Dombey en Zoon

Part 23

Chapter 234,014 wordsPublic domain

Naar en van het hart dier groote verandering stroomde nacht en dag een rustelooze stroom van levensbloed heen en weder. Scharen van menschen en bergen van goederen, die twintig maal in de vier en twintig uren aankwamen en vertrokken, onderhielden eene eeuwigdurende beweging. Zelfs de huizen schenen genegen om op te pakken en uitstapjes te gaan doen. Wonderlijke parlementsleden, die zich, weinig langer dan twintig jaren geleden, met de wilde spoorwegtheorieën der ingenieurs hadden vroolijk gemaakt, en bij parlementaire verhooren den draak met hen hadden gestoken, reden nu met het horloge in de hand naar het noorden, en zonden met den magnetischen telegraaf boodschappen vooruit, dat zij kwamen. Dag en nacht snorden de locomotieven zegevierend voort, of gleden, op het eind van een tocht, gelijk getemde draken, naar het aangewezene hoekje, op een duimbreed afgemeten, en stonden daar te borrelen en te trillen, dat de muren er van beefden, als vervulde hen de geheime bewustheid van groote vermogens, die men nog niet vermoedde, en veruitziende oogmerken, die zij nog moesten verwezenlijken.

Maar Staggs’s Gardens was met wortel en tak uitgeroeid. O jammer, dat geen voet Engelschen grond—met krotjes van huizen bezet—meer veilig is!

Eindelijk vond Walter, na veel vruchteloos navragen, een man, die in dat verdwenen land had gewoond, en niemand anders was dan de vroeger gemelde schoorsteenveger, nu een deftig, zwaarlijvig man geworden, die juist aan zijne eigene deur klopte. Hij kende Toodle wel, zeide hij. Was hij niet aan den spoorweg geplaatst?

“Ja, mijnheer, ja!” riep Suze Nipper uit het portier.

Waar woonde hij nu? vroeg Walter haastig.

Hij woonde in de gebouwen der Compagnie, den tweeden hoek rechtsom, de werf langs, dan dwars over en weer den tweeden hoek rechtsom. Het was nommer elf; zij kon niet missen; maar als zij dat toch deden, moesten zij maar naar Toodle den stoker vragen, en iedereen zou hun wijzen waar hij woonde. Bij dit onverwachte geluk, kwam Suze met allen spoed uit de koets, nam Walter’s arm en ging met een stap, die haar spoedig buiten adem moest doen raken, te voet op weg, de koets daar latende om op hare terugkomst te wachten.

“Is de kleine jongen lang ziek geweest, Suze?” vroeg Walter, terwijl zij zich voortrepten.—“Al heel lang sukkelig, maar niemand hield het voor zoo erg,” antwoordde Suze, en voegde er met buitengemeene scherpheid bij: “O die Blimber’s!”—“Blimber’s?” herhaalde Walter.—“Ik zou het mij zelve niet kunnen vergeven, mijnheer Walter,” antwoordde Suze, “als ik iemand hard viel in een tijd als deze, nu er zooveel ernstige droefheid is om aan te denken, maar ik mag toch wel wenschen dat die heele familie aan het werk werd gezet om nieuwe wegen te maken in een steenigen grond, en dat die jufvrouw Blimber met het houweel vooruit moest.”

Daarop haalde zij eens adem en stapte nog harder door, alsof die buitengewone ontboezeming hare borst verruimd had. Walter, die nu zelf geen adem te missen had, stapte met haar mede zonder meer te vragen, en spoedig stormden zij in hun ongeduld eene deur binnen, en kwamen zoo in een zindelijk voorkamertje vol kinderen.

“Waar is jufvrouw Richards?” riep Suze rondkijkende. “O jufvrouw Richards, jufvrouw Richards, kom toch met mij mee, als een lief mensch!”—“Wel waarlijk, als dat Suze niet is!” zeide Polly, onder de groep, met haar goedig moederlijk gezicht, zeer verwonderd opstaande.—“Ja, jufvrouw Richards, ik ben het,” zeide Suze; “en ik wou dat ik het niet was, al lijkt het niet beleefd om zoo te zeggen; maar jonge heer Paul is heel ziek, en heeft zijn papa vandaag gezegd dat hij zijne oude min zoo graag nog eens zou zien, en hij en jonge jufvrouw Flore hopen dat ge met mij mee zult komen—en mijnheer Walter, jufvrouw Richards—en vergeten wat er is voorgevallen, en dat lieve kind nog een pleizier willen doen, want hij zal het niet lang meer maken, jufvrouw Richards. Och, hij zal het niet lang meer maken!”

Toen Suze begon te schreien, en Polly, van aandoening over hare komst en het gehoorde bericht, mede schreide, en al de kinderen (waaronder verscheidene kleintjes) zich om haar heen drongen, legde Toodle, die juist van Birmingham thuis was gekomen, en uit een schotel zat te eten, mes en vork neer, stond op, kreeg voor zijne vrouw den hoed en doek, die achter de deur hingen, hielp haar die opzetten en omdoen, klopte haar toen op den rug, en zeide, met meer vaderlijk gevoel dan welsprekendheid: “Snij maar uit, Polly!”

Zoo kwamen zij naar de koets terug, lang voor dat de koetsier hen verwachtte; en Walter hielp Suze en jufvrouw Richards er in, ging zelf op den bok zitten, opdat er geene vergissing meer zou plaats hebben, en bracht de twee veilig tot bij mijnheer Dombey in het voorhuis—waar hij, terloops gezegd, een reusachtigen ruiker zag liggen, welke hem aan dien herinnerde, dien kapitein Cuttle des morgens in zijn gezelschap had gekocht. Hij zou gaarne nog wat gebleven zijn om meer van den kleinen zieke te hooren, of gewacht hebben, hoelang ook, om te zien of hij den minsten dienst kon bewijzen; maar zich pijnlijk bewust, dat zulk een gedrag door zijn patroon voor vrijpostig en aanmatigend zou worden gehouden, ging hij langzaam en treurig heen.

Hij was nog geene vijf minuten ver, toen een man hem kwam naloopen en verzocht om terug te komen. Walter ging haastig weder met hem mede, en trad met een droevig voorgevoel het sombere huis binnen.

XVI.

WAT DE GOLVEN ALTIJD ZEIDEN.

Paul was nooit weder uit zijn bedje opgestaan. Daar lag hij naar het gerucht op straat te luisteren, rustig en stil, zonder zich veel te bekommeren hoe de tijd verliep, maar toch oplettend daarop en op alles om hem heen acht gevende.

Als de zonnestralen door de dunne gordijnen in de kamer vielen, en de gouden golfjes over den muur aan den overkant speelden, wist hij dat het avond werd en het eene heerlijke roode lucht was. Als dit schijnsel wegstierf, en de duisternis tegen den muur opkroop, lette hij er op hoe het al donkerder en donkerder werd, tot het geheel nacht werd. Dan dacht hij hoe de lange straten met lantarens waren besprenkeld, en hoe omhoog de vreedzame sterren flikkerden. Zijne verbeelding had eene zonderlinge neiging om naar de rivier te dwalen, die hij wist dat door de groote stad stroomde; en dan dacht hij hoe zwart zij was, en hoe diep zij moest schijnen, als die menigte van sterren er in spiegelde—en vooral hoe standvastig zij voortvloeide naar de zee.

Als het later in den nacht werd, en de voetstappen op straat zoo zeldzaam werden, dat hij ze kon hooren aankomen, en tellen tot zij zich weder in de verte verloren, lag hij stil naar den gekleurden ring om de kaars te kijken, en wachtte geduldig naar den dag. Het eenige dat hem ontrustte was die diepe, snelle rivier. Somtijds gevoelde hij zich genoodzaakt om haar te willen stuiten—om met zijne kinderlijke handjes haar loop te stremmen—of ze met zand te verstoppen—en als hij ze onweerstaanbaar zag aankomen, gaf hij een schreeuw. Maar een woord van Florence, die altijd bij hem was, bracht hem weder tot bezinning, en zijn hoofdje tegen hare borst leggende, vertelde hij Flore zijn droom en glimlachte.

Als de dag weder begon aan te breken, wachtte hij naar de zon, en wanneer haar vroolijk licht de kamer begon te verhelderen, verbeeldde hij zich—neen, zag hij de hooge kerktorens in de morgenlucht oprijzen, de stad herleven, ontwaken, weder in beweging komen, de rivier glinsteren in haar loop (maar altijd even snel voortstroomen), en het veld schitteren van den dauw. Langzamerhand kwam dan op straat het gewone gerucht en geroep; de dienstboden in huis kwamen op en aan het werk, gezichten kwamen de deur inkijken en vroegen aan zijne oppassters zachtjes hoe hij het maakte. Paul antwoordde altijd zelf: “Ik ben beter. Ik ben veel beter; wel bedankt! Zeg dat aan papa!”

Langzamerhand werd hij het gewoel van den dag, het gerucht van koetsen, wagens en voorbijgangers moede, en dan viel hij in slaap, of plaagde hem weder die lastige bewustheid—hij kon zelf bijna niet zeggen of hij dan sliep of wakker was—van de stroomende rivier. “Waarom wil zij nooit ophouden, Flore?” vroeg hij haar dan somtijds... “Zij neemt mij mee, geloof ik!”

Maar Flore kon hem altijd bedaren en geruststellen, en het was dagelijks een genot voor hem haar het hoofd op zijn kussen te laten leggen, om zoo wat te rusten.

“Gij waakt altijd bij mij, Flore. Laat ik nu bij u waken!” Dan zette men hem met kussens in een hoek van zijn bed, en daar zat hij dan, terwijl zij naast hem lag, zich somtijds overbuigende, om haar een kus te geven, en de anderen in de kamer toe te fluisteren dat zij moe was, en dat zij al zoovele nachten bij hem was opgebleven.

Zoo verliep langzamerhand de dag en verloren zich weder zijne warmte en licht; en dan speelden de gouden golfjes weder over den muur.

Hij werd door drie deftige dokters bezocht—zij plachten zich beneden te verzamelen en te zamen naar boven te komen—en de kamer was dan zoo stil en Paul lette zoo goed op hen (schoon hij nooit iemand vroeg wat zij zeiden) dat hij zelfs het verschil in het geluid van hunne horloges kende. Maar zijne belangstelling was vooral op Sir Parker Peps gevestigd, die altijd dichtst bij zijn bed kwam zitten; want hij had lang geleden hooren zeggen, dat die dokter bij zijne mama was geweest, toen zij Florence in hare armen sloot en stierf; en dat kon hij nu niet vergeten. Hij hield om die reden van den dokter. Hij was niet bang. De menschen om hem heen veranderden even onbegrijpelijk als in dien eersten nacht bij dokter Blimber—behalve Florence: Florence veranderde nooit—en wat Sir Parker Peps was geweest, was nu zijn vader, die met zijn hoofd in de hand zat. De oude mevrouw Pipchin, die in een leuningstoel zat te dutten, veranderde dikwijls in jufvrouw Tox of in zijne tante, en dan sloot Paul gaarne zijne oogen weder, om te zien wat er vervolgens zou gebeuren, zonder dat dit hem eenigszins ontroerde. Maar die gedaante met het hoofd in de hand kwam zoo dikwijls terug en bleef zoolang, en zat zoo plechtig stil, zonder ooit te spreken of aangesproken te worden, en maar zelden zijn gezicht vertoonende, dat Paul zich flauw begon te verwonderen of zij wel iets wezenlijks was; en als hij ze des nachts daar zag zitten, was hij bang.

“Flore,” zeide hij. “Wat is dat?”—“Waar, lieve Paul?”—“Daar, aan het voeteind van het bed.”—“Daar is niets, behalve papa.”

De gedaante beurde het hoofd omhoog, stond op, kwam naar het bed en zeide:

“Paul, mijn jongen, kent ge mij niet?”

Paul keek het gezicht aan en dacht: Was dat zijn vader? Maar het gezicht dat hij zoo veranderd vond, trilde onder dat staren, alsof het van pijn was; en eer hij zijne beide handjes kon uitsteken, om het daartusschen te nemen en naar zich toe te trekken, keerde de gedaante zich om en ging de deur uit.

Paul zag met een kloppend hart Florence aan, maar hij wist wel wat zij zou zeggen, en stuitte haar door zijn gezichtje tegen hare lippen te drukken. Toen hij de volgende maal die gedaante aan het voeteinde van zijn bed zag zitten, riep hij ze toe:

“Wees niet zoo bedroefd om mij, lieve papa! Waarlijk, ik ben heel gelukkig!”

Toen zijn vader kwam en zich naar hem overboog—hetgeen hij snel deed, zonder eerst bij het bed te blijven staan—sloeg Paul hem zijne armen om den hals, en herhaalde die woorden verscheidene malen en met grooten ernst; en naderhand zag Paul hem nooit weder in de kamer, hetzij over dag of des nachts, of hij riep hem toe: “Wees niet bedroefd om mij! Waarlijk ik ben heel gelukkig!” Dit was het begin er van, dat hij des morgens altijd zeide dat hij veel beter was, en dat zij dit zijn vader moesten zeggen.

Hoevele malen de gouden golfjes over den muur speelden; hoevele nachten de donkere rivier, zijns ondanks, naar de zee stroomde—dit telde Paul nooit en verlangde hij nooit te weten. Indien hunne vriendelijke oplettendheid of zijn gevoel daarvan konden toenemen, werden zij met elken dag nog vriendelijker en hij nog dankbaarder, maar of het vele dagen of weinige waren, kwam het zachtzinnige kind nu als van weinig belang voor.

Op een nacht had hij aan zijne moeder gedacht en aan haar portret in het salon beneden, en hij had zich verbeeld dat zij meer van de lieve Florence moest gehouden hebben dan zijn vader deed, om haar zoo in hare armen te sluiten toen zij gevoelde dat zij stierf; want zelfs hij, haar broeder, die haar zoo liefhad, kon geen grooter wensch hebben dan deze. Deze gedachten brachten hem op de vraag of hij zijne moeder ooit gezien had; want hij kon zich niet herinneren of men hem ja of neen had gezegd;—die rivier stroomde zoo sterk en verwarde zijn denkvermogen.

“Flore, heb ik ooit mama gezien?”—“Neen, lieveling; waarom?”—“Heb ik nooit een vriendelijk gezicht, zooals dat van mama, mij zien aankijken toen ik nog een klein kind was, Flore?”

Hij vroeg haar dit ongeloovig twijfelende, alsof hij een zweem van zulk een gezicht voor zich had.

“O ja, lieve.”—“Van wie dan, Flore?”—“Van uwe oude min. Dikwijls.”—“En waar is mijne oude min?” zeide Paul. “Is zij ook dood? Flore, zijn wij allen dood, behalve gij?”

Er kwam eene beweging in de kamer, voor een oogenblik—langer misschien, maar het scheen toch niet langer—en toen was alles weder stil; en Florence hield, met een doodsbleek, maar toch nog glimlachend gezichtje, zijn hoofd in haar arm. Haar arm beefde sterk.

“Laat mij die oude min eens zien, Flore, als het belieft.”—“Zij is niet hier, lieve Paul; maar zij zal morgen komen.”—“Dank, Flore.”

Paul sloot met deze woorden zijne oogen en viel in slaap. Toen hij wakker werd, stond de zon hoog, en was het een heldere warme dag. Hij lag een poosje naar de vensters te kijken, die openstonden en waarvoor de gordijnen ritselend heen en weder zwaaiden; toen zeide hij: “Flore, is het nu morgen? Is zij gekomen?”

Er scheen iemand om haar uit te gaan. Misschien was het Suze. Paul meende haar, toen hij weder zijne oogen sloot, te hooren zeggen dat zij spoedig terug zou zijn; maar hij opende ze niet om te zien. Zij hield haar woord—misschien was zij niet eens uit geweest—maar het volgende dat hij hoorde waren voetstappen op de trap, en toen werd Paul wakker—wakker naar lichaam en geest—en kwam in zijn bed overeind. Hij zag ze nu om hem heen. Er was nu geen grauwe mist voor hem, gelijk des nachts somtijds gebeurde. Hij kende iedereen, en noemde ieder bij zijn naam.

“En wie is dat? Is dat mijne oude min?” zeide het kind, de binnentredende met een blijden glimlach aanziende.

Ja, ja. Geene andere vreemde zou bij zijn gezicht die tranen hebben geschreid, en hem haar lieven jongen, haar zoeten jongen, haar arm lief kind hebben genoemd. Geene andere vrouw zou zich over zijn bed hebben gebogen, en zijn vermagerd handje hebben gevat, en het aan hare lippen en hare borst hebben gedrukt, alsof zij iemand was die wel eenig recht had om het te liefkoozen. Geene andere vrouw zou zoo ieder die daar was, behalve hem en Flore, hebben vergeten, en zooveel teederheid en medelijden hebben getoond.

“Flore, dat is een vriendelijk, goedig gezicht!” zeide Paul. “Ik ben blij dat ik het weerzie. Ga niet heen, oude min! Blijf hier!”

Al zijne zinnen waren gescherpt, en hij hoorde een naam noemen.

“Wie was dat, die daar “Walter” zeide?” vroeg hij, in het rond ziende. “Iemand heeft Walter gezegd? Is hij hier? Ik zou hem heel graag zien.”

Niemand gaf rechtstreeks antwoord; maar spoedig zeide zijn vader tot Suze: “Roep hem dan terug en laat hem boven komen!” Na eene korte poos van verwachting, waaronder hij met glimlachende belangstelling en verwondering zijne min aankeek, en zag dat zij Flore nog niet vergeten had, werd Walter in de kamer gelaten. Zijn frisch gezicht, zijne rondborstige manieren en zijne vroolijke oogen hadden hem bij Paul altijd tot een gunsteling gemaakt; en toen Paul hem zag, stak hij zijn handje uit en zeide: “Vaar wel!”—“Vaar wel, kind!” riep mevrouw Pipchin, en kwam haastig naar het bed. “Wel neen, geen vaar wel immers?”

Voor een oogenblik zag Paul haar aan met het peinzende gezichtje, waarmede hij haar zoo dikwijls in zijn hoekje bij het vuur had aangestaard. “Ja,” zeide hij kalm; “vaar wel! Lieve Walter, vaar wel!” en het hoofd omkeerende naar den kant waar zijn vader stond, stak hij nog eens zijn handje uit en vroeg: “Waar is papa?”

Hij gevoelde den adem van zijn vader op zijne wang, eer hij nog geheel had uitgesproken.

“Denk om Walter, lieve papa,” fluisterde hij, hem aanziende. “Denk om Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” Het zwakke handje wuifde door de lucht, alsof het Walter nog eens “vaar wel!” toeriep.—“Leg mij nu neer,” zeide hij; “en Flore, kom dicht bij mij en laat ik u zien!”

Zuster en broeder strengelden hunne armen door elkander, en het gouden licht kwam binnenstralen, en bescheen hen zoo aaneengesloten.

“Wat stroomt die rivier snel, tusschen hare groene oevers en biezen, Flore. Maar zij is nu dicht bij de zee. Ik hoor de golven! Zij hebben altijd zoo gezegd!”

Weldra zeide hij haar dat de beweging der boot op den stroom hem in slaap wiegde. Hoe groen waren de oevers nu, en hoe schitterend de bloemen die er op groeiden, en hoe hoog de biezen! Nu was de boot buiten op zee, maar gleed toch zachtjes voort. En nu lag er eene kust voor hem. Wie stond daar op den kant!

Hij vouwde zijne handjes samen, gelijk hij placht te doen als hij bad. Hij nam zijne armen niet weg om dit te doen; maar men zag hem zijne handjes zoo vouwen, achter om haar hals.

“Mama gelijkt op u, Flore. Ik ken haar aan haar gezicht! Maar zeg hun dat de plaat boven op school niet goddelijk genoeg is. Het licht om het hoofd beschijnt mij nu!”

De gouden golfjes speelden weder over den muur, maar niets anders bewoog zich in de kamer van het oudachtige kind. De oude Dood, zoo oud als de wereld, was daar gekomen. God zij geloofd, nog ouder is de Onsterfelijkheid!

“O Heere, Heere!” zeide jufvrouw Tox, dien avond opnieuw uitbarstende, alsof haar het hart zou breken. “Als men bedenkt dat Dombey en Zoon toch eene dochter moest wezen!”

XVII.

KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN.

Vertrouwende op dat verbazende talent voor onpeilbaar diep berekende listen, waarmede hij (gelijk bij menschen van klaar doorzichtige eenvoudigheid niet ongewoon is) oprecht geloofde door de natuur begaafd te zijn, was kapitein Cuttle op dien gewichtigen zondag naar het huis van Dombey gegaan, den geheelen weg over knipoogende om zijne overtollige slimheid lucht te geven, en had zich in den vollen glans zijner halve laarzen voor Towlinson vertoond. Van dien persoon vernemende welk eene ramp het huis bedreigde, was de kapitein uit kieschheid en ontsteltenis terstond weder heengegaan, alleen den ruiker overgevende, als een klein bewijs zijner deelneming, waarbij hij verzocht de familie zijn eerbiedig compliment te doen, en zijne hoop te kennen gaf dat zij in deze omstandigheden het maar scherp bij den wind zouden houden, met eene belofte dat hij “morgen wel eens weer zou praaien.”

Van het compliment des kapiteins werd nooit weder iets gehoord. Zijn ruiker bleef in het voorhuis liggen tot hij des anderen daags in den vuilnisbak werd geworpen, en de slimme berekening des kapiteins werd, te gelijk met veel hooger plannen en uitzichten, door één ongeluk verijdeld. Zoo moeten, wanneer een sneeuwval een bosch vernielt, de heesters en struiken met de boomen lijden, en allen te zamen vergaan.

Toen Walter op dien zondagavond van zijne wandeling, die zulk een merkwaardig einde had gehad, terugkwam, was hij in het eerst te vol van de tijding die hij medebracht, en van de aandoeningen welke het bijgewoonde tooneel natuurlijk in zijn gemoed had opgewekt, om op te merken dat zijn oom blijkbaar nog onbekend was met het bericht, dat de kapitein hem zou hebben medegedeeld, of dat de kapitein met zijn haak seinen maakte ten einde hem te waarschuwen om niet van de zaak te spreken. Niet dat de seinen des kapiteins zeer begrijpelijk zouden geweest zijn, al had men er nog zoo nauwkeurig op gelet; want gelijk de Chineesche wijzen, die men zegt dat in hunne redetwisten zekere geleerde woorden, die volstrekt niet kunnen uitgesproken worden, met trekken in de lucht schrijven, maakte de kapitein zulke zwaaien en zwieren, dat iemand, die niet vooraf met zijn geheim bekend was, ze met geene mogelijkheid kon uitleggen.

Kapitein Cuttle zag echter, toen hij hoorde wat er gebeurd was, van deze pogingen af, daar hij begreep welke geringe kans er nu bestond om voor den tijd van Walter’s vertrek een gemeenzaam praatje met Dombey te hebben. Maar terwijl hij, met een bedrukt gezicht, zich zelven toegaf, dat Samuel Gills het hooren en Walter gaan moest—de zaak thans nemende gelijk zij was, zonder dat zij door de slimme tusschenkomst van een vriend kon toegelicht of verbeterd worden—bleef de kapitein toch een onverflauwd vertrouwen koesteren, dat hij, Ned Cuttle, de man voor mijnheer Dombey was, en dat er, om Walter’s fortuin klaar te maken, niets anders noodig was dan dat zij eens met hun beiden bij elkander kwamen. Want de kapitein kon nooit vergeten hoe goed hij en Dombey te Brighton met elkander te recht waren gekomen; hoe welgepast zij beiden, als het noodig was, een woordje hadden gesproken; hoe wel zij elkander hadden begrepen, en hoe hij, Ned Cuttle, in den eersten nood die uitkomst had aangewezen, en de onderhandeling tot een gewenscht einde gebracht. Op al deze gronden troostte de kapitein zich met de gedachte dat hij, schoon de omstandigheden hem nu noodzaakten om werkeloos voor anker te blijven liggen, toch door den tijd de zeilen in top zou halen en zich door alles heenslaan.

Onder den invloed dezer goedhartige zelfbegoocheling, begon kapitein Cuttle, terwijl hij Walter zat aan te kijken en met een traan op zijn boordje naar zijn verhaal te luisteren, zelfs te overleggen, of het niet te gelijk beleefd en politiek zou zijn, mijnheer Dombey, als zij elkander eens zagen, eene mondelinge uitnoodiging te geven om, wanneer het hem maar schikte, eens in Brig Place bij hem te komen eten, en dan onder een gezellig glas over de vooruitzichten van zijn jongen vriend te praten. Doch het onzekere humeur van jufvrouw MacStinger, en de mogelijkheid dat zij onder zulk een onthaal in den gang zou gaan staan en daar eene lang niet vleiende predikatie houden, maakte den kapitein beschroomd om aan deze gastvrije gedachten voet te geven.

Eén ding was den kapitein, terwijl Walter over het gebeurde uitweidde, volkomen duidelijk; namelijk dat, hoewel Walter’s bescheidenheid hem mocht beletten om dit zelf te zien, hij toch zoo goed als een lid van mijnheer Dombey’s huisgezin was. Hij was in persoon bij de gebeurtenis, die hij zoo aandoenlijk beschreef, tegenwoordig geweest, hij was er met name bij genoemd en geprezen, en zijn geluk moest in de oogen van zijn patroon eene zaak van bijzonder gewicht zijn. Indien de kapitein nog heimelijk eenigszins aan zijne eigene redeneering twijfelde, twijfelde hij toch volstrekt niet of zij zou voor de gemoedsrust van den ouden instrumentmaker goed kunnen zijn. Hij nam dus een gunstig oogenblik waar, om zijn ouden vriend de zending naar West-Indië, als eene buitengewone bevordering, mede te deelen, en verklaarde daarbij dat hij gaarne honderd duizend pond (als hij ze had) zou willen geven voor het voordeel dat Walter eens daaruit zou trekken, en niet twijfelde of hij zou dan nog eene goede som winnen.