Dombey en Zoon

Part 37

Chapter 373,866 wordsPublic domain

Onder dien vermoeienden garnizoensdienst vond kapitein Cuttle echter nog tijd om den winkelvoorraad na te zien, waaromtrent hij in het algemeen het denkbeeld koesterde dat alles niet te veel kon gewreven worden—hetgeen Rob veel werk gaf. Ook kwam hij op den inval om eenige voorwerpen, die er nog al uitlokkend uitzagen, op de gis af met prijsbriefjes te voorzien, van tien schellingen tot vijftig pond, en ze zoo voor het venster ten toon te zetten tot groote verbazing van het publiek.

Na deze verbeteringen tot stand te hebben gebracht, begon kapitein Cuttle, door zooveel instrumenten omringd, te gevoelen, dat hij een man van wetenschap was: en keek des avonds, als hij in het achterkamertje zijne pijp zat te rooken, door het lantarenvenster naar de sterren op, alsof hij een soort van eigendom in hen had gekregen. Als handelaar in de City begon hij ook belang te stellen in den Lord Mayor, de Sheriffs en de gilden, en achtte hij zich verplicht om dagelijks de prijsnoteering der fondsen te lezen, hoewel hij uit de stuurmanskunst niet kon opmaken wat die cijfers beteekenden, en de breuken zeer wel had kunnen missen. Zoodra hij den houten adelborst in bezit had genomen, wilde hij Florence gaan opzoeken, om haar die vreemde tijding van oom Sam mede te deelen, maar zij was van huis. Zoo gewende zich de kapitein langzamerhand aan zijne veranderde levenswijs, en zijne rekening van tijd tot tijd verliezende, gelijk meer gebeurt als iemand eene groote verandering overkomt, dacht hij mijmerend aan Walter en Samuel, ja zelfs aan jufvrouw MacStinger, als dingen lang geleden.

XXVI.

SCHADUWEN VAN HET VERLEDENE EN DE TOEKOMST.

“Uw onderdanigste, mijnheer,” zeide de majoor. “Voor den drommel, mijnheer, een vriend van mijn vriend Dombey is een vriend van mij, en ik ben blij dat ik u zie.”—“Ik ben, Carker,” zeide Dombey, als tot opheldering, “majoor Bagstock oneindig verplicht voor zijn gezelschap en onderhoud. Majoor Bagstock heeft mij veel dienst bewezen, Carker.”

Carker de chef, met den hoed in de hand, juist te Leamington aangekomen en aan den majoor gepresenteerd, liet den majoor zijne geheele dubbele rij tanden zien en vertrouwde wel zoo vrij te mogen zijn om hem met al zijn hart te danken dat hij in mijnheer Dombey’s uitzicht en gemoedsstemming zulk eene groote verbetering had tot stand gebracht.

“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor tot antwoord, “er behoeft mij voor niets bedankt te worden, want het is een geven en nemen geweest. Een groot man gelijk onze vriend Dombey, mijnheer,” zeide de majoor, zijne stem latende dalen, maar niet zoozeer dat hij voor dien heer onhoorbaar werd, “kan niet nalaten zijne vrienden te verbeteren en te verheffen. Hij versterkt en verheft iemand in zijne zedelijke natuur, mijnheer, dat doet Dombey.”

Carker ving de uitdrukking gretig op. In zijne zedelijke natuur. Precies juist de woorden die hij had willen in bedenking geven.

“Maar als mijn vriend Dombey, mijnheer,” vervolgde de majoor, “u van majoor Bagstock spreekt, moet ik zoo vrij zijn om hem en u te recht te zetten. Hij meent dan eenvoudig Joe, mijnheer—Joey B.—Josh Bagstock—Jozef—de ruwe, taaie oude J., mijnheer. Tot uw dienst.”

Carker’s buitengemeene vriendelijkheid en welwillendheid voor den majoor, en Carker’s bewondering van zijne ruwheid, taaiheid en plompheid, blonken uit elken tand in Carker’s mond.

“En nu, mijnheer,” zeide de majoor, “hebben gij en Dombey een drommelschen boel zaken om over te praten.”—“Volstrekt niet, majoor,” zeide Dombey.—“Dombey,” hervatte de majoor op den toon eener uitdaging. “Dat weet ik beter. Een man als gij—de steunpilaar van den handel—moet niet gehinderd worden. Uwe oogenblikken zijn kostbaar. Bij het diner zullen wij elkander weerzien. Ondertusschen zal oude Jo zich uit den weg houden. Wij dineeren om zeven uur precies, mijnheer Carker.”

Zoo ging de majoor heen, met een erg opgezwollen gezicht; maar terstond zijn hoofd weder binnen de deur stekende, zeide hij: “Neem mij niet kwalijk, Dombey, hebt gij ook eene boodschap voor ze?”

Eenigszins verlegen, en niet zonder een blik naar den beleefden bewaarder van zijn handelsvertrouwen, droeg Dombey den majoor zijn compliment op.

“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor, “het moet iets warmers wezen, of oude Jo zal verre van welkom zijn.”—“Mijne groetenis dan, als gij wilt, majoor,” antwoordde Dombey.—“Voor den drommel, mijnheer,” zeide de majoor, schertsend zijne schouders en zijne bolle wangen schuddende; “maak het nog wat warmer.”—“Wat u dan maar belieft, majoor,” zeide Dombey.—“Uw vriend is slim, mijnheer, verduiveld slim,” zeide de majoor, om de deur heen naar Carker kijkende. “Maar Bagstock ook.” Hij grinnikte nog wat, maar hield eensklaps daarmede op, gaf zich zelven een slag op de borst en zeide plechtig: “Dombey, ik benijd uw gevoel. God zegen u!” En daarmede ging hij heen.—“Gij moet dien heer van zeer veel nut hebben gevonden,” zeide Carker, hem met zijne tanden volgende.—“Bijzonder,” zeide Dombey.—“Hij schijnt hier vrienden te hebben,” hervatte Carker. “Ik bemerk, uit hetgeen hij zegt, dat gij hier in de samenleving komt. Ik moet zeggen,” daarbij glimlachte hij afschuwelijk, “ik ben zeer blijde dat gij dat doet.”

Dombey erkende deze belangstelling van zijn ondergezaghebber door zijn horlogeketting te draaien en eenigszins zijn hoofd te bewegen.

“Gij zijt voor de samenleving geboren,” zeide Carker. “Van alle menschen die ik ken zijt gij door karakter en positie best voor de samenleving geschikt. Ik moet zeggen, het heeft mij dikwijls verbaasd dat gij u zoolang daarvan afgezonderd hebt gehouden.”—“Ik had mijne redenen daarvoor, Carker. Ik was alleen en onverschillig voor gezelligheid. Maar gij hebt zelf buitengemeene talenten voor de samenleving, en daarom moest het u meer verwonderen.”—“O—ik!” zeide de ander, met bereidvaardige zelfverachting. “Met iemand als ik is het geheel iets anders. Ik kom in geene vergelijking met u.”

Dombey bracht de hand aan zijne das, schikte zijne kin daarin en stond zijn trouwen vriend en dienaar eene poos stilzwijgend aan te zien. “Ik zal het genoegen hebben, Carker,” zeide hij eindelijk, en scheen daarbij iets door te zwelgen dat wat te groot voor zijne keel was, “om u aan mijne—aan de vrienden van den majoor te presenteeren. Heel aardige menschen.”—“Dames daaronder, zou ik denken?” zeide de gladtongige dienaar.—“Het zijn allen—dat is te zeggen, het zijn allebei dames,” antwoordde Dombey.—“Maar twee?” glimlachte Carker.—“Er zijn er maar twee. Ik heb mijne visites tot hare woning bepaald en hier geene andere bekenden gemaakt.”—“Zusters misschien?” zeide Carker.—“Moeder en dochter,” antwoordde Dombey.

Toen Dombey zijne oogen neersloeg en zijne das weder schikte, veranderde de glimlachende tronie van Carker, zonder eenigen tusschenstaat van overgang, in een donker en dreigend gezicht, dat hem met een hoonenden grijns uitvorschend aankeek. Toen Dombey zijne oogen weder opsloeg, nam het gezicht ook weder even snel de oude uitdrukking aan en liet hem al het tandvleesch zien dat het had.

“Gij zijt wel goed,” zeide Carker. “Het zal mij zeer verheugen als ik met haar mag kennis maken. Van dochters gesproken, ik heb mejufvrouw Dombey gezien.”

Eensklaps steeg Dombey het bloed naar het gezicht.

“Ik ben zoo vrij geweest,” zeide Carker, “om haar te gaan vragen of zij mij ook eene kleine commissie had mede te geven. Maar ik ben niet zoo gelukkig om overbrenger van iets te zijn behalve hare—hare hartelijke liefde.”

Een wolvengezicht was het toen, zelfs met de heete tong in den opengesperden muil zichtbaar, toen zijne oogen die van Dombey ontmoetten.

“Welke berichten van zaken zijn er?” vroeg Dombey, na eene poos van stilte, waaronder Carker eenige papieren had voor den dag gehaald.—“Heel weinig,” antwoordde Carker. “Over het geheel hebben wij sedert eenigen tijd niet ons gewoon fortuin gehad, maar dat is van weinig gewicht voor u. Bij Lloyd’s houdt men de Zoon en Erfgenaam voor verloren. Welnu, het schip was geassureerd van de kiel tot den top van den mast.”—“Carker,” zeide Dombey, zich dicht bij hem op een stoel zettende, “ik kan niet zeggen dat dat jonge mensch, Gay, ooit een gunstigen indruk op mij gemaakt heeft...”—“Op mij ook niet,” viel Carker er op in.—“Maar ik wenschte toch wel,” vervolgde Dombey, zonder op die stoornis te letten, “dat hij nooit aan boord van dat schip was gekomen. Ik wenschte dat hij niet uitgezonden was.”—“Het is jammer dat ge dat niet bijtijds hebt gezegd, niet waar?” antwoordde Carker koeltjes. “Evenwel, ik geloof dat alles ten beste is. Heb ik u al gezegd dat er tusschen mejufvrouw Dombey en mij iets geweest is dat naar eene kleine vertrouwelijkheid geleek?”—“Neen,” zeide Dombey barsch.—“Ik twijfel er niet aan,” hervatte Carker, na eene poos van stilte, die bijzonderen indruk moest maken, “dat waar Gay ook is, hij veel beter is waar hij is, dan hier thuis. Als ik in uwe plaats was of wezen kon, zou ik daarvan overtuigd zijn. Ik zelf ben er volkomen van overtuigd. Mejufvrouw Dombey is goed van vertrouwen en jong—misschien haast niet hooghartig genoeg, voor uwe dochter—als zij een gebrek heeft. Schoon dat niet veel is. Wilt gij deze balansen met mij nazien?”

Dombey leunde in zijn stoel achterover, in plaats van zich over de papieren te buigen die voor hem gelegd werden, en zag Carker strak in het gezicht. Carker hield zich, met eenigszins opgetrokken oogleden, alsof hij naar de cijfers keek en wachtte tot het zijn principaal zou gelegen komen het werk te beginnen. Hij toonde dat hij zich maar zoo hield, uit groote kieschheid en om Dombey’s gevoel te sparen, en terwijl de ander hem aanzag begreep deze dit wel en gevoelde hij dat, zonder die kieschheid, zijn vertrouwde veel meer zou gezegd hebben, hetwelk hij (Dombey) te trotsch was om te vragen. Dit was dikwijls Carker’s manier bij het behandelen van zaken. Langzamerhand werd Dombey’s blik minder strak en vestigde hij zijne aandacht op de papieren voor hem; maar terwijl hij bezig was met die na te zien, hield hij dikwijls op en zag Carker wederom aan. Wanneer hij zoo deed praalde Carker gelijk te voren met zijne kieschheid, en prentte hij deze zijnen grooten patroon hoe langer hoe meer in.

Terwijl zij zoo bezig waren en onder Carker’s behendig aanstoken toornige gedachten ten opzichte van de arme Florence in Dombey’s hart de plaats begonnen te beslaan van den kouden afkeer die daarin vroeger had geheerscht, wandelde majoor Bagstock, zeer bewonderd door de oude dames te Leamington, en door den inboorling met de gewone lichte bagage gevolgd, den schaduwkant van den weg langs, om mevrouw Skewton eene ochtendvisite te gaan brengen. Daar het middag was toen de majoor het paleis van Cleopatra bereikte, had hij het geluk om zijne koningin op hare gewone sofa bij een kop koffie te vinden kwijnen, in eene kamer zoo verdonkerd, om hare weelderige rust door geen zonnestraal te storen, dat Withers, die op hare bevelen stond te wachten, meer naar het spook van een page dan naar een levenden jongen geleek.

“Welk onuitstaanbaar schepsel is dat, dat daar binnenkomt!” zeide mevrouw Skewton. “Dat kan ik niet uithouden. Ga heen, wie er ook is!”—“Gij hebt toch het hart niet om J. B. te verbannen, mevrouw,” zeide de majoor, en bleef met den rotting op schouder halverwege stilstaan.—“O, zijt gij het?” zeide Cleopatra. “Nu ik mij wel bedenk moogt gij binnenkomen.”

De majoor trad dus binnen, en naar de sofa komende, drukte hij hare bekoorlijke hand aan zijne lippen.

“Ga zitten,” zeide Cleopatra, kwijnend met haar waaier wuivende, “maar ver van mij af. Kom niet dicht bij mij, want ik ben schrikkelijk gevoelig en zenuwachtig van morgen, en gij ruikt naar de zon. Gij zijt geblakerd.”—“Waarachtig mevrouw,” zeide de majoor, “er is een tijd geweest dat Jozef Bagstock werkelijk door de zon gebraden en geblakerd werd; dat hij door de broeikashitte in West-Indië zoodanig werd geforceerd, mevrouw, dat hij onder den naam van de Bloem bekend was. Men hoorde nooit van Bagstock in die dagen, mevrouw, men hoorde van de Bloem—de Bloem van ons regiment. De Bloem mag min of meer verwelkt zijn, mevrouw,” zeide de majoor, zich op een stoel zettende, veel dichter bij dan zijne wreede godin hem had aangewezen, “maar hij is nog eene taaie plant, en altijd groen, dat wil zeggen altijd trouw.”

Hier kneep de majoor, door de donkere kamer gedekt, zijn oog dicht, liet zijn hoofd rollen als een harlekijn, en bracht zich misschien, door overmaat van zelfvoldaanheid, veel dichter bij eene beroerte dan hij nog ooit geweest was.

“Waar is mevrouw Granger?” vroeg Cleopatra haar page.

Withers geloofde dat zij op hare kamer was.

“Heel goed,” zeide mevrouw Skewton. “Ga maar heen en doe de deur dicht. Ik heb belet.”

Toen Withers verdween, draaide mevrouw Skewton kwijnend haar hoofd naar den majoor om, zonder zich anders te bewegen, en vroeg hem hoe zijn vriend voer.

“Dombey, mevrouw,” antwoordde de majoor, met een comisch gegorgel in zijne keel, “is zoo wel als iemand in zijn toestand kan wezen. Zijn toestand is wanhopig, mevrouw. Dombey is geraakt. Door en door geschoten.”

Cleopatra wierp den majoor een scherpen blik toe, die bijzonder afstak bij den geaffecteerd temenden toon waarmede zij daarop zeide:

“Majoor Bagstock, al weet ik maar weinig van de wereld—en ik heb waarlijk geen spijt van mijne onkunde, want het is toch maar eene valsche wereld, vrees ik, vol akelige gemaaktheid, waar de natuur zelden ontzien wordt en men de muziek van het hart maar zelden hoort—kan ik u toch niet verkeerd verstaan. Gij doelt op Edith—mijn buitengemeen dierbaar kind,” zeide mevrouw Skewton, met haar voorvinger langs hare wenkbrauwen strijkende, “en uwe woorden doen de teederste snaren trillen.”—“Plompheid, mevrouw,” antwoordde de majoor, “is altijd eene eigenaardigheid van den stam van Bagstock geweest. Gij hebt gelijk. Joe moet toegeven.”—“En gij doelt ook,” hervatte Cleopatra, “op eene van de schoonste en edelste en heiligste aandoeningen waarvoor onze droevig verbasterde natuur vatbaar is, als ik wel heb.”

De majoor legde zijne hand op zijne lippen en liet Cleopatra een kusje toezweven, als om te beduiden welke aandoening hij bedoelde.

“Ik gevoel dat ik zwak ben; ik gevoel wel dat het mij ontbreekt aan die geestkracht, welke eene mama behoort te ondersteunen,” zeide mevrouw Skewton, met den geborduurden rand van haar zakdoek langs hare lippen vegende, “maar ik kan toch aan iets, dat voor mijne lieve Edith zoo buitengemeen gewichtig is, haast niet denken, zonder een gevoel alsof ik flauw zal vallen. Evenwel, gij booze man, daar gij er zoo stout van hebt gesproken en het mij toch al zooveel smart heeft veroorzaakt,” hierbij wees zij met haar waaier naar hare linkerzijde, “wil ik niet voor mijn plicht terugdeinzen.”

De majoor liet zijn hoofd rollen en kneep zijn oog dicht, tot hij eene kuch kreeg, die hem noodzaakte om een paar malen de kamer op en neer te gaan, eer zijne schoone vriendin kon vervolgen.

“Mijnheer Dombey,” zeide mevrouw Skewton eindelijk, “was, nu al vele weken geleden, zoo beleefd om ons de eer van eene visite te bewijzen, in uw gezelschap, mijn beste majoor. Ik moet bekennen—laat ik maar openhartig zijn—dat het mijn gebrek is mijn gevoel te veel te laten spreken, mijn hart als het ware buitenop te dragen. Ik ken mijn gebrek wel. Mijn ergsten vijand kan ik niet beter kennen. Maar ik heb er geen berouw van; ik wil mij liever niet door de gevoellooze wereld laten bevriezen, en dat verwijt gewillig dragen.”

Mevrouw Skewton verschikte haar halsdoekje, kneep eens in hare dorre keel, om het vel zachter te doen worden, en vervolgde met groote zelfvoldoening.

“Het deed mij oneindig veel genoegen (en mijne lieve Edith zeker ook) mijnheer Dombey hier te zien. Als een vriend van u, mijn beste majoor, waren wij natuurlijk reeds gunstig voor hem ingenomen, en ik verbeeldde mij iets hartelijks bij mijnheer Dombey op te merken, dat buitengemeen verkwikkelijk was.”—“Tegenwoordig heeft Dombey verduiveld weinig hartelijks, mevrouw,” zeide de majoor.—“Booswicht,” riep mevrouw Skewton uit, hem kwijnend aanziende, “houd u toch stil. Mijnheer Dombey,” vervolgde Cleopatra, de rozenkleur op hare kaken effenende, “herhaalde dus zijne visite; en misschien vond hij iets uitlokkends in de eenvoudigheid van onzen smaak—want het natuurlijke heeft altijd iets bekoorlijks; hij bezocht ten minste elken avond onzen kleinen kring. Weinig dacht ik aan de geduchte verantwoording die ik op mij laadde, toen ik mijnheer Dombey aanmoedigde—om—”—“Om zich hier in te kwartieren, mevrouw,” zeide de majoor.—“Grove man!” zeide mevrouw Skewton, “gij raadt wat ik meen, maar drukt het hatelijk uit.”

Hier liet mevrouw Skewton haar elleboog op een tafeltje naast haar rusten, en hare hand in eene sierlijke houding, naar zij dacht, naar beneden hangen en met haar waaier bengelen. Onder het spreken bleef zij met zeker traag welgevallen naar die hand kijken.

“De zielesmart die ik verduurd heb,” zeide zij met een fijn geknepen mondje, “toen de waarheid langzamerhand voor mij duidelijk werd, is veel te schrikkelijk geweest om er over uit te weiden. Geheel mijn aanzijn is met mijne lieve Edith samengestrengeld; en haar van dag tot dag te zien veranderen—mijn aardig troetelkindje, dat sedert den dood van dien allerbesten Granger haar hart zoo zorgvuldig heeft bewaard—is het aandoenlijkste ding van de wereld.”

Mevrouw Skewton’s wereld scheen niet veel aandoenlijks te bevatten, als men afging op den indruk, dien dit aandoenlijkste ding op haar maakte. Maar dit in het voorbijgaan.

“Edith,” kwezelde mevrouw Skewton, “die de parel van mijn leven is, gelijkt mij sprekend, zegt men. Ik geloof ook wel dat wij op elkaar gelijken.”—“Er is één man in de wereld, die nooit zal toegeven dat iemand naar u gelijkt, mevrouw,” zeide de majoor, “en die man heet oude Joe Bagstock.”

Cleopatra deed alsof zij den vleier met haar waaier de hersenen wilde inslaan, maar bedacht zich, glimlachte en vervolgde.

“Als mijn bekoorlijk meisje eenige voorrechten van mij heeft geërfd, heeft zij ook mijne zwakheden geërfd,” hervatte Cleopatra. “Zij heeft veel kracht van karakter—het mijne zegt men dat ontzaglijk krachtig is geweest, schoon ik het niet geloof—maar als zij eens geroerd wordt is zij ten uiterste gevoelig en teerhartig. Wat moet ik gevoelen als ik haar zie verkwijnen! Het zal mij den dood doen.”

De majoor stak zijne onderkin vooruit en kneep zijne blauwe lippen dicht, om het innigste medelijden te kennen te geven.

“Het vertrouwen,” zeide mevrouw Skewton, “dat tusschen ons bestaan heeft—de vrije uitstorting van gevoel en ziel—is roerend om aan te denken. Wij zijn meer als zusters geweest dan als mama en kind.”—“J. B.’s eigen gevoelen,” zeide de majoor, “dat hij meer dan vijftig duizendmaal bezworen heeft.”—“Val mij toch niet in de rede, gij ruwe man,” zeide Cleopatra. “Wat moet ik dan gevoelen, als ik vind dat er een onderwerp is dat tusschen ons vermeden wordt! Dat er—hoe heet het ook weer—eene kloof tusschen ons is geopend! Dat mijne argelooze Edith voor mij veranderd is! Natuurlijk zijn mijne aandoeningen van den grievendsten aard.”

De majoor stond van zijn stoel op en kwam dichter bij het tafeltje zitten.

“Van dag tot dag zie ik dit, mijn beste majoor,” vervolgde mevrouw Skewton. “Van dag tot dag gevoel ik dit. Van uur tot uur verwijt ik mij zelve die overmaat van vertrouwelijkheid, die tot zulke droevige gevolgen heeft gevoerd; en bijna van minuut tot minuut hoop ik dat mijnheer Dombey zich zal verklaren en een eind maken aan de marteling die ik onderga, en die mijne krachten ondermijnt. Maar er gebeurt niets, mijn beste majoor; ik ben slavin der wroeging—pas op dat kopje, ge kunt zoo lomp zijn—mijne lieve Edith is een veranderd wezen; en ik zie waarlijk niet wat er te doen is, of met wien ik kan raadnemen.”

Majoor Bagstock, misschien aangemoedigd door den vertrouwelijken toon, dien mevrouw Skewton langzamerhand had aangenomen, stak haar over het tafeltje heen zijne hand toe en zeide:

“Neem raad met Joe, mevrouw.”—“Wel, gij ondeugende plaaggeest,” zeide Cleopatra, hare eene hand aan den majoor gevende en hem met haar waaier, dien zij in de andere had, op de knokkels tikkende. “Waarom spreekt gij dan niet iets dat wat afdoet?”

De majoor lachte, kuste de hand die zij hem gegeven had, en lachte nog eens zeer smakelijk.

“Heeft mijnheer Dombey zooveel hartelijks als ik hem heb toegeschreven?” zeide Cleopatra op een teeder kwijnenden toon. “Denkt gij dat hij het ernstig meent, mijn beste majoor? Zoudt gij raden dat hij werd aangesproken, of dat men hem maar liet begaan? Zeg mij eens als een goed man, wat gij zoudt raden.”—“Zullen wij hem met Edith Granger trouwen, mevrouw?” zeide de majoor met een schor gegrinnik.—“Geheimzinnig schepsel!” zeide Cleopatra, en liet haar waaier op des majoors neus neerkomen. “Hoe kunnen wij hem trouwen?”—“Ik zeg, zullen wij hem met Edith Granger trouwen, mevrouw?” grinnikte de majoor weder.

Mevrouw Skewton gaf geen antwoord met woorden, maar zag den majoor glimlachend aan, met zooveel schalkheid en levendigheid, dat de dappere officier dit voor eene uitdaging hield en een kus op hare buitengewoon roode lippen zou gedrukt hebben, als zij er niet met jeugdige behendigheid haar waaier had voorgehouden. Dit kon zedigheid wezen, of ook vrees voor een gevaar dat het rood bedreigde.

“Dombey, mevrouw, is eene goede vangst,” zeide de majoor.—“O gij inhalige vrek!” riep Cleopatra met een gilletje. “Gij doet mij ijzen.”—“En Dombey, mevrouw,” zeide de majoor, nog nader komende, “meent het ernstig. Jozef zegt dat. Bagstock weet dat. J. B. houdt hem er bij. Laat Dombey maar alleen begaan, mevrouw. Dombey is ingepakt. Doe wat gij gedaan hebt; doe niets meer; en verlaat u op J. B. dat het goed zal afloopen.”—“Denkt gij waarlijk zoo, mijn beste majoor?” zeide Cleopatra, die hem, in spijt van hare geveinsde onverschilligheid, zeer scherp in het oog had gehouden.—“Ik ben er zeker van, mevrouw,” antwoordde de majoor. “Cleopatra de weergalooze en haar Antonius Bagstock zullen nog dikwijls met opgetogenheid hiervan spreken, als zij de weelde van Edith Dombey’s huishouden mede genieten. Dombey’s rechterhand-man, mevrouw,” zeide de majoor, zich in zijn gegrinnik stuitende en eensklaps ernstig wordende, “is hier gekomen.”—“Van morgen?” zeide Cleopatra.—“Van morgen, mevrouw,” antwoordde de majoor. “En Dombey’s verlangen naar zijne komst, mevrouw, is daaraan toe te schrijven—geloof dat op Joe’s woord; want Joe is verduiveld slim”—de majoor tikte tegen zijn neus en kneep een van zijne oogen dicht, hetgeen zijne aangeborene schoonheid niet verhoogde—“dat hij wenscht dat die mijnheer Carker zal begrijpen wat er aan de hand is, zonder dat Dombey het hem zegt en hem raadpleegt. Want Dombey, mevrouw, is zoo trotsch als Lucifer.”—“Eene bekoorlijke eigenschap,” lispelde mevrouw Skewton, “die iemand aan mijne lieve Edith doet denken.”—“Wel, mevrouw,” zeide de majoor, “ik heb al eenige wenken gegeven, en die Carker begrijpt ze wel; en ik zal er nog meer geven, eer de dag om is. Dombey heeft tegen morgen van een toertje naar Warwick Castle en Kenilworth gesproken, na eerst met ons ontbeten te hebben. Ik zou de invitatie overbrengen. Wilt ge ons die eer bewijzen, mevrouw?” zeide de majoor, zwellende van kortademigheid en slimheid, terwijl hij een briefje uithaalde, waarin Paul Dombey mevrouw Skewton en hare beminnelijke dochter tot dit toertje inviteerde, met een naschrift waarin hij zijne bijzondere complimenten aan mevrouw Granger verzocht.—“St!” zeide Cleopatra eensklaps. “Edith.”