Dombey en Zoon

Part 33

Chapter 333,950 wordsPublic domain

Schimachtig gezelschap vergezelde Florence op en neer door het galmende huis, en zat bij haar in de ontmeubelde kamers. Alsof haar leven een tooverdroom was, sproten er gedachten uit hare eenzaamheid, die de werkelijkheid geheel veranderden. Zij verbeeldde zich zoo dikwijls wat haar leven zou geweest zijn als haar vader haar had kunnen liefhebben en zij een begunstigd kind was geweest, dat zij somtijds voor een oogenblik bijna geloofde dat het zoo was, en zij, door die peinzende verbeelding medegevoerd, zich scheen te herinneren, hoe zij werkelijk beiden haar broeder in zijn graf hadden zien dalen; hoe zij nog dikwijls over hem gesproken hadden, en haar goede vader, haar teeder aanziende, haar over hunne gemeenschappelijke hoop en vertrouwen op God had onderhouden. Op een anderen tijd verbeeldde zij zich dat hare moeder nog leefde. En o, welk een geluk, haar om den hals te vallen en zich met al de vertrouwelijke liefde harer ziel aan hare borst te klemmen! En o, hoe akelig weder het eenzame huis, als de avond viel en er niemand was!

Doch er was ééne gedachte—die zich nog nauwelijks duidelijk kon maken en toch vurig en krachtig in haar binnenste was—welke Florence ondersteunde als zij haar jeugdig hart, zoo zwaar beproefd, met moed en goede voornemens poogde te vervullen. In haar gemoed, gelijk in dat van iedereen die met de groote ramp onzer sterfelijkheid heeft te kampen, was eene plechtige verwondering en hoop binnengeslopen, die haar uit de schemerachtige wereld voorbij het tegenwoordige leven iets, gelijk flauwe muziek, van eene herkenning tusschen haar broeder en hare moeder toefluisterde, van eene bewustheid van haar, die beiden nog bewaarden, van liefde en medelijden voor haar, van eene kennis hoe zij haar weg op aarde zou voortzetten. Het was een balsemende troost voor Florence, deze gedachten te koesteren tot zij eens—het was kort nadat zij haar vader, laat in den nacht, in zijne eigene kamer had gezien—op het denkbeeld kwam, dat zij, als zij schreide omdat zijn hart van haar vervreemd bleef, misschien de geesten der dooden tegen hem zou opwekken. Hoe zwak en kinderachtig het ook wezen mocht, zoo iets te denken en daarbij te beven, haar liefderijk hart kon toch niet anders; en van dat uur af deed Florence haar best om de wreede wond in hare borst aan zich zelve te ontveinzen, en niet dan met hoop te denken aan hem, wiens hand haar die had toegebracht.

Haar vader wist niet—daaraan hield zij zich vast, van dien tijd af—hoe lief zij hem had. Zij was nog heel jong, en had geene moeder, en had nooit geleerd, hetzij door hare schuld of door haar ongeluk, hoe zij moest toonen dat zij hem liefhad. Zij wilde geduld hebben, zij wilde beproeven door den tijd die kunst te leeren, en hem zijn eenig kind beter doen kennen.

Dit werd het doel van haar leven. De morgenzon bescheen het vervallene huis, en vond dat besluit frisch en krachtig in de borst der eenzame meesteres. Onder al hare werkzaamheden van den dag bezielde het haar, want Florence hoopte dat, hoe meer zij wist en hoe meer talenten zij zich verwierf, hij des te vergenoegder zou zijn als hij haar leerde kennen. Somtijds verwonderde zij zich, met een angstig hart en een opwellenden traan, of zij wel in iets genoeg gevorderd was om hem te verrassen als zij eens bij elkander kwamen. Somtijds poogde zij te bedenken, of er niet een vak van kennis was, dat zijne belangstelling lichter dan een ander zou opwekken. Altijd, bij hare boeken, aan hare muziek, aan haar werk, op hare ochtendwandeling, en onder haar nachtgebed, had zij dat één groot doel in het oog. Vreemde studie voor een kind, den weg naar het hart van een hardvochtigen vader te leeren.

Er waren vele wandelaren op de straat, als de zomeravond in den nacht overging, die van den overkant naar het sombere huis keken, en de jeugdige gedaante voor het venster,—zulk een contrast daarbij—naar de sterren zagen opzien, en slechter zouden geslapen hebben indien zij hadden geweten waarover zij zoo peinsde. De naam van het huis, als een spookhuis, zou bij eenige eenvoudige lieden, die door het naargeestige voorkomen daarvan getroffen waren, en het zoo genoemd hadden, niet beter zijn geworden, als zij de geschiedenis van dat gebouw op den gevel hadden kunnen lezen. Maar Florence vervolgde haar heilig doel, zonder dat iemand er iets van vermoedde of haar hielp: zij was er alleen op bedacht hoe zij haar vader zou doen begrijpen dat zij hem liefhad, en bracht zelfs met hare geheimste gedachten geene aanklacht tegen hem in.

Zoo leefde Florence alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde op den anderen, en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.

Suze Nipper stond op zekeren morgen bij hare meesteres, terwijl deze een briefje cacheteerde dat zij geschreven had, en toonde door haar uitzicht dat zij den inhoud wist en goedkeurde.

“Beter laat dan nooit, lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “en ik zeg dat het altijd een verzetje zal zijn eens uit logeeren te gaan, al is het maar bij die oude Skettles’sen.”—“Sir Barnet en Lady Skettles,” antwoordde Florence, met eene zachte berisping, daar de jonge juffer met zooveel gemeenzaamheid van de bedoelde familie sprak, “zijn wel goed dat zij hunne invitatie zoo vriendelijk herhalen.”

Suze, die misschien zoo partijzuchtig was als ooit iemand op de wereld, en in alle dingen, groot en klein, dadelijk eene partij koos, waarvoor zij tegen de geheele wereld wilde vechten, kneep hare lippen dicht en schudde haar hoofd, als een protest tegen de belangeloosheid der Skettles’sen, en om aan te duiden dat het gezelschap van Florence hen rijkelijk voor hunne vriendelijkheid zou beloonen.

“Zij weten wel wat zij doen,” prevelde Suze; “laat dat maar voor de Skettles’sen over.”—“Ik ben er niet zeer op gesteld om naar Fulham te gaan, moet ik bekennen, Suze,” zeide Florence nadenkend. “Maar het zal toch goed zijn dat ik ga. Het zal beter zijn, denk ik.”—“Veel beter,” zeide Suze met nadruk.—“En dus,” vervolgde Florence, “al had ik liever willen gaan als er niemand was, in plaats van onder die vacantie, nu het schijnt dat er eenige jongelieden logeeren, heb ik met dankbaarheid ja gezegd.”—“En ik zeg, dat ik blij toe ben,” antwoordde Suze. “A-ah!”

Deze laatste uitroep, waarmede Suze in dien tijd dikwijls een gezegde besloot, werd beneden gehouden voor iets dat in het algemeen op mijnheer Dombey doelde, en jufvrouw Nipper’s verlangen aanduidde om hem eens te zeggen wat zij wel van hem dacht; maar zij gaf er nooit eene verklaring van, en dus had dit “A-ah!” bij de grootst mogelijke scherpheid, nog het bekoorlijke der geheimzinnigheid.

“Hoelang duurt het toch eer wij tijding van Walter krijgen, Suze!” merkte Florence na een oogenblik zwijgens aan.—“Ja wel lang, jufvrouw Flore!” antwoordde hare kamenier. “En toen Perch daar straks om brieven kwam vragen, zeide hij—maar wat beduidt het wat hij zegt!” riep Suze rood wordend uit. “Hij weet er veel van!”

Florence sloeg snel hare oogen op, en een gloed overspreidde haar gezichtje.

“Als ik niet meer mannelijks had,” zeide Suze, blijkbaar tegen een verborgen angst worstelende en hare jonge meesteres strak aanziende, terwijl zij zich op den onschuldigen Perch poogde boos te maken, “dan die flauwe kerel, zou ik nooit weer grootsch op mijn haar zijn, maar het achter mijne ooren opsteken, en eene grove muts dragen, zonder een strookje kant, tot de dood mij van mijne onbeduidendheid verloste. Ik mag geene Amazone wezen, jufvrouw Flore, en ik zou mij ook niet te schande willen maken door mij zelve zoo te misvormen, maar ik ben toch geen opgeefster, hoop ik.”—“Opgeven? Wat?” riep Florence met ontzetting uit.—“Wel, niets, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Lieve hemel, niets! Het is maar die natte papillot van een man, die Perch, dien iemand haast met een vinger zou kunnen omgooien.”—“Geeft hij het schip op, Suze?” vroeg Florence, zeer bleek.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Suze; “ik zou wel eens willen zien dat hij dat in mijn gezicht durfde doen. Maar hij loopt malen over een pot gember dien mijnheer Walter voor jufvrouw Perch zou sturen, en schudt zijn miserabel hoofd, en zegt dat hij maar hoopt dat hij zal komen; want, zegt hij, al kan het nu niet meer bijtijds zijn voor de bedoelde gelegenheid, dan kan het toch voor de volgende wezen, en dat maakt,” zeide Suze, met diepe minachting, “dat ik mijn geduld met dien kerel verlies, want al kan ik veel dragen, ik ben toch geen kameel, en ook,” voegde zij er na een oogenblik bedenkens bij, “als ik mij zelve wel ken, geen dromedaris.”—“Wat zegt hij anders, Suze?” vroeg Florence met ernst. “Wilt ge mij dat niet vertellen?”—“Alsof ik u niet alles zou willen vertellen, jufvrouw Flore!” zeide Suze. “Wel, jufvrouw, hij zegt dat men algemeen over het schip begint te praten, en dat er nog nooit een schip half zoolang op de reis is uit geweest zonder dat men er van hoorde, en dat de vrouw van den kapitein gisteren aan het kantoor is geweest, en er een beetje ongerust over scheen te zijn; maar dat kon iedereen wel zeggen; dat wisten wij te voren al.”—“Ik moet Walter’s oom gaan bezoeken,” zeide Florence haastig, “eer ik van huis ga. ik wil van morgen nog naar hem toe. Laten wij dadelijk maar gaan, Suze.”

Daar Suze niets tegen dit voornemen had, maar het integendeel hartelijk goedkeurde, waren zij spoedig gereed, en weldra op straat en op weg naar den houten adelborst.

De gemoedstoestand, waarin de arme Walter naar kapitein Cuttle was gegaan, op dien dag toen Brogley de uitdrager beslag op den boedel kwam leggen, en zelfs de kerktorens met eene executie schenen te dreigen, had veel gelijkenis naar dien waarin Florence zich nu naar oom Sam begaf; met dit verschil, dat Florence bovendien nog het verdriet had van te denken, dat zij misschien de onschuldige oorzaak was geweest om Walter in gevaar en allen wien hij dierbaar was, haar zelve daarbij ingesloten, in een doodelijken angst te brengen. Voor het overige schenen gevaar en onzekerheid overal geschreven te zijn. De weerhanen op huizen en torens schenen geheimzinnig op stormen te doelen en als spookvingers naar gevaarlijke zeeën te wijzen, waar, misschien, wrakken ronddreven, en hulpelooze schipbreukelingen dobberden, in een slaap, even diep als het onpeilbare water. Toen Florence in de City kwam en heeren voorbijging, die met elkander praatten, vreesde zij hen over het schip te hooren spreken en de tijding te zullen opvangen, dat het vergaan was. Prenten van schepen tegen de rollende golven kampende vervulden haar met schrik. De wolken en de rook, hoewel langzaam voortdrijvende, dreven veel te snel voor haar angst, en deden haar vreezen dat het op dat oogenblik op zee een storm woei.

Misschien was Suze Nipper onder den invloed van dergelijke gewaarwordingen, misschien ook niet; maar daar zij het in eene eenigszins drukke straat altijd met de jongens te kwaad had—tusschen welke klasse der menschheid en haar eene natuurlijke vijandschap bestond, die bij elke gelegenheid uitbarstte—scheen zij onderweg niet veel tijd te hebben om zich met nadenken bezig te houden.

Toen zij eindelijk aan den overkant der straat op de hoogte van den houten adelborst waren gekomen, en naar eene gelegenheid wachtten om over te stappen, waren zij in het eerst verwonderd voor de deur des instrumentmakers een jongen te zien, wiens appelrond gezicht naar de lucht was gekeerd, en die juist, toen zij naar hem keken, twee vingers van elke hand in den mond stopte, en op deze kunstige manier met verbazende schelheid floot naar eenige duiven hoog in de lucht.

“Jufvrouw Richards’ oudste, jufvrouw!” zeide Suze, “en de plaag van haar leven!”

Daar Polly Florence van de verbeterde vooruitzichten van haar zoon en erfgenaam was komen vertellen, was Florence op deze ontmoeting voorbereid; en bij het eerste gunstige oogenblik stapten zij dus de straat over, zonder zich langer met de beschouwing van jufvrouw Richards’ oudste en plaaggeest op te houden. Deze liefhebber van vogels en visschen bleef met alle macht aan het fluiten, en schreeuwde tusschenbeide, als dol van verrukking: “Ho! hoep! Wegvliegers! Wegvliegers!” een geroep, dat het kwade geweten der duiven zoodanig scheen te treffen, dat zij, in plaats van recht naar eene of andere stad in het noorden van Engeland te vliegen, gelijk zij eerst voornemens schenen, onzeker in het rond begonnen te zwieren; waarop jufvrouw Richards’ eerstgeborene nog harder begon te fluiten en te schreeuwen, met eene stem die boven het straatrumoer uitklonk.

Uit deze verrukking werd hij op eens naar de aarde teruggeroepen door een stomp van Suze, die hem den winkel deed binnenstuiven.

“Is dat de manier om uw berouw te toonen, nu uwe moeder maanden lang om u heeft zitten huilen?” zeide Suze, ten vervolge op den stomp. “Waar is mijnheer Gills?”

Rob, die zijne opwellende wederspannigheid tegen Suze smoorde, toen hij Florence zag volgen, duwde, ter eere der laatste, zijne knokkels tegen zijn haar, en zeide tot de eerste dat mijnheer Gills uit was.

“Haal hem dan naar huis,” zeide Suze met gezag, “en zeg dat mijne jonge jufvrouw hier is.”—“Ik weet niet waar hij naar toe is,” zeide Rob.—“Is dat berouw?” riep Suze met bijtende scherpheid uit.—“Wel, hoe kan ik hem gaan halen, als ik niet weet waar ik naar toe moet?” jankte de gekwelde Rob. “Hoe kunt ge zoo onredelijk zijn?”—“Heeft mijnheer Gills ook gezegd wanneer hij weder thuis zou komen?” vroeg Florence.—“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob, nogmaals zijne knokkels tegen zijn haar duwende. “Hij zeide dat hij kort na den middag weerom zou zijn; nu over een paar uren, jufvrouw.”—“Is hij angstig over zijn neef,” vroeg Suze.—“Ja, jufvrouw,” zeide Rob, zich bij voorkeur tot Florence richtende en Suze voorbijziende, “dat zou ik wel zeggen—heel erg zelfs. Hij blijft geen kwartier binnenshuis, jufvrouw. Hij kan geen vijf minuten op dezelfde plek blijven zitten. Hij zwiert rond als—net als een duif, die niet hokvast meer is,” zeide Rob, bukkende om door het venster naar de duiven te zien, en zich bedwingende, met de vingers halverwege naar zijn mond, op het punt om nog eens te gaan fluiten.—“Kent gij ook een vriend van mijnheer Gills, die kapitein Cuttle heet?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens.—“Die met zijn haak, jufvrouw?” antwoordde Rob, met eene ophelderende beweging van zijne linkerhand. “Ja, jufvrouw. Hij is hier eergisteren nog geweest.”—“Is hij later niet meer hier geweest?” vroeg Suze.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Rob, wederom tot Florence het woord richtende.—“Misschien is Walter’s oom daarheen, Suze,” merkte Florence aan.—“Naar kapitein Cuttle, jufvrouw?” viel Rob er op in. “Neen, daar is hij niet; want hij heeft de boodschap gelaten dat ik, als kapitein Cuttle aankwam, zeggen moest, hoe verwonderd hij was dat hij hem gisteren niet gezien had, en hem moest laten wachten tot hij terugkwam.”—“Weet ge waar kapitein Cuttle woont?” vroeg Florence.

Rob antwoordde bevestigend, sloeg een in perkament gebonden boekje, dat in den winkel lag, op, en las het adres voor.

Florence keerde zich weder naar hare kamenier en nam fluisterend raad met haar, terwijl Rob, aan den last van zijn patroon gedachtig, keek en luisterde. Florence stelde voor dat zij bij kapitein Cuttle aan huis zouden gaan, om van hem te hooren wat hij er van dacht, dat er in zoolang geene tijding van de Zoon en Erfgenaam kwam, en hem zoo mogelijk mede te brengen om oom Sam te troosten. Suze maakte in het eerst eenig bezwaar, uit hoofde van den afstand; maar toen hare meesteres van eene huurkoets sprak, trok zij deze bedenking in en gaf hare toestemming. Het beraad duurde eenige minuten, eer zij tot dit besluit kwamen, en in dien tijd wijdde de starende Rob beurtelings zijne aandacht aan beide spreeksters, en keerde beide beurtelings zijn oor toe, alsof hij was aangesteld om het geschil te beslissen.

Eindelijk werd Rob om eene koets gezonden, terwijl de dames in den winkel bleven wachten; en toen hij er mede aankwam, stapten zij in, voor oom Sam de boodschap latende dat zij op den terugweg zeker nog eens zouden aankomen. Nadat Rob de koets had nagekeken, tot zij even onzichtbaar was als de duiven nu waren geworden, zette hij zich met alle vlijt aan den lessenaar, en om niets van het gebeurde te vergeten, maakte hij daarvan aanteekeningen op verscheidene brokjes papier, waarbij hij niet weinig inkt gebruikte. Er was geen gevaar dat deze documenten, als zij toevallig te zoek raakten, iets zouden verraden; want lang voor dat een woord droog was, werd het voor Rob zelven zulk een geheimzinnig raadsel, alsof hij geen het minste deel aan het schrijven had gehad.

Terwijl hij nog aan dezen arbeid zat, hield de huurkoets—na het ontmoeten van ongehoorde bezwaren, door draaibruggen, grondelooze wegen, onoverkomelijke vaarten, wagens met vaten, plantages van roode klimboomen en kleine waschhuisjes, en andere in dat gewest veelvuldige hindernissen veroorzaakt—aan den hoek van Brig Place stil. Hier afstappende, gingen Florence en Suze de straat langs en zochten naar de woning van kapitein Cuttle.

Het ongeluk wilde dat het juist een van jufvrouw MacStinger’s groote schoonmaakdagen was. Bij zulk eene gelegenheid, werd deze jufvrouw des morgens kwartier vóór drieën door den politieman opgeklopt, en bezweek zij zelden voor twaalf uur in den nacht onder haar arbeid. Het hoofdoogmerk dezer instelling scheen te zijn, dat jufvrouw MacStinger met het krieken van den dag al het huisraad in het tuintje bracht, den geheelen dag op klompen door het huis liep, en na den donker het huisraad weder binnenbracht. Onder deze ceremoniën hadden de jeugdige MacStinger’s nergens rust of veiligheid, werden overal vandaan gejaagd, en waren dientengevolge buitengewoon onrustig en lastig.

Op het oogenblik toen Florence en Suze aan de deur van jufvrouw MacStinger kwamen, was die brave maar geduchte vrouw juist bezig met Alexander MacStinger, oud twee jaar en drie maanden, door den gang te zeulen, om hem in eene zittende houding op de straatsteenen te zetten; want Alexander was blauw in zijn gezicht, dewijl hij na eene kastijding zijn adem wat lang had ingehouden, en in zulke gevallen waren de koele straatsteenen een beproefd middel om hem weder te doen bekomen.

Het gevoel van jufvrouw MacStinger, als vrouw en moeder, werd diep gekwetst door het medelijden met Alexander dat zij in Florence’s gezichtje opmerkte; en de edelste driften onzer natuur volgende, in plaats van kleingeestig hare nieuwsgierigheid te voldoen, schudde zij Alexander dus nog wat, en deed alsof zij de vreemdelingen niet bemerkte.

“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Florence, toen het kind zijn adem terug had en dien gebruikte. “Is dit kapitein Cuttle’s huis?”—“Neen,” antwoordde jufvrouw MacStinger.—“Niet nommer negen?” zeide Florence aarzelend.—“Wie heeft gezegd, dat het nommer negen niet was?” was het antwoord.

Dadelijk viel Suze er op in, en verzocht jufvrouw MacStinger te mogen vragen, wat zij daarmede meende en of zij wel wist met wie zij sprak.

De jufvrouw nam haar eens op van het hoofd tot de voeten: “Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”—“Stil toch, Suze,” zeide Florence. “Misschien kunt gij wel zoo goed zijn om ons te zeggen waar kapitein Cuttle woont, jufvrouw, daar hij hier niet woont.”—“Wie zegt dat hij hier niet woont?” hervatte de onverzoenlijke jufvrouw MacStinger. “Ik zeide dat het kapitein Cuttle’s huis niet was—en het is ook zijn huis niet—en ik hoop dat het nooit zijn huis zal worden—want kapitein Cuttle weet niet hoe men een huis moet schoonhouden—en hij verdient geen huis te hebben—het is mijn huis—en als ik de bovenkamers aan kapitein Cuttle verhuur, doe ik iets daar ik geen dank voor heb, en strooi ik paarlen voor de zwijnen!”

Jufvrouw MacStinger verhief hare stem, om de bovenvensters te bereiken, en schoot ieder gezegde afzonderlijk uit, als uit een geweer met een oneindig getal van loopen. Na het laatste schot, hoorde men de stem des kapiteins, flauw protesteerend, boven op zijne kamer zeggen: “Sta vast, beneden!”—“Als gij naar kapitein Cuttle vraagt, daar is hij,” zeide jufvrouw MacStinger, gramstorig met hare hand wuivende. Toen Florence daarop zonder verder spreken binnentrad en Suze volgde, hervatte de jufvrouw hare wandeling op klompen, vervolgde Alexander, (nog op de steenen gezeten) die opgehouden had met huilen om naar het gesprek te luisteren, zijn gejammer, zich onder dit misbaar, dat geheel werktuigelijk was, vermakende met in de verte naar de huurkoets te kijken.

De kapitein zat op zijne kamer, met de handen in de zakken en de beenen onder zijn stoel opgetrokken, op een eilandje in een oceaan van zeepsop. De glazen waren gewasschen, de wanden waren afgeboend, de kachel was schoongemaakt, en alles, de kachel uitgezonderd, glom van het zeepsop, waarvan de reuk ook de lucht vervulde. Te midden van dit akelige tooneel keek de kapitein, op zijn eiland gebannen, treurig rond, en scheen op eene vriendelijke bark te wachten om hem te komen afhalen.

Maar toen de kapitein, zijne benauwde oogen naar de deur richtende, Florence en hare kamenier zag, konden geene woorden zijne verbazing beschrijven. Daar jufvrouw MacStinger’s welsprekendheid alle andere geluiden had verdoofd, had hij geen merkwaardiger bezoek verwacht dan van den bierjongen of den melkboer; en toen Florence verscheen en de kust van zijn eiland naderde, en hem hare hand toestak, stond de kapitein met zooveel ontzetting op, alsof hij voor een oogenblik dacht dat zij een jeugdig lid van de familie van den Vliegenden Hollander was.

Terstond echter zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, was des kapiteins eerste zorg haar op het droge te plaatsen, hetgeen hij gelukkig, met eene enkele beweging van zijn arm, volbracht. Zich toen op den waterplas wagende, nam de kapitein Suze om haar middel en droeg haar insgelijks naar het eiland. Daarna bracht hij met grooten eerbied Florence’s hand aan zijne lippen, en zag haar op eenigen afstand (want het eiland was groot genoeg voor drie) met zielvolle blikken uit het zeepsop aan, gelijk een nieuw soort van Triton.

“Gij zijt zeker wel verwonderd ons hier te zien,” zeide Florence met een glimlach.

De onuitsprekelijk gevleide kapitein kuste tot antwoord zijn haak en bromde: “Sta vast! Sta vast!” alsof deze woorden een uitgezocht compliment waren.

“Maar ik kon geene rust hebben,” vervolgde Florence, “zonder te komen vragen wat gij van dien lieven Walter denkt—die nu mijn broeder is—en of er iets te vreezen is, en of gij zijn armen oom niet alle dag wilt gaan troosten, tot wij tijding van hem hebben.”

Bij deze woorden bracht kapitein Cuttle, als ware het onwillekeurig, zijne hand naar zijn hoofd, waarop de blinkende hoed niet stond, en keek verslagen.

“Zijt gij bang voor Walter’s behoud?” zeide Florence, van wier gezichtje de kapitein (zoo verrukt was hij) zijne oogen niet kon afwenden; terwijl zij hem, op hare beurt, ernstig aanzag, om overtuigd te zijn van de oprechtheid van zijn antwoord.—“Neen, hartediefje,” antwoordde kapitein Cuttle, “ik ben niet bang. Walter is een jongen die veel slecht weer zal doorstaan. Walter is een jongen, die dat schip zooveel geluk zal aanbrengen als een jongen maar doen kan. Walter,” zeide de kapitein, met glinsterende oogen en zijn haak opheffende om eene fraaie aanhaling aan te kondigen, “is wat gij noemen moogt, een uitwendig zichtbaar teeken van eene innerlijke geestelijke werking, en als gij dat vindt, zet er een streepje bij.”

Florence, die dit niet recht begreep, schoon de kapitein het blijkbaar voor zeer krachtig en duidelijk hield, zag hem vriendelijk aan, alsof zij nog iets meer hoopte te hooren.