De zwervers op de grenzen

Part 19

Chapter 193,917 wordsPublic domain

„Ik ken hem,” antwoordde de Blaauwe-Vos, „hij heet de Jaguar, zijn arm is sterk en zijn oog fonkelt als die van het dier welks naam hij draagt.”

„Goed. De Jaguar wenscht de oorlogsbijl tusschen hem en zijne Roode broeders te begraven, opdat de vrede hen voortaan vereenige, en zij in plaats van elkander te bestrijden, zamen den bison jagen op dezelfde jagtgronden, en zich aan hunne gemeenschappelijke vijanden wreken. Welk antwoord zal ik den Jaguar geven?”

De Indiaan zweeg een geruimen tijd; eindelijk hief hij het hoofd op.

„Dat mijn broeder zijne ooren opene,” zeide hij, „het is een Sachem die spreken zal.”

„Ik luister,” antwoordde John Davis.

Het opperhoofd hervatte:

„De woorden die mijne borst uitblaast zijn opregt, het is de Wacondah die ze mij ingeeft: De Bleekgezigten, sedert zij door den Geest des kwaads, in hunne groote tooverkano’s naar het land mijner vaderen werden gevoerd, zijn steeds de bitterste vijanden der Roodhuiden geweest, hunne rijkste en vruchtbaarste jagtvelden hebben zij ingenomen; waar zij hen ontmoetten hebben zij hen als wilde dieren vervolgd, hunne callis (dorpen) hebben zij verbrand en het gebeente hunner vaderen in de vier winden des hemels verstrooid. Is het niet zoo? Is dit niet altijd het gedrag der Bleekgezigten geweest? Dat mijn broeder antwoorde.”

„Hum! ja,” riep de Amerikaan min of meer verlegen, „ik wil niet ontkennen, hoofdman, dat er iets waars is in hetgeen gij zegt, maar toch, al de lieden van mijne kleur zijn niet zoo slecht gezind jegens de Roodhuiden geweest, sommige daarentegen hebben hun goed zoeken te doen.”

„Ooah! twee of drie ja, dat kan waar zijn, maar dat bewijst niets tegen hetgeen ik beweer; spreken wij er intusschen niet meer van en gaan wij liever over tot de zaak die ons thans moet bezig houden.”

„Ja, ik geloof dat dit beter zal zijn,” antwoordde de Amerikaan, inwendig verheugd dat hij niet verpligt was een gesprek voort te zetten daar hij vooruit van wist, dat het niet tot zijn voordeel zou afloopen.

„Mijn volk haat de Bleekgezigten,” hervatte het Opperhoofd, „de condor maakt zijn nest niet met de mawkawis, en de graauwe beer paart zich niet met de antilope; ik zelf draag den Bleekgezigten een aangeboren haat toe. Nog dezen morgen zou ik dus de voorstellen van den Jaguar zeker hebben afgeslagen; wat gaan ons de onderlinge oorlogen der Blanken aan? wanneer de coyotes elkander verslinden, verheugen zich de herten; het doet ons genoegen te zien dat onze wreede onderdrukkers elkander verscheuren; thans echter, ofschoon mijn haat nog even levendig is, moet ik die in mijn hart opsluiten. Mijn broeder heeft mij het leven gered, hij heeft mij geholpen toen ik magteloos op den grond lag uitgestrekt en de Engel des doods zijne vleugelen reeds over mij uitbreidde; de ondankbaarheid is een ondeugd der Blanken, de erkentelijkheid eene deugd der Rooden: van heden af is de bijl tusschen den Jaguar en den Blaauwe-Vos voor de volgende manen begraven: vijf manen lang zullen de vijanden van den Jaguar die van den Blaauwe-Vos zijn; de beide opperhoofden zullen naast elkander strijden, als twee broeders die elkander liefhebben; binnen drie zonnen zal de Sachem het Blanke opperhoofd vijf honderd vermaarde krijgslieden toevoegen, wier hielen met tallooze wolvenstaarten versierd zijn, en die tot de uitgelezen mannen zijner natie behooren. Wat zal daarentegen de Jaguar voor den Blaauwe-Vos en zijne krijgslieden doen?”

„De Jaguar is een grootmoedig opperhoofd; hij moge voor zijne vijanden vreesselijk zijn, voor zijne vrienden is hij altijd toegankelijk en vrijgevig; iedere krijgsman der Apachen ontvangt van hem een geweer, honderd ponden buskruid en een scalpeermes. De Sachem bekomt bovendien twee vigoniavellen met vuurwater gevuld.”

„Ooah!” riep de Blaauwe-Vos met blijkbare tevredenheid, „mijn broeder heeft goed gesproken, de Jaguar is een grootmoedig opperhoofd. Ziedaar mijn totem ten bewijze van ons verbond, zoowel als mijn veer van kommando.”

Dit zeggende haalde de Sachem uit zijn weitasch of knapzak, die hij aan een band over zijn schouder droeg, een vierkant stuk perkament te voorschijn, waarop in ruwe trekken het totem, of zinnebeeldig diergestalte van zijn stam geteekend was; vervolgens de adelaarsveer uit zijn oorlogskap nemende, stelde hij die beiden aan John Davis ter hand.

„Ik dank mijn broeder, den Sachem,” zei laatstgenoemde, „dat hij mijn voorstel heeft aangenomen, hij zal geen reden hebben om er zich over te beklagen.”

„Een opperhoofd gaf hem zijn woord. Maar zie, de zon verlengt de schaduw der boomen, de mawkawis zal weldra zijn avondzang laten hooren; het uur is gekomen om aan de doode krijgslieden de laatste eer te bewijzen, en wij moeten vertrekken; om ons elk naar onze vrienden te begeven.”

„Te voet, zooals wij hier zijn, dat zal bezwaarlijk gaan,” beweerde John.

De Indiaan glimlachte.

„De krijgslieden van den Blaauwe-Vos waken altijd voor hem,” zeide hij.

Werkelijk had hij naauwlijks tweemaal een bijzonder signaal laten hooren, of een vijftigtal Apachen-krijgslieden snelden van alle kanten toe en schaarden zich zwijgend om hun opperhoofd.

De vlugtelingen die aan den geduchten arm van den Scalpeur ontsnapt waren, hadden zich in der ijl naar het naastbijgelegen Indianenkamp begeven en hunne kameraden met het noodlottig nieuws hunner nederlaag bekend gemaakt; daarop was er onder bevel van een opperhoofd van lageren rang een detachement ruiters afgezonden om den Sachem te zoeken. Deze ruiters nogtans, toen zij den Blaauwe-Vos met John Davis in gesprek zagen, waren op eenigen afstand onder het geboomte blijven staan, geduldig wachtende tot het hem behagen zou hen tot zich te roepen.

De Blaauwe-Vos beval hun thans de dooden te begraven, en nu begon de ceremonie der ter aarde bestelling, eene plegtigheid die onder den drang der omstandigheden zooveel mogelijk moest worden bekort.

De lijken werden eerst met zorg gewasschen, in nieuwe bisonsmantels gewikkeld, en toen, in zittende houding, in de kuilen geplaatst die men voor ieder van hen gedolven had: hunne wapens werden bij hen in het graf gelegd, alsmede een paardenhoofdstel en eenige levensvoorraad, opdat het hun niet aan de noodige middelen ontbreken zou, om de velden der gelukzaligen te bereiken en zij bij hunne komst bij den Wacondah onmiddellijk te paard konden stijgen om op de jagt te gaan.

Nadat deze verschillende ceremoniën waren volbragt, werden de kuilen gevuld en met groote steenen belegd, opdat de wilde dieren de lijken niet zouden kunnen opgraven en verslinden.

De zon was reeds op het punt van onder te gaan eer de Apachen geëindigd hadden met hunnen broeders de laatste dienst te bewijzen. De Blaauwe-Vos trad nu naar den jager, die tot dusver van de ceremonie zoo al geen onverschillig, dan toch een lijdelijk toeschouwer was gebleven.

„Keert mijn broeder naar de krijgslieden van zijn volk terug?” vroeg hij.

„Ja,” antwoordde de Indiaan lakoniek.

„Het Bleekgezigt heeft zijn paard verloren,” vervolgde de Sachem; „laat hij den mustang bestijgen dien de Blaauwe-Vos hem aanbiedt, en binnen twee uren zal hij bij de zijnen terug zijn.”

John Davis nam het geschenk, dat hem zoo edelmoedig gedaan werd, met dankbaarheid aan, steeg terstond in den zadel en na van de Indianen afscheid genomen te hebben, verwijderde hij zich zoo snel mogelijk.

Op een wenk van hun opperhoofd, reden ook de Apachen naar hunne legerplaats terug, en het open boschkamp waar zulke vreesselijke dingen gebeurd waren, verviel weder tot zijne gewone stilte en eenzaamheid.

XXV.

OPHELDERING.

Gelijk alle menschen die hun leven grootendeels in de wildernis hebben doorgebragt, bezat de Jaguar groote koelzinnigheid, gepaard met de uiterste omzigtigheid.

Ofschoon nog jong, was zijn leven eene aaneenschakeling geweest van de zonderlingste moeijelijkheden en gevaren, en had hij aan zoovele buitengewone tooneelen deel genomen, dat hij zijne gevoelens reeds vroeg in zijn hart had leeren opsluiten; hij wist zijn gelaat steeds in dien onverschilligen plooi te bewaren, welke de Indianen, onder alle zelfs onder de hagchelijkste omstandigheden kenmerkt en hun een der geduchtste wapenen verschaft tegen hunne vijanden.

Toen hem derhalve op eens de stem van Tranquille in de ooren klonk, gevoelde de Jaguar terstond eene geweldige huivering door zijn gansche ligchaam, en fronste hij onwillekeurig de wenkbraauwen, bij de vraag: wat toch den jager bewoog om hem in zijn kamp te bezoeken? daar zijne verhouding met den Canadees in de tegenwoordige oogenblikken zoo al niet geheel vijandig, ten minste ver van vriendschappelijk was.

Evenwel wist de jongman, bij wien het eergevoel steeds luider sprak en die zich door de komst van een man zoo geacht en gewaardeerd als Tranquille zeer gestreeld voelde, de vrees die hem beklemde terstond te onderdrukken en snelde hij den jager met een glimlach op de lippen te gemoet.

Laatstgenoemde was niet alleen, maar had Edelhart bij zich.

De houding waarmede de Canadees verscheen, was, zonder bepaald terugstootend te zijn, nogtans ingetogen; zijne manieren waren koud en op zijn gelaat lag eene wolk van droefgeestigheid.

„Wees welkom in mijn kamp, Tranquille,” zei de Jaguar, hem vriendschappelijk de hand toestekende.

„Dank u,” antwoordde de Canadees lakoniek, zonder de hand aan te nemen die hem werd aangeboden.

„Ik ben blijde u te zien,” vervolgde de jongman, even minzaam als te voren. „Welk gelukkig toeval brengt u herwaarts?”

„Mijn kameraad en ik zijn reeds sedert langen tijd op de jagt geweest; de vermoeijenis overstelpt ons, en de rook van uw kamp heeft ons tot u gelokt.”

De Jaguar veinsde deze onhandige verontschuldiging voor goede munt aan te nemen, ofschoon de Canadees met reden voor een der krachtvolste woudloopers in de woestijn gehouden werd.

„Neem dan plaats bij het vuur in mijne tent,” zeide hij, „beschouw al wat hier is als het uwe en doe als of gij thuis waart.”

De Canadees boog zonder te antwoorden en volgde zoowel als Edelhart den Jaguar, die hun voorging langs de kronkelpaden van het kamp.

Toen zij bij het vuur kwamen, waar de jongman eenige armvollen droog hout op wierp, zetten de jagers zich op de bisonsschedels die hier als stoelen dienden, en zonder het stilzwijgen te breken stopten zij hunne pijpen en begonnen te rooken.

De Jaguar volgde hun voorbeeld.

De blanke woudloopers, die hun gansche leven met jagen en strikkenzetten in de eenzame wildernissen doorbrengen, maken zich onwillekeurig de gewoonten en gebruiken der Roodhuiden eigen, met welke zij, dank zij hunne positie, dagelijks in aanraking komen of omgaan.

Het is hierbij een merkwaardig verschijnsel hoe gereedelijk beschaafde menschen tot het wilde natuurleven terugkeeren, en hoe gereedelijk de jagers, die toch meerendeels in den boezem der steden zijn geboren en opgevoed, hunne vroegere gebruiken afleggen en de gemakken der gezellige zamenleving vaarwel zeggen om de ruwe zeden en gewoonten der Roodhuiden aan te nemen.

Velen onder deze jagers drijven dit zoo ver, dat men hun geen grooter kompliment kan maken dan hen voor Indiaansche krijgslieden en volslagen wildemannen aan te zien of te begroeten.

Daarentegen moeten wij erkennen dat de Roodhuiden maar weinig met onze beschaving zijn ingenomen, en volstrekt niet naar onze maatschappelijke toestanden verlangen: voor zooveel het toeval of hunne handelsaangelegenheden hen soms in onze steden voeren—en als wij hier steden zeggen bedoelen wij geen onbeduidende gehuchten uit den achterhoek, maar hoofdsteden als New-York of Nieuw Orleans,—zullen zij hunne oogen niet uitkijken van bewondering over hetgeen zij zien, maar werpen zij een onverschilligen ja medelijdenden blik in het rond en begrijpen niet hoe de menschen er ooit toe komen kunnen om zich vrijwillig in berookte kooijen op te sluiten die zij huizen noemen, en hun leven in ondankbaren arbeid verslijten, in plaats van in de vrije lucht te leven en in de onmetelijke wildernissen op bisons, beeren en tijgers te jagen, om zoo te zeggen als Nimrods voor Gods aangezigt.

Hebben de wilden hierin zoo geheel ongelijk, of is hun oordeel verkeerd?

Wij voor ons gelooven het niet.

Het leven in de woestijn heeft voor menschen wier hart nog open en vatbaar is om er de treffende verrassingen van te begrijpen, eene wegslepende aantrekkelijkheid, die het wiskunstig afgepaste bestaan in de steden, als men haar eenmaal genoten heeft, nooit kan vergoeden noch doen vergeten.

Volgens den grondregel der Indiaansche etiquette, die wat de beleefdheid aangaat zeer streng aan de regels der hoffelijkheid gebonden is, mag men den vreemdelingen die zich aan het haardvuur in het kamp nederzetten, geen vragen doen voor dat het hun behaagt het gesprek te beginnen.

In de hut van den Indiaan, wordt iedere gast als een gezant van den Grooten Geest beschouwt, hij is heilig voor den gastheer zoolang het hem behaagt er te vertoeven, al ware hij ook zijn doodvijand.

De Jaguar volkomen van de gewoonten der Roodhuiden doordrongen, bleef stilzwijgend bij zijne gasten zitten en rookte in gedachten zijne pijp, geduldig wachtende tot zij goedvonden het woord op te vatten.

Eindelijk, na een vrij lang tijdsverloop, schudde Tranquille de asch van zijn pijp op den nagel van zijn duim en wendde zich tot den jongman.

„Gij hebt mij zeker niet verwacht, niet waar?” vroeg hij.

„Waarlijk niet,” antwoordde de Jaguar, „maar geloof mij al was uw bezoek onverhoopt, het is mij echter niet minder aangenaam.”

De jager trok de lippen op eene zonderlinge wijs zamen.

„’t Is mogelijk!” prevelde hij, meer in antwoord op zijn eigene gedachten dan op hetgeen de Jaguar sprak, „misschien ja, misschien neen; het menschelijk hart is een geheimzinnig en moeijelijk te ontcijferen boek, dat alleen de dwazen meenen te kunnen lezen.”

„Zoo is het toch niet met het mijne, jager,” zei de jongman, „gij kent mij te goed om het niet te weten.”

De Canadees schudde het hoofd.

„Gij zijt nog jong, het hart waarvan gij spreekt is u zelven nog niet bekend; gedurende het kort bestek van uw leven heeft de storm der hartstogten nog niet uitgeblazen en u onder zijn magtigen aangreep doen krommen; wacht eer gij mij bepaald kunt antwoorden tot gij bemind en geleden hebt, zoo gij dan den schok moedig doorgestaan en het vuur der jeugd dapper weerstand hebt geboden, staat het u vrij het hoofd hooger op te steken.”

Deze woorden werden op strengen, maar geenszins scherpen toon uitgesproken.

„Gij zijt hard voor mij van daag, Tranquille,” antwoordde de jongman verdrietig. „Waarmede kan ik het in uwe oogen verkorven hebben? Welke berispelijke daad heb ik begaan?”

„Geenerlei, ik wil het ten minste liefst niet denken, maar ik vrees dat gij spoedig....” Hier hield hij op en schudde treurig het hoofd.

„Ga voort!” riep de jongman met drift.

„Wat zou het baten,” hervatte hij, „wie ben ik, dat ik u eene moraal zou opzeggen die gij zonder twijfel veracht, en raadgevingen die u geenszins welkom zijn? Het is beter te zwijgen.”

„Tranquille!” antwoordde de jongman op een toon van ontroering die hij niet kon overmeesteren, „wij kennen elkander sedert lang, gij weet hoeveel achting en eerbied ik u toedraag, spreek! Wat gij mij ook te zeggen hebt, en welke harde verwijten gij mij moogt toevoegen, ik zweer u dat ik u zal aanhooren.”

„Bah! denk niet meer om hetgeen ik u gezegd heb, ik had ongelijk mij met uwe zaken te bemoeijen, ieder moet zijn eigen zaken weten, spreken wij er niet meer van.”

De Jaguar schoot hem een langen en scherpen blik toe.

„Goed. Het zij zoo,” antwoordde hij, „spreken wij er niet meer van.”

Hij stond op, stapte een paar malen onrustig op en neer, en kwam op eens weder bij den jager terug:

„Neem mij niet kwalijk dat ik u nog geen ververschingen heb aangeboden,” zeide hij, „maar het is thans etenstijd, ik hoop dat gij en uw vriend mij de eer zult aandoen van mijn sober ontbijt met mij te deelen.”

Terwijl hij dit sprak vestigde de Jaguar op den Canadees een zonderlingen blik.

Tranquille aarzelde op nieuw.

„Dezen morgen met het opgaan der zon,” zeide hij eindelijk, „hebben wij reeds gegeten, juist even voor dat wij in uw kamp binnentraden.”

„Dat dacht ik wel!” riep de jongman met een uitbarsting van jeugdige drift: „O! nu is al mijn twijfel opgelost, ik zie gij weigert water en zout aan mijn haard te gebruiken, jager.”

„Ik? maar gij ver....”

„Och!” viel hij hem heftig in de rede, „ontken het toch maar niet; zoek geen uitvlugten die u en mij onwaardig zijn; gij zijt een te eerlijk en opregt man, om niet ronduit te spreken, cuerpo de Cristo! Gij kent de wet der prairiën even goed als ik; men eet niet met zijn vijand. Nu dan, zoo gij in uwe ziel nog een vonkje van de welwillendheid bezit die gij altijd voor mij gehad hebt, verklaar mij dan duidelijk en zonder omwegen wat er van is: ik vorder het.”

De Canadees scheen eenige minuten na te denken; eindelijk riep hij op eens:

„’t Is waar, gij hebt gelijk, Jaguar, het is beter dat wij onbewimpeld voor de zaken uitkomen als rondborstige jagers, dan met elkander te zitten meesmuilen als Roodhuiden, en daarbij geen mensch is onfeilbaar: ik kan mij even goed vergissen als een ander; en God is mijn getuige, hoezeer ik thans wensch dat ik mij bedrogen heb.”

„Ik verlang u te hooren, en op mijn eer, zoo de dingen die gij mij verwijt gegrond zijn, zal ik ze bekennen.”

„Goed,” riep de jager op vriendelijker toon dan hij tot hiertoe gebezigd had, „gij spreekt als een man; maar misschien,” vervolgde hij, op Edelhart wijzende, die reeds op wilde staan om zich te verwijderen, „misschien hebt gij liever dat ons gesprek geheim blijft.”

„Integendeel,” antwoordde de Jaguar levendig, „die jager is uw vriend en ik hoop dat hij weldra ook de mijne zal zijn, ik wil niets voor hem verbergen.”

„Ik voor mij wensch niets liever,” zei Edelhart met eene buiging, „dan dat de kleine wolk die tusschen u en Tranquille is opgerezen verdwijne als ligte morgendamp voor de zon, om mij daarop nader met u in kennis te brengen, en daar gij het wilt, zal ik uw gesprek bijwonen.”

„Dank u, caballero. Spreek nu, Tranquille, ik ben gereed om de grieven te hooren die gij ten mijnen laste denkt te hebben.”

„Ongelukkig maar,” zeide Tranquille, „geeft de zonderlinge levenswijze die gij sedert uwe komst in de woestijn voert, zeer veel aanleiding voor de ongunstigste veronderstellingen; gij hebt u eene bende slecht volk aangeworven; grensloopers en vagebonden, het schuim der maatschappij, en gij leeft geheel buiten alle regten en wetten der beschaafde natiën.”

„Zijn wij, mannen van de wildernis, woudloopers en jagers der prairiën, dan verpligt om ons aan al de bekrompen gebruiken der steden te onderwerpen?”

„Ja, tot op zekere hoogte, dat wil zeggen dat het ons niet vrijstaat om in openbaar verzet te komen tegen de wettige instellingen van menschen, die ofschoon wij van hen gescheiden zijn, niettemin onze broeders blijven, tot welke wij voortdurend in betrekking staan door onze kleur, onze godsdienst, onze geboorte en verder alle banden van aan- of bloedverwantschap die wij niet hebben kunnen verbreken.”

„Goed, ik geef tot op zeker punt de juistheid uwer redenering toe; maar gesteld al eens dat de mannen die ik onder mijne bevelen heb inderdaad bandieten, grensloopers, of hoe gij ze noemen wilt, zijn; weet gij dan tevens welke drijfveer hen doet handelen? met welk doel zij te werk gaan? kunt gij tegen hen eene bepaalde beschuldiging inbrengen?”

„Wacht even! ik heb nog niet uitgesproken.”

„Ga dan voort.”

„Bovendien hebt gij, behalve die troep bandieten daar gij duidelijk en blijkbaar openlijk de chef van zijt, ook verbindtenissen met de Roodhuiden aangeknoopt, met de Apachen onder anderen, de onbeschaamdste roovers en plunderaars der prairie; is dat waar?”

„Ja en neen, mijn vriend, in zoo ver als de verbindtenis die gij mij verwijt tot hiertoe nooit heeft bestaan; maar dat zij juist dezen morgen door twee mijner vrienden gesloten moet zijn met den Blaauwe-Vos, een der meest beroemde opperhoofden der Apachen.”

„Zoo! nu, dat valt al ongelukkig zamen.”

„Hoedat?”

„Weet gij wat uwe nieuwe bondgenooten dezen nacht gedaan hebben?”

„Hoe zou ik het weten, daar ik niet weet waar zij zijn en zelfs geen stellig berigt heb ontvangen dat het contract met hen werkelijk gesloten is.”

„Ah! welnu dan zal ik het u zeggen: zij hebben de Venta del Potrero aangevallen en tot den grond toe afgebrand.”

Het zwarte oog van den Jaguar schoot een woedenden blik; hij stampvoette en greep krampachtig naar zijn karabijn.

„Vive Dios!” riep hij met een schaterende stem, „hebben zij dat gedaan?”

„Zij hebben het gedaan en men onderstelt dat het op uw aanstoken was.”

De Jaguar haalde verachtelijk de schouders op.

„Met welk oogmerk zou ik dat gedaan hebben? Maar doña Carmela, wat is daarvan geworden?”

„Zij is gered, Goddank!”

De jongman slaakte een zucht van ontspanning die hem ruimer deed ademen.

„En hebt gij ooit aan zulk een schandaal van mijn kant kunnen gelooven?” zeide hij op een toon van verwijt.

„Ik geloof het niet meer,” antwoordde de jager.

„Dank u, dank u; maar, bij den Hemel! de booswichten zullen de misdaad die zij gepleegd hebben duur betalen, dat zweer ik u; intusschen, ga voort.”

„Ongelukkig, ofschoon gij u van mijn eerste grief hebt kunnen vrijpleiten, vrees ik dat gij het niet zult kunnen wat mijn tweede betreft.”

„Spreek evenwel.”

„Er is eene conducta de plata onder geleide van kapitein Melendez op weg naar Mexico.”

De jongman ontroerde min of meer.

„Dat wist ik,” zeide hij kort.

De jager wierp hem een bespiedenden blik toe.

„Men zegt....” vervolgde deze met zekere aarzeling.

„Men zegt,” viel hem de Jaguar schielijk in de rede, „dat ik het konvooi naga, en dat ik, wanneer het geschikte oogenblik komt, aan het hoofd van mijne bandieten het zal aanvallen om mij van het geld meester te maken, zoo zegt men immers?”

„Ja.”

„Men heeft gelijk,” hervatte de jongman koel, „dat is inderdaad mijn voornemen; wat meer?”

Tranquille sprong op van verbazing en verontwaardiging over dit onbeschaamde antwoord.

„O!” riep hij met smart, „het is dus waar wat men van u zegt? Gij zijt dan waarlijk een bandiet?”

De jongman glimlachte schamper.

„Misschien,” zeide hij met een doffe stem. „Tranquille, gij zijt tweemaal zoo oud als ik, uwe ondervinding is groot: hoe kunt gij zoo stout naar den uiterlijken schijn oordeelen?”

„Wat zegt gij! naar den uiterlijken schijn? Hebt gij zelf het niet bekend?”

„Ja, dat heb ik.”

„Gij zijt dus op diefstal uit?”

„Op diefstal!” riep hij gloeijend van verontwaardiging, maar zich terstond herstellende, vervolgde hij:

„’t Is waar, gij kunt niet anders denken.”

„Welken anderen naam moet ik geven aan zulk eene schandelijke daad?” riep de jager met drift.

De Jaguar hief schielijk het hoofd op, als wilde hij antwoorden; maar zijne lippen bleven stom.

Tranquille beschouwde hem een oogenblik met eene mengeling van medelijden en teederheid en wendde zich naar Edelhart:

„Gaan wij, vriend,” zeide hij, „wij zijn reeds te lang hier geweest.”

„Blijf,” riep de jongman; „veroordeel mij niet zoo ras; ik herhaal u, gij weet niet met welke bedoelingen ik te werk ga.”

„Wat die bedoelingen ook wezen mogen, zij kunnen niet eerlijk zijn; ik zie er niets anders in dan plundering en moord.”

„O!” riep de jongman treurig, zijn hoofd met de beide handen bedekkende.

„Laten wij gaan,” hervatte Tranquille.

Edelhart had dit gansche tooneel oplettend en koelzinnig gadegeslagen.

„Een oogenblik,” riep hij. Toen een stap vooruit komende legde hij den Jaguar de hand op den schouder. Deze hief het hoofd op.

„Wat wilt gij van mij?” vroeg hij.

„Hoor eens, Caballero,” antwoordde Edelhart met een ernstige stem: „ik weet niet waarom, maar een heimelijk voorgevoel zegt mij dat uw gedrag niet zoo eerloos is als wij op het eerste gezigt moeten veronderstellen, en dat gij eenmaal in staat zult zijn om het op te helderen en u in de oogen van allen te verontschuldigen.”

„O! als het mij vrijstond te spreken.”

„Hoe lang denkt gij nog gedwongen te zullen zijn om te zwijgen?”