Dombey en Zoon

Part 31

Chapter 313,890 wordsPublic domain

Deze was van de hand van zijn grooten patroon, Dombey, en van Leamington gedateerd. Schoon hij een vlug lezer van alle andere brieven was, las Carker dezen langzaam: ieder woord wegende, en al zijne tanden als het ware er op scherpende. Toen hij het geschrift had doorgelezen, sloeg hij het blad nog eens om, en zocht deze plaatsen uit: “Ik vind dat de verandering mij heilzaam is, en ben nog niet gezind om een tijd voor mijne terugkomst te bepalen.”—“Ik wenschte, dat gij schikking wildet maken om eens in persoon over te komen, om mij te zeggen hoe de zaken gaan.” “Ik heb nagelaten u van den jongen Gay te spreken. Zoo nog niet met de Zoon en Erfgenaam vertrokken, of als de Zoon en Erfgenaam nog in de dokken ligt, benoem dan een ander jongmensch, en houd hem vooreerst aan het kantoor. Ik heb nog niet besloten.”—“Dat is nu wel ongelukkig!” zeide Carker, zijn mond uitrekkende alsof die van gom-elastiek was; “want hij is al ver weg.”

Evenwel trok deze plaats, die in een naschrift voorkwam, nogmaals zijne aandacht.

“Ik geloof,” zeide hij, “dat mijn goede vriend kapitein Cuttle er eens van sprak, dat hij wel in het zog van dien grooten dag zou worden meegesleept. Hoe jammer dat hij zoo ver weg is!”

Hij vouwde den brief weder op en zat er mede te spelen, keerde hem naar alle richtingen op de tafel om en om—misschien deed hij wel hetzelfde met den inhoud, toen Perch de boodschaplooper zachtjes aan de deur klopte, op de teenen binnenkwam, bij elken stap buigende alsof het buigen de lust van zijn leven was, en eenige papieren op de tafel legde.

“Zoudt ge misschien belet willen hebben, mijnheer?” vroeg Perch, zijne handen wrijvende en zijn hoofd ootmoedig op zijde houdende, als iemand die wel wist dat het zijne zaak niet was het voor zulk een persoon op te steken en het zooveel mogelijk uit den weg wilde houden.

“Wie vraagt er naar mij?”—“Och, mijnheer,” antwoordde Perch zeer zacht, “eigenlijk niemand om van te spreken. Mijnheer Gills, de scheepsinstrumentmaker, is gekomen om een betalinkje te doen, zegt hij; maar ik heb hem gezegd dat gij denkelijk belet hadt, voor nog lang—heel lang.”

Perch kuchte eens achter zijne hand en wachtte op verdere bevelen.

“Iemand anders?”—“Wel, mijnheer,” zeide Perch, “ik zou uit mij zelven niet zoo vrijpostig zijn om te zeggen, mijnheer, dat er nog iemand was; maar die zelfde jongen, mijnheer, die gisteren en verleden week al hier is geweest, slentert nu weer hier in het rond; en het staat zoo gemeen, mijnheer,” vervolgde Perch, even ophoudende om de deur dicht te doen, “als men hem daar tegen de musschen ziet staan fluiten tot zij hem antwoord geven.”—“Gij hebt gezegd dat hij iets te doen wilde hebben, niet waar, Perch?” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en den ander aanziende.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Perch, weder met een kuchje achter zijne hand, “hij zeide eens dat hij naar eene conditie zocht, en dat hij dacht dat men hem wel aan de dokken zou kunnen gebruiken, omdat hij aan het visschen met den hengel gewoon was; maar”—Perch schudde zeer twijfelachtig zijn hoofd.—“Wat zegt hij dan als hij hier komt?” vroeg Carker.—“Wel, mijnheer,” antwoordde Perch, nog eens achter zijne hand kuchende, hetgeen, als een blijk van nederigheid, altijd zijne toevlucht was als hem niet anders inviel, “hij zegt doorgaans dat hij nederig verzoekt om een van de heeren te spreken, en dat hij zijn brood wil verdienen. Maar gij begrijpt wel, mijnheer,” vervolgde Perch fluisterend, en zich omkeerende om de deur eene duw met hand en knie te geven, alsof hij ze daardoor nog dichter dan dicht zou kunnen sluiten, “het is haast niet te verdragen dat zulk een gemeene jongen hier komt malen en zeggen dat zijne moeder den jongen heer van ons kantoor gezoogd heeft, en dat hij daarom hoopt dat het kantoor hem een kansje zal geven. Ik verzeker u, mijnheer, dat hoewel mijne vrouw toen zulk een gezond meisje zoogde als wij ooit zoo vrij zijn geweest om onze familie mee te vergrooten, ik nooit zoo vrijpostig zou zijn geweest om er van te spreken dat zij ook wel min had kunnen wezen, al was het om nog zooveel geweest.”

Carker grijnsde hem aan als een haai, maar deed dit op eene verstrooide, peinzende manier.

“Of,” hervatte Perch, na eene poos van stilte en nog een kuchje, “het niet best zou zijn als ik hem zeide, dat ik hem zou laten arresteeren als hij weer hier kwam, en dat dan ook te doen. Ik zou gemakkelijk kunnen bezweren, mijnheer, dat ik voor gewelddadigheden van hem bang ben, zoo vreesachtig ben ik van aard, mijnheer, en zoo zenuwachtig maken mij de omstandigheden van mijne vrouw.”—“Laat mij dien knaap eens zien, Perch,” zeide Carker. “Breng hem eens hier.”—“Ja, mijnheer. Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Perch en bleef aarzelend bij de deur staan. “Maar hij ziet er heel ruw uit, mijnheer.”—“Dat komt er niet op aan. Als hij er nog is, breng hem dan hier. Ik zal mijnheer Gills dadelijk spreken. Vraag hem om te wachten!”

Perch boog; en de deur zoo zorgvuldig en nauwkeurig achter zich sluitende alsof hij in geene week terugkwam, ging hij tusschen de musschen zoeken. Terwijl hij weg was hernam Carker zijne geliefkoosde houding voor den schoorsteen en bleef naar de deur staan kijken. Met zijne opgetrokken bovenlip, die eene geheele rij tanden liet zien, had hij een bijzonder loerend en dreigend uitzicht.

Het duurde niet lang of Perch kwam terug, gevolgd door een paar zware laarzen, die als lompen door den gang klotsten. Met de onbeleefde woorden: “Kom aan, binnen!”—een zeer ongewone vorm van aandienen in zijn mond—liet Perch toen een forsch gebouwden knaap van vijftien jaren in, met een rond rood gezicht, een rond glad hoofd, ronde zwarte oogen, ronde leden en een rond lijf, die, om met de algemeene rondheid van zijn voorkomen te strooken, een ronden hoed in de hand had, zonder eenig spoor van rand er aan.

Op een wenk van Carker verdween Perch, zoodra hij dezen knaap voor hem had geplaatst. Zoodra zij alleen waren greep Carker, zonder een woord tot inleiding, den jongen bij de keel en schudde hem tot zijn hoofd geheel los op zijne schouders scheen te staan.

De jongen, die te midden van zijne verbazing over den heer met zooveel witte tanden, die hem scheen te willen verworgen, niet nalaten kon in de kamer rond te kijken, als had hij besloten dat, als hij dan geworgd moest worden, zijn laatste blik gevestigd zou zijn op die geheimen voor welker schennis hij zoo zwaar moest boeten, bracht eindelijk uit:

“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! Heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”

Biler jankte, och neen, och neen!—en wat had hij gedaan—en waarom worgde hij geen jongen die zoo groot was als hij zelf, en hem niet. Maar Biler werd door deze buitengewone ontvangst geheel overbluft; en toen zijn hoofd weder stilstond, en hij den onbekenden heer in het gezicht of liever in de dreigende tanden keek, vergat hij zijne manhaftigheid in zoo verre dat hij begon te huilen.

“Ik heb u niets gedaan, mijnheer,” zeide Biler, alias Robert, alias Grinder, oudste zoon van baas Toodle.—“Gij schobbejak!” antwoordde Carker, hem langzaam loslatende en een stap achterwaarts doende, om zijne geliefkoosde houding aan te nemen. “Wat meent gij daarmee dat gij hier durft komen?”—“Ik meende geen kwaad, mijnheer,” jankte Rob, met de eene hand zijne keel betastende en de knokkels der andere in zijne oogen duwende. “Ik zal nooit weerom komen, mijnheer. Ik wilde maar werk hebben.”—“Werk, gij jonge Kaïn!” zeide Carker, hem strak aanziende. “Zijt ge dan niet de luiste deugniet van de geheele stad?”

De beschuldiging, die Toodle junior ten diepste trof, was echter zoo wel gegrond, dat hij geen woord van ontkenning kon uitbrengen. Hij bleef den geduchten heer dus met een verschrikt, beschaamd en boetvaardig gezicht staan aankijken. Wat dit aankijken betreft, mag men zeggen dat Carker hem scheen te betooveren, en de knaap zijne ronde oogen geen oogenblik van hem kon afwenden.

“Zijt ge niet een dief?” zeide Carker, met zijne handen achter zich in zijne zakken.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verlegen.—“Dat zijt ge wel,” zeide Carker.—“Waarlijk niet, mijnheer,” jankte Rob. “Gij moogt mij gelooven, mijnheer, ik heb nooit iets gestolen. Ik weet wel dat ik ondeugend ben geworden, mijnheer, sedert ik mij met vogelvangen en hardloopen had opgehouden. Iemand zou wel denken,” zeide Rob, met eene uitbarsting van boetvaardigheid, “dat zangvogeltjes een onschuldig gezelschap waren, maar niemand weet hoeveel kwaad er in die beestjes steekt en waar zij iemand toe brengen.”

Zij schenen hem gebracht te hebben tot een zeer versleten trijpten buis en broek, een buitengemeen klein rood vestje, dat naar een enkelen kraag geleek, eene tusschenruimte van blauw bont en den bovengemelden hoed.

“Ik ben geen twintigmaal naar huis geweest sedert die vogeltjes mij den baas werden,” zeide Rob, “en dat is tien maanden. Hoe kan ik naar huis gaan, als iedereen verdrietig is dat hij mij ziet! Het verwondert mij,” zeide Rob, nu hardop snikkende en zijne oogen met zijne mouw besmerende, “dat ik mij niet al dikwijls en dikwijls heb gaan verdrinken.”

Dit alles, de betuiging van verwondering dat hij dit laatste feit niet verricht had, ingesloten, zeide de jongen, alsof Carker’s tanden het hem uit de keel haalden, en hij, zoolang deze hunne macht op hem uitoefenden, niet in staat was om iets te verbergen.

“Ge zijt een aardig jong heer!” zeide Carker, zijn hoofd schuddende. “Er is al hennepzaad voor u gezaaid, jongetje!”—“Waarachtig, mijnheer,” antwoordde de ongelukkige Biler al snikkende, “het zou mij niet kunnen schelen, al was het al gegroeid ook. Al mijn ongeluk is begonnen met spijbelen, mijnheer; maar wat kon ik anders doen?”—“Anders dan wat?” zeide Carker.—“Spijbelen, mijnheer. Spijbelen van school.”—“Meent gij, te doen alsof gij daarheen zoudt gaan en er niet heen gaan?” zeide Carker.—“Ja, mijnheer; dat is spijbelen, mijnheer,” antwoordde de gewezen Slijper, zeer aangedaan, “Ik werd op straat dood geplaagd, mijnheer, als ik er naar toe ging, en als ik er kwam kreeg ik nog slaag. Zoo liep ik spijbelen, en hield mij ergens schuil, en zoo begon het.”—“En wilt ge mij nu zeggen,” zeide Carker, nadat hij hem weder bij de keel had gepakt, op armslengte van zich afgehouden en eene poos zwijgend aangestaard, “dat gij naar eene plaats zoekt?”—“Ik zou dankbaar zijn als men mij eens probeerde, mijnheer,” antwoordde Toodle junior flauw.

Carker duwde hem achteruit in een hoek—de jongen onderwierp zich stil, durfde nauwelijks ademhalen, en keerde de oogen niet van zijn gezicht af—en schelde.

“Laat mijnheer Gills hier komen.”

Perch was te eerbiedig om te laten blijken, dat hij de gedaante in den hoek herkende of zich daarover verwonderde; en weldra verscheen oom Sam.

“Ga zitten, mijnheer Gills,” zeide Carker met een glimlach. “Hoe vaart gij? Nog altijd gezond, hoop ik?”—“Wel bedankt, mijnheer,” antwoordde oom Sam, zijn zakboekje uithalende en onder het spreken eenige papiertjes overgevende. “Naar het lichaam scheelt mij niets dan mijn ouderdom. Vijf en twintig, mijnheer.”—“Ge zijt zoo nauwkeurig, mijnheer Gills,” antwoordde de glimlachende chef, een papier uit een van zijne vele laden halende en iets op den achterkant aanteekenende, terwijl oom Sam er naar keek, “als een van uw eigen chronometers. In orde.”—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid, mijnheer, zie ik aan de lijst,” zeide oom Sam, met eene geringe vermeerdering der gewone beving in zijne stem.—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid,” antwoordde Carker. “Er schijnt stormachtig weer te zijn geweest, mijnheer Gills, en waarschijnlijk is het schip uit zijn koers gedreven.”—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” zeide de oude Sam.—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” herhaalde Carker op die stemlooze manier, die hij somtijds aannam, en die den oplettenden jongen Toodle wederom deed beven. “Mijnheer Gills,” vervolgde hij overluid, “gij moet uw neef wel erg missen.”

Oom Sam, die bij hem stond, schudde zijn hoofd en slaakte een zwaren zucht.

“Mijnheer Gills,” zeide Carker, met zijne zachte hand om zijn mond spelende, en den instrumentmaker aanziende, “het zou gezellig voor u zijn als ge tegenwoordig een jong maatje in uw winkel hadt, en het zou eene verplichting voor mij zijn als gij zulk een knaapje vooreerst huisvesting wildet geven. Ik weet wel,” vervolgde hij snel, om den ouden man voor te komen, “dat er niet veel in uw winkel omgaat; maar gij kunt hem dien laten schoonhouden, de instrumenten oppoetsen, kortom van alles laten doen. Daar staat de jongen, mijnheer Gills!”

Samuel Gills schoof zijn bril van zijn voorhoofd voor zijne oogen, en keek naar Toodle junior, die zoo stijf als een staak in zijn hoek stond;—wiens hoofd (gelijk altijd) een voorkomen had, alsof hij zoo pas uit een emmer koud water was gehaald, terwijl zijn vestje met het spel zijner aandoeningen rees en daalde,—en zijne oogen strak op Carker hield gevestigd, zonder op den meester, dien men hem wilde geven, te letten.

“Wilt gij hem bij u nemen, mijnheer Gills?” zeide Carker.

Zonder zeer met het voorstel te zijn ingenomen, antwoordde Samuel, dat hij blijde was met eene gelegenheid, hoe gering ook, om mijnheer Carker te verplichten, wiens verlangen in zulk een opzicht een bevel was; en dat de houten adelborst zich gelukkig zou achten een door mijnheer Carker gekozen gast te mogen ontvangen.

Carker liet tanden en tandvleesch zien—hetgeen den waakzamen Toodle junior al erger en erger deed beven—en dankte den instrumentmaker op zijne vriendelijkste manier voor zijne beleefdheid.

“Ik zal hem dan bij u zenden, mijnheer Gills,” zeide hij, opstaande en den ouden man de hand gevende, “tot ik het met mij zelven eens word wat verder met hem te doen, en wat hij verdient. Daar ik mij zelven verantwoordelijk voor hem acht, mijnheer Gills,” hierbij zag hij Robert aan met een glimlach, waarvoor de knaap sidderde, “zal het mij genoegen doen als gij scherp op hem let en mij bericht geeft hoe hij zich gedraagt. Ik zal zijne ouders—ordentelijke lieden—een paar vragen doen als ik vandaag naar huis rijd, ter bevestiging van het een en ander dat hij mij gezegd heeft; en dan zal ik hem morgen naar u toe zenden, mijnheer Gills. Goeden morgen!”

Zijn glimlach bij het afscheid was zoo vol tanden, dat de oude Sam er verlegen en onrustig van werd, zonder te weten waarom. Onderweg naar huis dacht hij aan kokende zeeën, zinkende schepen, drenkelingen, eene flesch oude madera die nooit weder voor het licht kwam, en andere akeligheden.

“Kom aan, jongen,” zeide Carker, zijne hand op Rob’s schouder leggende, en hem naar het midden van de kamer brengende. “Gij hebt mij gehoord?”—“Ja, mijnheer,” zeide Rob.—“Misschien begrijpt gij wel,” hervatte zijn patroon, “dat als ge mij ooit bedriegt of streken speelt, ge beter zoudt gedaan hebben als gij u maar voorgoed hadt verdronken, eer ge hier naar toe kwaamt?”

Er was in alle vakken van wetenschap niets dat Rob beter scheen te begrijpen dan dit.

“Als ge mij in iets belogen hebt,” zeide Carker, “kom mij dan nooit weer in den weg. Zoo niet, laat ik u dan dezen achtermiddag ergens bij uw moeders huis naar mij vinden wachten. Ik zal om vijf uur hier vandaan gaan en te paard daarheen rijden. Geef mij nu het adres.”

Rob zeide dit langzaam voor, terwijl Carker het opschreef. Rob spelde het zelfs nog eens, letter voor letter, over, alsof hij dacht dat het vergeten van een stipje of streepje zijn verderf zou berokkenen. Daarna duwde Carker hem de kamer uit, en Rob verdween nu vooreerst, maar hield tot het laatste toe zijne ronde oogen op zijn patroon gevestigd.

Carker de chef deed dien dag vele zaken af, en liet een groot aantal menschen zijne tanden zien. In het kantoor, op straat en op de beurs glinsterden zij geweldig en schrikkelijk. Toen het vijf uur werd en Carker’s paard voorkwam, stegen zij op en reden al glinsterend Cheapside af.

Daar iemand, al wilde hij haast maken, door het gewoel en gedrang in de City op dat uur niet gemakkelijk hard kon rijden, en Carker geen haast wilde maken, reed hij op zijn gemak voort, tusschen de karren en rijtuigen door, zooveel mogelijk de modderplassen vermijdende en zich oneindige moeite gevende om zich zelven en zijn paard schoon te houden. Terwijl hij zoo voorttrippelende naar de voorbijgangers keek, ontmoette hij eensklaps de ronde oogen van Rob, zoo strak op zijn gezicht gevestigd, alsof hij ze er nooit had afgewend, terwijl de knaap zelf, met een bonten zakdoek stijf om zijn middel geknoopt, zich blijkbaar gereed hield, om hem bij te houden, hoe hard hij ook verkoos te rijden.

Daar deze oplettendheid, hoe vleiend ook, van eenigszins buitengewonen aard was en de aandacht van andere voetgangers trok, nam Carker, op eene plek waar de weg ruimer en de straat schooner werd, de gelegenheid waar om het in een draf te zetten. Terstond deed Rob hetzelfde. Daarop beproefde Carker een handgalop, Rob hield hem bij. Toen een meer gestrekten galop; het was den knaap eveneens. Als Carker zijne oogen naar dien kant wendde, zag hij Toodle junior naast hem loopen, naar het scheen zonder moe te worden, en zich met de ellebogen voortwerkende, gelijk een hardlooper van beroep, die voor eene weddenschap loopt.

Zoo belachelijk als dit geleide was, was het toch een teeken van den invloed dien hij op den knaap had verworven, en Carker reed derhalve, alsof hij er niet eens op lette, voort, tot dicht bij de woonplaats van baas Toodle. Toen hij hier zachter begon te rijden, liep Rob vooruit om hem den weg te wijzen, en toen hij een man riep om zijn paard te houden, terwijl hij het buurtje dat Stagg’s Gardens had vervangen, inging, hield Rob gedienstig den stijgbeugel, terwijl zijn patroon afsteeg.

“Kom aan,” zeide Carker, hem bij den schouder vattende; “nu maar voort!”

De verloren zoon was blijkbaar beschroomd om de ouderlijke woning te bezoeken; maar dewijl Carker hem voortduwde, kon hij niet anders dan de rechte deur openen, en zich zoo in het midden van zijne broeders en zusters laten brengen, die om de huiselijke theetafel waren gezeten. Op het gezicht van den verlorene in de greep van een vreemdeling, hieven deze teedere bloedverwanten een algemeen gehuil aan, hetwelk het hart van den losbol zoodanig roerde dat hij, toen hij zijne moeder, met het kleinste kleintje op den arm, bleek en bevende zag opstaan, zijne eigene stem bij den koorzang voegde.

Nu niet twijfelende of de vreemdeling, zoo niet mijnheer Ketch in eigen persoon, was toch een van zijne ambtgenooten, schreeuwde de jeugdige familie des te harder, terwijl de jongste leden, buiten staat om de aandoenlijkheid van hun leeftijd te bedwingen, zich op den rug wierpen, evenals jonge vogeltjes als zij voor een havik bang worden, en geweldig in de lucht schopten. Eindelijk maakte de arme Polly zich toch hoorbaar, en zeide met bevende lippen: “O Rob, mijn arme jongen, wat hebt ge nu gedaan!”—“Niets, moeder,” riep Rob, op een jammerenden toon. “Vraag het dien heer maar!”—“Wees niet ongerust,” zeide Carker nu. “Ik wil hem goeddoen.”

Op dit bericht barstte Polly, die nog niet geschreid had, in tranen uit. De oudste Toodle’s, die op een ontzet schenen bedacht te zijn geweest, ontsloten nu hunne vuisten; de jongsten drongen zich om hun moeders japon en keken onder hunne ronde armpjes door naar hun losbandigen broeder en zijn onbekenden vriend. Iedereen zegende den heer met de mooie tanden, die goed wilde doen.

“Deze jongen,” zeide Carker tot Polly, Rob even schuddende, “is uw zoon, niet waar, jufvrouw?”—“Ja, mijnheer,” snikte Polly nijgende. “Ja, mijnheer.”—“Een slechte zoon, vrees ik?” zeide Carker.—“Nooit een slechte zoon voor mij, mijnheer,” antwoordde Polly.—“Voor wien dan?” vroeg Carker.—“Hij is een beetje wild geweest, mijnheer,” zeide Polly, haar kleinste vasthoudende, dat met armpjes en beentjes stuipachtige pogingen aanwendde om door de lucht heen op Biler toe te vliegen, “en heeft met slecht gezelschap verkeerd, mijnheer; maar ik hoop dat hij het ongelukkige daarvan heeft ingezien, mijnheer, en zich weer zal verbeteren.”

Carker zag naar Polly, en de zindelijke kamer, en de zindelijke kinderen, en het eenvoudige Toodle’s gezicht, uit dat van vader en moeder samengesteld, dat hem overal in de oogen viel, en scheen het wezenlijke oogmerk van zijn bezoek bereikt te hebben.

“Uw man is zeker niet thuis?” zeide hij.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Polly. “Hij is nu op het oogenblik op een trein.”

De losbandige Rob scheen ruimer adem te halen toen hij dit hoorde, schoon hij, nog geheel onder den invloed van zijn patroon, zijne oogen bijna niet van Carker’s gezicht afkeerde, dan om even een treurigen blik naar zijne moeder te werpen.—“Dan zal ik u zeggen,” hervatte Carker, “hoe ik aan dien jongen van u ben gekomen, en wie ik ben, en wat ik voor hem zal doen.”

Carker deed dit op zijne eigene manier, zeggende dat hij hem eerst geducht had willen straffen voor zijne vermetelheid om naar het kantoor van Dombey en Zoon te komen; dat hij zich door zijne jeugd, zijne betuigingen van berouw, en zijne betrekkingen had laten vermurwen, dat hij vreesde eene onvoorzichtigheid te zullen begaan door iets voor den jongen te doen, en dat bedachtzame lieden hem zouden laken; maar dat hij dit voor zijne rekening nam en het op de gevolgen waagde; dat hij dit alleen en geheel zelf deed; dat zijne moeders vroegere betrekking tot de familie Dombey er niets mede te maken had, en dat mijnheer Dombey zelf er niets mede te maken had, maar dat hij, Carker, hier alles in alles was. Na zich zelven voor zijne goedheid te hebben geprezen, en geen minderen lof van de geheele daar aanwezige familie te hebben ontvangen, gaf Carker zijdelings maar toch vrij duidelijk te kennen, dat Rob hem eeuwige dankbaarheid, trouw en verkleefdheid verschuldigd was, en deze de geringste hulde waren die hij kon aannemen. Van deze waarheid was Rob zelf zoodanig doordrongen dat, terwijl hij zijn patroon stond aan te staren, de tranen hem over de wangen rolden, en hij met zijn rond hoofd knikte, tot het bijna even los op zijne schouders scheen te worden, als het dien morgen onder de handen van dien zelfden patroon had gedaan.

Polly, die door haar losbandigen eerstgeborene de hemel weet hoeveel slapelooze nachten had doorgebracht, en hem in geene weken had gezien, had welhaast voor Carker den chef, als voor een goeden engel, willen knielen, in spijt van zijne tanden. Maar daar Carker nu opstond om heen te gaan, dankte zij hem slechts met hare moederlijke zegeningen en gebeden; een dank zoo rijk, als hij uit de munt van het hart wordt betaald, vooral voor zulk een dienst als Carker had bewezen, dat hij een grooten hoop klein geld had kunnen teruggeven, en toch nog te duur betaald blijven.

Toen deze heer door den troep kinderen heen naar de deur ging, vloog Rob naar zijne moeder toe en sloot haar en het kleintje in dezelfde boetvaardige omhelzing.