar haar toe!”

Carker kon niet nalaten om te kijken en te blijven staan. Het wijf had haar pijpje niet uit den mond genomen, en mompelde terwijl zij rookte, alsof zij met een onzichtbaren gedienstigen in gesprek was, terwijl zij met haar vinger in de richting wees die hij ging.

“Wat hebt gij daar gezegd, oude heks?” zeide hij.

Het wijf bleef mommelen, snateren en rooken, en nog met haar vinger wijzen, maar gaf geen antwoord. Een lang niet vleienden afscheidsgroet mompelende ging Carker heen, maar toen hij in de verte nog eens omkeek, zag hij het wijf nog met haar vinger wijzen, en meende hij haar nog te hooren schreeuwen: “Ga maar naar haar toe!”

In het logement vond hij een keurig ontbijt gereed, waarbij Dombey en de majoor op de dames zaten te wachten. Zoo iets hangt zeker grootendeels van iemands gestel af, maar in dit geval was de eetlust sterker dan de liefde; want Dombey was zeer koel en bedaard en de majoor zeer ongeduldig. Eindelijk werd de deur door den inboorling geopend, en na eene poos wachtens, daardoor veroorzaakt, dat zij zoo kwijnend langzaam den gang doorkwam, verscheen eene zeer blozende, maar niet zeer jeugdige dame.