Dombey en Zoon

Part 29

Chapter 293,895 wordsPublic domain

Te denken dat die verwaande kerel, die den kost won met in steenkolen en asch te wroeten, daar met zijn rouwteeken voor hem uitreed! Te denken dat zelfs hij, door zulk eene gemeenschappelijke vertooning van rouw, zich durfde bemoeien met de teleurstelling en het geheime zielsverdriet van een trotschen gentleman! Te denken dat zijn verloren zoon, die zijne schatten, zijne plannen en zijne macht met hem had moeten deelen, en met wien hij vereenigd de geheele wereld als met eene dubbele deur van goud had moeten buitensluiten, zulk een troep had ingelaten om hem met hunne wetenschap van zijne verijdelde hoop en hunne aanspraak op medegevoel te beleedigen, zoo niet hem te hoonen door te snoeven dat zij zich in de plaats hadden gedrongen, waar hij alleen had willen heerschen!

Hij vond geen vermaak of verstrooiing in de reis. Door deze gedachten gepijnigd, nam hij de eentonigheid overal met zich mede, en vloog met spoorsnelheid niet door een welig afwisselend landschap, maar door eene woestijn van vernielde plannen en knagende jaloezie. De spoed waarmede de trein voortsnorde scheen zelfs den spot te drijven met den snellen loop van het jeugdige leven, dat zoo onverbiddelijk naar zijn voorbestemd einde was gevoerd. De kracht die op haar eigen ijzeren weg voortholde, zonder zich aan andere wegen en paden te storen, door alle hindernissen heen borende, en levende wezens van allerlei soort, ouderdom en stand medeslepende, was een zinnebeeld van het zegevierend monster, de dood.

Voort, al gillend, snuivend en kletterend, de stad uit, tusschen de huizen door, zoodat het er in de straten van gonsde, voor een oogenblik over het groene veld snorrende, zich in den vochtigen grond borende, bulderend voortstuivende door de duisternis en de dompig benauwde lucht, en weder uitbarstende in den zonnigen dag; voort, al gillend, snuivend en kletterend, door de velden, door de bosschen, door het koren, door het hooi, door het krijt, door de mulle aarde, door de klei, door de rots, tusschen voorwerpen zoo dichtbij dat men ze bijna met de hand kon grijpen, maar die telkens den reiziger ontsnappen, en een bedriegelijk verschiet dat altijd langzaam schijnt mee te gaan: evenals in het spoor van het genadelooze monster, de dood.

Door de vallei, over de hoogte, over de heide, langs den boomgaard, langs het park, langs den tuin, over het kanaal, over de rivier, waar de schapen grazen, waar de molen maalt, waar de schuit vaart, waar de dooden rusten, waar de fabriek staat te rooken, waar de stroom bruist, waar het dorpje zich verschuilt, waar de groote domkerk oprijst, waar het barre duinland zich uitstrekt, en de wilde wind naar zijn ongestadig believen het dorre kruid streelt of teistert; voort, al gillend, snuivend en kletterend, zonder eenig spoor na te laten dan stof en damp; evenals op de baan van het genadelooze monster, de dood.

Tegen den wind en het licht, de regenbui en den zonneschijn in, voort, altijd voort, rolt en buldert de trein, woest en snel, glad en zeker; en zware bruggen, die over de baan heen liggen, werpen een streepje schaduw er op, voor het oog van een duim breedte, en zijn verdwenen. Voort en altijd voort; een vluchtige blik op hutten, huizen, kasteelen, rijke landgoederen, op landbouw en nijverheid, op menschen, op oude wegen en paden, hetwelk alles klein en onbeduidend schijnt zoodra het achtergelaten is; en dat wordt het dan ook, en wat anders dan zulke vluchtige blikken heeft men op de baan van het ontembare monster, de dood!

Voort, al gillend, snuivend en kletterend, zich wederom onder den grond bedelvende, en met zulk eene woede van kracht en volharding voortzwoegende, dat in de duisternis en den tochtwind de beweging omgekeerd schijnt, en pijlsnel naar achteren schijnt te loopen, tot een lichtstraal op den vochtigen muur doet blijken dat zijne vlakte als een ijlende stroom voorbijvliegt. Voort, nog eens in het daglicht en door het daglicht, met een gegil van verrukking, brullende, snuivende en kletterende, alles met zijn zwarten adem aanblazende, somtijds voor een oogenblik stilhoudende, waar zich een drom van gezichten vertoont, die men over eene minuut niet meer ziet; somtijds gretig water slurpende, en eer de pijp, waaruit het vuurmonster drinkt, heeft opgehouden te lekken, alweder voortsnorrende in het blauwe verschiet.

Harder en harder nog gilt en brult de trein, wanneer hij met onweerstaanbare vaart op zijn doel komt aansnellen, en nu is zijn weg, gelijk die van den dood, dik met asch bestrooid. Alles in den omtrek is zwart. Ver in de diepte liggen donkere waterplassen, modderige paden en ellendige woningen. Dichtbij staan verzakte muren en vervallene huizen, en door de beschadigde daken en vensters ziet men in de ellendige kamers, waar gebrek en ziekte zich in vele ellendige gedaanten verbergen, terwijl rook, en opeengedrongene gevels en schoorsteenen, eene wanstaltigheid van kalk en steen, die eene wanstaltigheid van lichaam en ziel tot schuilplaats strekt, het dompig verschiet afsluiten. Terwijl Dombey uit het portier van zijn rijtuig ziet, komt het hem niet in de gedachten dat het monster, dat hem daar gebracht heeft, en het licht van den dag op deze dingen heeft doen schijnen, ze niet gemaakt of veroorzaakt heeft. Dit was het welgepaste einde van den tocht, en had het eind van alle dingen kunnen zijn, zoo woest en akelig was het.

Zoo had hij, zijne eentonige gedachtenreeks vasthoudende, altijd dat eene genadelooze monster voor zich. Alles zag zwart, en alles zag hem koud en doodelijk aan, en hij wederom. Hij vond overal iets dat hem aan zijne ramp herinnerde. Om zich heen zag hij eene onbarmhartige zegepraal, die, in welken vorm ook, zijn trots kwetste en zijne jaloezie prikkelde, maar vooral wanneer iemand of iets de liefde en de gedachtenis van zijn gestorven kind met hem deelde.

Er was een gezichtje—hij had het den vorigen avond aangezien, en het had hem ook aangezien, met oogen die in zijne ziel lazen, schoon zij door tranen beneveld werden en zich spoedig achter twee bevende handjes verborgen—dat op dezen tocht dikwijls voor zijne verbeelding oprees. Hij zag het, met de uitdrukking die het den vorigen avond had, schroomvallig smeekend naar hem opgeheven. Het was niet verwijtend, maar het had iets van twijfel, bijna van hopend ongeloof, dat, toen hij het wederom in de treurige zekerheid van zijn misnoegen zag verdwijnen, naar verwijt geleek. Het was eene kwelling voor hem aan dit gezichtje van Florence te denken.

Omdat hij eene nieuwere zachtere aandoening daarbij gevoelde? Neen, omdat het gevoel, dat het bij hem opwekte—waarvan hij in vroeger tijd slechts een voorgevoel had gehad—nu geheel duidelijk was geworden, hem al te zeer ontroerde en te sterk dreigde te worden om er bedaard bij te blijven. Omdat hij dit gezichtje ook herkende in dit algemeene, tergende beklag dat hem evenals de lucht scheen te omringen. Omdat het de schicht verscherpte van dien wreeden onmeedoogenden vijand, die zijne gedachte zoo bezig hield, en hem een tweesnijdend zwaard in de vuist gaf. Omdat hij, daar staande—het overgangstooneel, dat hij voor zich had, met zijne eigene naargeestigheid kleurende, en het zoo tot een tafereel van verval en verwoesting makende, in plaats tot eene betere dingen belovende verandering—omdat hij, daar staande, in zijn eigen hart wel wist, dat het leven evenveel schuld had aan zijn verdriet, als de dood. Een kind was gestorven, en een overgebleven. Waarom was het voorwerp zijner hoop weggenomen in plaats van haar?

De zachte, kalme, aanvallige verschijning, die hij niet uit zijne verbeelding kon verbannen, deed geene andere gedachte bij hem opkomen dan deze. Zij was hem van den eersten af onwelkom geweest; zij was nu eene verzwaring van zijn bitter verdriet. Als zijn zoon zijn eenig kind was geweest, en dezelfde slag hem getroffen had, zou die ook zwaar zijn geweest om te dragen, maar oneindig lichter dan thans, nu de slag op haar had kunnen vallen (die hij zonder eenig leed had kunnen verliezen, dacht hij) en dit niet had gedaan. Haar liefderijk onschuldig gezichtje, dat voor hem oprees, oefende geen verzachtenden of innemenden invloed uit. Hij wees den engel van zich, en nam den kwelduivel op, die zijn hart binnenkroop. Haar geduld, hare goedhartigheid, hare jeugd, hare trouw, hare liefde, waren als zooveel stofjes in de asch waarop hij zijn hiel zette. Hij zag haar beeld in de akeligheid om hem heen, de somberheid niet verhelderende maar verdonkerende. Meer dan eens op die reis, en thans weder, nu hij bij het eind van zijn tocht stond te peinzen, kwam de gedachte bij hem op, wat er toch was, dat hij tusschen zich zelven en de verschijning kon plaatsen.

De majoor, die den geheelen weg langs had zitten hijgen en blazen, alsof hij zelf eene stoommachine was, en wiens oog dikwijls van zijne courant was afgedwaald om naar het uitzicht te gluren, alsof in den rook van den trein eene geheele processie van te leur gestelde jufvrouwen Tox medevloog en over het veld zweefde om zich ergens in een schuilhoek te verbergen, wekte zijn vriend door hem te onderrichten, dat de postpaarden waren voorgespannen en het rijtuig wachtte.

“Dombey,” zeide de majoor, hem met zijn rotting op den arm tikkende, “gij moet niet nadenkend worden. Dat is een slecht aanwendsel. Oude Joe, mijnheer, zou niet zoo taai zijn als gij hem nu ziet, als hij zich ooit daaraan had overgegeven. Ge zijt een veel te groot man, Dombey, om nadenkend te wezen. In uwe positie, mijnheer, zijt ge ver boven zoo iets verheven.”

Daar de majoor, zelfs bij zijne vriendelijke berispingen, aldus de waardigheid van Dombey in acht nam, en toonde hoezeer hij daarvan doordrongen was, gevoelde Dombey zich meer dan ooit genegen om iemand, die zooveel verstand en beleefdheid bezat, genoegen te geven. Terwijl zij langs den straatweg voortreden, deed hij dus zijn best om naar de vertelseltjes des majoors te luisteren, en de majoor, die deze manier van reizen veel geschikter vond dan de vorige, om zijne spraakzaamheid te laten uitblinken, deed zijn best om hem te onderhouden.

In zulk een vroolijk en spraakzaam humeur—slechts enkele malen in zijne vertellingen gestoord door zijne gewone verschijnselen van volbloedigheid, en ze somtijds afbrekende om op den inboorling uit te varen, wien zijne Europeesche kleederen met eene uitheemsche onmogelijkheid van passen aan het lijf zaten (overal lang waar zij kort, en kort waar zij lang, spannend waar zij ruim en ruim waar zij spannend moesten zijn, zonder dat de kleermaker eenige schuld daaraan had) en waaraan hij een nieuwe sierlijkheid mededeelde door telkens, als de majoor op hem uitvoer, er in weg te kruipen en als het ware in te krimpen—in zulk een vroolijk en spraakzaam humeur bleef de majoor den geheelen dag, zoodat toen de avond viel en hen op den belommerden weg bij Leamington vond draven, en zijne stem, door al zijn praten, eten, hoesten of keelschrapen, uit den koffer onder den bok of uit een naburigen hooiberg scheen te komen. Niet helderder werd zij in het Royal Hotel, waar kamers en een diner waren besteld, en waar de majoor zijne spraakorganen door eten en drinken zoo zeer belemmerde, dat hij, toen hij naar bed ging, geheel geene stem meer had dan om mede te hoesten, en zich den bruinen knecht alleen verstaanbaar kon maken door leelijke gezichten tegen hem te trekken.

Den volgenden morgen bij het ontbijt toonde hij echter wederom de levenskracht en den eetlust van een reus. Onder dezen maaltijd werd eene schikking gemaakt hoe men voortaan den dag zou besteden. De majoor zou de verantwoordelijkheid voor het bestellen van eten en drinken op zich nemen, en zij zouden dagelijks te zamen ontbijten en dineeren. Dombey wilde op dien eersten dag van hun verblijf te Leamington liever op zijne kamer blijven of alleen naar buiten wandelen; maar den volgenden morgen zou hij den majoor gaarne naar de bronzaal en door de stad vergezellen. Zoo scheidden zij tot aan het diner. Dombey zonderde zich af om zich in zijne eigene heilzame gedachten te verdiepen. De majoor (vergezeld door den inboorling, die een vouwstoeltje, eene overjas en eene paraplu droeg) kuierde alle openbare plaatsen op en neer, keek alle inteekenlijsten na, om te zien wie er was, sprak oude dames aan, die zeer met hem ingenomen waren, vertelde dat J. B. taaier was dan ooit, en pochte overal op zijn rijken vriend Dombey. Er is nooit iemand geweest die trouwer vriend was dan de majoor, wanneer hij door op dezen te pochen op zich zelven kon pochen.

Het was verwonderlijk hoeveel nieuwe stof tot praten de majoor onder den maaltijd had, hoeveel reden hij Dombey gaf om zijne gezellige talenten te bewonderen. Den volgenden morgen bij het ontbijt wist hij den inhoud der pas ontvangene couranten, en sprak in verband daarmede van verscheidene zaken, waarover onlangs zijn gevoelen gevraagd was door personen van zooveel macht en aanzien, dat men slechts met bewimpelde uitdrukkingen van hen mocht spreken. Dombey, die zich zoolang in zich zelven had opgesloten, en maar zelden, zoo al ooit, den tooverkring had overschreden waarbinnen de operatiën van Dombey en Zoon plaats hadden, begon dit iets veel beters dan zijn eenzaam leven te vinden; en in plaats van den volgenden dag weder eene reden te zoeken om in huis te blijven, gelijk hij zich had voorgenomen toen hij alleen was, ging hij arm in arm met den majoor uit wandelen.

XXI.

NIEUWE GEZICHTEN.

Met nog blauwer gezicht en meer uitpuilende oogen—nog meer overrijp, als het ware—en telkens een paardenkuch uitstootende, niet zoozeer uit noodzakelijkheid als om zijn gevoel van eigenwaarde lucht te geven, wandelde de majoor met Dombey aan den arm den zonnigen kant der straat langs, met de wangen over zijne stijve stropdas heen gezwollen, de beenen wijd van elkander, en zijn groot hoofd heen en weder waggelende, alsof hij bij zich zelven beredeneerde welk een innemend personage hij toch was. Zij waren pas eenige voetstappen ver gekomen, toen de majoor iemand ontmoette dien hij kende, en niet vele voetstappen verder toen de majoor iemand anders ontmoette dien hij kende; maar hij groette hen slechts in het voorbijgaan door een wuiven met de hand, en leidde Dombey verder voort, terwijl hij de verschillende merkwaardige plaatsen, die zij voorbijkwamen, aanwees, en hem onderhield met de kwaadsprekende praatjes, welke deze plaatsen hem in het hoofd brachten.

Zoo kuierden de majoor en Dombey voort, zeer tot hun eigen genoegen, toen zij een stoel op wielen zagen naderen, een soort van wagentje, waarin eene dame gezeten was, die dit rijtuig met een soort van roer, voorop, bestuurde, terwijl het van achteren door eene onzichtbare kracht werd voortgestuwd. Hoewel de dame niet jong meer was, zag zij er blozend uit—wangen als rozen—en waren hare kleeding en houding zeer jeugdig. Naast dit wagentje eene vederlichte parasol dragende, met zulk eene mengeling van trotschheid en afmatting in haar gezicht, alsof zij spoedig van die inspanning zou moeten afzien en de parasol laten vallen, trippelde eene andere dame, veel jonger, zeer schoon, zeer fier, zeer eigenzinnig, die haar hoofd op zijde hield en hare oogleden liet zakken, alsof, als er iets in de geheele wereld waardig was om aan te zien, behalve een spiegel, dit zeker de aarde of de hemel niet was.

“Wel wat duivel, wie hebben wij hier, mijnheer!” riep de majoor uit, en bleef stilstaan toen deze kleine stoet naderde.—“Lieve Edith!” zeide de dame in het wagentje, temend langzaam. “Majoor Bagstock!”

Niet zoodra hoorde de majoor deze stem, of hij liet Dombey’s arm los, stoof vooruit, greep de hand van de dame in het wagentje en drukte die aan zijne lippen. Met niet minder galanterie, vouwde de majoor daarna zijne handschoenen op zijn hart en maakte eene diepe buiging voor de andere dame. En thans, nu het wagentje stilhield, werd de beweegkracht zichtbaar, in de gedaante van een jongen die daar achter duwde, een page, die al te sterk scheen gegroeid te zijn of geduwd te hebben, want nu hij overeindstond was hij spichtig lang, mager en bleek, en hij zag er nog des te ongelukkiger uit, daar hij zijn hoed had ingedeukt door zijn hoofd tegen het wagentje te zetten om het voort te duwen, gelijk in Oostersche landen somtijds door olifanten gedaan wordt.

“Joe Bagstock,” zeide de majoor tot beide de dames, “is nu een trotsch en gelukkig man voor de rest van zijn leven.”—“Gij valschaard,” zeide de oude dame op een laffen kwezeltoon. “Waar komt gij vandaan? Ik kan u niet uitstaan.”—“Laat oude Joe u dan zijn vriend mogen presenteeren, mevrouw,” antwoordde de majoor snel, “als eene reden om hem te dulden. Mijnheer Dombey, mevrouw Skewton.” De dame in het wagentje was vriendelijk. “Mijnheer Dombey, mevrouw Granger.” De dame met de parasol was er flauw van bewust dat Dombey zijn hoed afnam en eene diepe buiging maakte. “Ik ben verrukt, mijnheer,” zeide de majoor, “dat ik deze gelegenheid heb.”

De majoor scheen dit ernstig te meenen, want hij keek alle drie aan en lonkte op zijne leelijkste manier.

“Mevrouw Skewton, Dombey,” hervatte de majoor, “maakt het hart van den ouden Joe tot eene ruïne.”

Dombey gaf te kennen dat hij zich daarover niet verwonderde.

“Gij valsche booswicht,” zeide de dame in het wagentje, “schei toch uit! Hoelang zijt gij al hier, gij ondeugd?”—“Een dag,” antwoordde de majoor.—“En kunt gij een dag, of maar eene minuut,” hervatte de dame, hare valsche krullen en wenkbrauwen even met haar waaier gladstrijkende, en hare valsche tanden toonende, die door hare valsche kleur nog meer uitkwamen, “in den hof van—hoe heet dat ook weer—”—“Eden, zou ik denken, mama,” zeide de jongere dame met zekere minachting.—“Ik kan het niet helpen, lieve Edith,” hernam de andere. “Ik kan mij nooit op die ijselijke namen bezinnen. Kunt gij maar eene minuut in den hof van Eden zijn, zonder dat geheel uw aanzijn door het gezicht der natuur wordt bezield, door den geur van haar ongekunstelden adem, gij valschaard?” zeide mevrouw Skewton, een zakdoek zwaaiende, walgelijk met den reuk van parfumerieën doortrokken.

Deze tegenstrijdigheid tusschen mevrouw Skewton’s geestdrift in woorden en haar flauwen, temenden toon, was even opmerkelijk als die tusschen hare jaren, nagenoeg zeventig in getal, en hare kleeding, die voor zeven en twintig nog wat jeugdig zou zijn geweest. Hare houding in het wagentje (die zij nooit veranderde) was dezelfde waarin zij, ongeveer vijftig jaren geleden, in eene barouche gezeten, was afgeteekend, door een schilder, die toen in de mode was, en onder de plaat, naar die teekening vervaardigd, den naam van Cleopatra had gezet, dewijl de kunstkenners van dien tijd hadden ontdekt, dat zij volmaakt naar deze koningin geleek, gelijk zij aan boord van hare galei zat te rusten. Mevrouw Skewton was toen eene belle, en de jonge heeren wierpen te harer eer wijnglazen bij dozijnen over het hoofd. De schoonheid en de barouche waren beide verdwenen, maar nog bewaarde zij die houding, en opzettelijk daartoe hield zij den stoel op wielen en den duwenden page er op na; want niets hoegenaamd, behalve die houding, zou haar verhinderd hebben om te voet te gaan.

“Mijnheer Dombey is ongetwijfeld een aanbidder der natuur?” zeide mevrouw Skewton, hare diamanten speld wat vaster stekende. Terloops gezegd, zij leefde voornamelijk van het crediet dat hare diamanten en hare familieconnectiën haar gaven.—“Mijn vriend Dombey, mevrouw,” antwoordde de majoor, “mag in het geheim aanbidder zijn, maar een man die op den eersten rang staat in de grootste stad van het heelal...”—“Niemand kan onbekend zijn met mijnheer Dombey’s ontzaglijken invloed,” zeide mevrouw Skewton.

Toen Dombey voor dit compliment met eene buiging bedankte, zag de jongere dame hem even aan en ontmoetten hunne oogen elkander.

“Gij woont hier, mevrouw?” zeide Dombey, haar aansprekende.—“Neen, wij zijn overal heen geweest—naar Harrowgate, en Scarborough, en Devonshire. Wij hebben hier en daar gelogeerd. Mama is eene vriendin van verandering.”—“Edith natuurlijk niet,” zeide mevrouw Skewton met akelige schalkachtigheid.—“Ik vind niet dat zulke plaatsen verandering geven,” was het antwoord, met trotsche onverschilligheid uitgesproken.—“Men spreekt kwaad van mij. Er is maar ééne verandering, mijnheer Dombey,” zeide mevrouw Skewton met een gemaakt zuchtje, “waarnaar ik waarlijk verlang, en die, vrees ik, zal men mij nooit laten genieten. Men kan mij nergens missen. Maar eenzaamheid en stilte zijn mijn—hoe heet het ook weer—”—“Als gij het paradijs meent, mama, moest ge dat liever zeggen, om u te doen verstaan,” zeide de jongere dame.—“Liefste Edith,” antwoordde mevrouw Skewton, “gij weet wel dat ik mij voor die ijselijke namen geheel op u moet verlaten. Mijnheer Dombey, ik verzeker u, de natuur had mij voor eene Arcadische herderin bestemd, en ik ben in de stad niet op mijne plaats. Op koeien ben ik gecharmeerd. Waar ik altijd naar gehaakt heb is, naar eene Zwitsersche boerderij te gaan, en daar te leven geheel omringd door koeien en porselein.”

Deze zonderlinge verbinding, welke aan den vermaarden os deed denken, die bij abuis in een porseleinwinkel kwam, werd door Dombey met den grootsten ernst aangehoord, en hij gaf als zijne meening te kennen dat de natuur zonder twijfel eene zeer achtenswaardige inrichting was.

“Wat ik mis,” teemde mevrouw Skewton, zich in hare verschrompelde keel knijpende, “is een hart.” Dit was in zekeren zin maar al te waar, zoo al niet in dien zin waarin zij de spreekwijs gebruikte. “Wat ik mis, is openhartigheid, vertrouwelijkheid, minder gemaaktheid, en eene vrijere beweging der ziel. Wij zijn zoo schrikkelijk gekunsteld.”

Dat waren wij waarlijk.

“Kortom,” zeide mevrouw Skewton, “ik mis overal de natuur. Zij zou zoo charmant wezen.”—“De natuur roept ons juist nu, als ge klaar zijt, mama,” zeide de jongere dame, hare fraaie bovenlip optrekkende. Op dezen wenk verdween de page, die over den rug van den stoel had staan kijken, eensklaps daarachter alsof de grond hem verzwolgen had.—“Wacht een oogenblik,” zeide mevrouw Skewton, toen het wagentje zich begon te bewegen. Zij sprak tot haar page met dezelfde kwijnende statigheid, waarmede zij in vroeger tijd tot een koetsier met eene pruik, een ruiker als eene bloemkool, en zijden kousen had gesproken. “Waar logeert gij, booswicht?”

De majoor logeerde in het Royal Hotel, met zijn vriend Dombey.

“Gij moogt ons eens op een avond komen opzoeken als ge niet ondeugend zijt,” lispelde mevrouw Skewton. “Als mijnheer Dombey ons de eer wil bewijzen, zal het ons een genoegen zijn. Ga maar voort, Withers!”

De majoor drukte nogmaals de vingers, die met zorgvuldige onachtzaamheid (volgens het model van Cleopatra) op den rand van het wagentje lagen, aan zijn blauwe lippen; en Dombey boog. De oudste dame vereerde beiden met een zeer vriendelijk lachje en een argeloos kinderachtig kushandje; de jongere met de flauwste buiging van haar hoofd die de beleefdheid maar veroorloofde.

De laatste blik op het gerimpelde gezicht der moeder, met die geplekte kleur er op, welke het in den zonneschijn veel akeliger maakte dan het gebrek van kleur kon gedaan hebben, en de trotsche schoonheid der dochter, met hare sierlijke gestalte en stijve houding, wekte bij den majoor en Dombey zulk een onwillekeurig verlangen op om ze na te kijken, dat beiden zich op hetzelfde oogenblik omkeerden. De page, bijna even schuins overhellende als zijne eigene schaduw, zwoegde achter het wagentje tegen den heuvel op; de bol van Cleopatra’s hoed wiegelde op een duim af in denzelfden hoek als te voren, en de belle, die alleen een weinig vooruitkuierde, gaf in geheel hare sierlijke gestalte, van het hoofd tot de voeten, dezelfde trotsche minachting voor alles en iedereen te kennen.