Part 18
Fray Antonio door de aannadering des gevaars op lijfsbehoud denkende, greep met drift naar zijn geweer en verschool zich insgelijks achter den boom.
Op hetzelfde oogenblik deed zich een geweldig gekraak in de struiken hooren, de takken werden uit elkander gebogen en er verscheen een troep mannen, ten getale van ongeveer achttien of twintig; het waren krijgslieden der Apachen: in hun midden bevonden zich de Blaauwe-Vos, John Davis en zijn kameraad.
De Blaauwe-Vos, ofschoon hij den Blanke-Scalpeur nooit had ontmoet, en hem dus niet persoonlijk kende, had dikwijls van hem hooren spreken, hetzij door de Indianen of door de jagers; zoodra hij dus den naam hoorde noemen werd hij door een vreesselijken angst bevangen en kwamen hem terstond al de wreedheden voor den geest die zijne broeders van hem te verduren hadden gehad; het volgende oogenblik echter kwam hij op de gedachte een verdienstelijk werk te kunnen doen, door hem bij deze gelegenheid te overrompelen; hij haastte zich dus om het tusschen hem en de jagers afgesproken signaal aan te geven, en toen met de snelheid die de Indianen kenmerkt, het kreupelhout doorloopende, begaf hij zich naar de plaats waar hij zijne krijgslieden had achtergelaten en beval hun hem dadelijk te volgen; hiermede gereed, keerde hij onverwijld naar de jagers terug, die, daar zij het signaal hadden gehoord, hem reeds te gemoet kwamen.
Met weinige woorden bragt de Blaauwe-Vos hen op de hoogte van hetgeen er gebeurd was; maar om de waarheid te zeggen, moeten wij hier bekennen, dat deze mededeeling de jagers zoowel als de Indianen niet weinig in hun ijver deed verflaauwen, daar zij begrepen dat zij zich aan een allervreesselijkst gevaar zouden moeten blootstellen, door te gaan strijden tegen iemand die met geen wapens te treffen of te bereiken was, en voor wien allen die hem tot hiertoe hadden durven bevechten onverbiddelijk als slagtoffers waren gevallen.
Intusschen was het nu te laat om terug te treden, aan vlugten viel niet te denken; de krijgslieden besloten dus tegen wil en dank om voorwaarts te rukken.
Wat de twee jagers John Davis en zijn kameraad betreft, al deelden zij niet ten volle in de blinde en bijgeloovige vrees der Indianen, zoo was hun deze strijd toch alles behalve aangenaam; uit schaamte echter, om de lieden niet in den steek te laten boven welke zij zich niet alleen in verstand maar ook in moed verre verheven waanden, besloten zij met hen mede te gaan.
„Caballero!” riep de monnik met eene benaauwde stem, toen hij de Indianen zag aankomen, „gij zult mij toch niet verlaten, hoop ik!”
„Wel neen, als gij u zelven maar niet verlaat, domkop!” antwoordde de Scalpeur.
Toen de Apachen den zoom van het bosch bereikten, verscholen zij zich, volgens hunne gewone krijgstaktiek, ieder achter een boomstam, zoodat er binnen den ganschen omtrek waar zulk een aantal menschen op het punt waren een hardnekkigen strijd te beginnen, niemand te zien was.
Er volgde een poos van stilstand en aarzeling.
De Scalpeur was de eerste die het woord opvatte.
„Heila!” riep hij, „wat komt gij hier doen?”
De Blaauwe-Vos wilde antwoorden, doch John Davis belette het.
„Laat dat liever aan mij over,” zeide hij.
Nu den boomstam verlatende waarachter hij verscholen was, trad hij stoutmoedig eenige stappen vooruit en bleef ongeveer midden in het kamp staan.
„Waar zijt gij die daar spreekt?” riep hij met eene luide en ferme stem; „zijt gij soms bang om u te laten zien?”
„Ik vrees voor niets,” antwoordde de Scalpeur.
„Als dat zoo is, kom dan voor den dag en laat u kennen,” riep John op spotachtigen toon.
Aldus uitgetart, deed de Scalpeur met zijn paard eenige galopsprongen van achter den boom en bleef op twee passen afstand voor den jager staan.
„Hier ben ik,” zeide hij, „wat wilt gij van mij?”
Davis had het paard laten naderen zonder een duimbreed van zijne plaats te gaan.
„Wel!” riep hij, „ik verlangde gaarne u eens te zien.”
„Is dat al wat gij mij te zeggen hebt?” riep de andere gemelijk.
„Hum! gij schijnt duivelsch veel haast te hebben,” zei Davis, „laat ons ten minste even tijd om adem te scheppen.”
„Houd op met uwe ongepaste scherts, die u wel eens duur zou kunnen te staan komen; zeg mij oogenblikkelijk wat gij mij komt voorstellen, ik heb geen tijd om zotte praatjes te houden.”
„Zoo! Maar wie duivel zegt u dat ik u iets heb voor te stellen?”
„Wat zoudt gij anders hier komen doen?”
„Maar mijne voorstellen zijn u zeker reeds bekend.”
„Dat is wel mogelijk.”
„En wat antwoordt gij er dan op?”
„Niets.”
„Hoedat, niets?”
„Ik wil u liever aanvallen.”
„O, ho! daar zou voor u een zware wijs op gaan; wij zijn met ons achttienen, weet gij dat?
„Hoevelen er zijn is mij onverschillig. Al waren er honderd zou ik u toch aanvallen.”
„Duivelsch! al was het maar voor de aardigheid alleen, zou ik wel een gevecht zien willen van een tegen twintig.”
„Dat zal zoo lang niet meer duren.”
Met deze woorden deed de Scalpeur zijn paard eenige passen teruggaan.
„Een oogenblik geduld, voor den duivel!” riep de jager met drift, „laat ik u eerst een woordje zeggen.”
„Spreek.”
„Wilt gij u overgeven?”
„Wat zegt gij?”
„Ik vraag u, of gij u wilt overgeven?”
„Loop heen!” riep de Scalpeur meesmuilend, „gij zijt dwaas. Ik mij overgeven? ik! neen, gij met u allen, zult mij weldra om genade vragen.”
„Duivelsch! dat geloof ik niet, al zoudt gij mij moeten dooden.”
„Wij zullen zien; keer naar uw schuilplaats terug,” zei de Blanke-Scalpeur de schouders ophalend, „ik wil u niet dooden als een weerlooze.”
„Waarachtig, dat zal u slecht bekomen,” antwoordde John, „ik heb u eerlijk gewaarschuwd, en ik wasch mijne handen in onschuld, zie nu hoe gij er best afkomt.”
„Ik zeg u dank,” hernam de Scalpeur met nadruk; „maar het staat met mij nog niet zoo slecht als gij denkt.”
John Davis vergenoegde zich met de schouders op te halen en trad zonder te antwoorden langzaam naar zijn schuilhoek terug, onder het fluiten van het Amerikaansche volkslied Yankee doodle.
De Scalpeur volgde geenszins zijn voorbeeld; ofschoon hij zeer goed wist dat hij met een groot aantal vijanden te doen zou hebben, bleef hij ferm en onbeweeglijk te midden van het boschkamp staan.
„Heila!” riep hij op spottenden toon, „gij dappere Apachen, die u als hazen in de struiken verschuilt, moet ik u in uw leger komen overvallen om u te noodzaken u te vertoonen? Kom op! als gij durft zoo gij niet wilt dat ik u voor lafhartige en vreesachtige oude vrouwen houd.”
Deze beleedigende taal voerde de verontwaardiging der Apachen ten top, en zij beantwoordden hem met een luiden en langdurigen oorlogskreet.
„Zouden mijne broeders zich nog langer door een enkel man laten trotseren?” riep de Blaauwe-Vos; „onze lafheid alleen maakt hem zoo stout. Laten wij met de snelheid van een orkaan instormen op dezen geest des kwaads; hij zal den schok van zooveel beroemde krijgslieden niet kunnen weerstaan. Voorwaarts! mijne broeders, voorwaarts! Aan ons zij de eer verbleven dat wij den onverzoenlijken vijand van ons geslacht verslagen hebben!”
Bij deze woorden zwaaide hij moedig de karabijn boven zijn hoofd, en onder het aanheffen van een vervaarlijken oorlogskreet stormde de dappere Sachem onverschrokken den Scalpeur te gemoet.
Al zijne krijgslieden volgden hem.
De Scalpeur wachtte hen af zonder een duimbreed te wijken; maar zoodra waren zij niet onder zijn bereik, of hij gaf zijn paard de sporen en sprong met het edele dier midden onder de Indianen. Oogenblikkelijk greep hij zijn geweer bij den tromp, gebruikte het als een knods en begon er mede rond te zwaaijen en links en regts zijne slagen uit te deelen, met eene snelheid en juistheid die aan bovennatuurlijke kracht deden denken.
Nu ontstond er eene vervaarlijke schermutseling; de Indianen drongen met verbittering in op den wildeman, die als een bekwaam ruiter zijn paard onverwachte sprongen deed maken, en door de vaardigheid zijner bewegingen zijnen vijanden belette het bij den teugel te grijpen en tot staan te brengen.
De beide jagers, John Davis en zijn kameraad, stonden met het geweer bij den voet den uitslag van het gevecht af te wachten, daar zij het voor onmogelijk hielden, dat een enkel man in staat zou zijn, om tegen zoovele en zulke dappere vijanden den strijd vol te houden, en langer dan eenige minuten weerstand te bieden. Tot hunne groote verwondering, bemerkten zij echter weldra dat zij zich vergist hadden; reeds lagen verscheidene Indianen met gebroken schedel of op andere wijs door de vreesselijke buks van den Scalpeur doodelijk getroffen op den grond te zieltogen.
De jagers begonnen dus over den afloop van den strijd anders te denken en wilden hunne kameraden te hulp komen, maar door de snelle bewegingen van het gevecht waren hunne geweren onbruikbaar, daar het tooneel ieder oogenblik veranderde en hunne kogels even goed een vriend als hun eenigen vijand konden treffen; zij wierpen derhalve hunne buksen weg en snelden met blank geweer de Apachen ter hulp, die reeds begonnen af te deinzen.
De Blaauwe-Vos lag gevaarlijk gekwetst, bewusteloos op den grond uitgestrekt; de overige krijgslieden, in zoover zij nog niet buiten gevecht waren gesteld, begonnen aan den aftogt te denken en wierpen nu en dan reeds een bezorgden blik achterwaarts.
De Blanke-Scalpeur stond nog altijd even woest en kordaat midden in den hoop, zijne vijanden te beschimpen en uit te dagen, terwijl zijn arm oprees en daalde met de regelmatigheid van een stoombalans.
„Ha, ha!” riep hij zoodra hij de jagers in ’t oog kreeg, „wilt gij ook uw aandeel hebben, kom dan maar hier!”
Laatstgenoemden lieten het zich geen tweemaal zeggen en stormden met dolle drift op hem in.
Maar het bekwam hun bijster slecht: John Davis werd door de borst van het paard met zooveel kracht getroffen, dat hij tien passen verder over den grond tuimelde, waar hij stil bleef liggen; op het zelfde oogenblik stortte zijn kameraad, dien een kolfslag de hersenpan verbrijzeld had, ter aarde en blies den adem uit zonder een klagt te slaken.
Deze laatste wederwaardigheid was voor de Indianen zooveel als de genadeslag, en overmand door schrik voor de onweerstaanbare kracht van dezen buitengewonen man, namen zij in alle rigtingen de vlugt, huilende van angst.
De Scalpeur wierp een blik van triumf en bevredigden haat over de bloedige kampplaats en het aantal zijner slagtoffers; eensklaps dreef hij zijn paard voorwaarts, achterhaalde een der vlugtelingen, greep hem bij de haren, wierp hem voor zich op den zadel en verdween er mede in het bosch onder het uiten van een daverend hoongelach.
In het boschkamp bleven niet meer dan tien of twaalf verslagenen over, die op het gras lagen uitgestrekt; twee of drie er van leefden nog, de overigen waren gesneuveld.
Ook voor dezen keer had de Blanke-Scalpeur weder gezegevierd en zich een bloedigen doortogt weten te openen. Wat Fray Antonio betreft, zoodra hij zag dat het gevecht goed aan den gang was, oordeelde hij het onnoodig om er den uitslag van af te wachten; hij had wijsselijk van de gelegenheid gebruik gemaakt om stilletjes weg te sluipen, van boom tot boom en van boschje tot boschje, tot hij eindelijk zijn aftogt had volbragt en zijn kans schoon zag om het hazenpad te kiezen.
XXIV.
NA HET GEVECHT.
Gedurende meer dan een half uur heerschte er eene doodsche stilte in het boschkamp, dat na den in het vorige hoofdstuk door ons beschreven strijd een akelig en treurig schouwspel opleverde.
Intusschen had John Davis, die door den geweldigen stoot van het paard niet ernstig gewond, maar alleen bedwelmd was, de oogen geopend en zijne blikken verwonderd rond laten weiden; de schok was echter hevig genoeg geweest om hem eenige kneuzingen te veroorzaken en hem in eene diepe flaauwte te dompelen; ook kon de Amerikaan, toen hij weder bijkwam, zich niet zoo dadelijk herinneren wat er met hem gebeurd was, en vroeg hij zich verbaasd af hoe het toch mogelijk was dat hij zich in zulk een zonderlingen toestand bevond.
Van lieverlede nogtans begonnen zijne denkbeelden op te helderen en keerde zijn geheugen terug, en nu herinnerde hij zich dien vreemdsoortigen en ongelijken strijd van één man alleen tegen achttien of twintig; een strijd waar deze als overwinnaar uitkwam, na zijne aanvallers deels gedood, deels op de vlugt te hebben gejaagd.
„Wel, wel!” mompelde hij bij zich zelven, „wat hij ook wezen mag, mensch of duivel, maar ik zeg voor den drommel, dat de vent meer dan knap is!”
Met eenige moeite stond hij op, betastte zich de pijnlijke leden en na zich verzekerd te hebben dat er niets bij hem gebroken was vervolgde hij met blijkbare zelfvoldoening:
„Ik ben er Goddank! beter afgekomen dan ik ooit had durven verwachten, de lompe wijze in aanmerking nemende waarop ik omver werd geloopen.—Maar hij,” vervolgde hij met een meêwarigen blik op zijn kameraad, die naast hem lag, „die arme Jim, is minder gelukkig geweest dan ik, zijn loop is geëindigd! Wat heeft hij een ruwen slag op zijn hoofd gehad! Bah! wat zal ik er aan doen?” besloot hij met de zelfzuchtige wijsheid der wildernis, „alle menschen moeten sterven, elk krijgt zijn beurt, vandaag hij, morgen ik, zoo gaat het in de wereld.”
Thans op zijn geweer leunende, want het loopen ging nog niet gemakkelijk, deed hij eenige stappen door het kamp, om zijne verdoofde leden op te wekken en zich voor goed te overtuigen dat zij in gezonden staat waren.
Na zich een poosje met deze oefening te hebben bezig gehouden, die den omloop van zijn bloed en de lenigheid zijner gewrichten spoedig herstelde, zoodat hij volkomen omtrent zich zelven gerust was, kwam de gedachte bij hem op om te zien of er onder de rondom hem verstrooid liggende verslagenen, ook enkele waren die nog ademden.
„Het zijn wel is waar slechts Indianen,” prevelde hij, „maar in allen geval zijn het toch menschen, en al hebben zij bijna geen redelijk verstand, vordert de menschelijkheid dat ik hun hulp verleen, te meer daar mijn tegenwoordige toestand niet van de aangenaamste is; en als het mij gelukte een of ander onder hen te redden, zou hunne kennis van de wildernis mij in deze oogenblikken zeer te stade komen.”
Deze laatste overweging inzonderheid deed hem besluiten om hulp te bieden aan menschen die hij anders waarschijnlijk aan hun lot zou hebben overgelaten, met andere woorden, aan de klaauwen en tanden der verscheurende dieren, die door den reuk des bloeds aangelokt, den volgenden nacht niet zouden verzuimd hebben er hun prooi van te maken.
Wij zijn echter verpligt om den Amerikaan in zooverre regt te laten wedervaren, dat hij, zoodra zijn besluit eenmaal genomen was, zich met alle naauwgezetheid en beleid kweet van de zich opgelegde taak—eene taak die hem trouwens niet moeijelijk viel, daar de menigte ambachten die hij gedurende den loop van zijn wisselvallig leven had uitgeoefend, hem, onder anderen, eene geneeskundige kennis en ervaring hadden medegedeeld, die hem volkomen in staat stelden om aan gewonden de noodige zorg en bijstand te verleenen.
Ongelukkig hadden verreweg de meeste Indianen die hij onderzocht, zulke zware wonden ontvangen, dat het leven hen reeds verlaten had en dus alle hulp voor hen nutteloos was.
„Duivel! nog eens!” pruttelde de Amerikaan bij elk lijk dat hij te vergeefs omkeerde, „die arme wilden zijn knaphandig genekt, dat moet ik zeggen! Een ding is gelukkig voor hen, dat zij ten minste niet lang pijn zullen hebben geleden, want met zulke wonden hebben zij bijna oogenblikkelijk den geest moeten geven.”
Zoo voortgaande, kwam hij aan de plaats waar de Blaauwe-Vos lag; een groote open wond met eene machete toegebragt gaapte in zijne borst.
„Ei, zie! daar ligt onze goede Sachem!” riep hij: „welk eene wond! Laat ons zien of ook hij dood is.”
Hij bukte over het roerlooze lijk en hield zijn glimmend mes voor den mond van den Indiaan.
„Hij verroert zich niet,” vervolgde hij op moedeloozen toon, „ik denk niet dat ik hem ooit weder aan het loopen zal krijgen.”
Intusschen beschouwde hij na eenige minuten het lemmet van zijn mes, en bemerkte dat het meer of min beslagen was.
„Goeden moed!” prevelde hij, „hij is ten minste nog niet geheel dood, en zoo lang er leven is, is er hoop; laten wij zien.”
Na deze alleenspraak schepte John Davis met zijn hoed water uit de beek, deed er een weinig brandewijn bij, en begon zorgvuldig de wond te wasschen; deze pligt volbragt zijnde, peilde hij de wond, en zag tot zijne voldoening, dat zij weinig diepte had, en dat alleen bloedverlies naar alle waarschijnlijkheid de bezwijming had te weeg gebragt. Van deze juiste beoordeeling nader overtuigd zijnde, wreef hij eenige oregano bladeren tusschen twee steenen, maakte er een papje van, legde het op de wond en bevestigde het met een verband van boomschors en biezen; vervolgens met de punt van zijn mes den gewonde de tanden ontsluitende, bragt hij hem de tuit van zijn kalabasflesch in den mond en liet hem een goeden teug brandewijn drinken.
De aangewende poging van den Amerikaan werd bijna onmiddellijk met gunstig gevolg bekroond, want de gewonde slaakte een diepen zucht en opende de oogen.
„Bravo,” riep John, wel verheugd over deze schier onverhoopte goede uitkomst. „Schep moed, hoofdman, gij zijt behouden Goddank! gij moogt van geluk spreken, want gij waart reeds ver heen.”
De Indiaan bleef eenige minuten stompzinnig rondkijken met verwezen blikken, zonder bewustzijn van zijn toestand noch van de voorwerpen die hem omgaven.
John hield hem oplettend in ’t oog, gereed om hem terstond nieuwe hulp toe te brengen wanneer dit noodig mogt zijn, maar vooreerst behoefde hij die niet meer. De Indiaan scheen langzamerhand bij te komen. Zijne oogen stonden weldra minder verstrooid, en eindelijk keerde hij tot zijn volle bewustzijn terug. Hij ging overeind zitten en wischte zich met de regterhand het klamme zweet van het voorhoofd.
„Het gevecht is dus geëindigd?” vroeg hij.
„Ja,” antwoordde John, „met onze volkomene nederlaag; een aardig idee van ons, om dien duivel te willen overmeesteren.”
„Is hij ons dan ontsnapt?”
„Zoo mooi als er ooit een ontsnapt is, en wat meer zegt, ongewond, nadat hij ten minste tien uwer krijgslieden had omgebragt en mijn armen kameraad Jim bijna het hoofd van den romp had afgeslagen.”
„O!” mompelde de Indiaan binnensmonds, „hij is geen mensch, hij is de geest des kwaads.”
„Laat hij wezen wat hij wil,” riep John met nadruk, „maar bij den hemel! ik zal er het mijne van hebben, want ik hoop mij eenmaal op nieuw met dien duivel te meten.”
„Dat de Wacondah mijn broeder voor die ontmoeting beware, want die duivel zou hem zeker dooden.”
„’t Is mogelijk; en dat hij het van daag niet reeds gedaan heeft is zijne schuld niet; maar laat hij op zijne hoede zijn, welligt staan wij nog eens tegenover elkander met gelijke wapenen, en dan.....”
„Wat vermogen wapenen bij hem? Hebt gij dan niet gezien dat wij op zijn lijf niets kunnen uitwerken, en dat hij onkwetsbaar is?”
„Hum, ’t is mogelijk; maar laten wij thans niet langer over hem praten, wij hebben andere zaken te behandelen die ons nader aangaan. Hoe bevindt gij u, zeg?”
„Beter, veel beter; het middel dat gij op mijne wond hebt aangewend heeft mij goed gedaan, ik gevoel er onuitsprekelijk veel baat bij.”
„Dat verheugt mij; zie nu vooreerst maar dat gij twee of drie uren rust neemt, ik zal intusschen blijven waken, en dan kunnen wij ons zamen beraden over de middelen om uit de moeijelijkheid te geraken waarin wij ons gebragt hebben.”
„De Blaauwe-Vos is geen oude vrouw, of een kleinzeerig kind, dat door een weinig pijn in tanden of ooren, buiten staat wordt, zich te bewegen.”
„Ik weet dat gij een dapper krijgsman zijt, hoofdman, maar de natuur heeft hare grenzen, die zij niet kan overschrijden, en hoe sterk ook uw moed of uw wil wezen mag, de hevige bloeding die uwe wond u veroorzaakt heeft moet u zeer verzwakt hebben.”
„Ik dank u, mijn broeder, uwe woorden zijn die van een vriend; maar de Blaauwe-Vos is een Sachem in zijn stam, de dood alleen moet hem beletten zich te bewegen, laat mijn broeder oordeelen of het opperhoofd zoo zwak is.”
Terwijl hij deze woorden sprak, deed de Indiaan eene uiterste poging om zich op te rigten. Zich met al de zielskracht en lijdensverachting die het roode menschenras eigen zijn, tegen de pijn inzettende, gelukte het hem op te staan, en niet alleen stevig op de beenen te blijven, maar zelfs eenige stappen te doen zonder vreemde hulp en zonder den minsten zweem van smart op zijn gelaat te vertoonen.
De Amerikaan beschouwde hem met innige verbazing. Ofschoon hij zelf een welverdienden roem bezat van dapperheid en geestkracht, begreep hij niet hoe het mogelijk was dat iemand de heerschappij der morele boven de stoffelijke kracht zoo ver kon drijven.
De Indiaan glimlachte met zekeren hoogmoed, toen hij in het oog van den Amerikaan de bewondering las die zijne daad bij dezen verwekte.
„Denkt mijn broeder nu nog dat de Blaauwe-Vos zoo zwak is?” vroeg hij.
„Om u de waarheid te zeggen, hoofdman,” was het antwoord, „weet ik niet meer wat ik er van denken moet; wat ik u zie doen, brengt mij in de war; ik ben geneigd te veronderstellen dat gij in staat zijt het onmogelijke te doen.”
„De Hoofden van mijn volk zijn beproefde krijgslieden, die lagchen om de smart en voor wie het lijden niet bestaat,” zei de Roodhuid trotsch.
„Ik kan er niet langer aan twijfelen na hetgeen ik van u gezien heb.”
„Mijn broeder is een man; hij heeft mij begrepen. Laat ons nu zamen de krijgslieden onderzoeken die hier om ons heen liggen, daarna zullen wij aan ons zelven denken.”
„Wat uwe arme kameraden betreft, hoofdman, ben ik genoodzaakt u te verklaren dat wij ons met hen niet meer behoeven bezig te houden, alle hulp zou hier overbodig zijn; zij zijn dood.”
„Goed, zij zijn met eere gevallen in den strijd; Wacondah zal hen ontvangen in zijn schoot, om met hen te jagen in de velden der gelukzaligen.”
„Dat zij zoo.”
„Laten wij thans, voor alle andere dingen, de zaak afdoen die wij heden morgen begonnen zijn, en die wij op zulk eene ongelegene wijs hebben moeten afbreken.”
John Davis, ofschoon aan het leven der wildernis gewoon, was verslagen over het koelbloedig gedrag van dezen man, die naauwelijks aan den dood ontsnapt, nog lijdende aan eene vreesselijke wonde, en eerst sedert weinige minuten tot verstandelijk bewustzijn teruggekeerd, reeds niet meer aan het gebeurde scheen te denken, anders dan aan een voorval, daar hij bijna het slagtoffer van was geworden, maar dat overigens in zijn dagelijksche leven zeer natuurlijk scheen, zoodat hij, zonder de minste belemmering van geest een gesprek, door een bloedig gevecht gestoord, kon hervatten juist op hetzelfde punt waar hij het gelaten had. Dat zulk een koelzinnig gedrag hem bevreemdde, was omdat de Amerikaan, ondanks zijn veeljarig verkeer met de Roodhuiden, zich nooit de moeite had gegeven om hun karakter ernstig te bestuderen, overtuigd, gelijk de meeste blanken, dat deze lieden bijna geen verstandelijke vermogens bezitten, en dat zij door hunne levenswijs schier met het redelooze gedierte gelijk zijn; terwijl integendeel dit leven van vrijheid en van onophoudelijk gevaar hen met ontberingen en wonden zoo gemeenzaam maakt, dat zij die hebben leeren verachten en er niets meer dan eene zeer betrekkelijk gewigt aan toekennen.
„’t Is goed,” zeide hij een oogenblik later, „als gij het zoo verlangt, hoofdman, ben ik gereed om u de zending waarmede ik belast ben, mede te deelen.”
„Laat mijn broeder dan aan mijne zijde plaats nemen.”
De Amerikaan ging naast het opperhoofd zitten, ofschoon niet zonder vrees voor de roerlooze stilte, te midden van een slagveld bezaaid met dooden. De Indiaan daarentegen scheen zoo kalm en bedaard dat John Davis zich schaamde om iets van zijne ongerustheid te doen blijken, en eene onverschilligheid aannemende die hij wel verre was van te bezitten, vatte hij onmiddellijk het woord op.
„Ik ben tot mijn broeder gezonden door een groot krijgsman der Bleekgezigten,” begon hij.