Part 28
Zij waren in het gewoel reeds van boord, eer Walter zag waar zij bleven; en toen hij naar de kampanje liep en hen nakeek, zag hij zijn oom met een hangend hoofd in de boot zitten, en de kapitein hem met het zilveren horloge op den rug kloppen (dat nog al zeer moest doen) en met de theelepeltjes en de suikertang gesticuleeren om hem moed en hoop te geven. Walter in het oog krijgende, liet de kapitein zijne schatten geheel onbezorgd onder in de boot vallen, nam zijn blinkenden hoed af en riep hem op zeemans manier lustig aan. De blinkende hoed flikkerde in den zonneschijn, en de kapitein bleef daarmede zwaaien tot hij niet meer te zien was. Toen bereikte de verwarring aan boord, die hoe langer hoe grooter was geworden, haar toppunt; nog twee of drie booten voeren onder een algemeen gejuich af; de zeilen glinsterden in den zonneschijn, toen Walter ze voor het gunstige koeltje zag uitspreiden; het water stoof flikkerend voor den boeg op, en de Zoon en Erfgenaam aanvaardde hare reis, zoo vroolijk en vol hoop, als menig ander zoon en erfgenaam, reeds lang verdwenen, vroeger had gedaan.
Dag aan dag berekenden oom Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje den koers van het schip, met de kaart op het ronde tafeltje voor hen. Des avonds, als de oude man zoo alleen naar boven ging naar het zolderkamertje, waar het somtijds zoo geducht waaide, keek hij naar de sterren en luisterde hij naar den wind, en hield hij langer wacht dan hij had moeten doen als hij matroos aan boord was geweest. De laatste flesch oude madera, die meer dan eens de linie was gepasseerd en de zeegevaren had leeren kennen, bleef ondertusschen stil en ongestoord, onder stof en spinrag liggen.
XX.
DE HEER DOMBEY GAAT OP REIS.
“Mijnheer Dombey, mijnheer,” zeide majoor Bagstock, “Joey B. is doorgaans niet sentimenteel, want Jozef is taai. Maar Jo heeft zijn gevoel, mijnheer, en als dat wakker wordt—verd...d, mijnheer,” riep de majoor met plotselinge woestheid uit, “dit is eene zwakheid, en die wil ik niet van mij velen.”
Majoor Bagstock gebruikte deze uitdrukkingen, toen hij Dombey als zijn gast boven aan zijne eigen trap in Princess’s Place ontving. Dombey kwam, eer zij te zamen hun tocht aanvaardden, bij den majoor ontbijten; en de ongelukkige inboorling had reeds zooveel met de warme broodjes en de eieren uitgestaan, dat het leven hem een last was.
“Het past geen oud soldaat van dat ras als de Bagstock’s zijn,” hervatte de majoor, weder bedarende, “zich als een buit aan zijne eigene aandoeningen over te leveren; maar—verd...d, mijnheer,” riep hij met eene nieuwe vlaag van woestheid uit, “ik condoleer u!”
Het purperen gezicht des majoors werd nog donkerder van kleur, en zijne kreeftachtige oogen puilden nog verder uit, toen hij Dombey de hand drukte, en aan dat vreedzaam bedrijf iets zoo uitdagends gaf, als ware het eene inleiding om dadelijk om duizend pond en de waardigheid van kampioen van Engeland met Dombey te boksen. Met eene draaiende beweging van het hoofd, en snuivend als een verkouden paard, bracht de majoor zijn gast de kamer binnen, en nu, geheel bedaard, verwelkomde hij hem daar met de gulheid en rondborstigheid van een reismakker.
“Dombey,” zeide de majoor, “ik ben blij dat ik u zie. Ik ben trotsch, dat ik u zie. Er zijn niet veel menschen in Europa tegen wie J. Bagstock dat zou zeggen—want Josh is plomp, mijnheer, dat ligt in zijn karakter—maar Joey B. is toch trotsch, dat hij u ziet, Dombey.”—“Majoor,” antwoordde Dombey, “ge zijt zeer beleefd.”—“Neen, mijnheer,” zeide de majoor. “Geen drommel! Dat is mijn karakter niet. Als dat Jo’s karakter was geweest, had Josh wel luitenant generaal Sir Jozef Bagstock kunnen zijn en u in een geheel ander kwartier ontvangen. Gij kent den ouden Jo nog niet, zie ik. Maar deze gelegenheid, iets zoo bijzonders, maakt mij waarlijk trotsch. Waarachtig, mijnheer,” zeide de majoor op vasten toon, “ik ben er door vereerd.”
Dombey begreep, naar zijne schatting van zich zelven en zijn geld, dat dit de waarheid was en betwistte het punt dus niet. Maar de instinctmatige erkentenis van zulk eene waarheid door den majoor en zijne onbewimpelde belijdenis er van, waren hem zeer aangenaam. Dit was voor Dombey eene bevestiging—als hij die nog noodig had gehad—dat hij zich niet in den majoor had bedrogen. Het was eene verzekering voor hem, dat zijne macht zich buiten zijn onmiddellijken kring uitstrekte; en dat de majoor, als een officier en een gentleman, niet minder van die bewustheid was doordrongen dan de knecht van de beurs.
En indien het ooit een troost voor hem was, zoo iets te weten, was het toen een troost, nu het onvermogen van zijn wil, de onbestendigheid zijner hoop, de machteloosheid van zijn rijkdom, hem zoo geducht waren gebleken. Wat kon het geld doen, had zijn zoontje hem gevraagd. Somtijds aan die kinderlijke vraag denkende, kon hij zich nauwelijks onthouden ze bij zich zelven met een zucht te herhalen. Wat kon het doen? Wat had het gedaan?
Maar dit waren eenzame gedachten, die laat in den nacht, in de neerslachtigheid en somberheid zijner afzondering, bij hem opkwamen; en zijn trots liet zich gemakkelijk weder geruststellen door vele getuigenissen van de waarheid, even geldig als die van den majoor. Dombey was den majoor nu vriendelijk genegen. Men kon niet wel zeggen dat hij warm voor hem werd, maar hij ontdooide een weinigje. De majoor had eenig deel gehad—en niet te veel—in de dagen aan het strand. Hij was een man van de wereld en kende eenige groote lui. Hij praatte veel en wist anekdoten te vertellen; en Dombey was genegen om hem voor een bijzonder geestig man te houden, die vooral in gezelschappen schitterde, en daarbij niet het hatelijke gebrek van armoede had, dat zulke lieden veel eigen is. Zijn stand in de maatschappij kon niet betwijfeld worden. Over het geheel was de majoor een verkieslijk reisgenoot, met wien men zich met fatsoen kon laten zien, die aan gemakkelijk leven gewoon was, bekend met de plaatsen die zij zouden bezoeken, en iets ongegeneerds over zich had, dat zich zeer wel met zijn eigen ernstiger karakter verdroeg en geheel in geen wedstrijd daarmede kwam. Indien Dombey daarbij nog een flauw denkbeeld had, dat de majoor, als een man die in zijn beroep gewoon was om den spot te drijven met de geduchte hand, welke zijne hoop zoo kort geleden had verwoest, hem ongezocht wat nuttige philosophie zou mededeelen en zijne onmannelijke zwaarmoedigheid verdrijven, verborg hij dit voor zich zelven, en liet het onder zijne trots bedolven liggen, zonder er verder onderzoek naar te doen.
“Waar is mijn schobbejak!” zeide de majoor, gramstorig in de kamer rondziende.
De inboorling, die geen bijzonderen naam had, maar zich ieder scheldwoord als zoodanig toeëigende, kwam dadelijk in de deur, maar durfde zich niet dichterbij wagen.
“Gij schavuit!” zeide de opvliegende majoor, “waar is het ontbijt?”
De bruine knecht verdween om het te gaan halen, en spoedig hoorde men hem de trap weder opkomen, zoodanig bevende, dat de borden en schotels op het blad, dat hij droeg, den geheelen weg naar omhoog rinkelden.
“Dombey,” zeide de majoor, met een blik naar den inboorling, die de tafel schikte, en dien ongelukkige met zijne vuist dreigende, toen hij een lepel liet vallen, “hier is gebraden ham, een pasteitje, een schoteltje nieren en zoo wat meer. Ga zitten. Oude Joe kan u niets anders geven dan soldatenkost, ziet ge.”—“Uitmuntende kost, majoor,” antwoordde zijn gast, en dat niet uit enkele beleefdheid; want de majoor zorgde altijd zoo goed mogelijk voor zijne tafel, en at meer krachtige lekkernijen dan hem wel dienstig waren, zoodat zelfs de faculteit zijne keizerlijke kleur voornamelijk aan die omstandigheid toeschreef.—“Gij hebt naar den overkant gekeken, mijnheer,” merkte de majoor aan. “Hebt gij onze vriendin gezien?”—“Gij meent jufvrouw Tox,” antwoordde Dombey. “Neen.”—“Eene bekoorlijke dame, mijnheer,” zeide de majoor, met een vetten lach uit zijn korten hals, die hem bijna deed stikken.—“Jufvrouw Tox is een heel goed mensch, geloof ik,” antwoordde Dombey.
De trotsche koelheid van dit antwoord scheen den majoor zeer te streelen. Hij zwol geweldig op, en legde zelfs voor een oogenblik mes en vork neer, om in zijne handen te wrijven.
“Oude Jo, mijnheer,” zeide hij, “was eens zoo wat een gunsteling daar. Maar oude Jo heeft zijn tijd gehad. J. Bagstock is van de baan geknikkerd—afgedankt, mijnheer. Ik zal u eens wat zeggen, Dombey.” De majoor hield even op en keek geheimzinnig en verontwaardigd. “Die vrouw is verduiveld eerzuchtig, mijnheer.”—“Zoo!” zeide Dombey met koude onverschilligheid, misschien eenigszins gemengd met verachtelijk ongeloof dat jufvrouw Tox de verwaandheid kon hebben om zulk eene verhevene eigenschap te koesteren.—“Die vrouw, mijnheer,” zeide de majoor, “is op hare manier een Lucifer. Joey B. heeft zijn tijd gehad, mijnheer, maar zijne oogen nog gehouden. Hij kan nog zien, die Jo. Wijlen zijne Koninklijke Hoogheid de Hertog van York heeft eens op een lever van Joey aangemerkt, dat hij drommels goed zien kon.”
De majoor vergezelde dit met zulk een blik, en door het eten en drinken, met zijne geheimzinnigheid vereenigd, zwol zijn hoofd zoodanig op, dat zelfs Dombey eenige bezorgdheid voor hem liet blijken.
“Dat malle oude figuur, mijnheer,” vervolgde de majoor, “heeft nog hooge uitzichten, hemelhooge uitzichten, mijnheer—huwelijksplannen, Dombey.”—“Dat spijt mij voor haar,” zeide Dombey.—“Zeg dat niet, Dombey,” antwoordde de majoor op een waarschuwenden toon.—“Waarom zou ik niet, majoor?” zeide Dombey.
De majoor gaf geen antwoord dan door eene paardenkuch, en ging ijverig voort met eten.—“Zij heeft veel werk van uw huishouden gemaakt,” zeide de majoor wederom, ophoudende, “en is een tijd lang dikwijls bij u aan huis gekomen.”—“Ja,” antwoordde Dombey met groote deftigheid. “Jufvrouw Tox is, in den tijd toen mevrouw Dombey stierf, daar eens als vriendin van mijne zuster gekomen; en daar zij zeer welgemanierd was, en veel hart voor het arme kind toonde, werd haar vrijgelaten—ik mag wel zeggen, werd zij aangemoedigd—om meermalen met mijne zuster terug te komen, en langzamerhand eenigszins familiaar in huis te worden. Ik heb,” zeide Dombey, op den toon van iemand die eene gewichtige toestemming gaf, “ik heb achting voor jufvrouw Tox. Zij is zoo verplichtend geweest om in mijn huis een aantal kleine diensten te bewijzen; geringe en onbeduidende diensten misschien, majoor, maar die daarom niet veracht moeten worden; en ik hoop dat ik het geluk heb gehad van in staat te zijn geweest om die diensten te erkennen door zooveel oplettendheid en beleefdheid als ik haar heb kunnen toonen. Ik acht mij aan jufvrouw Tox verplicht, majoor,” voegde hij er bij, even met de hand wuivende, “voor het genoegen van uwe kennis.”—“Neen, Dombey,” zeide de majoor met warmte; “neen, mijnheer. Jozef Bagstock kan dat niet zonder tegenspreken laten doorgaan. Uwe kennis met den ouden Jo, mijnheer, zooals hij dan is, en zijne kennis met u, mijnheer, had haar oorsprong in een veelbelovend kind, mijnheer—een verbazend kind, Dombey!” zeide de majoor, met eene aandoening alsof hij zou stikken—niet moeielijk om te veinzen voor iemand, die zoo dikwijls op het punt van stikken was, “wij zijn met elkander in kennis gekomen door uw zoon.”
Dombey scheen door dit gezegde getroffen, en het is niet onwaarschijnlijk dat de majoor het daarop had toegelegd. Dombey keek voor zich en zuchtte; en de majoor kreeg weder eene vlaag van woestheid en zeide, op den gemoedstoestand doelende, waarin hij gevaar liep te vervallen, dat dit eene zwakheid was, en hij die niet van zich zelven wilde velen.
“Onze vriendin stond in eene zeer verwijderde betrekking met die gebeurtenis,” zeide de majoor, “en al de eer die haar toekomt, mijnheer, wil J. B. haar gaarne geven. Maar toch, mejufvrouw,” vervolgde hij, zijne oogen opslaande naar het venster aan den overkant, waar men jufvrouw Tox juist hare bloemen kon zien begieten, “zijt gij eene doortrapte feeks, mejufvrouw, en is uwe eerzucht een staaltje van monsterachtige onbeschaamdheid. Als zij alleen diende om u zelve belachelijk te maken, mejufvrouw,” vervolgde de majoor, zijn hoofd schuddende naar de van niets bewuste jufvrouw Tox, terwijl zijne oogen een sprong uit dat hoofd naar haar toe schenen te doen, “mocht gij er vrij uw hart aan ophalen, dat verzeker ik u, mejufvrouw, uit naam van majoor Bagstock.” Hier begon de majoor zoo schrikkelijk te lachen dat het zelfs aan zijne oorlapjes en de aderen op zijn voorhoofd te zien was. “Maar, mejufvrouw,” vervolgde hij, “als gij anderen compromitteert, menschen die geen erg hebben en geen kwaad denken, tot belooning van hunne goedheid, dan doet gij een ouden Jo het bloed koken.”—“Majoor,” zeide Dombey, rood wordende, “ik hoop dat gij niets zoo ongerijmds wilt aanduiden als dat jufvrouw Tox....”—“Ik wil niets aanduiden, Dombey,” zeide de majoor; “maar Joey B. heeft in de wereld verkeerd, mijnheer, en zijne oogen en ooren open gehad, en Jo zegt u, Dombey, dat daar aan den overkant eene verduiveld slimme feeks woont, die heel hooge uitzichten heeft.”
Dombey keek onwillekeurig naar den overkant en zond zelfs een gramstorigen blik in die richting.
“Dat is alles wat Jozef Bagstock daaromtrent over de lippen zal komen,” zeide de majoor op vasten toon. “Joe is geen kwaadspreker, maar er komt toch wel eens een tijd dat hij moet spreken, dat hij wil spreken!—met uwe verduivelde streken, mejufvrouw,” riep de majoor, wederom gramstorig zijne schoone geburin aansprekende—“als het zoo erg loopt dat hij niet langer zwijgen kan.”
Deze uitbarsting haalde den majoor een hoestbui op den hals die geruimen tijd aanhield. Toen hij weder bekwam, vervolgde hij:—“En nu, Dombey, daar gij den ouden Jo hebt geïnviteerd—den ouden Jo, die geene andere verdiensten heeft, dan dat hij taai en hartig is—om te Leamington uw gast en gids te wezen, beschik nu maar over hem naar uw believen. Ik weet niet, mijnheer,” zeide de majoor, schertsend zijne onderkin schuddende, “wat de menschen in Jo zien, waarom hij bij iedereen zoo gezocht is; maar dat weet ik wel, mijnheer, als hij niet tamelijk taai was en hardnekkig in het weigeren, zoudt gij hem met al uwe invitatiën gauw om een luchtje helpen.”
Dombey gaf met weinige woorden zijn gevoel te kennen van de voorkeur die hij verwierf, boven die andere uitstekende leden der maatschappij, welke zich het bezit van majoor Bagstock betwistten; maar de majoor viel hem in de rede, om hem te verstaan te geven, dat hij zijne eigene neigingen volgde, en dat zij allen als één man waren opgestaan en gezegd hadden: “J. B., Dombey is de man dien gij tot uw vriend moet kiezen.”
Daar de majoor zich nu zooveel mogelijk had volgepropt, en het bovendien tijd werd om te maken dat men op den spoortrein naar Birmingham kwam, trok de inboorling hem met groote moeite zijne jas aan, en knoopte die zoo dicht dat zijn starend, hijgend gezicht boven dat kleedingstuk uit kwam kijken, alsof hij in een vat was gepakt. Daarop gaf de inboorling hem een voor een en met voegzame tusschenpoozen zijne zeemen handschoenen, zijn dikken stok, en zijn hoed aan, welken laatsten de majoor zwierbolachtig schuins op het hoofd zette, om den indruk van zijn opmerkelijk gezicht eenigszins te verzachten. De inboorling had vooraf in alle mogelijke en onmogelijke hoeken van Dombey’s rijtuig, dat stond te wachten, een buitengewoon aantal van reiszakken en valiezen gepakt, niet minder volgepropt dan de majoor zelf; en toen hij nu zijne eigene zakken met Selzerwater, ouden Sherry, boterhammen, cache-nez, verrekijkers, kaarten en couranten had gevuld—de kleine bagage, die de majoor op reis ieder oogenblik kon noodig hebben—kondigde hij aan dat alles gereed was. Om de uitrusting van dezen ongelukkigen vreemdeling (van wien men zeide dat hij in zijn eigen land een prins was geweest) te voltooien, wierp de huisheer hem, toen hij naast Towlinson op het achterbankje zat, nog eene hoop overjassen en mantels van den majoor toe, die hem zoodanig overdekten, dat hij als in een levend graf naar het spoorwegstation reed.
Doch eer het rijtuig in beweging kwam, en terwijl de inboorling zoo begraven werd, verscheen jufvrouw Tox voor haar venster en wuifde met een sneeuwwitten zakdoek. Dombey ontving dezen afscheidsgroet zeer koel—zeer koel zelfs voor hem—vereerde haar slechts met het allergeringste hoofdknikje, en liet zich met een zeer misnoegd gezicht achteroverzakken. Dit in het oogloopend gedrag scheen den majoor (die jufvrouw Tox met alle beleefdheid groette) zoodanig te vermaken, dat hij nog lang naderhand zat te lonken, te grinniken en te kikhalzen, als een vetgemeste Mephistopheles.
Aan het station wandelden Dombey en de majoor, onder het gewoel voor het vertrek, naast elkander de gaanderij op en neer, de eerste stil en somber, de laatste zeer spraakzaam, hetzij om zijn reisgenoot of zich zelven den tijd te korten. Geen van beiden lette er op dat zij zoo wandelende de aandacht trokken van een werkman, die bij de locomotief stond, en telkens als zij voorbijkwamen aan zijne pet tikte; want Dombey was gewoon gemeene lieden over het hoofd te zien, en de majoor kon, als hij anekdoten van zich zelven vertelde, gelijk hij nu deed, aan niets anders denken. Eindelijk evenwel stapte die man hen in den weg, nam zijne pet af en dook met zijn hoofd voor Dombey.
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide hij, “maar ik hoop dat ge zoo tamelijk wel zijt.”
Hij was gekleed in een pak van grof linnen, overvloedig met kolenstof en olie besmeerd, en had asch in zijne bakkebaarden en over het geheel een vrij sterken reuk van gebluschte sintels. Hij zag er overigens niet gemeen uit, en kon ook eigenlijk niet smerig genoemd worden; kortom, het was baas Toodle, in het costuum van zijn beroep.
“Ik zal de eer hebben u te stoken, mijnheer,” zeide Toodle. “Neem mij niet kwalijk. Ik hoop, dat gij het nu zoo wat te boven komt?”
Tot dank voor zijn belangstellenden toon, zag Dombey hem aan, alsof het gezicht van zulk een man reeds genoeg was om zijne oogen vuil te maken.
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” begon Toodle nog eens, toen hij zag dat hij niet duidelijk herkend werd, “maar Polly, mijne vrouw, die bij u in huis Richards genoemd werd.”
Eene verandering in Dombey’s gezicht, die eene herkenning scheen aan te duiden, maar nog veel sterker een toornig gevoel van vernedering uitdrukte, deed Toodle zwijgen.
“Uwe vrouw zal geld noodig hebben, denk ik,” zeide Dombey, de hand in den zak stekende en op een trotschen toon—maar zoo sprak hij altijd.—“Neen, mijnheer, wel bedankt,” antwoordde Toodle; “dat juist niet.”
Dombey bleef nu op zijne beurt steken, en dat wel tamelijk verlegen, met de hand in den zak.
“Neen, mijnheer,” zeide Toodle, de lederen pet, die hij niet weder had opgezet, al om en om draaiende. “Het gaat ons vrij goed, mijnheer. Wij hebben geene reden om te klagen. Wij hebben er na dien tijd nog wel vier gekregen, mijnheer; maar wij slaan er ons toch door.”
Dombey had er zich wel door willen slaan naar zijn eigen rijtuig, al had hij zoo doende den stoker onder de wielen gesmeten; maar de pet, die de man al om en om bleef draaien, had iets dat zijne aandacht trok.
“Wij hebben een kleintje verloren,” merkte Toodle aan, “dat is niet tegen te spreken.”—“Binnen kort?” zeide Dombey, naar de pet ziende.—“Neen, mijnheer, al drie jaren geleden; maar al de anderen zijn gezond en frisch. En wat lezen betreft, mijnheer,” Toodle dook weder als om Dombey te herinneren wat er lang geleden daarover tusschen hen was omgegaan, “mijne jongens hebben mij dat, met hun allen, toch nog geleerd.”—“Kom, majoor,” zeide Dombey.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” hervatte Toodle, nog eens voor hen stappende, maar zeer ootmoedig en met de pet in de hand. “Ik zou u met zoo iets niet hebben lastig gevallen, als het niet was om op mijn zoon Biler te komen—Robin gedoopt—dien gij zoo goed zijt geweest om een Liefdadigen Slijper van te maken.”—“Wel, man,” zeide Dombey op zijn strengsten toon, “wat van hem?”—“Wel, mijnheer,” antwoordde Toodle, zeer bedrukt zijn hoofd schuddende, “het spijt mij te moeten zeggen dat het daar slecht met hem is afgeloopen.”—“Slecht afgeloopen?” zeide Dombey met zekere barsche tevredenheid.—“Hij is onder slechte kameraden gekomen, ziet gij, heeren,” vervolgde de vader, beiden bedroefd aanziende en blijkbaar den majoor in het gesprek mengende, in de hoop om bij hem medelijden te vinden, “en op slechte wegen geraakt. God geve dat hij weer te recht mag komen, heeren, maar hij is nu op den verkeerden weg. Het kon haast niet anders of gij moest er wel eens van hooren, mijnheer,” zeide Toodle, nu weder Dombey persoonlijk aansprekende, “en het is beter, dat ik er zelf maar voor uitkom en zeg dat mijn jongen op een verkeerden weg is geraakt. Polly is er schrikkelijk benauwd over, heeren,” zeide Toodle, met hetzelfde bedrukte gezicht en zich nogmaals naar den majoor keerende.—“Een zoon van dien man, dien ik heb laten opvoeden, majoor,” zeide Dombey, hem zijn arm gevende. “De gewone dank!”—“Hoor eens naar den raad van den eenvoudigen ouden Jo, en laat nooit weer dat soort van volk opvoeden, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verd...d, mijnheer, het gaat nooit! Het mislukt altijd!”
De bedrukte vader wilde gaan zeggen, dat zijn zoon, de gewezen Slijper, geslagen en geschopt door een ruwen gemeenen kerel, (even weinig voor zijn post geschikt als een bulhond zou geweest zijn) om hem eene nuttelooze woordenkraam als een papegaai te leeren klappen, misschien in een of ander opzicht niet de rechte soort van opvoeding had gekregen, toen Dombey toornig herhaalde: “De gewone dank!” en met den majoor heenging. En daar de majoor zwaar was om in Dombey’s rijtuig, dat hoog op een wagen was gezet, te worden opgeheschen, en telkens als zijn voet van de trede glipte en hij den inboorling weder op het lijf viel, moest ophouden om te zweren dat hij dien ongelukkige al de beenderen in het lijf zou stuk slaan, of levend laten villen, of op eene andere manier doodmartelen, had hij, eer zij afreden, nog maar even tijd om met eene schorre stem te herhalen, dat het nooit ging, dat het altijd mislukte, en dat, als hij “zijn eigen vagebond” wilde laten opvoeden, de kerel zeker aan de galg zou komen.
Dombey stemde dit met bitterheid toe; maar er school nog iets meer achter die bitterheid, en achter de gemelijkheid waarmede hij zich in zijn rijtuig achterover liet zakken, en met een gefronst voorhoofd naar de voorbijvliegende voorwerpen keek, dan misnoegen over het mislukken van het heerlijke opvoedingsstelsel door het Slijpers Gilde in werking gebracht. Hij had om de gemeene pet van dien man eene nieuwe strook krip gezien, en zich uit zijn toon en zijne antwoorden verzekerd, dat hij dit rouwteeken voor zijn zoon droeg.
Zoo moest dan iedereen, hoog en laag, van Florence in zijn deftig huis, tot aan den gemeenen kerel, die het vuur stookte, waarvan hij den rook nu zag voorbijvliegen, eene of andere aanspraak op deelgenootschap in zijn dooden zoon maken, en zijne eigene rechten bestrijden! Kon hij ooit vergeten hoe die vrouw bij zijn bed had geschreid en hem haar kind genoemd; of hoe hij, telkens als hij wakker werd, naar haar had gevraagd, en in zijn bed overeind was gekomen en opgehelderd was toen zij binnenkwam!