Dombey en Zoon

Part 32

Chapter 323,841 wordsPublic domain

“Ik zal mijn best doen, lieve moeder. Bij mijne ziel, ik zal nu mijn best doen!”—“Och, doe dat, mijn lieve jongen! En dat zult gij zeker, voor ons en voor u zelven,” zeide Polly, hem een kus gevende. “Maar gij komt toch terug om mij nog eens te spreken, als gij mijnheer hebt weggebracht?”—“Dat weet ik niet, moeder.” Rob aarzelde en liet het hoofd hangen. “Vader—wanneer komt hij thuis?”—“Niet voor morgen om twee uur.”—“Dan zal ik terugkomen, moeder lief,” zeide Rob; en door zijne broertjes en zusjes heengaande, die deze belofte met een schellen kreet ontvingen, volgde hij Carker naar buiten.—“Wat!” zeide Carker, die dit gehoord had. “Hebt gij een slechten vader?”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verbaasd. “Er is geen beter en goediger vader dan de mijne is.”—“Waarom wilt gij hem dan niet zien?” vroeg zijn patroon.—“Er is zulk een verschil tusschen een vader en eene moeder, mijnheer,” zeide Rob, na een oogenblik haperens. “Hij zou nog moeielijk kunnen gelooven dat ik het beter zal maken—al weet ik dat hij het wel zou willen gelooven—maar eene moeder—zij gelooft altijd wat goed is, mijnheer; ten minste, ik weet dat mijne moeder dat doet; God zegen haar!”

Carker rekte zijn mond uit, maar sprak niet meer voordat hij op zijn paard was gestegen en den man die het vasthield had weggezonden. Toen van den zadel af den oplettenden knaap strak in de oogen ziende, zeide hij: “Gij moet morgenochtend bij mij komen, en dan zal u beduid worden waar die oude heer woont; die oude heer, die van morgen bij mij was en waar gij naar toe gaat, gelijk ge mij hebt hooren zeggen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Rob.—“Ik stel het grootste belang in dien ouden heer, en als gij hem dient, doet ge mij ook dienst, jongen, verstaat gij wel? Goed,” zeide hij, Rob voorkomende, want hij zag bij deze woorden het ronde gezicht ophelderen, “ik zie dat gij het doet. Ik verlang alles van dien ouden heer te weten, en hoe hij het van dag tot dag maakt—want ik wenschte hem van allen mogelijken dienst te zijn—en vooral wie er bij hem komt. Verstaat ge wel?”

Rob knikte met een strak gezicht en zeide wederom: “Ja, mijnheer.”—“Ik zou gaarne hooren dat hij vrienden heeft, die hem niet vergeten—want hij is nu zooveel alleen, de arme man; maar dat zij van hem blijven houden, en van zijn neef, die het land uit is. Er is eene heel jonge dame, die misschien naar hem zal komen zien. Ik verlang vooral alles van haar te weten.”—“Daar zal ik wel voor zorgen, mijnheer,” zeide de jongen.—“En pas wel op,” hervatte zijn patroon, bukkende om zijn grijnzend gezicht dichter bij dat van den knaap te brengen, en hem met het achtereind zijner zweep op den schouder te tikken, “pas wel op dat ge tegen niemand behalve mij van mijne zaken spreekt.”—“Tegen niemand in de wereld, mijnheer,” antwoordde Rob, zijn hoofd schuddende.—“Daar ook niet,” zeide Carker, naar de plaats wijzende waar zij vandaan kwamen, “en nergens anders. Ik zal zien of gij trouw en dankbaar kunt zijn. Ik zal u op de proef stellen!” Dit gezegde, door het vertoonen zijner tanden en de beweging van zijn hoofd, evenzeer tot een dreigement als eene belofte makende, keerde hij zich voor Robin’s oogen om—die aan hem vastgenageld waren, alsof hij den jongen door tooverij met lichaam en ziel aan zich onderworpen had—en reed heen. Daar hij echter, na een eindje te hebben gedraafd, wederom bespeurde, dat zijn trouwe geleider, evenals te voren met een zakdoek omgord, hem nog, tot groot vermaak van verscheidene toeschouwers, op zijde bleef, hield hij op en beval hem naar huis te gaan. Om zich te verzekeren dat hij gehoorzaamd werd, keerde hij zich in den zadel om en keek hem na. Het was merkwaardig om te zien, dat Rob zelfs nu nog zijne oogen niet geheel van het gezicht zijns patroons kon afhouden, maar gedurig naar hem bleef omkijken, en daardoor telkens tegen andere voetgangers aanliep, zonder dat hij dit scheen te bemerken.

Carker de chef reed nu stapvoets voort, met het geruste gezicht van iemand die al zijne bezigheden van dien dag naar genoegen heeft afgedaan. Hij neuriede al voortrijdende zelfs zachtjes een wijsje. Hij scheen te spinnen, zoo vergenoegd was hij.

In zijne verbeelding lag hij zich ook voor een haard te koesteren. Voor zekere voeten ineengedoken, was hij gereed om op te springen en te bijten of te krabben, of ook om te streelen en te vleien, naarmate hij daartoe lust en gelegenheid kreeg. Was er ergens een vogeltje in eene kooi, dat in zijne aandacht deelde?

“Eene heel jonge dame,” dacht Carker, al neuriënde. “Ja: toen ik haar de laatste maal zag, was zij nog een klein kind. Met donkere oogen en haar, herinner ik mij, en een goedig gezichtje; een heel goedig gezichtje. Zij zal nu wel mooi zijn geworden.”

Nog genoeglijker en tevredener reed Carker verder en sloeg eindelijk de beschaduwde straat in, waar het huis van Dombey stond. Hij had het zoo druk gehad met netten om goedige gezichten te knoopen en ze met de mazen te verdonkeren, dat hij er niet aan dacht reeds zoo ver te zijn, tot hij, het koude verschiet der hooge huizen langs ziende, zijn paard, op eenige schreden afstands van de deur, inhield. Maar om te verklaren waarom Carker zijn paard eensklaps inhield, en wat hij met geene geringe verwondering aanzag, is eene kleine uitweiding noodig.

Toots, uit de slavernij bij doctor Blimber bevrijd, en in het genot van zeker gedeelte zijner aardsche bezittingen gekomen, “dat,” gelijk hij mijnheer Feeder, in het laatste halfjaar van zijn proeftijd, elken avond als eene nieuwe ontdekking had medegedeeld, “de executeuren hem niet konden onthouden,” had zich met grooten ijver op de wetenschap des levens toegelegd. Door eene edele eerzucht om uit te blinken aangevuurd, had hij eenige keurige apartementen gehuurd, en een zijner kamers tot een jachtsalon ingericht, versierd met de portretten van vermaarde renpaarden, waarin hij geen het minste belang stelde, en een rookdivan, die hij niet kon gebruiken zonder misselijk te worden. In dit verrukkelijk verblijf, wijdde hij zich aan de beoefening dier vriendelijke kunsten, welke het menschdom beschaven en veredelen, en waarin zijn voornaamste leermeester zeker belangwekkend persoon was, die de kemphaan werd genoemd, altijd in de tapperij De Zwarte Bunsing was te bevragen, in het warmste weder eene ruige witte jas droeg, en Toots driemaal in de week met vuisten kwam stompen, tegen het geringe honorarium van tien en een halven schelling voor ieder bezoek.

De kemphaan, die de Apollo van Toots’ Pantheon was, had hem met een markeur in kennis gebracht die hem leerde biljarten, met een gardist die hem leerde schermen, met een stalbonk die hem leerde paardrijden, met een heer uit Cornwall die meester was in alle athletische oefeningen, en met nog twee of drie andere vrienden, niet minder nauw aan de schoone kunsten verwant. Onder zulke meesters kon Toots bijna niet missen snelle vorderingen te maken, en onder hunne leiding ging hij dus aan het werk.

Doch hoe het wezen mocht, het was toch zoo, dat zelfs terwijl deze heeren het innemende van nieuwe bekenden hadden, Toots zich toch, hij wist niet waarom, onbehaaglijk en ongedurig gevoelde. Hij werd door vlagen van verdrietelijkheid en verveling geplaagd, die zelfs de kemphaan niet kon verdrijven. Niets scheen hem zooveel goed te doen, dan gedurig een kaartje bij Dombey aan huis te brengen. Geen belastinggaarder in het Britsche rijk—dat uitgebreide grondgebied, waar de zon nooit onder- en de belastinggaarder nooit naar bed gaat—kwam ooit trouwer en regelmatiger terug dan Toots.

Toots ging nooit naar boven en vervulde altijd dezelfde ceremoniën—met opzet zeer zwierig daartoe gekleed—aan de straatdeur.

“Zoo, goeden morgen!” was het eerste gezegde, als de knecht opendeed. “Voor mijnheer Dombey,” was zijn tweede gezegde, terwijl hij een kaartje overgaf. “Voor jufvrouw Dombey,” was zijn derde, terwijl hij nog een kaartje overgaf.

Dan keerde Toots zich om, alsof hij wilde heengaan; maar de knecht kende hem al, en wist dat hij nog niet ging.

“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots dan, alsof die gedachte hem eensklaps inviel. “Is dat meisje thuis?”

De knecht dacht het dan wel, maar wist het niet zeker. Dan trok hij aan eene schel, die boven hing, en keek de trap op, en zeide, ja, zij was thuis en kwam naar beneden. Dan verscheen Suze Nipper, en ging de knecht heen.

“O! Hoe maakt gij het?” zeide Toots dan, grinnikend en blozend.

Suze bedankte hem dan, en zeide dat zij heel wel was.

“Hoe maakt het Diogenes?” was dan Toots’ tweede vraag.

Ook heel wel. Jufvrouw Florence hield van dag tot dag meer van hem. Toots begroette dit bericht met eene uitbarsting van gegrinnek, alsof men eene flesch met een of ander bruisend vocht opentrok.

“Jufvrouw Florence is ook heel wel, mijnheer,” voegde Suze er dan bij.—“O, dit komt er niet op aan, dankje wel,” was daarop het onveranderlijk antwoord van Toots; en als hij dit gezegd had, ging hij altijd zeer snel heen.

Nu is het zeker dat Toots iets nevelachtigs voor den geest had, hetwelk hem deed besluiten dat hij, als hij eens naar de hand van Florence kon staan, gelukzalig zou wezen. Het is zeker dat Toots, met een grooten omweg, tot dit begrip gekomen was, en daarbij was blijven stilstaan. Zijn hart was gekwetst; hij was verliefd. Op zekeren avond had hij eene wanhopige poging gedaan (en hij was den geheelen nacht daarvoor opgebleven) om een naamvers op Florence te schrijven, en terwijl hij er over zat te denken, had zijne ontroering hem tranen doen storten. Maar op schrift kwam hij niet verder dan de woorden: “Frisch klopt mijn hart wanneer ik zie,” daar de vlucht van verbeelding, waarmede hij de beginletters der zeven andere regels had neergeschreven hem toen begaf.

Behalve tot het uitdenken van dien listigen maatregel om mijnheer Dombey dagelijks een kaartje te brengen, was het brein van Toots nog niet zeer werkzaam geweest over het onderwerp dat zijn gevoel zooveel te doen gaf. Maar na diep overleg kwam Toots tot de overtuiging, dat het een gewichtige stap zou zijn als hij de gunst van Suze Nipper kon winnen, eer hij deze iets van den staat van zijn gemoed openbaarde.

Deze jonge juffer met schertsende galanterie te behandelen, kwam hem voor het rechte middel te zijn om haar voor zijne belangen te winnen. Niet in staat om het hieromtrent met zich zelven eens te worden, raadpleegde hij den Kemphaan—zonder dien heer evenwel in zijn vertrouwen te nemen, en hem slechts onderrichtende dat een vriend uit Yorkshire hem (Toots) om zijn gevoelen over zulk een vraagpunt had geschreven. Toen de Kemphaan hierop antwoordde, dat zijn gevoelen altijd was: “Zet maar door,” en verder: “Als gij uw portuur voor u hebt, ga dan uw gang,” hield Toots dit voor eene figuurlijke manier om zijne eigene meening te bevestigen, en nam dus het heldhaftige besluit om Suze des anderen daags een kus te geven.

Des anderen daags versierde Toots zich derhalve met het fraaiste dat Burgess en Comp. hem hadden geleverd, en ging met dit voornemen naar het huis van Dombey. Maar toen hij de plek naderde, waar hij zijn moed zou toonen, ontzonk hem deze zoozeer, dat het, schoon hij tegen drie uur in den namiddag daar aankwam, zes uur was eer hij aan de deur klopte.

Alles ging volgens gewoonte, tot aan het punt waar Suze zeide dat hare jonge meesteres heel wel was, en Toots zeide dat dit hem niet kon schelen. Tot hare verbazing, bleef Toots, in plaats van na dat gezegde als een vuurpijl heen te stuiven, voor haar staan grinniken.

“Misschien wilt gij wel eens boven gaan, mijnheer?” zeide Suze.—“Ja, mij dunkt ik zal eens binnenkomen,” zeide Toots.

Maar in plaats van de trap op te gaan, toen de deur gesloten was, deed Toots half in den blinde een greep naar Suze, sloot haar in zijne armen en gaf haar een kus op de wang.

“Loop heen,” riep Suze, “of ik zal je de oogen uitplukken.”—“Nog een!” zeide Toots.—“Loop heen!” riep Suze, hem een duw gevende. “Zulk een hals als gij! Wie zal er nu nog beginnen! Loop heen, mijnheer!”

Suze was niet ernstig in het nauw, want zij kon haast niet spreken van het lachen; maar Diogenes, op de trap, die een geritsel tegen den muur en een gescharrel van voeten hoorde, en door de leuning heen zag dat er eene vechtpartij plaats had en er een vreemde indringer in huis was, dacht er anders over, stoof tot ontzet naar beneden en had Toots in een oogwenk bij een been.

Suze gilde, lachte, deed de straatdeur open, en liep weg; de stoutmoedige Toots stommelde de straat op, met Diogenes aan een pijp van zijne broek; Diogenes, afgeschud, rolde om en om in het stof, sprong weder op, rende om den duizeligen Toots heen, en beet naar hem; en al dat oproer zag Carker, die op eenigen afstand zijn paard ophield, tot zijn verbazing uit het deftige huis van Dombey komen.

Carker bleef naar den onthutsten Toots zitten kijken, tot Diogenes binnengeroepen en de deur gesloten was, en ook nog terwijl Toots, schuilplaats zoekende in een poortje dichtbij, zijne gescheurde broekspijp verbond met een fraaien zijden zakdoek, die een deel was geweest van zijne kostbare uitrusting voor de onderneming.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Carker, met zijn vriendelijksten glimlach naar hem toerijdende, “ik hoop dat gij niet bezeerd zijt.”—“O neen, wel bedankt,” zeide Toots, zijn hoog gekleurd gezicht opheffende, “het is van geen beduiden.” Hij had wel willen doen gelooven, dat het hem zeer beviel.—“Als de hond zijne tanden in het vleesch heeft gezet, mijnheer,” begon Carker, naar zijn eigen been wijzende.—“Neen, wel bedankt,” zeide Toots. “Het is heel goed afgeloopen, ik voel er niets van. Wel bedankt.”—“Ik heb het genoegen van mijnheer Dombey te kennen,” merkte Carker aan.—“Hebt gij toch?” zeide de blozende Toots.—“En gij zult mij misschien wel willen vergunnen, dat ik in zijne afwezigheid voor zulk eene onaangenaamheid verschooning verzoek,” zeide Carker, zijn hoed afnemende, “en mij verwonder hoe zoo iets met mogelijkheid gebeurd kan zijn.”

Toots gevoelt zich door deze beleefdheid zoo zeer gestreeld, en is zoo blijde over de gelukkige kans om met een vriend van mijnheer Dombey kennis te maken, dat hij zijn kaartjestaschje uithaalt, hetwelk hij nooit verzuimt zooveel mogelijk te gebruiken, en Carker zijn naam en adres toereikt. Carker beantwoordt deze beleefdheid door hem zijn kaartje te geven, en daarmede scheiden zij.

Terwijl Carker zoo zachtjes het huis voorbijrijdt, en naar de vensters opziet, en het peinzende gezichtje poogt te onderscheiden dat achter het gordijn naar de kinderen aan den overkant kijkt, komt de ruige kop van Diogenes dicht daarbij geklauterd; en zonder naar verbod of liefkoozing te luisteren, bromt en blaft de hond, en schijnt van die hoogte naar hem te willen afspringen om hem van lid tot lid te verscheuren.

Wel gedaan, Diogenes, zoo dicht bij uwe meesteres! Nog eens, en nog eens, met den kop omhoog en vlammende oogen, grimmig den bek vertrekkende, dat gij hem niet kunt krijgen! Nog eens, terwijl hij, voorzichtig de schoonste plekjes zoekende, heenrijdt. Gij hebt een goeden reuk, Diogenes. Eene kat, jongen, eene kat!

XXIII.

FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG.

Florence leefde alleen in het groote, akelige huis, en de eene dag volgde den anderen, en nog leefde zij alleen; en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.

Geen tooverkasteel in een tooversprookje, in het hart van een dicht bosch verscholen, was voor de verbeelding ooit eenzamer en verlatener, dan haar vaderlijk huis in zijn stugge werkelijkheid was—des avonds, als er licht door de naburige vensters scheen, een zwarte vlek op die karige helderheid, over dag eene naargeestige uitzondering in eene lang niet vroolijke straat.

Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning, gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep, en aan elke zijde een grooten domper [3] droeg, die onheilspellend schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op. De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene plaats waar niets te hopen was.

De tooverban, die er op rustte, was verderfelijker dan die, welke eens op een tijd een huis in een tooverslaap dompelde, maar het als het weder ontwaakte onbeschadigd liet. De stille, verterende werking der onbewoondheid openbaarde zich overal. De zwaar neerhangende gordijnen verloren hare oude plooien en vormen en begonnen naar opgehangen lijkkleeden te gelijken. Hecatomben van meubelen, opgestapeld en overdekt, slonken weg, evenals in gevangenis vergetene menschen, en ondergingen eene ongevoelige verandering. Spiegels besloegen als door den adem van jaren. De kleuren van tapijten verschoten en werden zoo verward en flauw als de geheugenissen dier jaren. Planken, schrikkende van een ongewonen voetstap, kraakten en trilden. Sleutels roestten in de sloten van deuren. De vochtigheid sloeg de muren uit, en naarmate de vlekken naar buiten kwamen, schenen de schilderijen naar binnen te kruipen en zich te verbergen. In de kasten begon zich schimmel te vestigen, en boomachtige paddestoelen groeiden in de hoeken van kelders. Het stof hoopte zich overal op, niemand wist hoe; spinnen en motten zag men elken dag opnieuw. Nu en dan vond men eene verdwaalde zwarte tor onbeweeglijk op de trap of op eene bovenkamer, als verwonderd hoe zij daar gekomen was. Ratten begonnen des nachts te piepen en te schermutselen in de donkere galerijen, die zij achter de paneelen uitgroeven.

De akelige pracht der staatsievertrekken, onduidelijk gezien in het schemerlicht dat door de geslotene luiken drong, zou wel genoeg met een tooverkasteel hebben gestrookt. Zoo, bij voorbeeld, de dof aangeslagene pooten van vergulde leeuwen, die tersluiks onder een overtrek te voorschijn kwamen; de marmeren gelaatstrekken van borstbeelden, die spookachtig door een sluier heenschemerden; de pendules, die nooit den tijd verkondigden, of, als zij bij toeval werden opgewonden, dit verkeerd deden en onaardsche uren sloegen, die niet op de wijzerplaat staan; het toevallig gerinkel in de glazen lichtkronen, meer schrik aanjagend dan eene alarmklok; de verzachte klanken en de trage lucht, die zich tusschen deze voorwerpen en eene menigte anderen, allen even spookachtig, heendrongen. Bovendien was er de groote trap, waarop de heer des huizes zoo zelden zijn voet zette, en waarlangs zijn kind omhoog naar den hemel was gegaan. Er waren nog andere trappen en gangen, waar weken achtereen niemand kwam; er waren twee gesloten kamers, met herinneringen aan doode leden der familie, waarvan fluisterend werd gesproken; en voor het geheele huis was Florence, de eenige bevallige gedaante, die door deze somberheid en eenzaamheid rondging, en ieder levenloos voorwerp iets menschelijks gaf, dat belangstelling en verwondering opwekte.

Florence leefde alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde den anderen en nog leefde zij alleen, en de koude muren zagen starende op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.

Het gras begon op het dak en in de spleten der keldergaten te groeien. Schubachtige, kruimelige plantjes sproten om de vensterbanken uit. Stukjes kalk raakten binnen in de schoorsteenen los en kwamen ratelend naar beneden. De twee boomen met berookte stammen verstierven omhoog, en de verdorde takken overheerschten de bladeren. Door het geheele gebouw was het wit in geel, het geel bijna in wit veranderd; en van den tijd af toen de ongelukkige dame stierf, was het langzamerhand eene donkere gaping in de straat geworden.

Maar Florence bloeide daar, gelijk de schoone koningsdochter in het sprookje. Hare boeken, hare muziek en hare dagelijksche meesters en meesteressen, waren haar eenig wezenlijk gezelschap, Suze Nipper en Diogenes uitgezonderd. De eerste begon, door het bijwonen der lessen van hare jonge meesteres zelve een wonder van geleerdheid te worden, terwijl de laatste, mogelijk door denzelfden invloed verzacht, zijn kop op de vensterbank legde en een geheelen zomermorgen lang vreedzaam tegen de straat knipoogde; somtijds zijn kop opstak om met grooten ernst naar een luidruchtig blaffenden hond voor eene kar te kijken, en somtijds, eensklaps en zonder eenige aanleiding om zijn ouden vijand in de buurt denkende, naar de deur stoof, een verdoovend geweld maakte, en dan met een eigenaardig zelfbehagen kwam terugwandelen en zijn kop weder op de vensterbank legde, met het gezicht van een hond die den staat een dienst had bewezen.

Zoo leefde Florence in hare woestijn van een huis, binnen den kring harer schuldelooze bezigheden en gedachten, en niets deed haar leed of hinder. Zij kon nu naar haar vaders kamer gaan en aan hem denken, en met haar liefderijk hart hem nederig naderen, zonder vrees van teruggestooten te worden. Zij kon hem kleine blijken van hare gehechtheid en dienstvaardigheid geven, door alles met eigene handen voor hem in orde te brengen, ruikertjes voor zijne tafel te maken, ze een voor een te verwisselen, als zij verwelkten zonder dat hij terugkwam, dagelijks het een of ander voor hem gereed te maken, en bij zijne gewone plaats een schroomvallig teeken van hare tegenwoordigheid te laten. Vandaag was het een geschilderd kastje voor zijn horloge; morgen werd zij bang om dat daar te laten, en zette zij eene andere kleinigheid van haar maaksel in de plaats, die niet zoo licht zijn oog zou trekken. In den nacht wakker wordende, beefde zij misschien bij de gedachte dat hij thuis zou komen en er zich boos over maken, en sloop dan haastig, met een kloppend hart, naar beneden om haar werk weder weg te nemen. Een andermaal legde zij slechts haar hoofdje op zijn lessenaar, en liet daar een kus en een traan.

Nog wist niemand daarvan. Als de dienstboden het niet ontdekten, wanneer zij er niet was—en allen waren bang voor Dombey’s kamer—was het een even diep geheim in het hart, als wat vroeger was gebeurd. In den schemeravond, des morgens vroeg, en somtijds als men beneden aan het eten was, sloop Florence naar die kamers; en hoewel ieder hoekje te helderder en vroolijker was door hare zorg, glipte zij zoo stil als een zonnestraal uit en in, behalve dat zij haar licht achterliet.