De zwervers op de grenzen

Part 17

Chapter 173,967 wordsPublic domain

Was het misschien eene list van zijne vijanden om hem als met open oogen te bedriegen, en door een valsch spoor zijn blik van het ware spoor af te leiden? of waren het werkelijk de voetstappen van een of anderen zwaarlijvigen blanke, die in de wildernis verdwaald was en er de gebruiken niet van kende?

De Indiaan wist niet welke van deze twee denkbeelden hij moest vasthouden en geraakte in geen geringe verlegenheid. Aan eene zaak twijfelde hij niet, namelijk dat de kogels die hem toen hij op het punt was om zijn verhaal te beginnen, om de ooren hadden gefloten van deze plaats geschoten waren; maar om welke reden zou dan de man, wie het ook wezen mogt, die hier in hinderlaag had gelegen zulke duidelijke bewijzen van zijn doortogt hebben achtergelaten? Hij kon immers wel begrijpen dat zijn aanval op die wijs niet ongestraft zou blijven en dat de lieden op welke hij geschoten had hem onmiddellijk zouden vervolgen.

Eindelijk, na lang en te vergeefs de oplossing van dit duistere raadsel gezocht te hebben, kwam de Roodhuid, niet wetende waaraan hij zich te houden had, onwillekeurig op zijne eerste gedachte terug, namelijk, dat het spoor valsch was en alleen dienen moest om het echte spoor te verbergen en de vervolgers ven den regten weg te helpen.

Het gewone gebrek van listige lieden is, dat zij andere menschen voor even listig houden als zij en in iedere beweging hunner vijanden niets dan sluwheid meenen te zien; hierdoor worden zij menigmaal bedrogen, en door de eenvoudigste middelen hunner tegenpartij zoo volkomen misleid, dat zij vaak door eigen argwaan een reeds gewonnen spel komen te verliezen.

De Blaauwe-Vos bemerkte weldra dat zijne veronderstelling valsch was, dat hij zijnen vijand te veel eer bewezen en hem meer sluwheid en verstand had toegeschreven dan deze werkelijk bezat, en dat hetgeen hij in ’t eerst voor een streek van de fijnste soort had aangezien, niet anders was dan de eenvoudige doortogt van een gewoon mensch.

Na lang aarzelens en overleggens, besloot hij eindelijk om voorwaarts te rukken en het spoor te volgen zoodanig als het was, wel overtuigd dat hij spoedig de waarheid zou ontdekken. Intusschen altijd te werk gaande alsof hij met doortrapte belagers te doen had, ging hij niet dan met de uiterste behoedzaamheid en voet voor voet vooruit, telkens in de holten en struiken rondziende en zich niet verder wagende dan na volkomen zekerheid te hebben dat hij geene overrompeling te vreezen had.

Deze manoeuvre duurde vrij lang, en het was reeds twee uren nadat hij zijne kameraden verlaten had, toen hij zich op eens aan den ingang bevond van een ruim boschkamp of opene plek, van hetwelk hij alleen door een digt kreupelboschje gescheiden werd.

De Indiaan hield stil, rigtte zich op in zijne volle lengte en boog zachtjes de takken uit elkander, zoodat hij, zonder zelf gezien te worden, met een enkelen blik het boschkamp kon overzien.

In de Amerikaansche wouden bestaan er vele zulke boschkampen, die gevormd worden door gevallen boomen, hetzij door ouderdom vermolmd of door den bliksem getroffen of door een dier vreesselijke orkanen omvergeworpen, die zoo vaak den Mexicaanschen bodem verwoesten en omkeeren. De opene plek van welke hier sprake is was vrij uitgestrekt; een kleine beek doorsneed haar over de geheele lengte, en op hare modderige klei-oevers zag men de diepe voetsporen der wilde dieren afgedrukt, die aan dit onbekende wed kwamen drinken.

Een prachtige acajou-eik, die met zijn welige bladerkroon de gansche vallei overschaduwde, verhief zich bijna in het midden. Aan den voet van dezen woudreus bevonden zich twee mannen digt bij elkander.

De een, als monnik gekleed, lag met de oogen gesloten en een doodsbleek gelaat roerloos op den grond uitgestrekt; de andere, aan zijne zijde nedergeknield, scheen hem met de meeste zorg te willen verplegen.

Door de gunstige stelling waarin de Roodhuid zich bevond, kon hij de trekken van laatstgenoemden persoon zeer gemakkelijk onderscheiden, daar hij hem juist tegenover zich had.

Deze persoon was lang van gestalte, maar uiterst mager, terwijl zijn gelaat, door langdurige blootstelling aan de invloeden van koude en hitte, de kleur van rooden biksteen had aangenomen en met diepe rimpels doorploegd was; een lange baard, zoo wit als sneeuw, hing tot op zijne borst en vermengde zich met de lange even witte lokken, die ordeloos over zijne schouders golfden. Hij droeg deels het kostuum der Amerikaansche partijgangers, deels dat der Mexicaansche landheeren, namelijk een hoed van vigonia wol, met gouden boordsel, een ruime zarapé die hem tot mantel diende, en een pantalon van paarsch katoen fluweel, naauw sluitend en in een paar slobkousen van dassenvel gestoken die hem tot aan de knieën reikten.

Het was niet wel mogelijk zijn ouderdom te gissen. Ofschoon zijne sombere, sterk sprekende trekken en zijne roode oogen, die als karbonkels glinsterden en verstrooid rondblikten, hem reeds een vrij gevorderden leeftijd toekenden, was er in zijn gansche voorkomen geen spoor van verval op te merken; rank van gestalte en zoo regt als een kaars van rug en lenden, scheen hij nog geen halven duimbreed in de lengte verloren te hebben; zijne knokkige ledematen, met spieren als kabels gedekt, teekenden buitengemeene kracht en buigzaamheid; in een woord, hij had al het voorkomen van een geducht partijganger; wiens oog nog zoo juist en wiens arm nog even vlug en vaardig was als van een man die naauwelijks veertig jaren telde.

In zijn gordel staken een paar lange ruiterpistolen; een breede korte sabel, of zoogenaamde machete, zonder schede, hing aan een ijzeren ring op de linker heup. Twee karabijnen, waarvan de eene hem ongetwijfeld toebehoorde, waren tegen den boomstam gezet, terwijl een prachtige mustang, of in de wildernis geboren paard, eenige schreden verder met een kluister aan het been ronddrentelde en naar hartelust met het jonge loof der struiken zijn maal deed.

Wat ons zooveel tijd van beschrijven kostte, zag de Blaauwe-Vos in een oogopslag; maar het schijnt dat dit tooneel, dat hij wel verre was van te verwachten, hem alles behalve vertrouwen inboezemde, want zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij weerhield naauwelijks een uitroep van verwondering en teleurstelling, toen hij hier deze twee onbekende personen gewaar werd.

Onwillekeurig, bij wijze van voorzigtigheidsmaatregel, spande hij den haan van zijn geweer, en begon weder te letten op hetgeen er in het boschkamp voorviel en wat er verder met de twee personaadjes gebeuren zou.

Inmiddels maakte de man in het monnikskleed eene ligte beweging, als om zich op te rigten, en opende even de oogen, maar waarschijnlijk nog te zwak om het zonlicht te verdragen, dat hem ofschoon door het digte loof getemperd, juist op het gezigt viel, sloot hij ze weder.

De man intusschen die hem ondersteunde, had reeds gemerkt dat hij weder bij kennis was gekomen, hij had hem de lippen zien bewegen als prevelde hij iets in zich zelven.

Hij oordeelde nu dat de monnik ten minste vooreerst zijne hulp niet meer noodig had, en rees overeind, nam zijn buks, kruiste de beide handen op den tromp en bleef lijdelijk staan wachten, nu en dan om zich heen glurende met een blik zoo vol haat en sombere zwartgalligheid, dat het Indiaansche opperhoofd, die nog altijd in de struiken alles bespiedde, er onwillekeurig van sidderde.

Thans volgden eenige minuten stilte, gedurende welke men geen ander geluid hoorde, dan het eentoonig gemurmel der beek over de rotsige keijen in hare bedding, en het geheimzinnig gonzen der tallooze vliegen en insecten onder het gras verscholen.

Eindelijk maakte de man die op den grond lag eene tweede beweging, sterker dan de eerste, en opende op nieuw de oogen.

Na een verstrooiden blik in het rond te hebben geworpen, vestigden zijne oogen zich met zekere vreemde verbazing op den grooten grijzen man, die altoos onbewegelijk naast hem stond, en die hem met eene zonderlinge mengeling van spotachtig medelijden en sombere zwaarmoedigheid aankeek.

„Ik dank u,” murmelde eindelijk de monnik met een zwakke stem.

„Ik dank u! Waarvoor?” antwoordde de onbekende barsch.

„Ik dank u, omdat gij mij het leven hebt gered, broeder,” hernam de gewonde.

„Ik ben uw broeder niet, monnik,” hervatte de onbekende spotachtig; „ik ben een ketter, een gringo, zoo als gij ons gelieft te noemen; kijk mij eens goed aan, gij hebt mij nog niet naauwkeurig bezien: ik heb immers horens op mijn hoofd, en bokspooten aan mijne beenen?”

Deze woorden klonken op zulk een sarcastischen en tevens nadrukkelijken toon, dat de monnik er een poos van verstomde.

„Wie zijt gij dan?” vroeg hij eindelijk met heimelijke vrees.

„Wat kan het u schelen?” hernam de onbekende met een kwaadwilligen lach, „de duivel misschien.”

De gewonde deed eene geweldige poging om zich op te rigten, en kruiste zich bij herhaling.

„De hemel beware mij! dat ik in handen van den boozen geest zou gevallen zijn,” stotterde hij.

„Loop, onnoozele dwaas!” hervatte de onbekende verachtelijk de schouders ophalend, „wees maar niet bang; ik ben de duivel niet, maar een mensch zoo goed als gij, misschien een beetje minder schijnheilig, dat is het eenige onderscheid tusschen ons.”

„Spreekt gij de waarheid? Zijt gij werkelijk een van mijns gelijken, gereed om mij te helpen?”

„Voor het vervolg sta ik u geen borg,” antwoordde de onbekende met een raadselachtigen glimlach, „maar tot dusver althans hebt gij geloof ik geen reden u over mij te beklagen.”

„O, neen! neen! dat geloof ik ook niet, ofschoon sedert mijne flaauwte mijne gedachten geheel in de war zijn en ik mij niets meer herinner.”

„Dat kan mij weinig schelen, het raakt mij zelfs niet: ik vraag ù naar niets; ik heb te veel aan mijne eigene zaken te doen om mij met die van anderen te bemoeijen. Maar, zeg! gevoelt gij u beter? Zijt gij genoeg hersteld om uw weg te vervolgen?”

„Hoedat! mijn weg te vervolgen?” vroeg de monnik angstig, „denkt gij mij dan hier alleen te laten?”

„Waarom niet? Ik heb met u reeds te veel tijd verloren, ik moet thans aan mijne eigen zaken denken.”

„Wat zegt gij?” riep de monnik dringend, „na al de belangstelling die gij mij zoo welwillend getoond hebt, zoudt gij den moed hebben om mij bijna stervende alleen te laten, zonder u te bekommeren over hetgeen mij gebeuren kan na uw vertrek?”

„Waarom niet? Wat geef ik om u? Ik ken u niet, ik heb er volstrekt geen belang bij om u te helpen. Toevallig over dit kamp gaande, heb ik u daar zien liggen, levenloos en bleek als een lijk, en ik heb u de zorgen bewezen die men in de woestijn aan niemand weigert; nu zijt gij tot het leven teruggekeerd, ik kan u niet meer van dienst zijn en ik vertrek; wat kan men eenvoudiger en redelijker wenschen? Vaarwel! en laat de duivel, daar gij mij zoo even voor hebt aangezien, u verder in zijne bescherming nemen.”

Na deze woorden, op een toon van schampere ironie te hebben uitgesproken, wierp de onbekende zijn geweer over den schouder en deed een paar stappen naar zijn paard.

„Blijf! in ’s hemels naam!” riep de monnik, zich schielijker oprigtende dan zijn zwakke toestand had doen veronderstellen, daar de vrees hem de ontbrekende krachten schonk. „Wat zal er van mij worden, alleen, in deze wildernis?”

„Dat kan mij weinig schelen,” hernam de onbekende, hardvochtig den slip van zijn zarape losrukkende dien de monnik gegrepen had; „de grondregel der woestijn is immers: Ieder voor zich.”

„Hoor mij!” schreeuwde de monnik, op zijn ouden spraakzamen toon. „Mijn naam is Fray Antonio, ik ben rijk, als gij mij wilt beschermen zal ik u ruim beloonen.”

De onbekende glimlachte minachtend.

„Wat hebt gij te vreezen? Gij zijt jong, sterk, goed gewapend, en dus wel in staat om u zelven te beschermen.”

„Neen, dat ben ik niet, daar ik door onverbiddelijke vijanden word vervolgd. Dezen nacht hebben zij mij eene gruwzame en vernederende marteling doen ondergaan; het is mij met groote moeite gelukt aan hunne handen te ontkomen. Heden morgen vroeg, bragt het toeval mij weder in de tegenwoordigheid van twee dezer lieden; toen ik hen zag maakte een soort van dolle razernij zich van mij meester; het idee om mij te wreken kwam in mij op; ik heb mijn geweer op hen aangelegd en op hen gevuurd, en toen heb ik het op een loopen gezet, zonder te weten waar ik ging, dronken van gramschap en schrik; tot ik hier kwam en nederviel, geheel afgemat, overstelpt en vernietigd, deels door het lijden dat ik dezen nacht heb doorgestaan, deels van vermoeijenis door een verren en snellen marsch, langs afschuwelijke wegen, dwars door de wildernis. De schelmen zitten mij zonder twijfel na. Zoo zij mij vinden, en dat zullen zij zeker, want het zijn woudloopers die met de wildernis in allen deele bekend zijn, zullen zij mij onbarmhartig vermoorden; ik heb geen hoop meer dan op u; red mij, bij al wat u op aarde dierbaar is, red mij! en mijne dankbaarheid voor u zal onbegrensd zijn.”

De onbekende had dit lange en hartstogtelijk pleidooi aangehoord zonder een spier op zijn gezigt te verroeren. Toen de monnik eindelijk zweeg, waarschijnlijk uit gebrek aan adem of redeneerkracht, zette de vreemdeling zijn geweer met de kolf op den grond.

„Alles wat gij daar zegt kan wel waar zijn,” antwoordde hij droog, „maar ik geef er zooveel om als om een schot met los kruid; zie dat gij u redt zoo goed als gij kunt, uwe gebeden baten niets: zoo gij wist wie ik ben, zoudt gij u niet langer de moeite geven om mij de ooren te doen klappen.”

De monnik keek den onbekende aan met een vervaarden blik, niet meer wetende wat hij hem zeggen, noch waarmede hij hem het hart zou vermurwen.

„Maar wie zijt gij dan?” vroeg hij, veeleer om toch iets te zeggen, dan wel op hoop van eenig antwoord te bekomen.

„Wie ik ben,” herhaalde de gevreesde man, met een spotachtigen grijns, „wilt gij dat weten? Goed, luister dan op uwe beurt, ik heb u slechts een paar woorden te zeggen, maar zij zullen voldoende zijn om het bloed in uwe aderen te doen verstijven: ik ben de zoogenaamde Blanke-Scalpeur, of Zonder-Genade!”

De monnik deed eenige stappen terug, waggelend en de handen vouwende, terwijl hij verschrikt uitriep:

„Mijn God! ik ben verloren.”

Op dit oogenblik klonk digt in de nabijheid het klagend geroep van den nachtuil.

De Scalpeur sidderde.

„Men heeft ons beluisterd,” riep hij, en oogenblikkelijk snelde hij naar dien kant vanwaar het signaal zich hooren liet, terwijl de monnik, half dood van schrik, op de knieën zonk, en een gebed begon te prevelen.

XXIII.

DE BLANKE-SCALPEUR.

Thans moeten wij den draad van ons verhaal een oogenblik laten rusten, om den lezer eenige bijzonderheden te melden aangaande den vreemden man dien wij in het vorige hoofdstuk ten tooneele voerden, bijzonderheden wel is waar op zich zelf onvolledig, maar desniettemin onmisbaar tot regt verstand der zaken die volgen zullen.

Zoo wij in plaats van eene ware geschiedenis een roman schreven, zouden wij ons wel wachten in ons verhaal personen op te nemen gelijk aan die waarmede wij ons in deze oogenblikken bezighouden; ongelukkig echter zijn wij gedwongen om de rigting te volgen die ons is aangewezen, en ons personeel te beschrijven zoo als het inderdaad bestaan heeft, en meerendeels thans nog bestaat.

Ettelijke jaren voor het tijdstip waarop het eerste gedeelte van ons verhaal aanvangt, verspreidde zich in de wildernissen van Texas een los gerucht, in den beginne van weinig beteekenis, maar dat weldra zich bevestigde en toen het algemeen bekend werd, de harten van al de Indios-bravos, jagers en woudloopers met ontzetting en schrik vervulde.

Een man, zoo men zeide een blanke, zwierf sedert eenigen tijd door de woestijn, om op de Roodhuiden jagt te maken, aan welke hij een onverbiddelijken oorlog scheen te hebben verklaard; deze man, die zoo men verzekerde steeds alleen rond zwierf, beging daden van ongehoorde stoutmoedigheid en wreedheid; waar hij slechts Indianen ontmoette, onverschillig hoe sterk in getal, viel hij hen aan; die hij in handen kreeg scalpeerde hij, rukte hun het hart uit het lijf, en om te bewijzen dat zij onder zijne slagen waren gevallen, gaf hij hun twee groote sneden op de borst, in den vorm van een kruis. Somwijlen terwijl hij de woestijn in al hare lengte doorliep, sloop deze onverzoenlijke vijand van het roode geslacht in hunne dorpen, stak bij nacht wanneer de Indianen sliepen hunne hutten in brand, en vermoordde dan alles wat hij vond, mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zonder uitzondering of genade.

Doch het waren niet alleen de Indianen die door dezen gevreesden overweldiger zoo bloeddorstig werden vervolgd; ook de andere kleurlingen, mestiezen of mulatten, de smokkelaars, roovers, kortom al de andere grensloopers, van welke soort of naam ook, die gewoon zijn ten koste der maatschappij te leven, hadden eene zware rekening met hem te verantwoorden; wel is waar, deze laatste scalpeerde hij niet, maar vergenoegde zich met hen stevig aan boomen vast te binden, waar zij van honger moesten sterven of door de wilde dieren verslonden werden.

Gedurende de eerste jaren zijner verschijning hadden de avonturiers en Roodhuiden uit besef van gemeenschappelijk gevaar, zich meermalen zamen verbonden om zich van dezen woesten vijand meester te maken en de wet der wedervergelding op hem toe te passen; maar het was als of hij door eene onzigtbare hand werd beschermd, zoo behendig wist hij aan iederen strik dien men hem spande te ontsnappen en telkens de hinderlagen te raden welke men hem in den weg legde. Het was onmogelijk hem te bereiken, zijne bewegingen waren zoo snel en onvoorzien, dat hij menigwerf verscheen op ongelooflijke afstanden van de plaats, waar men hem verwachtte of waar men hem kort te voren nog gezien had. Volgens het zeggen der Indianen en grensloopers, was hij onkwetsbaar en schampten de kogels zoowel als de pijlen, op zijne borst weerloos af. Door het aanhoudend geluk dat al zijne aanslagen begunstigde, werd deze man weldra de algemeene schrik der prairie, zijne vijanden, overtuigd dat al hunne pogingen tegen hem nutteloos waren, zagen af van een strijd dien zij als tegen meer dan aardsche magt gerigt rekenden; de vreemdsoortigste legenden kwamen nopens hem in omloop, iedereen vreesde hem als een boosaardig wezen, dat met den duivel in verband stond; de Indianen noemden hem in hunne taal Kiein-Stomann, dat is de Blanke-Scalpeur, en de woudloopers betitelden hem met den naam van den Zonder-Genade.

Deze beide namen werden, gelijk men ziet, niet ten onregte gegeven aan iemand voor wien moord en bloedstorting het hoogste genoegen schenen en die niets liever deed dan zijne slagtoffers op de gruwzaamste wijze te folteren. Tengevolge hiervan was zijn naam alleen reeds genoeg om den dapperste van schrik te doen beven.

Maar wie was nu die man?

Van waar kwam hij?

Welke vreeselijke gebeurtenis had hem de afschuwelijke levensbaan doen kiezen die hij betrad?

Op deze vragen wist niemand te antwoorden, en zijn ontzettend aanwezen bleef voor ieder een raadsel zonder oplossing:

Was hij misschien een dier gedrochtelijke wanschepsels die onder menschelijke gedaante een tijgerhart huisvesten, of was hij eene dier verpeste zielen die zich aan den duivel hadden overgegeven, en wier vermogens ten gevolge van een of ander ontzettend ongeluk gekrenkt, zich in de enkele hartstogt der wraakzucht hadden opgelost?

Deze twee veronderstellingen schenen even mogelijk, misschien waren beiden wel te zamen in hem vereenigd.

Hoe dit wezen mag, iedere muntslag heeft zijne keerzijde en zoo is ook de mensch evenmin geheel kwaad als geheel goed: de Scalpeur had dus nu en dan zijne heldere buijen, niet zoozeer van medelijden als van vermoeijenis, wanneer zijne eigen bloedgierigheid hem walgde en misschien een weinig minder wreed en minder onverbiddelijk, in een woord, een weinig menschelijker maakte; zulke oogenblikken waren echter zeer kort van duur en uiterst zeldzaam, en na deze zwakke buijen, gelijk hij zelf ze noemde, kreeg zijne natuur terstond weder de overhand en dan werd hij des te wreedaardiger naarmate hij zich meer had laten verteederen.

Ziedaar alles wat er van hem bekend was op het oogenblik dat wij hem zoo zonderling op ons tooneel zagen verschijnen; de hulp die hij den monnik bewezen had was zoo geheel buiten zijn gewoon bedrijf, dat hij toen zonder twijfel in een van zijne zwakke buijen moet geweest zijn, anders zou hij zooveel zorg niet aan een ongelukkige hebben besteed, veelmin zoo langen tijd hebben verspild om naar zijne klagten en gebeden te luisteren.

Om met de noodige berigten over dezen geheimzinnigen persoon te eindigen, moeten wij er bijvoegen, dat niemand wist of hij ergens een vast verblijf had, dat hij geen bijzondere kameraden scheen te hebben, dat men hem steeds alleen had gezien, en dat gedurende de tien jaren die hij nu reeds de woestijn in alle rigtingen doorkruiste, zijn voorkomen geen de minste verandering had ondergaan: altijd droeg hij dezelfde kleederen, altijd scheen hij van denzelfden ouderdom en kracht, altijd verscheen hij met denzelfden witten baard en met hetzelfde gerimpelde gezigt.

Zooals wij straks reeds gezegd hebben, was de Scalpeur naar het kreupelbosch gesneld om te zien wie het signaal had gegeven dat zijne aandacht had opgewekt; zijn onderzoek hoe naauwkeurig ook, had echter geen ander gevolg dan hem te overtuigen dat hij zich niet bedrogen had en dat er werkelijk een spion in de struiken was geweest, die alles gezien en gehoord had wat er in het boschkamp gebeurd of gesproken was.

De Blaauwe-Vos intusschen, na zijne kameraden het bovengemelde sein te hebben gegeven, had zich voorzigtig teruggetrokken, wel overtuigd dat hij, ondanks al zijn moed, verloren zou zijn, zoo hij den Scalpeur in handen viel.

Laatstgenoemde keerde peinzend naar den monnik terug, wiens gebed nog altijd voortduurde en zoo het scheen niet spoedig geëindigd zou zijn.

De Scalpeur beschouwde den pater een poos met een spotachtigen blik, en gaf hem eindelijk met de kolf van zijn geweer een fermen stoot in den rug.

„Sta op!” zeide hij barsch.

De monnik viel echter op de beide handen en bleef onbewegelijk liggen. Daar hij niet anders dacht of de wildeman had het voornemen hem dood te slaan, onderwierp hij zich aan zijn lot en wachtte den genadeslag, die naar zijne meening niet lang zou uitblijven.

„Komaan, sta op! duivelsche monnik,” hervatte de Scalpeur, „hebt gij nog al niet gedaan met paternosters lezen?”

Fray Antonio rigtte even het hoofd op; er blonk voor hem een nieuwe straal van hoop.

„Vergeef mij, caballero,” antwoordde hij, „ik heb gedaan, ik ben thans tot uwe orders: wat verlangt gij van mij?”

En met een sprong als een losgelaten veer stond hij op de beenen, daar hij aan den donkeren blik van zijn zegsman wel begreep dat geen verontschuldiging hier baten zou.

„’t Is goed, man: het schijnt mij toe dat gij even knap een geweer kunt afschieten, als een paternoster bidden; laad dus uw karabijn; want het oogenblik is gekomen om te vechten als een man; zoo gij niet wilt gedood worden als een hond.”

De monnik wierp een schuwen blik om zich heen.

„Caballero,” stotterde hij aarzelend, „is het dan zoo volstrekt noodig dat ik vecht?”

„Als gij ten minste uw huid heel wilt houden, anders kunt gij gerust uw lot afwachten.”

„Maar misschien is er wel een ander middel?”

„Wat dan?”

„Vlugten bij voorbeeld,” riep de monnik op smeekenden toon.

„Neem er de proef van,” zei de andere meesmuilend.

Door deze halve vergunning aangemoedigd, vervolgde de monnik een weinig stouter:

„Gij hebt een heerlijk paard.”

„Vindt gij dat?”

„Een heerlijk paard!” hervatte Fray Antonio met vuur.

„Ja, en dat zoudt gij wel gaarne willen berijden als ik het u toeliet, om er mede te vlugten, niet waar?”

„O, neen, denk dat toch niet,” riep hij met een wenk van ontkenning.

„Genoeg met uwe praatjes,” smaalde de Scalpeur barsch; „denk om u zelven! daar zijn uwe vijanden.”

En met een sprong zat de Scalpeur in den zadel, liet zijn paard wenden en plaatste zich achter den verbazend dikken stam van een acajou-boom.