Dombey en Zoon

Part 19

Chapter 194,062 wordsPublic domain

“Denk zachter over mij, als gij kunt, James,” zeide John Carker, “als ik u zeg—hoe kon het anders, met mijne geschiedenis, hier geschreven”—met deze woorden gaf hij zich een slag op de borst—“als ik u zeg dat het mij tot in de ziel roerde toen ik dien Walter Gay zag. Ik zag in hem, toen hij pas hier kwam, bijna een evenbeeld van mij zelven.”—“Van u zelven!” herhaalde James met minachting.—“Niet zooals ik nu ben, maar zooals ik was toen ik ook pas hier kwam; even los, vurig, jongensachtig en onervaren; vol van dezelfde onrust en avontuurlijke inbeeldingen, met denzelfden aanleg voor goed en kwaad.”—“Ik hoop van neen,” zeide zijn broeder, met eene verborgene smadelijke beteekenis in zijn toon.—“Gij raakt mij diep,” zeide de ander, met eene stem (dacht Walter) alsof hij werkelijk een steek met een dolk had gekregen. “Maar ik verbeeldde mij dat, toen hij nog een jongen was. Ik geloofde het. Ik hield het voor waarheid. Ik zag hem onbezorgd langs den rand der onzichtbare diepte gaan, waar velen even vroolijk wandelen, en zoovelen....”—“De oude verontschuldiging,” zeide zijn broeder, het vuur oppokende. “Zoovelen.—Ga maar voort. Zeg: zoovelen in neerstorten.”—“Waarin één reiziger neerstortte,” zeide de ander, “die evenals hij op weg ging toen hij nog een knaap was, al meer en meer uitglipte, en lager en lager afgleed, tot hij in den afgrond stortte en voor altijd kreupel op den bodem lag. Verbeeld u wat ik geleden heb toen ik dien knaap zoo zag.”—“Dat hebt gij alleen aan u zelven te danken,” antwoordde James.—“Alleen aan mij zelven,” zeide John met een zucht. “Ik zoek de schuld of de schande niet te deelen.”—“Gij hebt de schande gedeeld,” prevelde James Carker tusschen zijne tanden; en door zoovele en zoo dicht geslotene tanden kon hij zeer duidelijk prevelen.—“Ach, James,” antwoordde zijn broeder, voor de eerste maal een toon van verwijt aannemende, schoon hij, naar den klank zijner stem, de handen voor zijn gezicht scheen te houden, “ik ben u sedert altijd nuttig geweest als een contrast. Gij hebt gerust op mij getrapt om hooger te klimmen. Schop mij nu niet nog met den voet!”

Er volgde eene poos van stilte. Men hoorde Carker den chef onder zijne papieren ritselen, alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken. Te gelijk kwam zijn broeder dichter naar de deur.

“Dat is alles,” zeide hij. “Ik heb hem zoo met vreezen en beven gadegeslagen, dat dit wel reeds eenige straf voor mij was, tot hij de plaats voorbij was waar ik de eerste maal viel, en toen, al was ik zijn vader geweest, geloof ik dat ik God niet hartelijker had kunnen danken. Ik durfde hem niet waarschuwen of raad geven; maar als ik er bepaalde reden voor had gezien, zou ik hem mijn voorbeeld getoond hebben. Ik was bang dat men mij met hem zou zien spreken, opdat men niet denken zou dat ik hem kwaad deed of bedierf—opdat ik dat niet werkelijk zou doen. Er kan wel iets besmettelijks in mij zijn; ik weet het niet. Breng mijne geschiedenis met dien Walter Gay in verband, en verbeeld u wat hij mij heeft doen gevoelen; en denk dan zachter over mij, James, als gij kunt.”

Met deze woorden kwam hij de deur uit. Hij werd nog wat bleeker toen hij Walter zag staan, en nog wat bleeker, toen deze hem bij de hand vatte en fluisterend zeide:

“Mijnheer Carker, laat ik u mogen danken! Laat ik u mogen zeggen wat ik voor u gevoel! Hoe spijt het mij dat ik de ongelukkige oorzaak van dit alles geweest ben! Ik houd u nu bijna voor mijn bewaker en beschermer. Hoe dankbaar ben ik u, en hoe beklaag ik u!” zeide Walter, hem bij beide handen vattende, en van ontroering nauwelijks wetende wat hij zeide of deed.

Daar de kamer van Morfin ledig was en de deur wijd openstond, gingen beide van zelf daarbinnen; want in den gang werd gedurig heen en weder geloopen. Daar in de kamer zag Walter op Carker’s gezicht eenige sporen der beweging in zijn binnenste, en het was hem bijna alsof hij dat gezicht nog nooit had gezien, zoozeer was het veranderd.

“Walter,” zeide hij, zijne hand op des jonkmans schouder leggende, “ik ben ver van u af; en moge ik dat altijd blijven! Weet gij wel wat ik ben?”—“Wat gij zijt!” scheen op Walter’s lippen te zweven, terwijl hij hem oplettend aanzag.—“Het begon voor mijn een en twintigsten verjaardag,” zeide Carker. “De grond werd er al vroeger toe gelegd, maar het begon niet voor tegen dien tijd. Toen ik meerderjarig werd had ik hen bestolen. Ik bestal hen nog naderhand. Voor mijn twee en twintigsten verjaardag was alles uitgekomen; en toen, Walter, was ik voor allen omgang met menschen dood.”

Wederom zweefden zijne laatste woorden Walter bevend op de lippen, maar hij kon ze niet uitspreken, en ook zelf niets zeggen.

“De patroon was zeer goed voor mij! God beloone den ouden man voor zijne barmhartigheid! Ook deze, zijn zoon, die toen pas in de zaak was gekomen, waarin ik een post van groot vertrouwen had gehad. Ik werd in die kamer geroepen, die nu de zijne is—ik ben er sedert nooit weder in geweest—en toen ik er uitkwam was ik, wat gij weet en kent. Vele jaren lang heb ik op mijne tegenwoordige plaats gezeten, alleen, evenals nu, maar toen een bekend en erkend voorbeeld voor de anderen. Zij waren allen barmhartig voor mij, en ik bleef leven. De tijd heeft dit gedeelte van mijne boete gewijzigd, en ik geloof dat er, behalve de drie hoofden van het kantoor, niemand hier is, die mijne geschiedenis recht weet. Eer de kleine jongen groot is, en ze hem verteld wordt, zal mijn hoek misschien wel ledig zijn. Ik mag wel lijden dat het zoo is. Dit is de eenige verandering voor mij sedert dien dag, toen ik alle hoop, jeugd, en gezelschap van goede menschen, in die kamer daar achterliet. God zegene u, Walter! Moge Hij u en allen die u dierbaar zijn eerlijk doen blijven, of hen laten sterven!”

Eene herinnering, dat hij van het hoofd tot de voeten beefde, alsof het van koude was, en toen in tranen uitbarstte, was al wat Walter hierbij kon voegen, toen hij zich naderhand nauwkeurig poogde te bezinnen wat er tusschen hen was voorgevallen.

Toen Walter hem de volgende maal zag, zat hij, als vanouds, stil en nederig over zijn lessenaar gebogen. Toen ziende hoe hij blijkbaar wenschte dat er geen verdere omgang tusschen hen zou plaats hebben, en nog eens denkende over alles wat hij dien morgen in zulk een korten tijd van de geschiedenis der beide Carkers’s had vernomen, kon Walter nauwelijks gelooven dat hij last had gekregen om naar West-Indië te vertrekken, en spoedig voor oom Sam en kapitein Cuttle zou verloren zijn, en zelfs die enkele blikken van Florence Dombey—neen, hij meende Paul—en alles wat hij in zijn dagelijksch leven liefhad en met verlangen te gemoet zag, zou moeten missen.

Maar het was toch waar, en het nieuws had reeds het groote kantoor bereikt; want terwijl hij met een beklemd hart over al die dingen zat na te denken, en zijn hoofd in zijne hand liet rusten, kwam Perch, de boodschaplooper, van zijn bankje, stiet hem aan den elleboog, en verzocht hem het niet kwalijk te nemen, maar wenschte hem toch in het oor te fluisteren, of hij geene kans zag om hem goedkoop een pot geconfijte gember over te zenden, tegen den tijd dat jufvrouw Perch na hare aanstaande bevalling weder op de been kwam.

XIV.

PAUL WORDT HOE LANGER HOE MEER OUDMANNETJESACHTIG EN GAAT MET DE VACANTIE NAAR HUIS.

Toen de zomervacantie naderde, legden de jonge heeren bij doctor Blimber door geene onvoegzame vreugdebetooningen hunne blijdschap aan den dag. De krachtige uitdrukking van “opbreken” zou op dat beschaafde instituut geheel ontoepasselijk zijn geweest. Met ieder halfjaar gingen de jonge heeren een voor een stilletjes naar huis; nooit braken zij op. Zij zouden dit beneden zich hebben geacht.

Tozer, die op den duur door eene gesteven witte das werd gemarteld, welke hij op uitdrukkelijk verzoek van mevrouw Tozer, zijne moeder, droeg—welke, daar zij hem voor den geestelijken stand bestemde, van meening was dat hij niet te vroeg daartoe kon worden voorbereid—Tozer zeide, dat hij, als hij tusschen twee kwaden te kiezen had, nog liever zou willen blijven waar hij was, dan naar huis gaan. Hoe onvereenigbaar die verklaring ook mocht schijnen met Tozer’s thema over dat onderwerp, waarin hij had aangemerkt “dat de gedachte aan het ouderlijke huis en al de daaraan verbondene herinneringen de streelendste gewaarwordingen en het vurigste verlangen in zijn gemoed opwekten,” en zich zelven ook bij een Romeinsch veldheer had vergeleken, die, brallende op eene overwinning over de Iceni, of met den buit van Karthago beladen, tot op weinige uren afstands van het Kapitool was genaderd,—hetwelk om de vergelijking vol te houden, de woonplaats van mevrouw Tozer moest wezen—was zij echter zeer oprecht. Want het scheen dat Tozer een geduchten oom had, die hem niet alleen, onder de vacantie, ongevraagd over punten van geleerdheid kwam examineeren, maar zelfs de onschuldigste dingen en gebeurtenissen zoodanig wist te verdraaien, dat hij ze tot hetzelfde barbaarsche oogmerk deed strekken; zoodat, indien zijn oom hem mede naar de komedie nam, of hem met dezelfde geveinsde vriendelijkheid een reus, een dwerg, een goochelaar, of iets anders liet zien, Tozer wel wist dat hij vooruit eene classische aanhaling over zoo iets had opgezocht, en dus in gedurige benauwdheid verkeerde, daar hij niet kon voorzien, wanneer die zou uitbarsten, of welke schrijver tegen hem in de wapens zou worden gebracht.

Wat Briggs betrof, zijn vader wond er geene doekjes om. Hij liet hem nooit met rust. Zoo talrijk en zwaar waren de beproevingen van dien ongelukkigen jongeling in den vacantietijd, dat de vrienden der familie (die toen bij Bayswater woonde) zelden den vijver in den tuin van Kensington naderden, zonder aan de mogelijkheid te denken om den hoed van den jongen heer Briggs op het water te zien drijven, en eene onafgemaakte thema op den kant te vinden. Briggs verlangde dus geheel niet naar de vacantie; en deze twee deelgenooten van Paul’s slaapkamer waren getrouwe staaltjes van de jonge heeren in het algemeen, zoodat zelfs de luchthartigste onder hen dien feestelijken tijd met welvoeglijke gelatenheid te gemoet zag.

Geheel anders was het met kleinen Paul. Het eind dier eerste vacantie zou zijne scheiding van Florence medebrengen, maar wie dacht ooit aan het eind van iets waarvan het begin nog moest komen. Paul zeker niet. Toen die gelukkige tijd naderde, werden de leeuwen en tijgers, die tegen de muren der slaapkamers opklauterden, zoo mak en speelsch als hondjes. De grijnzende gezichten in de ruiten van het vloerkleed ontspanden zich en keken hem met minder booze oogen aan. De deftige oude klok had meer den toon van persoonlijke belangstelling in hare onveranderlijke vraag; en de rustelooze zee bleef den geheelen nacht voortruischen, op de wijs van eene treurige melodie—maar het was toch streelend—die met de golven rees en daalde, en hem als het ware in slaap wiegde.

Mijnheer Feeder scheen insgelijks te denken dat hem de vacantiedagen bijzonder zouden bevallen. Toots zag van dien tijd af een geheel leven van vacantiedagen te gemoet; want, gelijk hij Paul geregeld elken dag onderrichtte, het was zijn laatste halfjaar bij doctor Blimber, en hij zou nu haast beginnen te gaan krijgen wat hem toekwam.

Het was tusschen Paul en Toots uitgemaakt dat zij vertrouwde vrienden waren, ten spijt van hun verschil in stand en jaren. Toen de vacantie naderde keek Toots, als hij in Paul’s gezelschap was, hem nog strakker aan en ademde hij nog zwaarder dan voorheen; en Paul wist wel dat dit beduidde, dat het hem speet dat zij elkander uit het oog zouden verliezen, en was hem dankbaar voor zijne gunst en goede meening.

Ook doctor Blimber, mevrouw Blimber, Cornelia en de jonge heeren in het algemeen, begrepen dat Toots zich zelven tot beschermer en voogd van Dombey had aangesteld, en mevrouw Pipchin hoorde zooveel daarvan, dat de goede oude ziel eene bittere jaloezie tegen Toots opvatte, en hem in de veiligheid van haar eigen huis meermalen voor een “ingebeeld uilskuiken” uitschold. Waartegen de onschuldige Toots even weinig denkbeeld had om mevrouw Pipchin boos te maken, als van eenige andere bepaalde mogelijkheid of gebeurlijkheid. Integendeel, hij hield haar voor iemand die wel iets aardigs en veel belangwekkends over zich had. Om deze reden zag hij haar met zulk een beleefden glimlach aan, en vroeg hij haar staande hare bezoeken bij den kleinen Paul zoo dikwijls hoe zij voer, dat zij hem op een avond ronduit zeide, dat zij, wat hij zich ook mocht verbeelden, niet daaraan gewoon was, en het ook niet kon of wilde velen, evenmin van hem als van ieder anderen mallen kwast op de wereld; van welken onverwachten dank voor zijne beleefdheden Toots zoodanig schrikte, dat hij zich op eene afgelegene plaats verschool tot zij weg was, en nooit meer den moed had om de manhaftige mevrouw Pipchin onder doctor Blimber’s dak onder de oogen te komen.

Men was nog twee of drie weken van de vacantie af, toen Cornelia den kleinen Paul eens in hare kamer riep en zeide: “Dombey, ik zal uwe analyse naar huis zenden.”—“Dankje wel, jufvrouw,” antwoordde Paul.—“Gij weet toch wel wat ik meen, Dombey?” vroeg Cornelia, hem scherp door haar bril aanziende.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Paul.—“Dombey, Dombey,” zeide Cornelia, “ik vrees, dat er nooit veel van u zal komen. Als gij de beteekenis van eene uitdrukking niet verstaat, waarom vraagt ge dan niet om onderrichting?”—“Mevrouw Pipchin heeft mij gezegd, dat ik nooit naar iets moest vragen,” antwoordde Paul.—“Ik moet u verzoeken om mij nooit van mevrouw Pipchin te spreken, Dombey,” zeide Cornelia hierop. “Dat kan ik onmogelijk toelaten. De regel van studie hier is geheel anders. Als ik weder zoo iets van u mocht hooren, zoudt ge mij noodzaken u te verzoeken om morgen voor het ontbijt, zonder eene enkele fout, alles van verbum personale tot aan simillima cygno voor mij op te zeggen.”—“Ik had niet gemeend, jufvrouw,” begon kleine Paul.—“Ik moet u verzoeken om mij nooit te zeggen, dat gij iets gemeend hadt, Dombey, als het u belieft,” zeide Cornelia, die bij hare bestraffingen eene geduchte beleefdheid in acht nam. “Dat is eene manier van redeneeren, die ik volstrekt niet kan toelaten.”

Paul achtte het veiligst niets meer te zeggen, en keek dus maar naar Cornelia’s bril. Cornelia schudde nog eens ernstig haar hoofd, en las van een papier dat voor haar lag:

““Analyse van het karakter van P. Dombey.” Als ik mij wel herinner,” zeide zij, afbrekende, “is analyse, in tegenoverstelling van Synthese, volgens de definitie van Walker, de oplossing van een object, hetzij zinnelijk of intellectueel, in zijne eerste elementen. In tegenoverstelling van Synthese, moet gij wel opmerken. Nu weet gij wat eene analyse is, Dombey.”

Dombey scheen wel niet geheel verblind te worden door het licht dat zijn verstand bestraalde, maar maakte toch eene buiging voor Cornelia.

““Analyse van het karakter van P. Dombey,”” hervatte zij, het papier weder inziende. “Ik heb opgemerkt dat de natuurlijke vatbaarheid van Dombey zeer goed is, en zijn aanleg voor de studie daarmede in eene rechte evenredigheid kan worden gesteld. Aldus acht als ons hoogste nommer nemende, meende ik dat deze eigenschappen bij Dombey op zes en drie vierden kunnen geraamd worden.”

Cornelia hield even op, om te zien hoe Paul deze tijding ontving. Daar hij onzeker was of zes en drie vierden de beteekenis had van zes pond en zestien shillings, of van zes stuivers en drie farthings, of van zes voet en drie duim, of van zes uur en drie kwartier, of van zes dingen die hij nog niet geleerd had, met nog drie anderen waar hij niet van wist, wreef Paul zijne handen maar en keek Cornelia strak aan. Toevallig was dit evengoed als iets anders dat hij had kunnen doen, en Cornelia vervolgde:

““Heftigheid twee. Eigenliefde twee. Neiging tot gemeen gezelschap, gebleken in het geval met zekeren Glubb, oorspronkelijk zeven, maar sedert verminderd.” Waarop ik vooral uwe aandacht wilde vestigen, Dombey, is de algemeene opmerking aan het slot van deze analyse.”

Paul luisterde oplettend toe.

““In het algemeen mag van Dombey worden opgemerkt,”” las Cornelia met eene zeer luide stem, en om het andere woord de kleine gedaante door haar bril aanziende, ““dat zijn aanleg en wil goed zijn, en dat hij zooveel vorderingen heeft gemaakt als men onder de omstandigheden had kunnen verwachten. Maar het is van dezen jongen heer te bejammeren, dat hij iets zonderlings (met eene gemeenzame uitdrukking zou men het oudmannetjesachtig kunnen noemen) in zijn karakter en zijn gedrag heeft, en dat hij zonder in een van beiden iets te vertoonen dat bepaaldelijk te berispen is, zich dikwijls geheel anders voordoet dan andere jonge heeren van zijn ouderdom en stand in de maatschappij.” Verstaat gij dat Dombey?” zeide Cornelia, het papier neerleggende.—“Ik geloof wel van ja, jufvrouw,” zeide Paul.—“Deze analyse, ziet ge, Dombey,” hervatte Cornelia, “moet aan uw hooggeachten vader gezonden worden. Het zal hem natuurlijk veel verdriet doen, als hij hoort dat gij zonderling in uw karakter en gedrag zijt. En het is natuurlijk ook verdrietig voor ons, want wij kunnen dan niet zooveel van u houden, weet ge, Dombey, als wij wel zouden wenschen.”

Hier trof zij bij het kind eene teedere plek. Hij was, terwijl de tijd van zijn vertrek naderde, van dag tot dag meer bezorgd geworden dat iedereen in huis van hem mocht houden. Eene verborgene reden, die hij maar onvolkomen begreep—zoo hij er al iets van begreep—deed hem eene langzamerhand toenemende gehechtheid gevoelen aan alles en ieder die daar was. Hij kon de gedachte niet verdragen, dat hij hun geheel onverschillig zou zijn, als hij weg was. Hij wenschte, dat zij met genegenheid aan hem zouden denken; en hij had er zelfs werk van gemaakt om den grooten ruigen hond te verzoenen, die achter het huis aan een ketting lag en waarvoor hij voorheen doodelijk bang was, opdat zelfs dit beest hem zou missen als hij er niet meer was.

Weinig denkende dat hij hierin al weder toonde hoezeer hij van zijne makkers verschilde, deed de arme Paul zijn best om dit Cornelia te verklaren, en bad haar zoo goed te willen zijn om, in spijt van de officieele analyse, toch maar van hem te houden. Aan mevrouw Blimber, die bij hem was gekomen, deed hij hetzelfde verzoek; en toen deze dame niet nalaten kon, zelfs in zijn bijzijn, hare dikwijls geuite meening te herhalen, dat hij een “raar” kind was, zeide Paul haar dat zij zeker wel gelijk zou hebben; dat hij dacht dat het van zijn gebeente kwam, maar het niet zeker wist; en dat hij hoopte dat zij het door de vingers zou zien, want dat hij van allen heel veel hield.

“Niet zooveel,” zeide Paul, met eene mengeling van beschroomdheid en openhartigheid, die een der eigenaardigste en innemendste hoedanigheden van het kind was, “niet zooveel als ik van Florence houd, natuurlijk; dat zou nooit kunnen. Dat kondt gij ook niet denken, niet waar, mevrouw?”—“O, welk een ouderwetsch oud kereltje!” riep mevrouw Blimber fluisterend uit.—“Maar ik houd hier toch veel van iedereen,” zeide Paul, “en het zou mij spijten als ik heenging en denken moest, dat iemand blij was dat ik weg was, of er niet om gaf.”

Mevrouw Blimber was nu volkomen overtuigd dat Paul het raarste kind van de wereld was, en toen zij den doctor vertelde wat er was voorgevallen, sprak hij hare meening niet tegen. Maar hij zeide, gelijk hij reeds gezegd had, toen Paul pas kwam, dat het studeeren veel zou doen; en evenals bij die gelegenheid spoorde hij Cornelia aan om hem voort te zetten.

Cornelia had hem altijd zoo sterk voortgezet als zij maar kon, en Paul had het waarlijk zwaar genoeg gehad. Maar behalve het afwerken van zijne dagtaak, had hij altijd nog een ander doel voor de oogen, waaraan hij nog getrouw bleef. Hij wilde een stille, zachtzinnige, gedienstige kleine jongen zijn, en altijd zijn best doen om de genegenheid en de welwillendheid van de anderen te verwerven. Hoewel men hem dus nog dikwijls op zijn ouden post op de trap vond, of hem uit zijn eenzaam venster naar de wolken en golven zag turen, vond men hem toch meermalen bij de andere jongens, die hij met stille bescheidenheid allerlei kleine vrijwillige diensten bewees. Zoo kwam het dat, zelfs onder die stroeve jonge kluizenaren, die onder doctor Blimber’s dak hun vleesch kastijdden, Paul een voorwerp van algemeene belangstelling was; een broos stukje speelgoed, waarvan zij allen veel hielden, en dat niemand ruw had willen behandelen. Maar hij kon zijn aard niet veranderen of de analyse doen overschrijven; en zoo waren allen het eens dat Dombey een oud mannetje was.

Er waren echter aan dien naam eenige voorrechten verbonden, die niemand anders genoot. Een kind dat geen oud mannetje was had men veel beter kunnen missen, en dit alleen was reeds veel. Wanneer de anderen, des avonds heengaande, slechts voor doctor Blimber en zijne familie bogen, stak Paul zijn mager handje uit en schudde cordaat de hand des doctors, en ook die van mevrouw Blimber en van Cornelia. Als iemand straf bedreigde en die straf moest worden afgebeden, was Paul altijd de afgezant. Zelfs het jonge mensch met zwakke oogen had hem eens geraadpleegd ten aanzien van een ongelukje met glas en porselein; en er werd een gerucht rondgefluisterd, dat de bottelier, die hem met zulke gunstige oogen aanzag als die barsche man nog nooit een jongen had gedaan, somtijds porter bij zijn tafelbier schonk opdat hij maar sterk zou worden.

Boven en behalve deze uitgebreide voorrechten, had Paul nog vrijen toegang tot mijnheer Feeder’s kamer, uit welk vertrek hij Toots tweemaal erg misselijk in de opene lucht bracht, ten gevolge eener mislukte poging om eene zeer lichte sigaar te rooken, uit het pakje dat deze jonge heer op het strand heimelijk van een desperaten smokkelaar had gekocht, die hem in vertrouwen had bekend, dat tweehonderd pond, levend of dood, de prijs was, dien het tolkantoor op zijn hoofd had gezet. Het was een gezellig kamertje, dat van Feeder, met zijn ledikant in een ander kamertje daarachter, en, boven den schoorsteenmantel opgehangen, eene fluit, waarop Feeder nog niet kon spelen, maar waarop hij binnen kort zou gaan leeren, zeide hij. Er waren ook eenige boeken, en een hengel; want Feeder zeide, dat hij zeker zou gaan leeren visschen, als hij er maar tijd toe kon vinden. Met hetzelfde voornemen had Feeder zich een fraaien klephoorn, een schaakbord met stukken, eene Spaansche spraakkunst, een kistje met teekengereedschap en een paar bokserhandschoenen aangeschaft. Allereerst, zeide Feeder, zou hij van de edele kunst van vuistvechten werk maken, gelijk hij meende dat de plicht van ieder man was, dewijl men zich daardoor in staat kon stellen om, als het noodig was, eene hulpelooze vrouw te beschermen.

Feeder’s grootste schat was echter een groene pot met snuif, dien Toots hem na de laatste vacantie als een present had medegebracht, en waarvoor hij een hoogen prijs had betaald, daar die snuif nog uit den voorraad van den prins-regent afkomstig was. Toots en Feeder konden geen van beiden snuiven, zonder bijna de stuipen te krijgen van het niezen; maar het was toch hun grootste vermaak eene doos, vol van die krachtige snuif, met koude thee te bevochtigen en ze daar te zitten verorberen. Het was eene marteling voor hen, er den neus mede vol te stoppen, maar dit hadden zij er voor over, en daar zij er tusschenbeide tafelbier bij dronken, hadden zij al het genot van een bacchanaal.

Voor kleinen Paul, die naast Toots, zijn voornaamsten beschermer, stil bij hen zat, had zulk een roekeloos feest zekere geduchte bekoorlijkheid; en wanneer Feeder van de donkere verborgenheden van Londen sprak en Toots vertelde, dat hij die in de aanstaande vacantie zelf in alle bijzonderheden zou gaan onderzoeken, en met dat oogmerk reeds bij twee ongetrouwde oude jufvrouwen te Peckham eene kamer had gehuurd, zag Paul hem aan alsof hij de held uit een boek met reizen of wilde avonturen was, en werd bijna bang voor zulk een dolleman.