Dombey en Zoon

Part 22

Chapter 224,014 wordsPublic domain

Het was bijna ongeloofelijk de blauwe jas te zien, zonder dat de kapitein er instak; maar hij stak er toch niet in, anders zouden zijne beenen—daar de huizen in Brig Place niet hoog zijn—de straatdeur hebben verstopt, die evenwel geheel vrij was. Zeer verwonderd over dit gezicht, klopte Walter ééns aan.

“Stinger,” hoorde hij den kapitein, boven op zijne kamer, duidelijk zeggen, alsof dit kloppen hem niet aanging. Walter klopte dus tweemaal.

“Cuttle,” hoorde hij den kapitein daarop zeggen; en terstond daarop kwam de kapitein zelf, in zijne schoone hemdsmouwen, met zijne das als een touw om den hals en zijn blinkenden hoed op, boven zijne jas en vest uit het raam kijken.

“Walter!” riep de kapitein uit, met verbazing naar beneden ziende.—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter. “Ik ben het maar.”—“Wat scheelt er aan, mijn jongen?” zeide de kapitein zeer bezorgd. “Gills is toch niet weer over stuur?”—“Neen, neen,” antwoordde Walter. “Mijn oom scheelt niets, kapitein.”

Kapitein Cuttle gaf zijn genoegen daarover te kennen, en zeide dat hij naar beneden zou komen en de deur opendoen, hetgeen hij dan ook deed.

“Maar ge zijt er toch heel vroeg bij, Walter,” zeide de kapitein, hem nog twijfelachtig aanziende, toen zij boven waren gekomen.—“Wel, kapitein,” zeide Walter, zich neerzettende, “de zaak is eigenlijk, dat ik bang was dat ge zoudt uitgaan; en ik wenschte eens een vriendelijken raad van u te hebben.”—“Kom maar op, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Gij kunt alles van mij krijgen.”

Walter verhaalde hem wat er was voorgevallen, in welk bezwaar hij zich daardoor ten opzichte van zijn oom bevond, en hoe het hem verplichten zou als kapitein Cuttle zoo goed wilde zijn om hem bij te staan. Kapitein Cuttle’s verbazing was zoo groot, dat zijn gezicht op het eind van het verhaal een ledig masker scheen te zijn, waarachter nooit eene menschelijke ziel had gescholen.

“Gij begrijpt wel, kapitein Cuttle,” vervolgde Walter, “wat mij zelven betreft, ik ben nog jong, zooals mijnheer Dombey zegt, en op mij komt het niet aan. Ik moet maken dat ik door de wereld kom, dat weet ik wel, maar er zijn twee punten dacht ik, terwijl ik hier naar toekwam, waarop ik voor mijn oom bijzonder moet letten. Ik wil niet zeggen dat ik verdien zijn roem en de lust van zijn leven te zijn—dat gelooft gij wel van mij—maar dat ben ik toch. Denkt gij het ook niet?”

De kapitein scheen eene poging te doen om uit de diepte zijner verbazing op te rijzen en zijn gezicht weder te bezielen; maar daar dit hem mislukte, knikte de blinkende hoed slechts met onuitsprekelijke beteekenis.

“Als ik in leven en gezond blijf,” zeide Walter, “en daar ben ik niet bang voor, kan ik toch, als ik naar West-Indië ga, bezwaarlijk hopen mijn oom ooit weder te zien. Hij is oud, en buitendien, kapitein Cuttle, zijn leven is een leven van gewoonte....”—“Sta vast, Walter! En als die gewoonte ophoudt!” zeide de kapitein, eensklaps als het ware herlevende.—“Maar al te waar, kapitein,” antwoordde Walter, zijn hoofd schuddende. “En als het (zooals gij eens met waarheid hebt gezegd) zijn leven zou verkort hebben, als hij zijn winkelvoorraad, en al die dingen, waaraan hij zooveel jaren gewoon was, had verloren, denkt gij dan niet dat het zijn leven ook verkorten zou....”—“Als hij zijn neef verloor?” viel de kapitein er op in. “Wel zeker.”—“Nu dan,” zeide Walter, met eene poging om een vroolijken toon aan te nemen; “wij moeten ons best doen om hem te doen gelooven, dat de scheiding maar voor een tijd zal zijn; maar daar ik beter weet, of vrees beter te weten, kapitein, en zooveel redenen heb om hem te achten en lief te hebben, vrees ik dat het mij zeer slecht zou afgaan als ik probeerde hem dat wijs te maken. Dat is mijne voornaamste reden om te wenschen dat gij er hem het eerst van spreekt, en dat is mijn eerste punt.”—“Laveeren,” merkte de kapitein peinzend aan.—“Wat zegt ge, kapitein?” vroeg Walter.—“Sta vast!” antwoordde de kapitein, nog peinzend.

Walter zweeg eene poos om te wachten of de kapitein er nog iets bij zou voegen; maar daar deze niets meer zeide vervolgde hij.

“Nu het tweede punt, kapitein Cuttle. Het spijt mij dat ik het moet zeggen, maar ik ben geen gunsteling van mijnheer Dombey. Ik heb altijd mijn best willen doen, en ik heb dat ook altijd gedaan, maar hij houdt niet van mij. Ik kan het misschien niet helpen, dat ik hem niet beval. Daar zeg ik niets van. Ik zeg maar, het is zeker dat hij niet van mij houdt. Hij zendt mij niet naar dien post omdat het een goede post is; hij wil mij dien zelfs niet beter doen voorkomen dan hij is, en ik twijfel zeer of ik daardoor ooit tot bevordering op het kantoor zal komen—of hij mij niet integendeel maar voor altijd uit den weg wil hebben. Nu moeten wij hiervan niets tegen oom zeggen, kapitein Cuttle, maar de zaak zoo gunstig voorstellen als wij kunnen; en als ik u zeg hoe het werkelijk is, doe ik dat alleen opdat ik, als er ooit gelegenheid mocht komen om mij een handje te helpen, terwijl ik zoo ver weg ben, thuis een vriend zou hebben, die mijne wezenlijke omstandigheden kent.”—“Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, “in de spreuken van Salomo vinden wij dit: “Mogen wij nooit gebrek hebben aan een vriend in nood, of aan eene flesch om hem te geven!” Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”

Hierbij had de kapitein, met een gezicht vol welmeenendheid, Walter zijne hand toegestoken; en nog eens zeide hij (want hij was eenigszins trotsch op de nauwkeurigheid en gepastheid van zijne aanhaling): “Als ge dat vindt, zet er dan een streepje bij.”—“Kapitein Cuttle,” zeide Walter, de vervaarlijke vuist, die hem werd toegestoken, met zijne beide handen vattende; “na mijn oom, is er niemand van wien ik zooveel houd als van u. Er is niemand op de wereld wien ik zoo gerust kan vertrouwen, dat weet ik zeker. Wat het heengaan betreft, kapitein, daarom geef ik niet. Waarom zou ik daarom geven? Als ik mijn fortuin mocht gaan zoeken als gemeen matroos, zou ik het gaarne doen. Ik zou het al jaren geleden gaarne gedaan hebben, en het er op gewaagd hebben hoe het met mij afliep. Maar dat was tegen den zin van mijn oom en tegen de plannen die hij voor mij gemaakt had; en daarmede was dat afgedaan. Maar wat ik gevoel, kapitein Cuttle, is dat wij ons allen aldoor eenigszins vergist hebben, en dat ik tegenwoordig geene betere vooruitzichten heb dan toen ik pas bij mijnheer Dombey op het kantoor kwam—misschien slechter vooruitzichten, want misschien was de patroon mij toen wel wat genegen, en dat is hij nu zeker niet.”—“Keer terug, Whittington,” mompelde de verslagene kapitein, nadat hij Walter eene poos had aangezien.—“Het zal lang duren, vrees ik,” antwoordde Walter lachende, “eer er weer een Whittington komt. Niet dat ik klaag,” vervolgde hij, weder zijn gewonen levendigen toon aannemende. “Ik heb over niets te klagen. Ik ben bezorgd. Ik kan leven. Als ik mijn oom verlaat, laat ik hem aan u over, kapitein Cuttle, en ik kan hem aan niemand beter overlaten. Ik heb u dat alles niet gezegd omdat ik wanhopig ben, dat niet; het is maar om u te overtuigen, dat ik het op het kantoor niet maar zoo voor het kiezen heb, en dat ik moet gaan waar ik gezonden word en moet nemen wat mij geboden wordt. Het is voor mijn oom beter dat ik word weggezonden; want mijnheer Dombey is een vriend die hem kan bijstaan, en ook wel wil, gelijk gebleken is; en ik ben overtuigd dat hij dit nog eerder zal doen als ik er niet ben, dien hij niet gaarne ziet. Dus, kapitein Cuttle, met eene kleine verandering van het matrozen-liedje:

“Dat gaat naar West-Inje toe, Voor meer dan zeven jaren.””

Kapitein Cuttle kon niet nalaten mede te schreeuwen, en besloot het gezang met een lang uitgerekt “A-hoy!” dat de geheele straat doorklonk.

“En nu, kapitein Cuttle,” zeide Walter, hem met groote drukte jas en vest aangevende, “als ge nu wilt meekomen en oom Sam het nieuws vertellen (dat hij eigenlijk al lang had moeten weten) zal ik u aan de deur laten en tot van middag gaan rondkuieren.”

De kapitein scheen niet veel zin in die taak te hebben, of te denken dat hij ze naar behooren zou kunnen volvoeren. Hij had zich Walter’s toekomstige loopbaan zoo geheel anders voorgesteld; hij had zich zoo dikwijls verheugd over de schranderheid waarmede hij zijn fortuin vooruitzag, dat het hem veel kostte daarvan af te zien, en zelfs mede te helpen, om die vooruitzichten den bodem in te slaan. Buitendien vond hij het moeilijk zijne oude denkbeelden in dit opzicht over boord te werpen en eene nieuwe lading in te nemen, zonder in de haast, welke de omstandigheden vereischten, de eene met de andere zaak te verwarren en zelf niet te weten hoe hij het had. In plaats van dus met zooveel spoed, als Walter zou verlangd hebben, vest en jas aan te trekken, weigerde hij dit geheel en al, en onderrichtte hij Walter dat hij over zulk eene ernstige zaak eerst “een beetje op zijne nagels moest bijten.”

“Dat is eene oude gewoonte van mij. Walter,” zeide de kapitein, “al sedert vijftig jaar. Als gij Ned Cuttle op zijne nagels ziet bijten, denk dan maar dat hij aan den grond zit.”

Daarop nam de kapitein zijn ijzeren haak tusschen de tanden, alsof het eene hand was, en begon de zaak, met een gezicht vol diepdenkende wijsheid, uit alle oogpunten te overwegen.

“Ik heb een vriend,” mompelde hij peinzende, “maar hij is tegenwoordig op de kustvaart naar Whitby uit, die er zooveel over zou kunnen zeggen en over alle andere dingen, dat hij het parlement wel zes zou kunnen voorgeven en het nog kloppen. Hij is tweemaal over boord geslagen, die man, en het heeft hem niets gedeerd. Toen hij nog een jongen was kreeg hij alle dag met eene handspaak op zijn kop, en toch is er geen mensch op de wereld die helderder kop heeft.”

In weerwil van zijne achting voor kapitein Cuttle kon Walter niet nalaten zich heimelijk over de afwezigheid van dien wijzen man te verheugen, en te hopen dat zijn helder verstand zich niet met zijne bezwaren mocht bemoeien eer zij geheel waren opgeruimd.

“Als ik dien man de ton aan de Nore wees,” zeide kapitein Cuttle, op denzelfden toon, “en hem zijne meening daarover vroeg, Walter, zou hij er een ding van maken dat zoo weinig op eene ton geleek als de knoopen van uw oom. Geen mensch loopt zoo hard—op twee beenen zeker niet—dat hij hem kan bijhouden.”—“Hoe heet hij, kapitein Cuttle?” zeide Walter, die toch eenige belangstelling in den vriend des kapiteins wilde toonen.—“Hij heet Bunsby,” zeide de kapitein. “Maar, Heere, hij zou heel wat anders kunnen heeten, met zulk een verstand als hij heeft.”

Welk denkbeeld de kapitein eigenlijk aan deze lofspraak hechtte helderde hij niet verder op, en Walter lokte hem ook niet daartoe uit; want toen hij met zijne natuurlijke levendigheid nog eens over de voornaamste punten zijner zaak begon te spreken, ontdekte hij spoedig dat de kapitein weder in zijne vroegere diepzinnigheid was verzonken, en hoewel hij hem onder zijne ruige wenkbrauwen strak aankeek, hem blijkbaar niet zag of hoorde.

Kapitein Cuttle zat zich inderdaad met zulke diepzinnige bespiegelingen bezig te houden, dat zijn doorzicht weldra geheel geen grond meer vond. Langzamerhand werd het hem duidelijk dat er eene misvatting moest plaats hebben, en het veel waarschijnlijker was dat Walter zich vergiste dan hij; dat, indien er werkelijk een West-Indisch plan bestond, dit geheel iets anders moest wezen dan Walter, die zoo jong en loszinnig was, meende,—dat het niets anders wezen kon dan een nieuw verzinsel om hem met buitengewonen spoed fortuin te laten maken. “Of als er werkelijk eene kleine haspelarij tusschen hen is,” dacht de kapitein, meenende tusschen Walter en Dombey, “zal er maar een gepast woordje van een wederzijdsch vriend noodig zijn, om alles weder in orde te brengen.” De slotsom, die kapitein Cuttle uit deze overwegingen trok, was, dat daar hij reeds de eer had gehad om mijnheer Dombey te leeren kennen en te Brighton een zeer aangenaam half uur in zijn gezelschap door te brengen (op den ochtend toen zij dat geld leenden), en daar twee lieden, die de wereld kenden en elkander verstonden, en genegen waren om elkander pleizier te doen, gemakkelijk een klein bezwaar van dien aard konden schikken, het vriendschappelijk van hem zou zijn, als hij, zonder er Walter iets van te zeggen, bij mijnheer Dombey aan huis ging—tegen den knecht zeide: “Jongetje, wilt gij wel zoo goed zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren?”—Mijnheer Dombey in een geest van vertrouwen aan te spreken—hem bij zijn knoopsgat te haken—er over te praten—alles in het effen te brengen—en in zegepraal heen te gaan!

Terwijl deze gedachten langzamerhand bij kapitein Cuttle opkwamen en een bepaalden vorm kregen, klaarde zijn gezicht op, evenals een benevelde morgen voor een helderen middag plaats maakt. Zijne wenkbrauwen, die geducht dreigend waren geweest, trokken naar omhoog en werden minder borstelig; zijne oogen, bijna dichtgeknepen van het ingespannen denken, openden zich ongedwongen; een glimlach, die eerst maar drie plekjes had,—een aan den rechterkant van zijn mond en een aan beide ooghoeken—verspreidde zich over geheel zijn gezicht, ontrimpelde zijn voorhoofd, en lichtte den blinkenden hoed op, alsof deze, die met den kapitein aan den grond had gezeten, nu, evenals hij, gelukkig weder vlot was.

Eindelijk staakte de kapitein het nagelbijten, en zeide: “Nu, Walter, mijn jongen, kunt ge mij eens helpen met dat tuig;” waarmede hij zijn vest en jas bedoelde.

Walter vermoedde weinig waarom de kapitein zoo keurig was op zijne das, dat hij de beide slippen tot een soort van staart maakte, en deze door een zwaren gouden ring haalde, met eene tombe, een hek en een boom er op, ter gedachtenis van een overleden vriend; en waarom de kapitein zijne boordjes zoo hoog mogelijk optrok, zoodat hij er slechts even overheen kon zien; of waarom hij zijne schoenen uitdeed en een paar halvelaarzen aantrok, die hij slechts bij buitengewone gelegenheden droeg. Toen eindelijk de kapitein naar zijn genoegen was gekleed, en zich van het hoofd tot de voeten had bekeken in een scheerspiegeltje, hetwelk hij ten dien einde van een spijker nam, greep hij zijn knoestigen stok en zeide, dat hij gereed was.

De kapitein stapte op straat deftiger dan gewoonlijk, maar Walter schreef dit aan de laarzen toe en lette er dus weinig op. Eer zij ver waren gekomen, ontmoetten zij eene vrouw met bloemen te koop, en de kapitein bleef op eens, alsof hij een gelukkigen inval kreeg, bij haar staan, en kocht den grootsten ruiker uit hare mand; een waaierachtig bouquet, dat twee en een halven voet in omtrek had en uit de kleurigste en vroolijkste bloemen was samengesteld.

Met dit presentje, dat hij voor mijnheer Dombey bestemde, gewapend, stapte kapitein Cuttle met Walter voort, tot zij de deur des instrumentmakers bereikten, waarvoor zij beiden bleven stilstaan.

“Gij gaat binnen?” zeide Walter.—“Ja,” antwoordde de kapitein, die wel gevoelde dat hij zich Walter moest kwijt maken, eer hij verder ging, en dat hij zijn voorgenomen bezoek liever tot wat later op den dag moest uitstellen.—“En gij zult niets vergeten?” zeide Walter.—“Neen,” antwoordde de kapitein.—“Ik zal dus maar dadelijk op mijne wandeling uitgaan,” zeide Walter, “dan ben ik uit den weg.”—“Doe maar eene frissche lange wandeling, mijn jongen,” riep de kapitein hem na. Walter wuifde met de hand om dit te beloven, en ging zijns weegs.

Zijn weg lag eigenlijk nergens heen; maar hij dacht dat hij eens naar buiten wilde gaan, waar hij over het onbekende leven, dat voor hem lag, kon nadenken en onder een of anderen boom gerust zitten peinzen. Hij wist geene betere buitenwandeling dan bij Hampstead, en geene betere manier om daarheen te komen dan door Dombey’s huis voorbij te gaan.

Het was zoo statig en donker als ooit, en hij ging voorbij en zag naar den dreigenden gevel op. De valgordijnen waren allen neergelaten, maar de bovenvensters stonden wijd open, en het koeltje, dat die gordijnen deed heen en weder zwaaien, was het eenige teeken van leven of beweging dat van buiten zichtbaar was. Walter stapte zachter, toen hij het huis voorbijging, en was blijde toen hij het een paar deuren achter zich had.

Toen zag hij om—met die belangstelling welke hij altijd, sedert het avontuur van het verdwaalde kind, jaren geleden voor de plek gevoeld had, en keek vooral naar die bovenvensters. Terwijl hij zoo stond, hield er een koetsje voor de deur stil, en een zwaarlijvig heer, in het zwart, met een zwaren horlogeketting, stapte af en ging binnen. Toen hij zich naderhand dien heer en zijne equipage te zamen herinnerde, twijfelde Walter niet of het was een dokter, en toen verwonderde hij zich wie er ziek was: maar dit viel hem niet in voordat hij een eind ver was gegaan en mijmerend aan andere dingen had gedacht.

Maar toch aan dingen die door het huis bij hem opkwamen, want hij streelde zich met de gedachte, dat er misschien eens een tijd zou komen, wanneer het schoone meisje, dat zijne oude vriendin was, en hem altijd zoo dankbaar was geweest en zoo blijde dat zij hem zag, haar broeder in zijn belang zou trekken en zoo een gunstigen invloed op zijn lot uitoefenen. Hij streelde zich daarmede, meer, op het oogenblik, omdat hij zich dan zou kunnen verbeelden dat zij bestendig aan hem bleef denken, dan om het voordeel dat het hem zou kunnen geven; maar zijn nuchter verstand fluisterde hem toe dat hij, als hij dan nog leefde, over zee, en vergeten zou wezen, en zij getrouwd, rijk, trotsch en gelukkig. Er bestond niet meer reden dat zij bij zulk een veranderden staat van zaken met eenige belangstelling aan hem zou denken, dan aan eenig speeltuig dat zij ooit had gehad—neen, zelfs zooveel niet.

En toch idealiseerde Walter het bevallige meisje, dat hij eens op de gemeene straten had vinden zwerven, zoodanig, en vond in de onschuldige dankbaarheid, welke zij dien avond zoo eenvoudig en oprecht had getoond, zooveel edels en schoons, dat hij zich voor zich zelven schaamde, toen hij zich wilde opdringen dat zij trotsch zou worden. Aan den anderen kant waren zijne gedachten zoo grillig, dat het hem bijna niet minder lasterlijk voorkwam zich haar als eene volwassene vrouw te verbeelden, haar zich anders voor te stellen dan als hetzelfde zachtzinnige, argelooze, aanhalige kind, dat zij in de dagen van Goede Vrouw Brown geweest was. Kortom, Walter ontdekte dat hij, zoodra hij met zich zelven over Florence wilde redeneeren, terstond geheel onredelijk werd, en maar niet beter kon doen dan haar beeld in zijn hart te bewaren als iets kostbaars, onveranderlijks, onbereikbaars en onduidelijks—onduidelijk in alles behalve haar vermogen om hem op te beuren, en hem als een beschermengel terug te houden van alles wat harer onwaardig zou zijn.

Het was eene lange wandeling die Walter deed, terwijl hij naar de vogeltjes, en de kerkklokken, en het verzachte gegons der stad luisterde—streelende geuren inademde—somtijds naar den benevelden gezichteinder keek, waarachter zijne reis en de plaats zijner bestemming lagen—en dan weder rondzag naar het groene Engelsche gras en het bekende landschap. Evenwel dacht hij niet duidelijk, zelfs niet aan zijn vertrek; hij scheen het nadenken, uit traagheid, van uur tot uur, en van minuut tot minuut uit te stellen, en toch bleef hij al dien tijd aan het peinzen.

Walter had de velden weder verlaten, en stapte in dezelfde mijmerende stemming huiswaarts, toen hij een man een schreeuw hoorde geven, en terstond daarop eene gillende vrouwenstem hem bij zijn naam riep. Verwonderd omkijkende, zag hij dat eene huurkoets, die den anderen kant opreed, niet ver van hem af, was blijven stilstaan; dat de koetsier op den bok omzag en hem met zijne zweep wenkte, en dat eene jonge vrouw het halve lijf uit het portier stak en hem met alle macht teekenen gaf. Naar deze koets toeloopende, bevond hij dat de onbekende jonge jufvrouw Nipper was, en dat jonge jufvrouw Nipper zoodanig onthutst was dat zij haast niet wist wat zij zeide of deed.

“Staggs’s Gardens, mijnheer Walter!” zeide zij. “O zeg toch, als je blieft.”—“Wat?” vroeg Walter. “Wat is er te doen?”—“O, mijnheer Walter, Staggs’s Gardens als je blieft!” zeide Suze.—“Daar!” zeide de koetsier, zich met zekere zegevierende wanhoop op Walter beroepende, “zoo heeft die jonge jufvrouw al een uur lang aangegaan, en mij gedurig weer achteruit laten rijden uit blinde sloppen, waar zij wilde dat ik zou inrijden. Ik heb al veel vrachten in die koets gehad, maar nog nooit zulk eene vracht als zij.”—“Woudt ge naar Staggs’s Gardens, Suze?” vroeg Walter.—“Ja! Daar wil ze naar toe! Maar waar is het?” bromde de koetsier.—“Ik weet niet waar het is,” riep Suze radeloos uit. “Ik ben er eens geweest, mijnheer Walter, met jonge jufvrouw Flore en onzen armen lieveling, jongen heer Paul, op denzelfden dag toen gij jonge jufvrouw Flore in de City hebt gevonden, want wij raakten haar kwijt toen wij naar huis kwamen, jufvrouw Richards en ik, en een dolle stier en haar oudste jongetje; en ik ben er later nog wel geweest, maar nu kan ik het niet vinden, het is alsof het in den grond is gezonken. O, mijnheer Walter, laat mij toch niet zitten. Staggs’s Gardens, als je blieft. Flore’s lieveling—de lieveling van ons allemaal—die kleine, vriendelijke jonge heer Paul! O mijnheer Walter!”—“Goede God!” riep Walter uit. “Is hij ziek—erg ziek?”—“Och dat engeltje!” zeide Suze, hare handen wringende. “Hij heeft in zijn hoofdje gekregen, dat hij graag zijne oude min zou zien, en nu moet ik haar bij hem aan zijn bed halen, jufvrouw Staggs, in Polly Toodle’s Gardens—wist het toch maar iemand!”

Ontroerd van hetgeen hij hoorde, en terstond door Suze’s ijver aangestoken, trok Walter, nu hij hare boodschap begreep, zich de zaak zoo hartelijk aan, dat de koetsier genoeg werk had om hem dicht op te volgen, terwijl hij vooruitliep, om hier en daar en overal naar Staggs’s Gardens te vragen.

Er was geen Staggs’s Gardens meer. Het was van de aarde verdwenen. Waar eens het oude vermolmde zomerhuisje stond, verhief zich nu een paleis, en opende zich tusschen reusachtige kolommen een vergezicht in de spoorwegwereld daarachter. Het ellendige stuk braakland, waar voorheen allerlei vuilnis lag opgehoopt, was weg; in plaats daarvan zag men rijen van magazijnen met allerlei kostbare koopwaren volgestapeld. De oude achterstraten wemelden nu van voetgangers en rijtuigen; de nieuwe straten, die moedeloos in den modder waren blijven steken, vormden nu steden op zich zelven, met eigenaardige gemakken en genoegens, die men nooit beproefd, waaraan men nooit gedacht had, eer zij hier geschapen werden. Bruggen die naar niets toe gingen, brachten nu naar villa’s, tuinen, kerken en gezonde openbare wandelingen. De geraamten van huizen en beginselen van nieuwe buitenwijken waren langs den weg met stoomsnelheid medegeloopen, en als een monstertrein het land ingevlogen.

Wat de buurt betrof, die den spoorweg in zijne dagen van ontstaan niet had willen erkennen, zij was wijzer geworden en roemde nu op haar rijken en machtigen buurman. Men zag er spoorwegpatronen voor de vensters der manufactuurwinkels, en spoorwegbladen voor die der courantenloopers. Men zag er spoorweghotels en koffiehuizen, men had er spoorwegplannen, kaarten, gezichten, mantels, flesschen, boterhammenblikjes en vertreklijsten; spoorwegkoetsveeren, spoorwegomnibussen, spoorwegstraten en gebouwen, spoorweghandlangers en pannelikkers, en vleiers buiten getal. De klokken wezen zelfs spoorwegtijd, alsof de zon was afgeschaft. Onder de overwonnelingen was de voorheen zoo ongeloovige schoorsteenveger van Staggs’s Gardens, die nu in een gepleisterd huis van drie verdiepingen woonde, en zich op een geschilderd bord met gouden krulletters voor “aannemer van het machinale reinigen der spoorwegschoorsteenen” uitgaf.