Dombey en Zoon

Part 30

Chapter 303,837 wordsPublic domain

“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, toen zij weder voortwandelden. “Als Joe Bagstock nog wat jonger was, is er geene vrouw in de wereld die hij liever tot mevrouw Bagstock zou maken dan die vrouw. Zij is prachtig, mijnheer!”—“Gij meent de dochter?” vroeg Dombey.—“Is Joey B. een knol, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat hij de moeder zou meenen?”—“Gij waart toch zeer galant voor de moeder,” zeide Dombey hierop.—“Eene oude liefste,” grinnikte majoor Bagstock. “Verduiveld oud. Ik badineer maar zoo wat met haar.”—“Zij komt mij toch zeer fatsoenlijk voor,” zeide Dombey.—“Fatsoenlijk, mijnheer,” zeide de majoor, en bleef stilstaan om zijn reisgenoot aan te staren. “Mevrouw Skewton, mijnheer, is eene eenige zuster van den vorigen Lord Feenix, en tante van den tegenwoordigen lord. De familie is niet rijk—eigenlijk arm—en zij leeft van een klein jaargeld; maar als men van afkomst spreekt, mijnheer!” De majoor gaf een zwaai met zijn stok en stapte weder voort, wanhopig om ooit te kunnen zeggen waar men van sprak, als men daarvan sprak.—“Gij hebt de dochter mevrouw Granger genoemd,” zeide Dombey, na eene korte poos van stilte.—“Edith Skewton, mijnheer,” antwoordde de majoor, wederom stilstaande en met zijn stok eene schrap in den grond gevende, om haar te representeeren, “trouwde (op haar achttiende jaar) met Granger van ons regiment,” wien de majoor door eene andere schrap aanduidde. “Granger, mijnheer,” zeide de majoor, naar dit laatste denkbeeldige portret wijzende, “was onze kolonel; een verrrduiveld knap man, mijnheer, van een en veertig. Hij stierf, mijnheer, in het tweede jaar van zijn huwelijk.” De majoor gaf een stoot met zijn stok, alsof hij het portret van den overledene een degen door het lijf reeg, en stapte weder voort met zijn stok op den schouder.—“Hoelang is dat geleden?” vroeg Dombey, op zijne beurt stilstaande.—“Edith Granger, mijnheer,” antwoordde de majoor, met het hoofd op zijde, zijn eene oog dichtknijpende en zijn stok in de linkerhand nemende, om met de rechter over zijn jabot te strijken, “is tegenwoordig nog geen dertig. En verd—md, mijnheer,” daarbij nam de majoor nogmaals zijn stok op schouder en stapte weder voort, “zij is eene vrouw zonder weerga.”—“Bleven er kinderen over?” vroeg Dombey weldra.—“Ja, mijnheer, een jongetje.”

Dombey’s oogen zochten den grond en zijn gezicht betrok.

“Dat verdronken is, mijnheer,” vervolgde de majoor, “toen het vier of vijf jaar oud was.”—“Inderdaad!” zeide Dombey het hoofd opheffende.—“Door het omslaan van een bootje, waar zijne oppasster hem niet had moeten laten ingaan,” zeide de majoor. “Dat is zijne geschiedenis. Edith Granger is nog Edith Granger; maar als de oude taaie Joey B. een beetje jonger en een beetje rijker was, zou de naam van dat puikjuweel Bagstock wezen.”

De majoor lachte zoodanig dat hij nog meer naar een vetgemesten Mephistopheles geleek dan anders.

“Mits de dame er niet tegen had, zou ik denken?” zeide Dombey koel.—“Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor, “het geslacht van Bagstock is niet aan zulk eene soort van verhindering gewoon. Maar het is waar, Edith had al wel twintigmaal kunnen trouwen, als zij maar niet zoo trotsch was, mijnheer—trotsch is zij.”

Dombey scheen daarom niet te ongunstiger over haar te denken.

“Maar dat is toch eigenlijk eene groote eigenschap,” zeide de majoor. “Waarachtig, het is eene verhevene eigenschap. Dombey, gij zijt zelf trotsch, en uw vriend, de oude Joe, acht u daarom te hooger, mijnheer.”

Met deze hulde aan het karakter van zijn bondgenoot, die hem door de onweerstaanbare richting van het gesprek scheen te zijn afgedwongen, stapte de majoor van de zaak af, en ging over tot een algemeen verslag, hoe prachtige vrouwen en heerlijke wezens voorheen op hem verzot en verliefd waren geweest.

Een paar dagen later zagen Dombey en de majoor mevrouw Skewton en hare dochter in de bronzaal, en daags daaraan troffen zij de dames weder op dezelfde plaats waar zij elkander voor de eerste maal hadden ontmoet. Na haar zoo dikwijls te hebben wedergezien, werd het een punt van beleefdheid voor oud bekenden, dat de majoor eens op een avond daarheen ging. Dombey was eerst niet voornemens geweest bezoeken af te leggen, maar toen de majoor van zijn oogmerk sprak, zeide hij het genoegen te willen hebben om mede te gaan. Aldus zond de majoor voor den maaltijd den inboorling uit om met hunne complimenten de boodschap te brengen, dat mijnheer Dombey en hij dien avond de eer zouden hebben om de dames eene visite te komen maken, indien de dames dan alleen waren. Tot antwoord bracht de inboorling een sterk geparfumeerd briefje terug, door mevrouw Skewton aan majoor Bagstock geschreven, en van dezen inhoud: “Gij zijt een ijselijke beer, en ik kan u haast niet vergeven, maar als gij u heel goed houdt” dit was onderstreept, “moogt gij komen. Mijn compliment (waarbij Edith het hare voegt) aan mijnheer Dombey.”

Mevrouw Skewton en hare dochter, mevrouw Granger, woonden te Leamington, op gemeubileerde kamers, die fatsoenlijk en duur genoeg waren, maar wat ruimte en gemak betrof wel iets te wenschen overlieten, zoodat mevrouw Skewton, als zij in bed lag, haar hoofd tegen het venster en hare voeten in den schoorsteen had, en hare kamenier in een kabinetje, dat in het salon uitkwam, geborgen werd, zoo klein, dat zij er bijna niet geheel in kon. Withers, de bleeke page, sliep buitenshuis vlak onder de pannen bij een naburigen melkboer; en het wagentje, dat de steen van dien jeugdigen Sisyphus was, stond des nachts in eene schuur, aan denzelfden melkboer toebehoorende, waar ook diens kippen huisden, die zich op een gebroken ezelkarretje te slapen zetten, overtuigd naar het scheen, dat dit eene soort van boom was die daar groeide.

Dombey en de majoor vonden mevrouw Skewton à la Cleopatra tusschen de kussens eener sofa gezeten, zeer luchtig gekleed, maar toch zeker niet gelijkende naar Shakespeare’s Cleopatra, die de jaren niet konden doen verwelken. Onderweg naar boven hadden zij eene harp gehoord, maar dit geluid had opgehouden toen zij werden aangediend, en nu stond Edith bij dit instrument, schooner en trotscher dan ooit. Het was iets opmerkelijks van de schoonheid dezer dame dat zij zich zonder hare medehulp en tegen haar wil scheen te doen gelden. Zij wist dat zij schoon was; het was onmogelijk dat het anders kon zijn, maar met haar eigenaardigen hoogmoed scheen zij zelfs zich zelve te trotseeren.

Of zij de bekoorlijkheden gering schatte, welke slechts eene bewondering uitlokten, die geene waarde voor haar had, dan of zij ze daardoor voor bewonderaars nog kostbaarder wilde maken, werd door hen, voor wie zij kostbaar waren, zelden gevraagd.

“Ik hoop, mevrouw Granger,” zeide Dombey, een stap naar haar toekomende, “dat wij de oorzaak niet zijn dat gij ophoudt met spelen?”—“Gij?—O neen!”—“Waarom gaat gij dan niet voort, lieve Edith,” zeide Cleopatra.—“Ik hield op evenals ik begonnen was—omdat het mij zoo inviel.”

De buitengemeene, als het ware keurige onverschilligheid, waarmede zij dit zeide; eene onverschilligheid, die geheel iets anders dan botheid en gevoelloosheid was, want trotschheid straalde er duidelijk in door, strookte wel met de achteloosheid waarmede zij haar vinger nog eens over de snaren streek en toen naar eene andere plaats ging.

“Weet ge wel, mijnheer Dombey,” zeide hare kwijnende moeder, met een handschermpje spelende, “dat mijne lieve Edith en ik somtijds werkelijk verschil hebben...”—“Niet geheel somtijds, mama,” zeide Edith.—“O neen, nooit geheel, lieveling! O foei, dat zou mij het hart breken,” antwoordde hare moeder, met eene flauwe poging om haar een tikje met haar schermpje te geven, waarop Edith volstrekt niet scheen te letten. “Maar verschil, meen ik, over de koelheid en onverschilligheid, die de wellevendheid wil dat men in kleinigheden in acht neemt? Waarom zijn wij niet natuurlijker? O lieve hemel! Met al die smachtende verlangens en onwillekeurige opwellingen, die ons in de ziel zijn geplant, en die zoo verrukkelijk zijn—waarom zijn wij niet natuurlijker?”

Dombey zeide dat dit waar, zeer waar was.

“Wij konden wel natuurlijker zijn, zou ik denken, als wij het maar beproefden,” zeide mevrouw Skewton.

Dombey achtte dit wel mogelijk.

“Voor den drommel niet, mevrouw,” zeide de majoor. “Dat zou niet aangaan, of de wereld zou met J. B’s. bevolkt moeten zijn, mevrouw, met lompe en taaie Joe Bagstock’s, eenvoudige droge bokkingen, zooals de oude Joey, mijnheer.”—“Gij ongeloovige spotter,” zeide mevrouw Skewton, “verstom!”—“Cleopatra beveelt,” antwoordde de majoor, met een kushandje, “en Antonius Bagstock gehoorzaamt.”—“Die man heeft geen gevoel,” zeide mevrouw Skewton, wreed genoeg om het schermpje zoodanig op te houden dat de majoor haar niet kon zien. “Geene sympathie. En waarvoor leeft men, dan voor sympathie! Wat anders is zoo verrukkelijk! Zonder dat zweempje van zonneschijn op onze koude aarde,” zeide mevrouw Skewton, haar kanten halsdoekje verschikkende en daarbij met welgevallen haar mageren blooten arm beschouwende, van het polsgewricht naar omhoog, “hoe zouden wij het uithouden? Kortom, gij verstokte man!” daarbij keek zij om het schermpje heen naar den majoor, “ik zou mijne wereld heel en al hart willen hebben; en het geloof daaraan is zoo verrukkelijk, dat gij mij niet daarin moogt storen, hoort ge wel?”

De majoor antwoordde dat het hard was, dat Cleopatra de wereld heel en al hart wilde hebben en zich toch de harten dier geheele wereld toeëigende; hetgeen Cleopatra verplichtte hem te herinneren dat vleierij haar onuitstaanbaar was, en dat, als hij de stoutheid had om haar nog eens op die manier aan te spreken, zij hem stellig naar huis zou zenden.

Daar Withers, de bleeke, thans de thee rondgaf, sprak Dombey Edith wederom aan.

“Men heeft hier niet veel gezelligheid, naar het schijnt,” zeide hij, met zijne eigenaardige stijve deftigheid.—“Ik geloof van neen. Wij zien niemand.”—“Er zijn tegenwoordig juist geene menschen hier,” merkte mevrouw Skewton aan, “waarmede wij gaarne zouden willen verkeeren.”—“Zij zijn niet hartelijk genoeg,” zeide Edith, met een glimlach—de schemering van een glimlach: zoo zonderling waren licht en duisternis daarin gemengd.—“Gij ziet wel dat mijne lieve Edith met mij railleert,” zeide de moeder haar hoofd schuddende, dat somtijds van zelf schudde, alsof er tusschen de diamanten ook eene beroerte flikkerde. “Ondeugende!”—“Gij zijt meer hier geweest, als ik mij niet bedrieg?” zeide Dombey, wederom tot Edith.—“O ja, meermalen. Ik geloof dat wij overal zijn geweest.”—“Eene schoone landstreek.”—“Ik geloof van ja. Iedereen zegt zoo.”—“Uw neef Feenix dweept er mee, Edith,” viel hare moeder er op in.

De dochter draaide even het schoone hoofd om, trok hare wenkbrauwen eene haarbreedte op, alsof haar neef Feenix in geene de minste aanmerking bij haar kwam, en keerde zich weder naar Dombey.

“Ik hoop voor mijn smaak, dat ik de landstreek moe ben,” zeide zij.—“Gij hebt er bijna wel reden toe, mevrouw,” antwoordde hij, naar een aantal landschapjes omziende, waarin hij reeds gezichten in de nabijheid had herkend, en die rijkelijk door de kamer verspreid waren, “als die keurige teekeningen van uwe hand zijn.”

Zij gaf hem geen antwoord, maar zat daar in trotsche schoonheid, geducht om aan te zien.

“Hebben zij dat interessante?” zeide Dombey. “Zijn zij van u?”—“Ja.”—“En gij speelt ook, weet ik reeds.”—“Ja.”—“En zingt?”—“Ja.”

Zij beantwoordde deze vragen met een zonderlingen tegenzin—met dien opmerkelijken schijn van vijandigheid tegen zich zelve, waarvan reeds ten opzichte van hare schoonheid melding is gemaakt. Evenwel was zij niet verlegen, maar volkomen bedaard. Evenmin scheen zij te verlangen het gesprek te vermijden, want zij hield haar gezicht naar hem toegekeerd, en scheen hem zelfs—zoover zij dit kon—uit te lokken om te spreken; en zij bleef dit nog doen terwijl hij zweeg.

“Gij hebt ten minste een aantal hulpmiddelen tegen verveling,” zeide Dombey.—“Zooals zij dan zijn,” antwoordde zij, “kent gij ze nu allen. Ik heb er niet meer.”—“Mag ik hopen van allen een proefje te krijgen?” zeide Dombey, met statige galanterie, de teekening, die hij in de hand had, neerleggende en naar de harp wenkende.—“O zeker—als gij dat verlangt!”

Zoo sprekende stond zij op, en de sofa harer moeder voorbijstappende, welke zij een statigen blik toewierp, die, hoewel kort van duur, eene menigte van uitdrukkingen bevatte, waaronder die schemering van een glimlach, zonder den glimlach zelf, al de anderen overschaduwde, ging zij de kamer uit.

De majoor, die nu reeds volle vergiffenis had gekregen, had een tafeltje naar Cleopatra geschoven en zat met haar piket te spelen. Dombey, die dit spel niet kende, ging er tot zijne stichting naar zitten kijken tot Edith zou terugkomen.

“Wij zullen wat muziek hooren, mijnheer Dombey, hoop ik?” zeide Cleopatra.—“Mevrouw Granger is zoo goed geweest om mij dat te beloven,” zeide Dombey.—“Zoo! dat is een genot. Proponeert gij, majoor?”—“Neen, mevrouw,” antwoordde de majoor. “Onmogelijk.”—“O, ge zijt een barbaar,” zeide de dame. “En ik heb zulke slechte kaarten gekregen. Houdt ge veel van muziek, mijnheer Dombey?”—“Buitengemeen,” was het antwoord.—“Ja. Het is een genot,” zeide Cleopatra, naar hare kaarten kijkende. “Spreekt zoo tot het hart—zulke duistere herinneringen van een vroeger staat van aanzijn—en dat alles—dat zoo verrukkelijk is. Weet gij wel,” kwezelde Cleopatra, en keerde den schoppenboer om, dien zij ten onderste boven in de hand had gekregen, “dat, als er iets was dat mij kon verlokken om een eind aan mijn leven te maken, het de nieuwsgierigheid zou zijn om te ontdekken wat dat alles toch is en wat het beduidt; er zijn nog zooveel geheimen voor ons verborgen. Gij moet spelen, majoor!”

De majoor speelde. Dombey, die zat toe te kijken, zoo het heette om het spel te leeren, zou spoedig geheel in de war zijn geweest, maar hij lette volstrekt niet op het spel en zat zich slechts te verwonderen wanneer Edith zou terugkomen.

Eindelijk kwam zij en zette zich bij hare harp, en Dombey stond op en bleef bij haar staan luisteren. Hij had weinig smaak voor muziek en kende het stuk niet dat zij speelde; maar hij zag haar over de harp gebogen, en hoorde misschien in de trillende snaren eene muziek uit zijn eigen binnenste weergalmen, die het monster van den spoorweg temde en minder onverbiddelijk deed worden.

Cleopatra had scherpe oogen onder het piketten. Zij glinsterden als die van een vogel, en bleven niet op haar spel gevestigd, maar dwaalden flikkerend de geheele kamer door, naar de harp, de speelster, den luisteraar, naar alles.

Toen de trotsche schoone het stuk had uitgespeeld, stond zij op, ontving Dombey’s complimenten met hetzelfde uitzicht als te voren, ging, bijna zonder eenige tusschenpoos, naar de piano, en begon daar.

Edith Granger, ieder lied behalve dat! Edith Granger, gij zijt schoon, en uw pianospel is schitterend, en uwe stem is zoo welluidend en krachtig; maar niet het lied dat zijne verwaarloosde dochter voor zijn dooden zoon heeft gezongen!

Helaas, hij herkent het niet; en al deed hij dat, welk lied van haar zou hem doen ontroeren, hardvochtige man! Slaap, eenzame Florence, slaap! Vrede in uwe droomen, schoon de nacht donker is geworden, en de wolken zich samenpakken en eene hagelbui dreigen uit te storten!

XXII.

CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN.

Carker de chef zat voor zijn lessenaar, met een gezicht zoo effen en glad gestreken als gewoonlijk, las de brieven, die hij alleen mocht openen, schreef nu en dan de noodige aanteekeningen en aanwijzingen achterop, en legde ze op verscheidene hoopjes, om deze aan de verschillende afdeelingen van het kantoor te laten uitdeelen. De post had dien ochtend een groot aantal brieven medegebracht, en Carker de chef had dus veel te doen.

Het voorkomen van iemand die aldus bezig is—nu een hoopje papieren in zijne hand doorkijkende en een voor een uitdeelende, dan een ander hoopje opnemende en met een gefronst voorhoofd en dichtgeknepene lippen naziende—beurtelings afnemende, uitzoekende, ronddeelende en peinzende—zou licht aan zekere comische gelijkenis op een kaartspeler doen denken. Het gezicht van Carker den chef strookte zeer wel met zulk een inval. Het was het gezicht van iemand die zijn spel voorzichtig doordacht, die op alles lette wat hem voordeelig en nadeelig kon zijn, die alle voorkomende kaarten in zijn geheugen hield, en nauwkeurig wist wat zij golden, wat zij nog misten, en wat zij te zamen uitmaakten; die slim genoeg was om te ontdekken wat de andere spelers in de hand hadden, en nooit zijn eigen spel verried.

De brieven waren in verschillende talen, maar Carker de chef las ze allen. Als er op het kantoor van Dombey en Zoon iets was voorgekomen dat hij niet lezen kon, zou er eene kaart aan het spel ontbroken hebben. Hij las bijna met een enkelen blik, bracht al voortlezende den eenen brief met den anderen en de eene zaak met de andere in verband, en vergrootte aanhoudend de hoopjes—evenals een geoefend speler de kaarten met één blik kent, en ze nog onthoudt en in rekening brengt als zij gekeerd zijn. Eenigszins al te slim voor een partner, en veel te slim voor een tegenspeler, zat daar Carker de chef, in de stralen der zon, die hem door het lantarenvenster beschenen, en speelde zijn spel alleen.

En schoon het kaartspelen niet tot de instincten van het kattengeslacht (wild of getemd) behoort, was Carker de chef katachtig van het hoofd tot de voeten, terwijl hij zich daar in het streepje zomerlicht en zomerwarmte zat te koesteren, dat op zijne tafel en grond scheen. Met haar en bakkebaard altijd flauw van kleur, maar in dien zonneschijn nog flauwer dan anders, en meer naar de vacht van eene geelgrauwe kat gelijkende; met lange nagels, net geknipt en fijn gescherpt; met eene natuurlijke antipathie voor ieder spatje vuil, welke hem somtijds naar de vallende stofjes deed kijken en van zijne witte hand of keurig linnen wegvegen; zat daar Carker de chef, sluw van uitzicht, scherp van tand, zacht van voet, waakzaam van oog, glad van tong, wreed van hart, zindelijk uit gewoonte, met zeker oplettend zelfbehagen en voorzichtig geduld te werken, alsof hij voor een muizenhol zat te loeren.

Eindelijk waren de brieven afgehandeld, met uitzondering van een, dien hij voor eene afzonderlijke audiëntie bewaarde. Nadat hij de geheime correspondentie in eene lade had gesloten, trok hij aan de schel.

“Waarom komt gij binnen?” was de vraag waarmede hij zijn broeder ontving.—“De looper is uit, en ik ben de volgende,” was het onderdanig antwoord.—“Gij de volgende,” mompelde de chef. “Ja! Veel eer voor mij! Daar!”

Naar de hoopjes brieven wijzende, keerde hij zich in zijn leuningstoel verachtelijk om, en verbrak het cachet van den brief dien hij in de hand had.

“Het spijt mij dat ik u moet lastig vallen, James,” begon zijn broeder, de brieven opzamelende, “maar...”—“O! Gij hebt iets te zeggen. Dat wist ik wel. Nu?”

Carker de chef sloeg zijne oogen niet naar zijn broeder op, maar hield ze op den brief gevestigd, zonder dien evenwel te openen.

“Welnu?” herhaalde hij scherp.—“Ik ben ongerust over Harriët.”—“Welke Harriët? Ik ken niemand die zoo heet.”—“Zij is niet wel. Zij is sedert eenigen tijd veel veranderd.”—“Zij is veel veranderd, al vele jaren geleden,” antwoordde de chef, “en dat is al wat ik te zeggen heb.”—“Ik denk, als ge mij woudt aanhooren ...”—“Waarom zou ik u aanhooren, broeder John?” antwoordde Carker de chef, met een spottenden nadruk op deze twee woorden, en het hoofd oprichtende, maar zonder zijne oogen op te slaan. “Ik zeg u, Harriët Carker heeft voor vele jaren de keus gedaan tusschen hare twee broeders. Zij mag er nu berouw van hebben, maar zij moet er bij blijven.”—“Versta mij niet verkeerd. Ik zeg niet dat zij er berouw van heeft. Het zou eene groote ondankbaarheid van mij zijn, als ik zoo iets liet denken,” zeide de ander. “Maar geloof mij, James, ik ben even bedroefd over hare opoffering als gij.”—“Als ik?” riep de chef uit. “Als ik?”—“Even bedroefd over hare keus—over wat gij hare keus noemt—als gij er kwaad over zijt.”—“Kwaad?” herhaalde de ander, en liet al zijne tanden zien.—“Onvergenoegd. Welk woord u maar belieft. Gij weet wel wat ik meen. Ik wil niet beleedigend zijn.”—“Al wat gij doet is beleedigend,” antwoordde zijn broeder, hem eensklaps met een donkeren blik aanziende, die terstond plaats maakte voor een glimlach nog breeder dan de vorige. “Neem die papieren mee, als het u belieft. Ik heb bezigheden.”

Zijne beleefdheid was zooveel scherper dan zijne gramschap, dat de Junior naar de deur ging. Daar bleef hij echter staan, en zich omkeerende, zeide hij:—“Toen Harriët, bij uwe eerste billijke verontwaardiging en mijne eerste schande, vruchteloos voor mij bij u poogde te spreken, en toen zij u verliet, James, om mij in mijn ongeluk te volgen, en zich in hare blinde liefde aan haar gevallen broeder toe te wijden, omdat hij buiten haar niemand had, was zij nog jong en bevallig. Ik denk als gij haar nu kondt zien—als gij haar nu wildet gaan zien—zoudt gij u verwonderen en medelijden met haar hebben.”

De chef boog zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij, tot antwoord op een onverschillig praatje, zeggen: “Wel, wel! Zoo, zoo!” maar sprak geen woord.—“Wij dachten in die dagen, gij en ik beiden, dat zij jong zou trouwen en een gelukkig en onbezorgd leven hebben,” vervolgde de ander. “O, als gij wist hoe blijmoedig zij is voortgegaan op den weg dien zij toen nam, zonder eene enkele maal om te zien, dan zoudt gij nooit weder kunnen zeggen dat haar naam u vreemd was. Nooit!”

Wederom boog de chef zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij zeggen: “Wel opmerkelijk! Ik ben waarlijk verwonderd;” maar wederom sprak hij geen woord.—“Mag ik voortgaan?” zeide John Carker gedwee.—“Heengaan?” antwoordde zijn glimlachende broeder. “Als ge zoo goed wilt zijn.”

Met een zucht ging John Carker langzaam de deur uit, toen de stem van zijn broeder hem op den drempel deed stilstaan.

“Als zij blijmoedig haar weg gaat,” zeide hij, den nog ongeopenden brief op den lessenaar werpende, “kunt gij haar zeggen dat ik even blijmoedig den mijnen ga. Als zij nooit heeft omgezien, kunt gij haar zeggen dat ik dat wel eens heb gedaan, om mij te herinneren dat zij uwe partij heeft gekozen, en dat mijne besluiten niet minder duurzaam zijn,” hier glimlachte hij zeer vriendelijk, “dan marmer.”—“Ik zeg haar niets van u. Wij spreken nooit over u. Eenmaal ’s jaars, op uw verjaardag, zegt Harriët altijd: “Laten wij James gedachtig zijn en wenschen dat hij gelukkig zij;” maar meer zeggen wij niet.”—“Zeg het dan u zelven als het u belieft,” was het antwoord. “Gij kunt het niet te dikwijls herhalen, als eene les voor u om mij niet over de zaak te spreken. Ik ken geene Harriët Carker. Er is zoo iemand niet. Gij moogt eene zuster hebben; houd haar dan in waarde. Ik heb er geen.”

Hij nam den brief weder op en wuifde met een glimlach van spottende beleefdheid naar de deur. Toen zijn broeder heenging, zag hij dezen nog donker na, en zich toen weder in zijn leuningstoel omdraaiende begon hij den brief met aandacht te lezen.