Part 21
Paul kon niet begrijpen hoe dit te pas kwam, of waarom de twee dienstmeisjes zoo ernstig toekeken, of waarom Florence even haar hoofd omkeerde, en hem toen weder helder glimlachend aanzag.
“Flore,” zeide Paul, eene lok van haar donker haar tusschen zijne vingers houdende. “Zeg mij toch, lieve! Vindt gij dat ik oudmannetjesachtig ben geworden?”
Zijne zuster lachte en liefkoosde hem, en zeide: “Neen!”—“Omdat ik wel weet dat zij dat van mij zeggen,” hervatte Paul, “en ik wilde weten wat zij daarmede meenen, Flore.”
Maar er werd nu hard aan de deur geklopt, en Florence snelde naar de tafel, en er werd niets meer tusschen hen gezegd. Paul verwonderde zich weder toen hij zijne vriendin met Florence zag fluisteren, alsof zij haar troostte; maar de komst van een nieuw troepje gasten bracht hem dit spoedig uit het hoofd.
Het waren Sir Barnet Skettles, Lady Skettles en jonge heer Skettles. De laatste zou na de vacantie op het instituut komen, en de faam was in Feeder’s kamer reeds met zijn vader bezig geweest, die lid van het parlement was, en van wien Feeder zeide dat hij, als hij eens het woord nam (hetgeen men reeds drie of vier jaren van hem verwacht had), de Radicalen denkelijk geducht zou raken.
“En wat is nu deze kamer, bij voorbeeld?” zeide Lady Skettles tot Paul’s vriendin, Melia.—“Doctor Blimber’s studeerkamer, mevrouw,” was het antwoord.
Lady Skettles nam het vertrek door haar lorgnet op, en zeide, met een goedkeurend knikje, tot Sir Barnet: “Heel wel!” Sir Barnet stemde dit toe, maar de jonge heer keek achterdochtig en twijfelachtig.
“En dit jongetje nu,” zeide Lady Skettles, zich naar Paul keerende; “is hij een van de....”—“Jonge heeren, mevrouw; ja, mevrouw,” zeide Paul’s vriendin.—“En hoe heet gij, mijn bleek jongetje?” zeide Lady Skettles.—“Dombey,” antwoordde Paul.
Dadelijk viel Sir Barnet Skettles er op in, en zeide, dat hij de eer had gehad van Paul’s vader aan een openbaar diner te zien, en dat hij hoopte dat hij nog wèl voer. Daarna hoorde Paul hem tegen Lady Skettles zeggen: “City—heel rijk—hoogst respectabel—de doctor heeft er mij van gesproken.” En toen zeide hij tot Paul: “Wilt gij uw goeden papa wel zeggen dat Sir Barnet Skettles zeer verheugd was te hooren dat hij nog wèl voer, en hem zijn beleefd compliment laat doen?”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul.—“Dat is een cordate jongen,” zeide Sir Barnet Skettles. “Barnet,” tot den jongen heer, die zich voor de aanstaande studiën bij voorraad op den tulband wreekte, “dit is een jonge heer met wien gij wel kennis kunt maken. Dit is een jonge heer met wien gij kennis moogt maken, Barnet;” zeide hij, met bijzonderen nadruk op dit verlof.—“Welke oogen! Welke krullen! Wat een lief gezichtje!” riep Lady Skettles zachtjes uit, terwijl zij Florence door haar lorgnet opnam.—“Mijne zuster,” zeide Paul.
De Skettles’sen waren nu opgetogen; en daar Lady Skettles reeds op het eerste gezicht veel zin in Paul had gekregen, gingen allen te zamen naar boven. Sir Barnet Skettles leidde Florence, en de jonge Barnet kwam achteraan.
Toen zij het salon hadden bereikt bleef deze jonge heer echter niet lang op den achtergrond; want doctor Blimber had hem dadelijk naar voren en met Florence aan het dansen. Het kwam Paul voor dat hij niet bijzonder vergenoegd, maar integendeel tamelijk slecht in zijn humeur was; maar daar hij Lady Skettles, die met haar waaier de maat sloeg, tot mevrouw Blimber hoorde zeggen, dat haar lieve jongen duidelijk al smoorlijk verliefd was op het engelachtige kind, jonge jufvrouw Dombey, scheen het wel dat Skettles Junior niet wilde toonen hoe zalig hij was.
Kleine Paul vond het iets vreemds dat niemand zijne plaats tusschen de kussens op de sofa had ingenomen, en dat, toen hij weder in de kamer kwam, iedereen ruimte voor hem maakte om er weder naar toe te gaan. Ook bleef er niemand voor hem staan toen men opmerkte dat hij Florence gaarne zag dansen, maar men liet de plaats geheel vrij, zoodat hij haar met zijne oogen kon volgen. Zij waren zoo vriendelijk ook, zelfs de vreemdelingen, die er spoedig in groot aantal waren, dat zij hem telkens kwamen aanspreken, en hem vroegen hoe hij het maakte, en of hij hoofdpijn had, en of hij niet moe was. Hij was hun wel dankbaar voor al die goedheid en oplettendheid, en door kussens gesteund in zijn hoekje zittende, met Lady Skettles en mevrouw Blimber op dezelfde sofa, terwijl Florence op het eind van elken dans naast hem kwam zitten, bleef hij zeer vergenoegd toekijken.
Florence had den geheelen avond bij hem willen blijven en liever geheel niet dansen, maar Paul bewoog haar daartoe door haar te zeggen hoeveel behagen hij daarin had. En hij zeide haar de waarheid; want zijn hartje verhief zich en zijn gezichtje gloeide, als hij zag hoe iedereen haar bewonderde en zij het schoonste rozeknopje der danszaal was.
Van zijne rustplaats tusschen de kussens kon Paul bijna alles zien en hooren wat er omging, alsof alles alleen voor zijn vermaak gedaan werd. Onder andere kleine voorvallen merkte hij op dat mijnheer Baps, de dansmeester, met Sir Barnet Skettles in gesprek trad, en hem al zeer spoedig vroeg, evenals hij Toots had gedaan, wat hij met zijne ruwe grondstoffen doen zou als zij naar zijne havens kwamen en het goud wegliep—hetgeen voor Paul zoo iets raadselachtigs was, dat hij zeer verlangde te hooren wat er toch eigenlijk mee gedaan moest worden. Sir Barnet Skettles had er veel over te zeggen, en zeide dit ook, maar het scheen toch de vraag niet op te lossen, want Baps hervatte: “Ja, maar als Rusland dan ook met zijn talk aankwam?” hetgeen Sir Barnet bijna deed verstommen, want toen kon hij slechts zijn hoofd schudden en zeggen, wel dan moest men zich maar aan zijne katoenen stoffen houden, dacht hij.
Sir Barnet Skettles keek Baps na, toen hij mevrouw Baps wat ging opvroolijken (die, daar zij geheel verlaten was, zich hield alsof zij het muziekboek doorkeek van den heer die de harp bespeelde) alsof hij hem voor een merkwaardig persoon hield; en zeide dit ook kort daarop met zoovele woorden tot doctor Blimber, er bijvoegende of hij wel zoo vrij mocht zijn om te vragen wie hij was, en of hij ooit in den Raad van Koophandel had gezeten. Doctor Blimber antwoordde van neen, dat hij dit niet geloofde, dat hij eigenlijk een vak had....
“Dat met de statistiek in verband staat, zou ik durven zweren?” viel Sir Barnet er op in.—“Dat juist niet, Sir Barnet,” antwoordde doctor Blimber, zijne kin wrijvende. “Om de waarheid te zeggen, mijnheer Baps is een braaf man, Sir Barnet; maar eigenlijk is hij—onze dansmeester.”
Paul verwonderde zich zeer dat dit bericht Sir Barnet eene geheele andere meening van mijnheer Baps deed opvatten, dat hij zelfs woedend kwaad scheen te worden, met gloeiende oogen naar Baps omkeek, en naderhand, toen hij het geval aan Lady Skettles vertelde, zeide dat de kerel wel een dansmeester moest zijn om zoo verd...d onbeschaamd te wezen.
Er was nog iets dat Paul opmerkte. Mijnheer Feeder begon, nadat hij verscheidene glaasjes bisschop had gedronken, bijzonder vroolijk te worden. Het dansen was over het geheel zeer stijf en de muziek plechtig—zij geleek eenigszins naar kerkmuziek—maar na die glaasjes bisschop zeide Feeder tegen Toots, dat hij er wat leven in zou brengen; en daarna begon hij niet alleen te dansen, zoodat het werkelijk dansen mocht heeten, maar de muziek ook heimelijk op te stoken om wilde deuntjes te spelen. Verder werd zijne oplettendheid voor de dames zeer in het oog loopend; en met Cornelia dansende fluisterde hij haar iets in het oor—haar iets in het oor!—maar niet zoo zacht of Paul verstond deze buitengemeene dichtregelen:
“Had ik een hart dat valsch kon zijn, U kon ik nooit bedriegen!”
Dit hoorde Paul hem vier jonge dames achter elkander toefluisteren. Wel mocht hij tot Toots zeggen, dat hij vreesde dat het hem morgen zou opbreken.
Mevrouw Blimber maakte zich een weinig ongerust over dit—vergelijkenderwijs—losbandige gedrag, en vooral over de verandering in de muziek, die, daar zij nu ook gemeene straatdeuntjes begon te laten hooren, Lady Skettles wel aanstoot zou kunnen geven. Maar deze dame was zoo goed om mevrouw Blimber te verzoeken, dat zij er maar niet van zou spreken, en nam hare verontschuldiging dat mijnheer Feeder’s levendigheid van geest hem bij zulk eene gelegenheid somtijds tot kleine buitensporigheden verleidde, zeer beleefd en vriendelijk op, aanmerkende dat hij voor zijn stand een heel aardig man scheen te zijn, en haar vooral de netheid beviel waarmede hij zijn haar droeg, dat (gelijk reeds gezegd is) ongeveer een kwartduim lang was.
Eens, bij eene pauze in het dansen, zeide Lady Skettles tot Paul, dat hij veel van muziek scheen te houden. Paul antwoordde dat dit zoo was, en dat zij, als zij er ook zooveel van hield, zijne zuster Florence eens moest hooren zingen. Terstond ontdekte Lady Skettles dat zij bijna stierf van verlangen naar dit genot; en hoewel Florence er eerst van schrikte dat men haar vroeg om voor zooveel menschen te zingen, en ernstig verzocht dat men haar toch daarvan zou verschoonen, liet zij zich echter overhalen toen Paul haar bij zich riep en zeide: “Och toe, Flore! voor mij lieve Flore!” Zij ging dadelijk naar de piano en begon; en toen allen wat op zijde gingen, zoodat Paul haar kon zien, en hij haar daar alleen zag zitten, zoo jong, en zoo goed, en zoo schoon, en zoo vriendelijk voor hem; en hare heldere stem hoorde, zoo natuurlijk en bevallig, zulk een gouden band tusschen hem en alle liefde en geluk in zijn leven, moest hij zijn hoofd omkeeren om zijne tranen te verbergen. Niet, gelijk hij zeide, toen men hem aansprak, omdat de muziek te treurig of te aandoenlijk was, maar omdat zij hem zoo lief was.
Iedereen kreeg Florence lief. Hoe konden zij het laten. Paul had vooraf wel geweten dat zij moesten en zouden; terwijl hij daar tusschen de kussens in zijn hoekje zat, met kalm gevouwene handjes, en het eene been los onder zich geslagen, hadden weinigen kunnen raden welke trotsche blijdschap zijne kinderlijke borst deed zwellen, of welk eene zoete rust hij gevoelde. Lofspraken op “Dombey’s zuster” klonken hem van al de jongens in de ooren; iedereen verwonderde zich over het bescheidene zelfvertrouwen der jonge schoone; gedurig sprak men over hare geestigheid en hare talenten; en, als ware het zwevende in de lucht van een zomernacht, spreidde zich een half begrepen gevoel voor Florence en hem in het rond, dat hem roerde en streelde.
Hij wist niet waarom. Want al wat hij dien avond opmerkte, gevoelde en dacht—al het tegenwoordige en afwezige, het heden en verleden—smolt in elkander weg gelijk de kleuren van een regenboog, of van de pluimage van fraaie vogelen wanneer de zon ze beschijnt, of gelijk de zacht geschakeerde tinten der lucht wanneer die zon ondergaat. De vele dingen, waaraan hij in den laatsten tijd had moeten denken, zweefden hem in de muziek voorbij, niet alsof zij nogmaals zijne aandacht eischten, of dat zij die waarschijnlijk ooit weder zouden bezig houden, maar als vreedzaam afgedaan en bezorgd. Een eenzaam venster, waarvoor hij jaren geleden had staan turen, zag uit over een oceaan, mijlen en mijlen ver; op de golven lagen de invallende gedachten, die hem gisteren nog zoo woelig bezig hadden gehouden, nu rustig te slapen. Hetzelfde geheimzinnig gemurmel, waarover hij zich verwonderd had, toen hij in zijn wagentje op het strand lag, meende hij nog door het gezang zijner zuster, het gebrom van stemmen en het gescharrel van voeten te hooren klinken; het was alsof het zelfs eenig deel had aan de gezichten, die hem voorbijdwarrelden, en aan de botte vriendelijkheid van Toots, die hem dikwijls de hand kwam geven. Door de algemeene welwillendheid heen meende hij het nog te hooren; zelfs zijn naam van oudmannetjesachtigheid scheen er, hij wist niet hoe, in verband mede te staan. Zoo zat kleine Paul te luisteren, te mijmeren en te droomen, en was zeer vergenoegd.
Tot het tijd werd om afscheid te nemen; en toen kwam het geheele gezelschap in beweging. Sir Barnet Skettles bracht Skettles junior bij hem om hem de hand te geven, en vroeg hem of hij wel zou willen onthouden om zijn goeden papa te zeggen, met zijne bijzondere complimenten, dat hij, Sir Barnet Skettles, gezegd had te hopen dat de twee jonge heeren gemeenzame bekenden zouden worden. Lady Skettles gaf hem een kus, en streek het haar van zijn voorhoofd weg en sloot hem in hare armen, en zelfs mevrouw Baps—die arme mevrouw Baps! Paul was er blijde om—kwam van het muziekboek van den heer, die de harp speelde af, en nam even hartelijk afscheid van hem als iemand anders in de kamer.
“Goedendag, doctor Blimber,” zeide Paul, zijn handje toereikende.—“Goedendag, mijn vriendje,” antwoordde de doctor.—“Ik blijf u wel verplicht, mijnheer,” zeide Paul, hem argeloos in het geduchte gezicht kijkende. “Zult gij hun vragen, als het u belieft, dat zij goed voor Diogenes zorgen?”
Diogenes was de hond,—die nooit vóór Paul een vriend in zijn vertrouwen had genomen. De doctor beloofde dat men, gedurende Paul’s afwezigheid, alle mogelijke oplettendheid voor Diogenes zou hebben; en nadat Paul hem nog eens bedankt en de hand gegeven had, zeide hij mevrouw Blimber en Cornelia vaarwel, met zulk eene hartelijkheid en ernst, dat mevrouw Blimber van dat oogenblik af vergat om Lady Skettles van Cicero te spreken, hoewel zij het den geheelen avond vast voornemens was geweest. Cornelia nam Paul’s beide handjes in de hare en zeide: “Dombey, Dombey, gij zijt altijd mijn liefste leerling geweest. God zegene u!” En dit bewees, dacht Paul, hoe licht men iemand onrecht kon doen; want Cornelia, hoewel zij hem het leven zoo zuur had gemaakt, meende het en gevoelde het.
Een gemompel liep onder de jonge heeren de kamer door: “Dombey gaat heen!—Kleine Dombey gaat heen!” en er ontstond een algemeen gedrang de trap af naar het voorhuis, achter Paul en Florence. De geheele familie Blimber ging mede. Zoo iets, zeide Feeder hardop, was, zoover hij zich kon herinneren, nog nooit met een jongen heer gebeurd; maar het zou moeielijk te zeggen zijn of dit de nuchtere waarheid of de bisschop was. De dienstboden, met den bottelier aan het hoofd, stelden er allen belang in om kleinen Dombey te zien heengaan; zelfs het jonge mensch met zwakke oogen, dat zijne boeken en koffers naar de koets droeg, welke hem en Florence voor dien nacht naar mevrouw Pipchin zou brengen, was zichtbaar aangedaan.
Zelfs niet de invloed van den meest verteederenden hartstocht op de jonge heeren—en allen waren op Florence verliefd—kon hen weerhouden om een luidruchtig afscheid van Paul te nemen, hem met hoeden na te wuiven, elkander te verdringen om hem de hand te geven, een voor een te roepen “Dombey, vergeet mij niet!” en zich meer dergelijke zulke uitbarstingen van gevoel te veroorloven, zeer ongewoon bij deze jeugdige Chesterfield’s. Toen Florence Paul inbakerde, eer de deur werd opengedaan, fluisterde hij haar toe—Had zij dat gehoord? Zou zij het ooit vergeten? Was zij er niet blij mee? En uit zijne oogen straalde de levendigste blijdschap toen hij dit zeide.
Nog eens keerde hij zich om, en wierp een laatsten blik op de naar hem gerichte gezichten, en verwonderde zich hoe helder en hoe talrijk zij waren, en hoe zij boven elkander waren opgestapeld, gelijk de gezichten in eene volle schouwburgzaal. Terwijl hij nog keek, dwarrelden zij voor zijne oogen alsof hij ze in een spiegel zag, die niet stil hing, en een oogenblik later was hij buiten in de donkere koets en klemde hij zich aan Florence vast. Wanneer hij naderhand aan het huis van doctor Blimber dacht, kwam het hem altijd weder voor den geest gelijk hij het toen voor het laatst had gezien; nooit scheen het weder een werkelijk huis te zijn, maar altijd een droom, en vol oogen.
Dit was echter het laatste afscheid nog niet. Onverwacht schoof Toots een van de portierglazen neer, keek binnen en zeide giggelend: “Is Dombey daar?” en schoof het dadelijk weder op, zonder naar antwoord te wachten. Zelfs dit was het laatste nog niet; want eer de koetsier kon oprijden, schoof Toots even onverwacht het andere portier neer, keek met hetzelfde gegiggel binnen, zeide met dezelfde stem: “Is Dombey daar?” en verdween evenals te voren.
Wat lachte Florence! En hoe dikwijls dacht Paul daar nog aan en wat lachte hij dan ook!
Maar er was veel, kort daarop—des anderen daags en naderhand—dat Paul zich slechts verward kon herinneren. Zooals, waarom zij dagen en nachten bij mevrouw Pipchin bleven, in plaats van naar huis te gaan; waarom hij in bed lag en Florence daar naast bleef zitten; of het zijn vader was geweest in de kamer, of maar eene lange schaduw op den muur; of hij zijn dokter van iemand had hooren zeggen, dat, als zij hem hadden weggebracht vóór den dag waarvan hij zich zooveel had voorgesteld, met eene verbeelding te krachtiger omdat hij zelf zoo zwak was, het wel mogelijk was dat hij zich zou hebben doodgetreurd.
Hij kon zich zelfs niet herinneren of hij dikwijls tot Florence gezegd had: “Och Flore, breng mij naar huis en verlaat mij nooit weer!” maar hij dacht het wel. Hij verbeeldde zich somtijds dat hij zich zelven had hooren herhalen: “Breng mij naar huis, Flore, breng mij naar huis!”
Maar hij kon zich herinneren, toen hij thuis kwam en de welbekende trap werd opgedragen, dat hij vele uren lang het rommelen van eene koets had gehoord, terwijl hij op de bank lag, met Florence nog naast hem en de oude mevrouw Pipchin aan den overkant. Hij herinnerde zich ook zijn vroeger ledikantje, toen men hem weder daarin legde, en zijne tante, jufvrouw Tox en Suze. Maar er was nog iets anders, en dat wel kort geleden, dat hem verbijsterde.
“Ik wilde Florence spreken, als het u belieft,” zeide hij. “Florence alleen, voor een oogenblik.”
Zij boog zich over hem heen, en de anderen bleven achteruit.
“Flore, mijn liefje, was dat niet papa, in het voorhuis, toen ze mij uit de koets haalden?”—“Ja, broertje lief.”—“Hij schreide toch niet, en ging niet naar zijne kamer, deed hij wel, Flore, toen hij mij zag binnenkomen?”
Florence schudde haar hoofd, en drukte hare lippen op zijne wang.
“Ik ben blij dat hij niet schreide,” zeide Paul. “Ik dacht dat hij dat gedaan had. Zeg hem maar niet, dat ik er naar gevraagd heb.”
XV.
VERBAZENDE SLIMHEID VAN KAPITEIN CUTTLE EN IETS NIEUWS VOOR WALTER GAY.
Walter kon het verscheidene dagen niet met zich zelven eens worden, wat hij in die zaak van Barbados zou doen, en koesterde zelfs eene flauwe hoop dat mijnheer Dombey niet zou gemeend hebben wat hij zeide, of van gedachten zou veranderen en hem naderhand zeggen dat hij niet behoefde te gaan. Maar dewijl er niets voorviel om dit denkbeeld (dat op zich zelf onwaarschijnlijk genoeg was) den minsten zweem van bevestiging te geven, en de tijd zachtjes aan verliep, begreep hij dat hij moest handelen, zonder zich langer te bedenken.
Walter’s grootste bezwaar was, hoe hij de verandering in zijne vooruitzichten aan zijn oom Sam zou mededeelen, voor wien hij gevoelde dat dit een geduchte slag zou zijn. Het viel hem te zwaarder oom Sam met zulk eene ontzettende tijding te bedroeven, dewijl de oude man sedert eenigen tijd veel was opgefleurd, en weder zoo vroolijk geworden, dat het achterkamertje wederom even gezellig was als voorheen. Oom Sam had den eersten termijn van de schuld aan Dombey betaald, en hoopte op zijn tijd ook de rest af te doen; en hem thans opnieuw ter neer te slaan, nu hij zich zoo mannelijk boven zijn leed had verheven, was eene droevige noodzakelijkheid.
Het ging evenwel niet aan om zoo maar van hem weg te loopen. Hij moest er vooruit van weten; en hoe het hem te zeggen, was de zaak. Wat de vraag van gaan of niet gaan betrof, meende Walter geene keus te hebben. Dombey had hem met waarheid gezegd, dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren; en door den blik, die deze herinnering vergezelde, had hij duidelijk te kennen gegeven, dat Walter, als hij het voorstel afwees, wel thuis mocht blijven, als hij zoo verkoos, maar niet op zijn kantoor. Zijn oom en hij hadden eene groote verplichting aan mijnheer Dombey, waarom Walter zelf had verzocht. Hij mocht er heimelijk aan wanhopen om ooit de gunst van dien heer te winnen, en denken dat deze hem nu en dan met eene minachting behandelde, die eigenlijk niet billijk was; maar wat buitendien zijn plicht zou geweest zijn, bleef toch zijn plicht—zoo dacht Walter ten minste—en zijn plicht moest hij doen.
Toen Dombey hem aanzag en zeide dat hij nog jong was en zijn ooms omstandigheden niet goed waren, had zijn gezicht de smadelijke onderstelling uitgedrukt, dat Walter wel lust zou hebben om op kosten van een oud man, die toch reeds in bekrompene omstandigheden verkeerde, te blijven ledig loopen; en dit had den edeldenkenden jongeling tot in de ziel getroffen. Met voornemen om mijnheer Dombey, zoover hij dit zonder woorden te gebruiken doen kon, te verzekeren dat hij zich in zijn karakter had vergist, had Walter er zich op toegelegd om zich na die West-Indische benoeming nog vroolijker en vlijtiger te toonen dan te voren, zoo dit voor een jongen van zijn levendigen en vurigen aard mogelijk was. Hij was te jong en te onervaren om te denken, dat juist deze hoedanigheid van hem mijnheer Dombey niet aangenaam was, en het geen middel was om zijne goede meening te winnen als iemand zich onder de schaduw van zijn geducht ongenoegen, hetzij billijk of onbillijk, weltevreden en gemoedigd bleef toonen. Maar misschien—misschien—dacht de groote man dat dit nieuwe blijk van een edel en mannelijk gemoed moest dienen om hem te tarten, en nam hij zich voor het te vernederen.
“Wel, eens moet het oom Sam toch gezegd worden,” dacht Walter met een zucht; en daar hij vreesde dat zijne stem misschien wat mocht beven, en zijn uitzicht niet zooveel hoop aanduiden als hij wenschte, indien hij het den ouden man zelf zeide en den eersten indruk dier mededeeling in zijne gerimpelde trekken waarnam, besloot hij de goede diensten van kapitein Cuttle, als bemiddelaar in te roepen. Toen het weder zondag was geworden, begaf hij zich nog eens naar de woning des kapiteins.
Onderweg was het geene onaangename herinnering voor hem, dat jufvrouw MacStinger elken zondagochtend een verren tocht deed, om de godsdienstoefening bij te wonen, onder het gehoor van den eerwaarden Melchizedek Howler, die, toen hij van de West-Indische dokken werd weggezonden, op de valsche verdenking (door den grooten vijand opzettelijk tegen hem uitgestrooid) dat hij gaatjes in vaten boorde en dan zijn mond er voor hield, begonnen was het vergaan der wereld tegen dien dag over twee jaren aan te kondigen, en eene benedenkamer had gehuurd ter ontvangst van heeren en dames van de Dolle Gezindte, op welke, bij hunne eerste vergadering, zijne vermaningen zulk een krachtigen indruk hadden gemaakt, dat, onder den heiligen dans welke de plechtigheden besloot, de vloer bezweek en de geheele gemeente beneden in de keuken neerplofte, waarbij een mangel, aan een lid der kudde toebehoorende, onherstelbaar werd beschadigd.
Dit had de kapitein, in een oogenblik van buitengemeene spraakzaamheid, op den avond toen Brogley de uitdrager werd afbetaald, aan Walter en zijn oom verteld. De kapitein bezocht geregeld elken zondagmorgen eene kerk in zijne eigene buurt, waar hij goed genoeg was om—daar de wettige hondenslager een gebrekkig oud man was—het oog op de jongens te houden, over welke hij, door zijn geheimzinnigen haak, een groot vermogen uitoefende. Wetende hoe geregeld de kapitein in alles was, maakte Walter zooveel haast als hij kon, om hem nog eer hij uitging te vinden, en had ook het genoegen, toen hij den hoek van Brig place omsloeg, de blauwe jas en het vest van kapitein Cuttle buiten het venster in de zon te luchten te zien hangen.