Dombey en Zoon

Part 20

Chapter 204,162 wordsPublic domain

Op een avond, toen de vacantie reeds zeer nabij was, naar deze kamer gaande, vond Paul Feeder bezig met eenige gedrukte brieven in te vullen, terwijl andere, reeds ingevuld, door Toots gevouwen en gecacheteerd werden. “Ha, Dombey, zijt ge daar?” zeide Feeder, want zij waren altijd vriendelijk voor hem en verheugd als zij hem zagen—en hem een van die brieven toewerpende, vervolgde hij: “En daar zijt gij ook, Dombey. Dat is de uwe.”—“De mijne, mijnheer?” zeide Paul.—“Uwe invitatie,” antwoordde Feeder.

Toen Paul den brief las—die geplaatdrukt was, met uitzondering van zijn eigen naam en den datum, welke door Feeder waren ingevuld—bevond hij dat doctor en mevr. Blimber het genoegen verzochten van den heer P. Dombey’s tegenwoordigheid op een partijtje op woensdagavond, den zeventienden dezer, tegen acht ure, en dat er quadrilles zouden gedanst worden. Toots liet Paul den voor hem bestemden brief zien, ten blijke dat hij ook was verzocht, en voor Briggs, Tozer, kortom voor al de jonge heeren, lagen insgelijks invitatiën gereed.

Feeder zeide hem toen, tot zijne groote blijdschap, dat zijne zuster ook was gevraagd, en dat het eene halfjaarlijksche gebeurtenis was, en dat hij, daar de vacantie dien dag begon, terstond na de partij met zijne zuster kon medegaan, als hij wilde; hetgeen Paul zeide dat hij zeer gaarne zou willen. Feeder onderrichtte hem verder dat hij doctor en mevr. Blimber, met een keurig net geschreven briefje, behoorde te kennen te geven, dat de heer P. Dombey gaarne de eer zou hebben om aan hunne beleefde invitatie te voldoen. Eindelijk zeide Feeder, dat hij ten aanhoore van den doctor en mevrouw Blimber liefst maar niet van dit feest moest spreken, daar al deze toebereidselen en de geheele zaak evenals in de groote wereld werd behandeld, en de jonge heeren, in hunne hoedanigheid van scholieren, geacht werden er niets van te weten.

Paul bedankte Feeder voor deze wenken, stak de invitatie in zijn zak, en zette zich volgens gewoonte naast Toots op een stoeltje. Maar zijn hoofd, dat hem al lang had gehinderd, en somtijds zeer zwaar en gedrukt was geweest, was dien avond zoo lastig, dat hij het op zijne hand moest laten rusten. En toch zonk het hoe langer hoe dieper neer, tot het eindelijk op de knie van Toots bleef liggen, alsof het niet voornemens was zich ooit weder op te beuren.

Dit was wel geene reden waarom hij doof moest wezen; maar hij moest dit toch geweest zijn, dacht hij, want kort daarna hoorde hij Feeder in zijn oor roepen, en voelde hij zich door dezen zacht schudden om zijne aandacht te trekken. En toen hij zijn hoofd ophief en verschrikt rondkeek, bevond hij dat doctor Blimber in de kamer was gekomen, en het venster was opengezet, en dat zijn voorhoofd met water was nat gemaakt; schoon het vreemd was, hoe dat alles gebeurd kon zijn, zonder dat hij er iets van wist.

“Ha! Zoo, zoo! Dat is goed! Hoe gaat het mijn vriendje nu?” zeide doctor Blimber bemoedigend.—“O, heel wel; dankje, mijnheer,” antwoordde Paul.

Maar er scheen toch iets aan den vloer te haperen, want hij kon er niet vast op staan, en aan de muren ook, want zij wilden zich gedurig ronddraaien, en bleven alleen stilstaan als hij er heel strak naar keek. Het hoofd van Toots scheen te gelijk veel grooter en veel verder weg te zijn dan natuurlijk was; en toen hij Paul in zijne armen opnam om hem naar boven te dragen, merkte Paul met verwondering op dat de deur op eene geheel andere plaats was dan hij gemeend had, en dacht in het eerst bijna dat Toots recht op den schoorsteen afging.

Het was heel vriendelijk van Toots dat hij hem zoo naar boven droeg, en Paul zeide hem dit. Maar Toots antwoordde dat hij nog wel meer zou willen doen, als hij maar kon; en hij deed ook meer; want hij hielp Paul allervriendelijkst om zich uit te kleeden en in bed te komen, en bleef toen bij het bed zitten grinniken; terwijl Feeder, over het voeteinde van het ledikantje gebogen, al de stoppels op zijn hoofd met zijne beenderige handen door elkander wreef, en toen zich hield alsof hij met Paul wilde boksen, omdat hij nu weer geheel in orde was, hetgeen Paul zoo buitengemeen comisch, en te gelijk zoo vriendelijk vond, dat hij, niet wetende, of hij er om zou lachen of schreien, beide te gelijk deed.

Hoe Toots wegsmolt, en hoe Feeder in mevrouw Pipchin veranderde, vroeg Paul niet eens; hij was er ook niet nieuwsgierig naar, maar toen hij mevrouw Pipchin, in plaats van Feeder, aan het voeteinde van zijn ledikantje zag staan, riep hij: “Mevrouw Pipchin, zeg het maar niet aan Florence!”—“Wat moet ik niet aan Florence zeggen, mijn kleine Paul?” zeide mevrouw Pipchin, om het ledikant heengaande en zich daarnaast op een stoel zettende.—“Van mij,” zeide Paul.—“Wel neen,” zeide mevrouw Pipchin.—“Wat denkt ge dat ik voornemens ben te doen als ik groot word, mevrouw Pipchin?” vroeg Paul, zijn gezichtje op zijn kussen naar haar omkeerende, en haar, met zijne kin op zijne gevouwene handjes oplettend aanziende.

Mevrouw Pipchin kon het niet raden.

“Ik denk dan al mijn geld in eene Bank te zetten,” zeide Paul, “en nooit moeite te doen om meer te krijgen, en met mijn lieve Florence naar buiten te gaan, en een huis te nemen met een mooien tuin er bij, en velden en bosschen, en daar al mijn leven met haar te wonen.”—“Zoo waarlijk!” zeide mevrouw Pipchin.—“Ja,” zeide Paul. “Dat denk ik te doen, als ik—” Hij zweeg en dacht een oogenblik na.

Mevrouw Pipchin’s grijze oogen poogden in zijn peinzend gezichtje te lezen.

“Als ik groot word,” zeide Paul; en terstond daarop begon hij mevrouw Pipchin van het partijtje te vertellen, en dat Florence gevraagd was, en hoe trotsch hij zou zijn als al de jongens haar zoo mooi en lief vonden, en dat zij allen zoo goed voor hem waren en zooveel van hem hielden, en hij zooveel van hen hield, en daar zoo blij om was. En toen vertelde hij mevrouw Pipchin van de analyse, en dat hij oudmannetjesachtig werd gevonden, en vroeg hoe mevrouw Pipchin daarover dacht, en of zij wist wat dat was, en waarom hij het was. Mevrouw Pipchin wilde er niets van weten, als de kortste manier om uit de verlegenheid te komen; maar Paul was lang niet tevreden met dit antwoord, en keek mevrouw Pipchin zoo strak uitvorschend aan, dat zij genoodzaakt was op te staan en uit het venster te kijken, om zijne oogen te vermijden.

Er was een zeker altijd bedaarde apotheker, die geroepen werd als een van de jonge heeren ongesteld was, en deze man verscheen nu in de kamer en bij het bed, met mevrouw Blimber. Hoe zij daar kwamen, en hoelang zij er al geweest waren, wist Paul niet; maar toen hij hen zag, kwam hij in het bed overeind en beantwoordde al de vragen des apothekers zeer uitvoerig, en fluisterde hem toe dat Florence er toch niets van weten moest, en dat hij er zoo op gesteld was dat zij op de partij kwam. Hij was zeer spraakzaam met den apotheker, en zij scheidden als beste vrienden. Toen hij weder met gesloten oogen was gaan liggen, hoorde hij den apotheker zeggen, buiten de kamer en heel ver weg—of hij droomde het maar—dat er gebrek aan levenskracht was (Paul verwonderde zich wat dit was) en een zeer zwak gestel. Dat, daar de kleine patiënt er zoo op gesteld was op den zeventienden van zijne schoolmakkers afscheid te nemen, het best zou zijn, als hij niet erger werd, hem daarin zijn zin te geven. Dat hij zich verheugde van mevrouw Pipchin te hooren, dat hij den achttienden naar zijne familie te Londen zou gaan. Dat hij, zoodra hij beter over het geval kon oordeelen, maar zeker voor dien tijd, aan mijnheer Dombey zou schrijven. Dat er geene reden was tot onmiddellijke—wat? Dit woord ontsnapte Paul. En dat de kleine patiënt zeer schrander en gevoelig was, maar heel oudmannetjesachtig.

Paul lag zich met een kloppend hart te verwonderen, wat dat oudmannetjesachtig toch was, dat zoovele menschen zoo duidelijk aan hem zagen.

Hij kon er niet achter komen, maar deed er ook niet lang moeite toe. Mevrouw Pipchin was weder bij hem, als zij ooit weg was geweest (hij dacht dat zij met den doctor was heengegaan, maar dat was een droom misschien) en had weldra, als door tooverij, eene flesch en een glas in de handen en schonk iets voor hem in. Daarop kreeg hij wat lekkere gelei, die mevrouw Blimber zelve hem bracht; en toen gevoelde hij zich zoo wel, dat mevrouw Pipchin, op zijn dringend verzoek, naar huis ging, en Briggs en Tozer naar bed kwamen. De arme Briggs bromde erg over zijne eigene analyse, maar was heel vriendelijk voor Paul, en Tozer ook, en al de anderen insgelijks; want ieder kwam eens naar hem kijken, eer hij naar bed ging, en zeide: “Hoe gaat het nu, Dombey?”—“Houd u maar goed, kleine Dombey!” Nadat Briggs in bed was gegaan, lag hij nog lang wakker en over zijne analyse te zuchten, zeggende dat er niets van waar was, en dat zij een moordenaar niet erger hadden kunnen uitmaken, en—hoe het doctor Blimber zelf zou bevallen als zijn zakgeld er van afhing? Het was heel gemakkelijk, zeide Briggs, een jongen het heele halfjaar door tot een galeislaaf te maken en dan te zeggen dat hij lui was; en hem tweemaal in de week zijn middageten te onthouden, en dan te zeggen dat hij gulzig was; maar dat was immers toch niet uit te houden? O! en ach!

Eer het jonge mensch met zwakke oogen den volgenden morgen op den gong sloeg, kwam hij boven om Paul te zeggen dat hij maar stil moest blijven liggen, hetgeen Paul zeer gaarne deed. Mevrouw Pipchin verscheen weder, een weinig voor den apotheker, en een weinig nadat de goede meid, welke Paul op dien eersten ochtend de kachel had zien potlooden (hoelang scheen dat nu al geleden!) hem zijn ontbijt had gebracht. Er werd nog eens consult gehouden, heel ver weg, of anders droomde Paul het weder; en toen kwam de apotheker met den doctor en mevrouw Blimber terug en zeide:

“Ja, ik denk, doctor Blimber, dat deze jonge heer zijne boeken nu wel mocht laten liggen, daar de vacantie zoo nabij is.”—“Wel ja,” zeide doctor Blimber. “Lieve, zult gij Cornelia eens daarvan onderrichten, als het u belieft?”—“Wel zeker,” zeide mevrouw Blimber.

De apotheker bukte laag om Paul in de oogen te zien, en voelde hem den pols, en legde zijne hand op zijn hart, met zooveel zorg en belangstelling, dat Paul zeide: “Dankje wel, mijnheer.”—“Onze kleine vriend heeft nooit geklaagd,” merkte doctor Blimber aan.—“Neen!” antwoordde de apotheker. “Het was ook niet te denken.”—“Gij vindt hem nu veel beter?” zeide doctor Blimber.—“O ja. Hij is veel beter, mijnheer,” antwoordde de apotheker.

Paul lag er op zijne zonderlinge manier over te denken, welk onderwerp des apothekers geest op dat oogenblik toch wel bezig hield; zoo verstrooid had hij die twee vragen van den doctor beantwoord. Maar daar de apotheker juist den blik van den kleinen patiënt ontmoette, en toen terstond met een opgeruimden glimlach uit zijne verstrooiing opkeek, beantwoordde Paul dien glimlach en dacht er niet meer aan.

Dien geheelen dag lag hij in bed te dommelen en te droomen, en naar Toots te kijken; maar den volgenden dag stond hij op en ging naar beneden. En zie daar, er haperde juist iets aan de groote klok, en een man, die op een trapje stond, had de wijzerplaat afgenomen en peuterde met instrumentjes in het werk, bij het licht van een eindje kaars! Dit was eene zaak van gewicht voor Paul, die zich op den ondersten trap zette en oplettend naar het werk bleef kijken; nu en dan een blik werpende naar de wijzerplaat der klok, die dicht bij hem schuin tegen den muur stond te leunen, daar hij zich niet kon ontdoen van het vermoeden, dat die wijzerplaat naar hem keek.

De man op het trapje was zeer beleefd, en daar hij, toen hij Paul zag, zeide: “Hoe gaat het, jonge heer?” raakte Paul met hem in gesprek en vertelde hem dat hij eenigen tijd niet heel wel was geweest. Toen het ijs aldus was gebroken, deed Paul hem eene menigte vragen over klokken en uurwerken, en of er des nachts in de eenzame kerktorens menschen waakten om ze te laten slaan, en hoe de klokken werden geluid als er iemand stierf, en of dat andere klokken waren, dan die men bij het trouwen luidde, dan of zij maar in de verbeelding der levenden zoo akelig klonken. Daar hij bevond dat zijn nieuwe bekende niet wel onderricht was op het punt van de avondklok in den ouden tijd, gaf Paul hem eenige inlichtingen daarover, en vroeg hem ook, als een man van het vak, wat hij dacht van koning Alfred’s denkbeeld om den tijd te meten door het afbranden van kaarsen; waarop de man antwoordde, dat het, naar zijne gedachte, eene ruïne voor de klokkenmakers zou zijn, als dat ooit weder in de mode kwam. Kortom Paul bleef toekijken tot de klok weder haar gewoon voorkomen had herkregen, en hare onveranderlijke vraag liet hooren; waarop de man, na zijn gereedschap in eene lange mand te hebben geborgen, hem goedendag wenschte en heenging. Vlak bij de deur fluisterde hij echter nog even met den knecht, en in dit gefluister kwam het woord oudmannetjesachtig—want Paul hoorde dit.

Wat kon dat oudmannetjesachtige wezen, dat de menschen altijd zoo scheen te spijten?

Daar hij nu niet behoefde te leeren, dacht hij dikwijls daarover, schoon niet zoo dikwijls als hij wel zou gedaan hebben, indien hij minder dingen had gehad om aan te denken. Maar hij had er heel veel, en dacht altijd, den geheelen dag lang.

Vooreerst, Florence zou op de partij komen. Florence zou zien dat de jongens veel van hem hielden, en dat zou haar zulk een genoegen doen. Dit was het voornaamste voor hem. Als Florence maar zeker was dat zij goed en vriendelijk voor hem waren, en hij een kleine gunsteling onder hen geworden was, zou zij altijd aan den tijd, dien hij daar had doorgebracht, kunnen denken, zonder er heel bedroefd om te zijn. Misschien zou zij er ook des te geruster om zijn, als hij weer terugkwam.

Als hij weer terugkwam! Vijftigmaal daags ging hij stil naar boven naar zijne kamer, ten einde zijne boeken en alle kleinigheden bij elkander te zoeken, om alles, tot het minste toe, mede naar huis te nemen. Hij scheen er geheel niet op te rekenen dat hij ooit weder terug zou komen; niets van hetgeen hij dacht of deed stond daarmede in het minste verband, behalve die enkele gedachte die op zijne zuster betrekking had. Hij had integendeel, terwijl hij zoo peinzend en mijmerend door het huis dwaalde, om alles wat hem gemeenzaam was te denken, als iets waarvan hij afscheid moest nemen; en daardoor had hij aan zooveel te denken, den geheelen dag lang.

Hij moest boven die kamers binnenkijken en denken hoe eenzaam zij zouden zijn als hij weg was, en zich verwonderen hoeveel stille dagen, weken, maanden en jaren lang zij nu ernstig en ongestoord zouden blijven. Hij moest denken—zou daar ooit een ander kind oudmannetjesachtig, evenals hij, rond dwalen, en dezelfde groteske figuren in de behangsels en meubelen zien; en zou iemand dien jongen dan van kleinen Dombey vertellen, die daar voorheen geweest was?

Hij moest aan het portret op de trap denken, dat hem altijd zoo ernstig nazag als hij heenging en er over zijn schouder naar omkeek; en dat, als hij het met iemand anders voorbijging, nog altijd naar hem en niet naar dien anderen scheen te zien. Hij had veel te denken over die plaat, die ergens anders hing, waarop in het midden eener verwonderde groep eene gedaante stond, die hij kende, eene gedaante met een krans van licht om het hoofd—zachtmoedig, goedertieren, barmhartig—en naar boven wijzende.

Voor het venster van zijne slaapkamer kreeg hij nog andere gedachten, die zich met deze vermengden, en elkander opvolgden gelijk de rollende golven. Waar die wilde vogels woonden, die met onstuimig weder altijd over de zee zweefden; waar de wolken oprezen en eerst begonnen, waar de wind vandaan kwam en waar hij ophield; of de plek waar hij en Florence zoo dikwijls over die dingen hadden zitten praten, wel ooit weder juist dezelfde kon zijn, nu zij er niet meer waren; of zij ooit weder dezelfde voor Florence kon zijn, als hij ver weg was en zij daar alleen zat.

Hij moest ook aan Toots, en mijnheer Feeder, en aan al de jongens denken; en aan doctor Blimber en mevrouw Blimber en Cornelia; aan thuis, en aan zijne tante en jufvrouw Tox; aan zijn vader, Dombey en Zoon, aan Walter met zijn armen ouden oom, die nu het geld had dat hij noodig had, en aan dien kapitein met zijne grove stem en met zijne ijzeren hand. Bovendien had hij in den loop van den dag nog een aantal bezoeken te brengen: aan de schoolzaal, aan doctor Blimber’s studeerkamer, aan mevrouw Blimber’s kamer, aan die van Cornelia, en aan den hond. Want hij mocht nu vrij door het geheele huis gaan gelijk hij wilde, en in zijn verlangen om van allen op een vriendschappelijken voet te scheiden, poogde hij ieder nog eenige diensten te bewijzen. Nu zocht hij plaatsen in boeken op voor Briggs, die nooit zelf iets kon vinden; dan woorden in dictionnaires voor jonge heeren, die er mede verlegen waren; dan hield hij eene streng voor mevrouw Blimber op als zij zijde moest winden; dan legde hij de papieren in Cornelia’s lessenaar te recht; somtijds sloop hij zelfs des doctors studeerkamer binnen, en daar, aan zijne geleerde voeten gezeten, liet hij zachtjes de globes draaien, en reisde zoo den aardbol rond, of nam eene vlucht tusschen de verste sterren.

In die dagen onmiddellijk voor de vacantie, toen al de andere jonge heeren aan eene algemeene repetitie der studiën van het gansche halfjaar zwoegden, was Paul zulk een bevoorrecht leerling als men daar in huis nog nooit gezien had. Hij kon het zelf haast niet gelooven; maar zijne vrijheid bleef van uur tot uur, en van dag tot dag, voortduren, en kleine Dombey werd door iedereen geliefkoosd. Doctor Blimber was zoo oplettend voor hem, dat hij eens Johnson onder den maaltijd van de tafel zond, omdat hij hem onbedacht dien armen kleinen Dombey had genoemd; hetgeen Paul zelf wat al te hard vond, schoon hij er op dat oogenblik van had geschrikt en zich verwonderd waarom Johnson hem beklaagde. De rechtvaardigheid des doctors was te meer twijfelachtig, dacht Paul, omdat hij dien grooten man zelven den vorigen avond toestemmend had hooren antwoorden op een gezegde van mevrouw Blimber, dat die arme lieve kleine Dombey hoe langer hoe meer een oud mannetje werd. Paul begon nu te denken dat dit oudmannetjesachtige daarin moest bestaan, dat iemand mager en licht was, en heel gauw moede werd, en daarom gaarne overal ging liggen rusten; want hij kon niet nalaten te gevoelen dat hem dit van dag tot dag meer tot eene gewoonte werd.

Eindelijk kwam de dag van de partij; en toen zeide doctor Blimber bij het ontbijt: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten van de volgende maand zullen wij onze studiën hervatten.” Toots verzaakte oogenblikkelijk alle onderdanigheid, en stak zijn ring aan zijn vinger; en kort daarop in een toevallig gesprek van den doctor melding makende, noemde hij dezen zelfs eenvoudig “Blimber!” Deze vrijpostigheid vervulde de oudste leerlingen met bewondering en afgunst; maar de jongere waren ontzet en schenen zich te verwonderen, dat er geen balk kwam neervallen om hem te verpletteren.

Geen woord werd er aan het ontbijt of diner van het feest van dien avond gerept; maar er was den geheelen dag eene buitengewone drukte in huis, en op zijne omwandelingen maakte Paul kennis met verscheidene vreemde banken en kandelaren, en ontmoette hij eene harp met eene groene jas aan, die bij de deur van het salon op het portaal stond. Er was bij het diner ook iets wonderlijks aan mevrouw Blimber’s hoofd, alsof zij hare haren al te stijf had opgebonden; en hoewel Cornelia aan beide slapen eene sierlijke vlecht ten toon droeg, scheen zij daaronder toch hare eigene krulletjes in papillotten te hebben, en dat wel in stukken van een tooneelbiljet, want boven een van hare schitterende brilleglazen las Paul “Theatre Royal,” en boven het andere “Brighton.”

Er was, toen de avond naderde, eene groote tentoonstelling van witte vesten en dassen in de slaapkamers der jonge heeren, en zulk een reuk van gezengd haar, dat doctor Blimber den knecht naar boven zond, om met zijn compliment te vragen of het huis ook in brand stond. Maar het was slechts de kapper, die de jonge heeren friseerde en in zijne drukte zijne tang wat al te heet had laten worden.

Toen Paul gekleed was—dat men zeer vlug deed, want hij gevoelde zich niet wel en slaperig, en kon het niet lang uithouden—ging hij beneden naar het salon, waar hij doctor Blimber vond op- en neerstappen, bijzonder net gekleed, maar met een deftig en onverschillig gezicht, alsof hij het niet meer dan mogelijk achtte, dat hij dien avond een paar visites zou krijgen. Kort daarop verscheen mevrouw Blimber, en zag er allerliefst uit, dacht Paul, met zulk eene wijdte van rok, dat het eene heele wandeling was om haar heen te gaan. Cornelia kwam kort na hare mama, en zag er uit alsof zij wat te sterk was ingeperst, maar anders bekoorlijk.

Toots en mijnheer Feeder waren de volgenden die kwamen. Beide hadden den hoed in de hand, alsof zij ergens anders woonden, en toen zij door den bottelier werden aangediend, zeide doctor Blimber: “Zoo, zoo! Wel heb ik ooit!” en scheen buitengemeen verheugd hen te zien. Toots schitterde overal van juweelen en knoopen, en gevoelde dit zoo sterk, dat hij, na den doctor de hand gegeven en voor mevrouw en Cornelia gebogen te hebben, Paul ter zijde nam, en vroeg: “Wat vindt gij er nu van, Dombey?”

Maar in weerwil van dit bescheiden zelfvertrouwen, scheen Toots in groote onzekerheid te verkeeren, of het wel behoorlijk was den ondersten knoop van zijn vest dicht te hebben, en of het, alle omstandigheden in aanmerking nemende, beter was zijne witte mouwboorden op- of neergeslagen te dragen. Toen hij zag dat die van Feeder waren opgeslagen, sloeg Toots ook de zijne op; maar toen de volgende heer de zijne neer had, sloeg hij ze ook neer. De verscheidenheden in het knoopen van het vest, niet alleen van onderen maar ook van boven, werden, toen er meer heeren kwamen, zoo talrijk en ingewikkeld, dat Toots gedurig met zijne vingers langs dat kleedingstuk vloog alsof hij op een instrument speelde, en eindelijk niet meer scheen te weten hoe zich te helpen.

Toen al de jonge heeren, met stijve dassen, gefriseerd haar, dansschoenen aan en hun besten hoed in de hand, een voor een aangediend waren, kwam Baps, de dansmeester, vergezeld door mevrouw Baps, voor welke mevrouw Blimber buitengemeen vriendelijk was. Baps was een zeer deftig en ernstig heer, met eene langzame, afgemetene manier van spreken, en eer hij vijf minuten onder den lustre had gestaan begon hij met Toots (die stilzwijgend hunne schoenen had staan vergelijken) er over te praten, wat gij met uwe ruwe grondstoffen doen zoudt als zij naar uwe havens kwamen om uw goud uit het land te halen. Toots, wien die vraag zeer netelig voorkwam, gaf aan de hand ze “te koken;” maar Baps scheen niet te denken dat dit baten zou.

Paul liet zich nu van de gekussende sofa glijden, die zijn observatie post was geweest, en ging naar beneden in de kamer waar thee geschonken werd, om op Florence te wachten, die hij in bijna veertien dagen niet had gezien, daar hij den vorigen zaterdag en zondag bij doctor Blimber was gebleven, uit vrees dat hij kou zou vatten. Weldra kwam zij, en zag er met haar eenvoudig balkleedje en frissche bloemen in de hand zoo heerlijk uit, dat, toen zij op den grond knielde om Paul om den hals te pakken en te kussen (want er was daar niemand behalve zijne vriendin en nog een jong dienstmeisje, om thee te schenken), hij er nauwelijks toe kon besluiten om haar weder los te laten, en haar hare heldere, liefdevolle oogen van de zijne te laten afwenden.

“Maar wat scheelt er aan, Flore?” vroeg Paul, bijna zeker dat hij een traan in die oogen zag.—“Niets, broertjelief, niets,” antwoordde Florence.

Paul raakte met zijn vinger zacht hare wang aan—en het was een traan! “Waarom, Flore?” zeide hij.

“Wij zullen samen naar huis gaan, en ik zal u wel oppassen, lieve Paul,” zeide Florence.—“Mij oppassen!” herhaalde Paul.