Part 34
“Ik ben niet bang, mijn hartediefje,” hervatte de kapitein. “Er is ongemeen slecht weer in die breedten geweest, dat is niet tegen te spreken, en zij zijn misschien naar den anderen kant van de wereld afgedreven. Maar het schip is een goed schip, en de jongen is een goede jongen; en het is niet gemakkelijk, de Heer zij gedankt,” daarbij boog hij even, “gezond eikenhout te breken, hetzij van een schip of van een hart. Hier hebben wij allebei, en dus ben ik nog niet bang.”—“Nog niet?” herhaalde Florence.—“Geheel niet,” antwoordde de kapitein, zijne ijzeren hand kussende. “En eer ik begin bang te worden, mijn hartediefje, zal Walter al van het eiland of uit eene of andere haven naar huis hebben geschreven. En wat den ouden Sam Gills betreft,” hier werd de kapitein ernstig, “wien ik zal bijstaan en niet verlaten tot de dood ons scheidt, en als de stormen waaien, waaien—zie den katechismus maar na,” voegde de kapitein er tusschen, “en daar zult gij die woorden vinden—als het Sam Gills zou troosten om het gevoelen te hooren van een varensman, die nergens voor staat, en die in zijn leertijd het eene ongeluk op het andere heeft gehad, en die Bunsby heet, dan zal die man hem in zijn eigen achterkamertje dingen zeggen, waarvan hij versuft zal staan. Ja!” zeide de kapitein snoevend, “zoo goed alsof hij met zijn hoofd tegen eene deur was geloopen.”—“Laten wij met dezen heer naar hem toegaan, en hooren wat hij zegt,” riep Florence uit. “Wilt gij nu met ons meegaan? Wij hebben eene koets hier.”
Wederom bracht de kapitein de hand naar het hoofd, waarop de harde blinkende hoed niet stond, en keek verslagen. Maar op dit oogenblik had er een zeer opmerkelijk verschijnsel plaats. De deur ging, zonder dat men eenig gerucht had gehoord, open, en de harde blinkende hoed kwam als een vogel de kamer invliegen en viel met een zwaren bons voor des kapiteins voeten neer. Toen sloot zich de deur weder even geweldig als zij zich geopend had, zonder dat er iets volgde dat dit wonder kon verklaren.
Kapitein Cuttle raapte zijn hoed op, keerde hem met een blik van genoeglijke belangstelling om en om, en begon hem met zijne mouw op te wrijven. Zoo doende, keek de kapitein zijne bezoeksters aan en zeide met eene zachte stem:
“Ik zou gisteren en van morgen wel naar Sam Gills zijn gegaan, maar—zij had hem gekaapt en weggestopt.—Dat is het lange en het korte van de zaak.”—“Wie heeft dat gedaan, om alle goedheid?” vroeg Suze.—“De huisvrouw, liefje,” antwoordde de kapitein, met een grof gefluister en een wenk om voorzichtig te zijn. “Wij hadden woorden over het zwabberen van die planken, en zij—kortom,” zeide de kapitein, zich met eene zware uitademing verluchtende, “zij gaf mij arrest.”—“O, ik wou dat zij eens met mij te doen had,” zeide Suze, rood wordende door het vuur van dien wensch. “Ik zou haar wel wat doen bedaren!”—“Zoudt ge dat denken, liefje?” hervatte de kapitein, twijfelachtig zijn hoofd schuddende, maar den moed der schoone aspirante met blijkbare bewondering beschouwende. “Ik weet het niet. Het is een moeielijk vaarwater. Zij is lastig om mee om te gaan, liefje. Men kan nooit weten welken koers zij zal houden. Het eene oogenblik houdt zij af, en het andere komt zij vlak op u aan. En als zij op haar dreef is,” zeide de kapitein, terwijl het zweet hem op het voorhoofd uitbrak—Niets anders dan een gefluit was nadrukkelijk genoeg om den zin te besluiten, en de kapitein floot dus, maar bevende. Daarna schudde hij wederom zijn hoofd en opnieuw Suze’s dapperheid bewonderende, herhaalde hij beschroomd: “Zoudt ge dat denken, liefje?”
Suze antwoordde slechts met een spottenden glimlach, maar zoo uitdagend, dat men niet weten kan hoelang de kapitein verrukt van verwondering zou zijn gebleven, als Florence niet met angstig ongeduld had voorgesteld om terstond naar den wijzen Bunsby te gaan. Aldus aan zijn plicht herinnerd, zette de kapitein den blinkenden hoed vast op het hoofd, nam een nieuwen knoestigen stok, welke voor den aan Walter gegevenen in de plaats was gekomen, bood Florence zijn arm, en hield zich gereed om door den vijand heen te slaan.
Het bleek echter dat jufvrouw MacStinger, gelijk de kapitein het uitdrukte, reeds een anderen koers had genomen, want toen zij beneden kwamen, vonden zij die voorbeeldige vrouw op de stoep bezig met matten uitkloppen, terwijl Alexander, flauw zichtbaar door een nevel van stof, nog op de straatsteenen zat; en zoozeer was jufvrouw MacStinger in deze huiselijke bezigheid verdiept, dat zij, toen het gezelschap voorbijkwam, des te harder klopte en geene de minste bewustheid van iemands nabijheid toonde. De kapitein was zoo in zijn schik dat hij zoo gemakkelijk vrij kwam—hoewel het mattenstof de werking van snuif op hem had en hem deed niezen tot de tranen over zijn gezicht rolden—dat hij zijn geluk nauwelijks kon gelooven, maar tusschen de deur en de huurkoets meermalen over zijn schouder omkeek, blijkbaar bevreesd dat jufvrouw MacStinger nog jacht op hem zou maken.
Zij bereikten echter den hoek van Brig Place, zonder dat die geduchte kanonneerboot hen lastig viel; en de kapitein, op den bok geklommen—want zijne galanterie wilde hem niet veroorloven om bij de dames te gaan zitten, hoewel men hem daarom verzocht—loodste den koetsier op zijn koers naar kapitein Bunsby’s schip, dat de Voorzichtige Clara heette en dicht bij Ratcliffe lag.
Aan de werf gekomen, waarvoor het schip van dien zeevoogd tusschen nagenoeg vijfhonderd kameraden lag ingeklemd, welker verwarde tuigage naar reusachtige, half weggeveegde spinnewebben geleek, vertoonde kapitein Cuttle zich voor het portier en noodigde Florence en Suze uit om met hem aan boord te gaan; aanmerkende dat Bunsby uiterst galant voor dames was, en niets zoozeer zou strekken om zijn geweldig brein in een staat van harmonie te brengen dan dat zij zich aan hem lieten presenteeren.
Florence was terstond gewillig, en haar handje in zijne geduchte vuist nemende, leidde de kapitein haar met eene mengeling van vaderlijke, beschermende teederheid, trotschheid en deftigheid, die alleraardigst was om aan te zien, over verscheidene zwarte dekken, tot zij aan de Clara kwamen, welke voorzichtige bodem buiten de rij lag, met de loopplank weggenomen en zes voet rivierwater tusschen haar en haar naasten buurman. Het scheen, volgens kapitein Cuttle’s verklaring, dat de groote Bunsby, evenals hij zelf, door zijne huiswaardin zeer hard werd behandeld, en als hij die behandeling niet langer kon uithouden, als laatste toevlucht, aldus eene kloof tusschen hen plaatste.
“Clara, a-hoy!” riep de kapitein, met de hand naast den mond.—“A-hoy!” riep een jongen terug, die van beneden kwam opschieten.—“Bunsby aan boord?” riep de kapitein, met eene stem alsof de jongen eene halve mijl in plaats van twee voetstappen ver was.—“Ja, ja!” riep de jongen op denzelfden toon.
Daarop schoof de jongen kapitein Cuttle eene plank toe, welke deze zorgvuldig vastlegde, eer hij Florence er over hielp. Toen kwam hij voor Suze terug, en zoo stonden zij op het dek der Voorzichtige Clara, in welks staande touwen verschillende fladderende kleedingstukken hingen te drogen, in gezelschap met eenige tongen en makreelen.
Terstond daarop verscheen uit het luik van de kajuit een zeer groot menschelijk hoofd met een mahoniehouten gezicht, één vaststaand en één draaiend oog. Dit hoofd was versierd met ruige haren, naar uitgeplozen touw gelijkende, die geene heerschende richting naar eenige windstreek hadden, maar zich naar alle punten van het kompas uitspreidden. Dit hoofd werd gevolgd door een hemdsboord en halsdoek, en door eene ruige zeemansjas, en door eene ruige zeemansbroek, met zulk een breeden en hoogen band, dat zij ook in plaats van vest diende, zijnde op en nabij het borstbeen van den drager versierd met eenige houten knoopen, zoo groot en dik als damschijven. Toen de ondereinden van die broek boven waren gekomen, stond Bunsby daar, met de handen in zijne diepe zakken, en zijn blik gericht, niet naar den kapitein Cuttle of de dames, maar naar den top van den mast.
Het diepzinnig uitzicht van dezen philosoof, die grof en zwaar gebouwd was, en op wiens buitengemeen rood gezicht eene stilzwijgendheid ten troon zat, welke zijn roem in dit opzicht staafde, had zelfs voor kapitein Cuttle, die hem gemeenzaam kende, iets geduchts. Florence toefluisterende, dat Bunsby nog nooit in zijn leven verwonderd had gekeken, en, naar men dacht, niet eens wist wat verwondering was, bleef de kapitein staan wachten terwijl hij naar den top van den mast keek en zijn draaiend oog vervolgens langs den horizon dwaalde; en toen dit oog in zijne richting scheen te komen, zeide hij: “Bunsby, mijn jongen, hoe gaat het?”
Eene zware, grove, heesche stem, die niet van Bunsby scheen te komen, en waarbij zijn gezicht geen de minste verandering onderging, antwoordde: “Ja, ja, scheepskameraad, hoe gaat het!” Te gelijk kwam Bunsby’s rechterhand uit een zak, schudde die des kapiteins en werd weder in den zak gestopt.
“Bunsby,” zeide de kapitein, terstond ter zake komende, “daar staat gij, een man die verstand heeft, en een man die denkt. Hier is eene jonge juffer, die verlangt te weten wat gij wel denkt van mijn vriend Walter, en ook mijn anderen vriend, Sam Gills, iemand met wien ge wel mocht kennis maken, want hij is een man van wetenschap, en wetenschap breekt wet en is de moeder der uitvindingen. Bunsby, wilt gij, om mij pleizier te doen, met ons meegaan?”
De groote zeevoogd, die, naar de uitdrukking van zijn gezicht te oordeelen, altijd in de uiterste verte scheen te turen en niets te zien dat minder dan tien mijlen van hem af was, gaf geen antwoord hoegenaamd.
“Hier staat een man,” zeide de kapitein, zich tot zijne hoorderessen wendende en met zijn haak naar zijn vriend wijzende, “die meer vallen heeft gedaan, dan iemand op de wereld, en meer ongelukken heeft gehad dan het geheele zeemanshospitaal bij elkander; die, toen hij nog jong was, zooveel sparren, houten en bouten op zijn hoofd heeft gekregen, dat men er een pleizierjacht van zou kunnen bouwen, en die zoo een denker is geworden, wiens gelijke men op de wereld niet vindt.”
De zwijgende zeevoogd scheen door eene zeer geringe trilling zijner ellebogen eenige tevredenheid over deze lofspraak aan te duiden; maar zijn gezicht gaf geen het minste blijk van hetgeen er in zijne gedachten omging.
“Scheepskameraad,” zeide Bunsby op eens, bukkende om onder eene spar, die hem in den weg was, door te kijken, “wat zullen de dames drinken?”
Kapitein Cuttle, wiens kieschheid door zulk eene vraag met betrekking tot Florence geschokt werd, trok den wijze ter zijde, scheen hem aan zijn oor iets uit te leggen, en ging met hem naar beneden; waar, opdat hij zich niet boos zou maken, de kapitein zelf een borrel dronk, dien Florence en Suze, door het opene luik kijkende, den wijze voor zich zelven en zijn vriend zagen inschenken. Weldra kwamen zij weder op het dek, en leidde kapitein Cuttle, opgetogen over den goeden uitslag zijner onderneming, Florence naar de koets terug, terwijl Bunsby met Suze volgde, welke hij onderweg (tot groote verontwaardiging dier jonge juffer) in zijn ruigen arm gesloten hield, alsof hij een blauwe beer was.
De kapitein zette zijn orakel in de koets, en was er zoo trotsch op dat hij dit gedaan had gekregen, dat hij niet kon nalaten om dikwijls door het raampje achter den koetsier naar Florence te kijken en tegen zijn voorhoofd te tikken, als een wenk dat Bunsby’s brein reeds aan het werk was. Ondertusschen bewaarde Bunsby zijn ernstig stilzwijgen, wel op den duur zijn arm om Suze heen houdende (want zijn vriend had niet te veel van zijne galanterie gezegd), maar zonder anders eenige bewustheid van haar of iets anders te toonen.
Oom Sam, die thuis gekomen was, ontving hen aan de deur en bracht hen terstond naar het achterkamertje, dat door Walter’s afwezigheid een geheel ander voorkomen scheen te hebben gekregen. Op de tafel en hier en daar verspreid lagen de kaarten, waarop de instrumentmaker zoo dikwijls het vermiste schip had pogen na te sporen, en waarop hij zoo even, met een passer dien hij nog in de hand had, gemeten had hoe ver het wel had kunnen afdrijven, om zoo te betoogen, dat het nog lang moest duren eer men niet meer kon hopen.
“Of het kan verzeild wezen tot aan,” zeide de oude man, met een angstigen blik over de kaart; “maar neen, dat is bijna onmogelijk. Of dat het door slecht weder genoodzaakt kan zijn om—maar dat is ook niet te denken. Of dat er hoop is, dat het zoo ver uit den koers is geraakt dat—maar zelfs dat kan ik haast niet hopen.”
Met zulke afgebrokene gissingen zwierf de arme oude man over het groote blad, en kon geen plekje van hoop en waarschijnlijkheid vinden, groot genoeg om er de punt van zijn passer op te zetten.
Florence zag terstond—het zou moeielijk geweest zijn het niet te zien—dat er eene zonderlinge, onbeschrijfelijke verandering bij den ouden man had plaats gehad, en dat zijn voorkomen, schoon veel onrustiger dan gewoonlijk, toch eene daarmede strijdige vastberadenheid had, die haar geheel in de war bracht. Eens verbeeldde zij zich dat hij niet recht wist wat hij zeide; want toen zij sprak van hare spijt dat zij hem des morgens niet had gevonden, antwoordde hij eerst dat hij naar haar toe was geweest, en scheen terstond daarop dat antwoord te willen herroepen.
“Naar mij toe geweest?” zeide Florence. “Vandaag?”—“Ja, lieve jonge juffer,” antwoordde oom Sam, met zekere verlegenheid eerst haar aanziende en toen weder naar een anderen kant kijkende, “ik wenschte u nog eens met mijne eigene oogen te zien en met mijne eigene ooren te hooren, eer—” Daarbij bleef hij steken.
“Eer? Eer wat?” zeide Florence, hare hand op zijn arm leggende.—“Heb ik “eer,” gezegd?” antwoordde de oude man. “Dan moet ik gemeend hebben, eer wij tijding van mijn lieven Walter kregen.”—“Ge zijt niet wel,” zeide Florence met teedere bezorgdheid. “Ge zijt ook zoo ongerust geweest. Ge zijt zeker niet wel.”—“Ik ben zoo gezond,” antwoordde de oude man, zijne rechterhand sluitende en uitstekende, om ze haar te toonen, “zoo gezond en sterk als iemand op mijne jaren kan hopen te zijn. Zie maar! Zij is vast. Is haar meester niet in staat om zooveel kracht en moed te toonen als menig jonger man? Ik denk van ja. Wij zullen zien.”
Er was iets in zijn toon, meer dan in zijne woorden, schoon ook deze haar bijbleven, hetwelk zulk een indruk op Florence maakte, dat zij hare ongerustheid terstond aan kapitein Cuttle zou hebben te kennen gegeven, indien de kapitein niet juist dat oogenblik had waargenomen om den wijzen Bunsby de omstandigheden mede te deelen, waarover men zijne diep doordachte meening wenschte te vernemen.
Bunsby, wiens oog ergens halverwege tusschen Londen en Gravesend gevestigd bleef, stak twee- of driemaal zijn ruigen rechterarm uit, om dien om Suze’s ranke gestalte te slaan, als wilde hij zich daardoor inspireeren; maar daar Suze in ongenoegen naar den anderen kant van de tafel was gegaan, kon de wijze zeeman zijne galante neiging niet bevredigen. Na verscheidene zulke mislukkingen, sprak hij, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, aldus; of liever de stem in zijn binnenste, zeide van zelf, alsof hij door een brommenden geest bezeten was: “Mijn naam is Jack Bunsby!”—“Hij is John gedoopt,” riep de opgetogen kapitein Cuttle uit. “Hoor maar!”—“En wat ik zeg,” vervolgde de stem, na eenig bedenken, “daar blijf ik bij.”
De kapitein, met Florence aan den arm, knikte tot het gehoor en scheen te zeggen: “Nu komt het! Dat heb ik gemeend, toen ik hem meebracht.”—“Waarom?” vervolgde de stem. “Waarom niet? Zoo ja, dat is hetzelfde. Kan iemand anders zeggen? Neen. Pak aan dan!”
Toen de redeneering zoover gekomen was, bleef de stem eene poos steken. Daarna vervolgde zij zeer langzaam aldus: “Of ik geloof dat de Zoon en Erfgenaam vergaan is, kameraads? Misschien. Zeg ik zoo? Hoe dan? Als een schipper het kanaal van Sint George uitvaart en koers houdt naar Duins, wat heeft hij dan vlak voor den boeg? De Goodwins. Hij behoeft het niet op de Goodwins te zetten, maar hij kan toch. Die observatie moet maar berekend en toegepast worden. Maar dat behoef ik niet te doen. Pak aan dan, houdt goede wacht, en—goede reis!”
Daarmede ging de stem het achterkamertje uit en de straat op, den kapitein der Voorzichtige Clara medenemende, en vergezelde hem met allen spoed weder naar boord, waar hij in de kooi kroop en zijn brein met een dutje verfrischte.
Zij die de uitspraak van den wijze hadden gehoord en zelven de toepassing zijner wijsheid moesten zoeken—volgens een regel, die de steunpilaar van Bunsby’s roem, en misschien ook van andere orakelsprekers is—zagen elkander eenigszins twijfelachtig aan; terwijl Rob de Slijper, die de vrijheid had genomen om door het lantarenraam in het dak te luisteren en te kijken, geheel versuft weder van het plat naar beneden kwam. Kapitein Cuttle, wiens achting voor Bunsby, zoo mogelijk, nog verhoogd was, door de luisterrijke manier waarop deze zijn roem had gehandhaafd, verklaarde echter dat Bunsby niets anders had gemeend dan dat men maar moest hopen en vertrouwen; dat Bunsby niet bang was; en dat zulk eene uitspraak van zulk een man het beste was dat men kon verlangen. Florence poogde te gelooven dat de kapitein gelijk had; maar Suze schudde, met stijf over elkander geslagene armen, haar hoofd, en vertrouwde Bunsby even weinig als zij Perch deed.
De philosoof scheen den goeden oom Sam nagenoeg gelaten te hebben waar hij hem gevonden had, want de oude man bleef nog met den passer in de hand over de waterwereld dwalen, en kon geen rustpunt daarvoor vinden. Het was na een gefluisterd verzoek van Florence, dat kapitein Cuttle zijne zware hand op zijn schouder legde.
“Hoe gaat het, Sam Gills?” zeide de kapitein hartelijk.—“Maar zoo, zoo, Ned,” antwoordde de instrumentmaker. “Ik heb er dezen geheelen middag aan gedacht, dat op den dag toen mijn jongen bij Dombey op het kantoor was gekomen, en laat thuis kwam om te eten, en daar zat waar gij nu staat, wij toen van stormen en schipbreuken praatten, en ik hem haast niet daarvan kon afbrengen.”
Maar toen hij de oogen van Florence ontmoette, die ernstig uitvorschend op hem gevestigd waren, zweeg de oude man met een glimlach stil.
“Sta vast, oude vriend!” riep de kapitein. “Ik zal u eens wat zeggen, Sam Gills. Als ik Hartediefje veilig heb thuis gebracht,” daarbij kuste hij zijn haak naar Florence, “zal ik terugkomen en u voor de rest van dezen dag op sleeptouw nemen. Gij moet hier of daar met mij gaan eten, Sam!”—“Neen, vandaag niet, Ned,” zeide de oude man snel, en scheen van dit voorstel op eene onverklaarbare wijs te schrikken. “Vandaag niet. Dat zou ik niet kunnen!”—“Waarom niet?” hernam de kapitein, hem met verbazing aanziende.—“Ik—ik heb zooveel te doen. Ik—ik meen te denken en te beschikken. Ik kan niet, Ned, waarlijk niet. Ik moet vandaag nog weer uitgaan, en alleen wezen, en voor allerlei dingen zorgen.”
De kapitein zag den instrumentmaker, en daarop Florence, en wederom den instrumentmaker aan. “Morgen dan,” zeide hij eindelijk.—“Ja, ja, morgen,” zeide de oude man. “Denk morgen maar om mij. Zeg morgen.”—“Dan zal ik vroeg hier komen, onthoud dat, Sam Gills,” bedong de kapitein.—“Ja, ja, morgenochtend heel vroeg,” zeide de instrumentmaker. “En nu goedendag, Ned Cuttle, en God zegen u.”
Dit zeggende drukte de oude man den kapitein met buitengewone warmte de hand, keerde zich toen naar Florence, vatte hare beide handjes, drukte ze aan zijne lippen, en bracht haar daarop met buitengewone haast naar de koets. Over het geheel maakte hij zulk een indruk op kapitein Cuttle, dat deze nog even draalde, om Rob te belasten dat hij tot morgenochtend bijzonder oplettend en gewillig voor zijn meester moest wezen, welk bevel hij aandrong met de betaling van een schelling op hand en de belofte van nog een halven des anderen daags. Deze vriendendienst verricht hebbende, klom de kapitein, die zich zelven als de natuurlijke en wettige lijfwacht van Florence beschouwde, weder op den bok, en bracht haar, met eene verhevene bewustheid van zijn post van vertrouwen, naar huis. Bij het afscheid verzekerde hij haar, dat hij Sam Gills trouw zou blijven bijstaan, en buiten staat om Suze’s dappere woorden ten aanzien van jufvrouw MacStinger te vergeten, vroeg hij deze jonge juffer nog eens: “Zoudt ge dat waarlijk denken, liefje?”
Toen de deur van het naargeestige huis zich achter die twee gesloten had, begon de kapitein weder aan den instrumentmaker te denken, en gevoelde hij zich ongerust. In plaats van dus naar huis te gaan, wandelde hij de straat verscheidene malen op en neer, en zoo tot aan den avond dralende, ging hij eindelijk eten in zeker tusschen andere huizen als eene wig ingeklemd herbergje in de City, dat veel door blinkende hoeden werd bezocht. Des kapiteins voornaamste doel was, na den donker nog eens bij Sam Gills voorbij te gaan en door het venster binnen te kijken; hetgeen hij ook deed. De deur van het achterkamertje stond open, en hij zag zijn ouden vriend stil maar ijverig aan zijne tafel zitten schrijven, terwijl de houten adelborst, reeds voor den nacht geborgen, hem van de toonbank waarnam; onder welke Rob de Slijper, eer hij den winkel sloot, zijn bed opmaakte. Gerustgesteld door de kalmte, die er in den omtrek van den houten adelborst heerschte, zette de kapitein koers naar Brig Place, met voornemen om den volgenden morgen vroeg wederom het anker te lichten.
XXIV.
HET SMACHTEN VAN EEN LIEFDERIJK HART.
Sir Barnet en Lady Skettles, zeer goede menschen, woonden op een aardig buitentje bij Fulham, aan den oever van den Teems, dat allerliefst gelegen was om een wedstrijd van roeivaartuigen aan te zien, maar anders eenige kleine onaangenaamheden had, waaronder men rekenen kon dat de rivier somtijds in het salon verscheen, en dan gelijktijdig het grasperk en het heesterplantsoen verdwenen.
Sir Barnet Skettles duidde het gewicht van zijn persoon voornamelijk aan door eene antieke gouden snuifdoos, en een grooten zijden zakdoek, welken hij gewoon was met bijzondere statigheid uit zijn zak te halen, alsof het eene banier was, en met beide handen te gelijk te gebruiken. Sir Barnet’s levensdoel was den kring zijner bekenden bestendig uit te breiden. Evenals bij een steen, die in het water valt—zonder zulk een deftig man door zulk eene vergelijking te willen verkleinen—lag het in den aard der zaken, dat Sir Barnet een zich altijd vergrootenden kring om zich heen moest verbreiden, tot er geene plaats meer over was. Of, gelijk een klank in de lucht, waarvan de trilling, volgens de gedachten van een schrander natuurkundige, zich voor eeuwig door de eindelooze ruimte kan voortzetten, kon niets anders dan eene volslagene onmogelijkheid Sir Barnet Skettles stuiten in zijne ontdekkingsreis door het heelal der samenleving.