Part 16
Een oogenblik echter dacht hij er in ernst aan, om terug te keeren naar de Venta, en zich aan de voeten van het meisje te werpen, in een woord, om den misslag te herstellen dien zijn sombere hartstogt hem deed begaan, en alle jaloezij voortaan af te zweren, om zich geheel ter beschikking van doña Carmela te stellen en alles te doen wat zij goed vond hem te bevelen.
Maar zooals de meeste zijner goede voornemens, duurde dit ook niet langer dan een bliksemstraal. De Jaguar dacht na over zijn besluit; met de overweging keerden zijne wankelmoedigheid en jaloezij terug en als natuurlijk gevolg, met vernieuwde woede, ja dwazer en dolzinniger dan ooit.
Zoo galoppeerde de jongman langen tijd voort, schijnbaar zonder eene bepaalde rigting te volgen; maar toch bij geruime tusschenpoozen hield hij stil, rigtte zich op in de stijgbeugels, overzag met arendsblikken de vlakte en rende dan weder voort met lossen teugel.
Omstreeks drie ure in den namiddag bereikte hij het konvooi, maar naauwelijks had hij het in de verte gezien, of het viel hem niet moeijelijk het te ontwijken door eenigzins regtsaf te zwenken en zich in een digt bosch van Peruboomen te begeven, dat hem lang genoeg onzigtbaar zou maken om niet door de afzonderlijke ruiters van het eskorte, die voor- of achteraan reden, te worden opgemerkt.
Eindelijk, omtrent een uur voor zonsondergang, slaakte de jongman, toen hij misschien voor de honderdste maal stil hield om het terrein te verkennen, een gesmoorden kreet van verrassing; hij had eindelijk de bende bereikt, die hij zoo lang met hijgend ongeduld had gezocht.
Op vijf honderd passen van de plaats waar de Jaguar op dit oogenblik stil stond, volgde een troep van dertig of vijfendertig ruiters in goede orde het breede bijna onzigtbare pad, dat hier onder den naam van de „groote postweg” door de prairie liep.
De geheele bende bestond uit blanken, zooals zich reeds dadelijk uit hun kostuum liet opmaken; en scheen in haar marsch zekere militaire houding te willen aannemen; overigens waren al deze ruiters ruim van allerlei wapenen voorzien.
In den aanvang van ons verhaal hebben wij reeds van een troep ruiters gewag gemaakt, die op zeker punt zich in de verte verwijderden, dit waren dezelfde die de Jaguar hier ontmoette.
De jongman zette de twee opene handen aan zijn mond in den vorm van een roeper, en gaf tot tweemaal toe een scherpen, doordringenden, lang aangehouden schreeuw.
De troep, ofschoon op dit oogenblik nog ver genoeg verwijderd maakte op dit signaal plotseling halt, alsof de hoeven der paarden eensklaps aan den grond waren genageld.
De Jaguar boog thans diep over den zadel, deed zijn paard over eenige struiken springen, en bevond zich in weinige minuten bij de ruiters, die op zijn geroep waren blijven staan.
De Jaguar werd met vreugdekreten ontvangen en al de aanwezigen drongen zich met de meeste belangstelling om hem heen.
„Ik dank u, mijne vrienden,” zeide hij, „ik dank u voor de bewijzen uwer toegenegenheid; maar wat ik u verzoeken mag, hoort mij een oogenblik met alle aandacht, want de tijd dringt ons.”
Als op een tooverslag werd alles doodstil, maar de fonkelende blikken waarmede zij den jongman aanstaarden bewezen duidelijk genoeg dat, al zwegen zij stil, hunne belangstellende nieuwsgierigheid er niet minder levendig om was.
„Gij hebt u niet bedrogen, master John,” vervolgde de Jaguar, zich tot een der ruiters wendende die het digtst bij hem stond, „de conducta komt achter ons aan; wij zijn haar slechts drie of vier uren vooruit. Zooals gij mij hadt laten weten, is zij onder militair geleide, en, ten bewijze dat men groot belang in hare veiligheid stelt, wordt het eskorte gekommandeerd door kapitein Melendez.”
Op dit berigt gaven de aanwezigen eenige blijken van teleurstelling.
„Niet te voorbarig,” hernam de Jaguar met een schertsenden lach, „waar de krachten niet toereikende zijn, kunnen wij ons altijd nog van list bedienen: kapitein Melendez is dapper en heeft ondervinding, dat stem ik toe; maar wij, zijn wij dan ook geen dappere mannen? Is de zaak waar wij voor strijden niet schoon genoeg om ons te bemoedigen en onze onderneming tot iederen prijs door te zetten?”
„Ja, ja! hoerah! hoerah!” riepen al de aanwezigen, vol geestdrift hunne wapens zwaaijende.
„Master John, gij hebt reeds betrekkingen met den kapitein aangeknoopt; hij kent u. Gij moet hier blijven, met nog een van onze vrienden. Beiden laat gij u gevangen nemen. Ik steun op uwe trouw en op uw beleid om den argwaan te verdrijven, die misschien bij den kapitein zou kunnen opkomen.”
„Wees daar gerust op, ik zal er voor zorgen of het voor mij zelven was.”
„Zeer goed; maar pas op, en speel fijn met hem, gij hebt met een scherpen tegenspeler te doen.”
„Ei! zoudt gij dat denken?”
„Ja, gij weet wel wien hij bij zich heeft?”
„Neen, voorwaar.”
„El padre Antonio.”
„Duivels! wat zegt gij daar, gij doet waarachtig wel dat gij mij waarschuwt.”
„Niet waar?”
„Wel! wel! zou die verwenschte monnik misschien ons wild zoeken te jagen?”
„Daar vrees ik voor. Zoo als gij weet, staat hij in gemeenschap met al de vagebonden, onverschillig van welke kleur, die in de wildernis zwerven; hij gaat zelfs voor een hunner aanvoerders door, en hij kan zeer ligt op de gedachte zijn gekomen om zich de conducta toe te eigenen.”
„Drommels! daar zal ik op passen; laat dat gerust aan mij over, ik ken hem zoo goed en zoo lang, dat hij geen lust zal gevoelen om mij tegen te werken, en als hij het dorst te doen, zou ik hem weten onschadelijk te maken.”
„Dat is zeer goed; en nu, zoodra gij al de berigten hebt ingewonnen die wij noodig hebben om te handelen, verliest gij geen oogenblik om weder bij ons te komen, hoor; want terwijl wij op u wachten tellen wij iedere minuut.”
„Dat is afgesproken: altijd aan de Barranca del Gigante.”
„Altijd.”
„Nog een woord.”
„Gaauw dan.”
„En de Blaauwe-Vos?”
„Drommels! goed dat gij aan hem denkt, ik had hem waarlijk vergeten.”
„Moet ik op hem wachten?”
„Wel zeker.”
„Zal ik mij met hem in verbond stellen? Zoo als gij weet, is er op het woord der Apachen weinig te vertrouwen.”
„Dat is waar,” antwoordde de jongman met een nadenkenden blik; „maar onze positie is in deze oogenblikken zeer moeijelijk. Wij zijn om zoo te zeggen, aan onze eigene krachten overgelaten: onze vrienden aarzelen of durven nog niet opentlijk onze zijde te kiezen, onze vijanden daarentegen steken het hoofd op en maken zich gereed om ons met kracht aan te vallen; dus, al ben ik in mijn hart van zulk een verbond afkeerig, zie ik toch maar al te duidelijk in, dat, zoo de Apachen ons wilden helpen, hun bijstand ons zeer van dienst zoude zijn.”
„Gij hebt gelijk; in onze tegenwoordige stelling als ballingen der maatschappij, en overal als wilde dieren vervolgd, zou het misschien onvoorzigtig zijn het verbond af te slaan dat de Roodhuiden ons aanbieden.”
„In een woord, vriend, ik laat het volkomen aan u over, de omstandigheden zullen het u ingeven hoe gij handelen moet: ik stel het volste vertrouwen op uw doorzigt en ijver.”
„Ik zal uwe verwachting niet teleurstellen.”
„Scheiden wij thans, op hoop van welslagen.”
„Veel geluk, tot wederziens!”
„Tot wederziens, op morgen!”
Met dezen laatsten afscheidsgroet aan zijn vriend, of aan zijn medepligtige, zooals de lezer hem liefst noemen wil, plaatste de Jaguar zich aan het hoofd van den troep en vertrok.
De hier aanwezige John was niemand anders dan John Davis de slavenkoopman, dien de lezer zich uit de eerste hoofdstukken van ons verhaal zonder twijfel zal herinneren. Hoe komt het dat wij hem thans in Texas terug vinden onder eene bende landloopers en ballingen, in plaats van jager, op zijne beurt jagtwild geworden? Het antwoord op deze vraag zou ons op dit oogenblik te ver afleiden, maar wij zullen er later op terugkomen en den lezer te dier zake volkomen genoegen geven.
Master John en zijn kameraad lieten zich door de veldontdekkers van kapitein Melendez in hechtenis nemen, zonder den minsten tegenstand te bieden. Hoe voorzigtig zij hiermede te werk gingen en hoe zij naar het Mexicaansche kamp werden gevoerd, hebben wij reeds in een vorig hoofdstuk gezien. Wij zullen dus deze feiten niet herhalen, maar volgen liever den Jaguar.
Deze jongman scheen en was inderdaad de chef van de ruiterbende aan wier hoofd hij optrok.
Al deze ruiters behoorden tot het Angel-Saksische ras, met andere woorden, allen waren Noord-Amerikanen.
Waar leefden zij van en wat voerden zij in hun schild? Dit is spoedig gezegd.
Voor het oogenblik waren zij insurgenten. Meerendeels naar Texas gekomen op een tijd toen het Mexicaansche gouvernement de Amerikaansche landverhuizing goedkeurde en begunstigde, hadden zij zich aldaar nedergezet, koloniën gesticht, bosschen gesloopt, landerijen ontgonnen, kortom, er zich ingeburgerd en Texas als hun nieuw vaderland beschouwd.
Nadat echter de Mexicaansche regeering haar stelsel van belemmering en tegenkanting had ingevoerd, daar zij later niet weder van afging, hadden de kolonisten bijl en spade vaarwel gezegd, de Amerikaansche buks opgenomen, zich aan ruiterbenden verzameld en de vaan des opstands opgestoken, tegen eene onderdrukking die hen wilde verdrijven of vernietigen.
Zoo hadden zich op verschillende punten van het Texaansche gebied van lieverlede een aantal benden gewapende opstandelingen gevormd, die zich bij iedere ontmoeting dapper tegen de Mexicanen te weer stelden. Ongelukkig echter waren deze benden te veel verspreid en te weinig door een gemeenschappelijken band verbonden, om eene geregelde of geduchte magt uit te maken; allen stonden zij onder afzonderlijke hoofden, die van elkander onafhankelijk, ieder voor zich wilden gebieden zonder hunnen wil voor een hooger wil en belang te buigen, het eenige middel nogtans waardoor zij bepaalde uitkomsten hadden kunnen verkrijgen en die onafhankelijkheid bereiken, die naar het oordeel der meest verlichten in den lande, tot nog toe als eene schoone maar hopelooze utopie werd beschouwd.
De ruiters die wij thans ten tooneele hebben gebragt, hadden zich onder de bevelen van den Jaguar gesteld, omdat hij in weerwil van zijne jeugd reeds een naam van moed, beleid en bekwaamheid had verworven, die door het gansche land weerklonk en zijne vrienden met blijde hoop, maar zijne vijanden niet minder met schrik vervulde zoo vaak de oorlogskans hen in zijne tegenwoordigheid bragt.
De voortgang van ons verhaal zal bewijzen dat de kolonisten door hem tot hun aanvoerder te kiezen zich niet in hem bedrogen hadden.
De Jaguar was juist het opperhoofd dat zulke lieden behoefden; hij was jong, schoon en met dat persoonlijk overwigt begaafd dat in staat is nieuwe koningrijken te scheppen; hij sprak weinig, maar elk zijner gezegden liet eene onuitwischbare herinnering achter.
Hij wist wat zijne volgelingen van hem verwachtten, en hij had wonderen van dapperheid gedaan, want het ging hem gelijk alle voor groote dingen geboren karakters, die eenmaal op de hoogte der omstandigheden geraakt, zich gestadig met en naar gelang de ontwikkeling der gebeurtenissen verheffen; met iedere nieuwe stelling was zijn verstand als het ware toegenomen, zijn blik onfeilbaarder, zijn wil onverzettelijker geworden, en hij wist zich zoo goed met iederen toestand te vereenzelvigen, dat hij zich door geenerlei menschelijk gevoel meer liet leiden noch beheerschen; zijn gemoed was als verstaald tegen de smart; de geestdrift zijner volgelingen zelfs kon hem, onder zekere omstandigheden, geen blos van verrassing noch een glimlach van zelfvoldoening op het gelaat brengen.
De Jaguar was geen gewone eerzuchtige: hij leed diep bij het zien der tweedragt onder de insurgenten; het was zijn vurigste wensch om eene innige vereeniging tusschen hen daar te stellen, die voortaan onmisbaar was geworden en aan welke hij met al zijn vermogen arbeidde; in een woord, de jongman had geloof, hij vertrouwde op de toekomst zijner zaak; want ondanks de tallooze fouten sedert het begin des opstands door de Texanen begaan, gevoelde en herkende hij de levenskracht in dit tot hiertoe zoo slecht gedreven werk der vrijheid en was ten slotte tot het begrip gekomen, dat er in iedere maatschappelijke levensvraag een beginsel aanwezig is, magtiger dan het geweld, dan de moed, dan het genie zelfs, en dat dit beginsel de gedachte is, door God er in gelegd, om te voorschijn te treden wanneer de tijd daar is en op het klokkenwerk der wereldgeschiedenis het uur slaat. Daarop, alle vooruitberekening ter zijde stellende, arbeidde en hoopte hij als op eene gewisse toekomst.
Ten einde de afzondering in welke zijn troep gelaten werd, zooveel mogelijk onschadelijk te maken, had de Jaguar eene taktiek verzonnen die hem tot dusver wonderwel gelukt was. Wat hij noodig had was tijd te winnen en den oorlog op den langen weg vol te houden, al was het ook een strijd met ongelijke krachten. Daartoe moest hij zijne zwakheid in een geheimzinnig duister verbergen, zich overal vertoonen, zich nergens bepaald ophouden of vestigen, en zoodoende den vijand in een net van onzigtbare zwarigheden wikkelen, hem dwingen om als met gevelde bajonetten in het ledig te schermutselen, met het oog op al de punten van het kompas gerigt, onophoudelijk gekweld, zonder ooit ernstig en wezenlijk door noemenswaardige krachten te worden aangevallen. Dit was het plan dat de Jaguar tegen de Mexicanen in het werk stelde, die hij op deze wijs in eene koortsige spanning hield altijd het onbekende vreezende, en tegen het onzekere zich wapenende, de ergste kwaal die een gouvernement, zelfs het sterkste, te duchten heeft.
De vijftig of zestig ruiters die de Jaguar onder zijne bevelen had, werden dan ook door de Mexicaansche regering meer gevreesd dan een der overige in opstand zijnde benden. De schrik aan zijn persoon verbonden was zoo groot, dat alom waar dit opperhoofd met zijne ruiters verscheen, het gerucht zijner aannadering hem reeds vooruit liep en genoeg was om de troepen die men tegen hem afzond te ontmoedigen en in verwarring te brengen.
De Jaguar wist van deze voordeelen behendig partij te trekken om de gevaarlijkste ondernemingen en de vermetelste aanslagen te beproeven. Die welke hij thans beraamd had, was een der stoutmoedigsten tot dusver ooit door hem gewaagd; hij beoogde niet minder dan het opligten der conducta de plata, en het gevangennemen van kapitein Melendez, een officier dien hij met regt als een zijner geduchtste vijanden beschouwde en met wien hij om dezelfde reden van verlangen brandde zich te meten, wel begrijpende dat, zoo hij slagen mogt hem te overwinnen, de glorie van dit stoute wapenfeit hem een beslissenden invloed op den gang des opstands zou verzekeren en onmiddellijk een groote schaar van partijgangers onder zijn vaandel zou vereenigen.
Na John Davis achter zich op de vlakte gelaten te hebben, rukte de Jaguar snel voorwaarts, naar een digt woud, dat zijne donkere schaduwen reeds aan den horizont afteekende en in hetwelk hij dien nacht dacht te kamperen, daar hij de Barranca del Gigante niet voor des anderen daags tegen den middag zou kunnen bereiken. Overigens wilde hij zich niet te zeer van de twee mannen verwijderen die hij als spionnen naar Melendez had gezonden, ten einde des te spoediger van de uitkomst hunner bevinding berigt te ontvangen.
Even na zonsondergang bereikten de insurgenten het woud en verdwenen zij onmiddellijk onder het geboomte.
Op den top van een kleinen heuvel, die het omliggend terrein bestreek, liet de Jaguar halt maken en gaf hij aan zijne manschappen bevel om af te stijgen en een kamp aan te leggen.
Het inrigten van een legerkamp in de woestijn vordert weinig tijd.
Met behulp van eenige bijlslagen is het terrein spoedig geslecht; dan worden van afstand tot afstand vuren ontstoken om de wilde dieren af te schrikken, de paarden gekluisterd of aan piketten gezet, en de schildwachts geplaatst om voor de veiligheid van allen te waken: daarop strekt ieder zich bij het vuur uit; wikkelt zich in zijn mantel, en alles is gezegd. Deze ruwe gestellen, met de woestijn vertrouwd en tegen de afwisseling der jaargetijden gehard, slapen even diep en gerust onder den blooten hemel, als de bewoners der steden in het prachtigst en weelderigst verblijf.
Toen ieder zich ter ruste had begeven, ging de jongman de ronde doen om zich te verzekeren dat alles in orde was; daarna vlijde ook hij zich bij een der bivakvuren neder en verdiepte zich weldra in ernstige gepeinzen.
De gansche nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde, maar toch, de Jaguar sliep niet, zijne oogen bleven onafgewend op de glimmende kolen gerigt die eindelijk dreigden uit te gaan.
Welke gedachten waren het die zijn voorhoofd rimpelden en zijne wenkbraauwen deden zamentrekken?
Niemand had het kunnen zeggen.
Misschien doolde hij rond in het land der fantasiën en droomde hij wakende een dier schoone droomen die op twintigjarigen leeftijd vaak zoo verrukkelijk en tevens zoo bedriegelijk zijn.
Eensklaps sidderde hij en sprong op als door eene onzigtbare veer opgestooten.
Op dit oogenblik verscheen de zon aan de kimmen en verdreef allengs de duisternis.
De jongman boog zich voorover en scheen naar iets te luisteren.
Op korten afstand hoorde men duidelijk het overhalen van een geweer, en een der schildwachts, in het kreupelbosch verscholen, riep met eene nadrukkelijke stem:
„Werda!”
„Een vriend!” klonk het antwoord onder de boomen.
De Jaguar ontroerde.
„Tranquille!” mompelde hij in zichzelven; „wat of hem beweegt om mij hier te zoeken?”
En onmiddellijk begaf hij zich in de rigting waar hij dacht den Tijgerdooder te zullen ontmoeten.
XXII.
DE BLAAUWE-VOS.
Wij keeren thans tot den Blaauwe-Vos en zijne twee kameraden terug, die wij in een vorig hoofdstuk verlaten hebben, op het oogenblik dat zij kogels langs hunne ooren hoorende fluiten, zich onwillekeurig achter rotsblokken en boomstammen in veiligheid hadden gesteld.
Na het nemen dezer onvermijdelijke voorzorgen tegen hunne onzigtbare aanvallers, onderzochten de drie mannen zorgvuldig hunne wapens, ten einde in staat te zijn scherp met scherp te keeren, en wachtten toen met den vinger aan den trekker en een waakzamen blik in alle rigtingen, het oogenblik af dat de vijand zich zou vertoonen.
Zij bleven echter een geruimen tijd onbewegelijk op hun post, zonder dat de stilte der prairie van nieuws werd gestoord, of het minste blijk zich vertoonde dat de aanval zou worden hervat.
Aan de grootste ongerustheid ten prooi en niet wetende waaraan zij deze onverwachte aanranding moesten toeschrijven, noch welke vijanden zij te duchten hadden, zagen de drie mannen geen middel om zich met eere uit de hagchelijke positie te redden, waarin het vreemde geval hen zoo eensklaps geplaatst had, tot de Blaauwe-Vos eindelijk besloot om op verkenning uit te gaan.
Evenwel, daar het opperhoofd niet zonder reden vreesde in eene hinderlaag te zullen vallen, die men met list zou kunnen gespannen hebben om hem en zijne kameraden onverhoeds te overrompelen, achtte hij het alvorens zich te verwijderen noodig, de meest mogelijke voorzorgen te nemen.
De Indianen zijn te regt vermaard wegens hunne scherpzinnigheid; door hunne levenswijze in de woestijn van jongs af gewoon de natuurlijke vermogens te oefenen, waarmede de Voorzienigheid hen zoo rijkelijk bedeelde, wordt hun gehoor, reuk en vooral hun gezigt in zulk eene hooge mate ontwikkeld en verfijnd, dat zij zich ten dezen opzigte gerust met de wilde dieren kunnen meten. Bovendien bezitten zij, behalve het dierlijk instinct, nog het menschelijk verstand, waardoor zij in staat zijn om hunne gewaarwordingen met elkander in verband te brengen en er de gevolgen van te berekenen, zoodat zij, om het zoo eens te noemen, eene soort van kattengeleerdheid of dierlijke wetenschap bezitten, die hen de ongelooflijkste dingen doet verrigten, dingen welke schier de grenzen van het mogelijke te buiten gaan, en die men moet hebben gezien om er zich een denkbeeld van te maken.
Het is inzonderheid wanneer zij een spoor volgen dat deze scherpzinnigheid en instincts-wetenschap der Indianen zich in al haren omvang doen kennen. Welke voorzorgen hun vijand ook neemt om zijn pad te verbergen en zijn spoor onzigtbaar te maken, de Roodhuiden zullen het eindelijk weten te ontdekken; voor hen heeft de woestijn geene geheimen, voor hen is de ongerepte en grootsche natuur een geopend boek, waar zij iedere bladzijde van kennen en dagelijks doorlezen, zonder ooit, wij zeggen niet, zich te bedriegen, maar zelfs in ’t onzekere rond te tasten.
De Blaauwe-Vos, ofschoon nog zeer jong, had zich wegens zijne sluwheid en arglistigheid reeds een welverdienden naam verworven; hij zou zich derhalve ook in de tegenwoordige omstandigheden, nu hij naar alle waarschijnlijkheid door onzigtbare vijanden werd omgeven, niet ongestraft in zijn schuilhoek laten beloeren of bespringen, maar maakte zich met verdubbelde waakzaamheid gereed om hunne aanslagen te verijdelen en hunne plannen door tegenplannen te ondermijnen.
Na met zijne twee kameraden te zijn overeengekomen omtrent het signaal dat hij hun geven zou, in geval hij hunne hulp noodig had, zooals wel waarschijnlijk was, ontdeed hij zich van zijn bisonsmantel, die hem in zijne bewegingen slechts zou hebben belemmerd, legde ook de versiersels af waarmede zijn hoofd, hals en borst beladen waren, en hield niets anders aan dan zijne mitasse, een soort van broek uit twee deelen bestaande, van afstand tot afstand met menschenhaar aan elkander genaaid, die aan de heupen werd opgehouden door een riem van ongelooid hertenleder, en tot aan de enkels reikte.
Aldus gekleed, wentelde hij zich verscheidene malen in het zand, om aan zijn ligchaam een aschgraauwe kleur te geven; vervolgens stak hij zijn tomahawk en zijn scalpeermes in zijn gordel, twee wapens die geen Indiaan ooit verzuimen zal bij zich te dragen, nam zijn buks in de regterhand, en na een laatsten groet aan zijne vrienden, die al zijn toebereidels met aandacht gadesloegen, strekte hij zich op den grond uit en begon als een slang door de struiken en het hooge gras te kruipen.
Ofschoon de zon reeds eenigen tijd op was en haar verblindend licht over de prairie uitgoot, volvoerde de Blaauwe-Vos zijn uittogt met zooveel omzigtigheid, dat hij reeds een eind ver in de vlakte was, toen zij meenden dat hij zich nog in hunne nabijheid bevond: geen grashalm hadden zij zien bewegen, geen keisteen was onder zijne voeten weggerold.
Van tijd tot tijd hield de Roodhuid stil om met zijn doordringenden blik den omtrek te bespieden, en als hij dan zag dat alles in rust was en dat zijne tegenwoordigheid door niemand werd opgemerkt, kroop hij van nieuws op handen en knieën voort, steeds in de rigting van het geboomte, waar hij niet ver meer van verwijderd was.
Eindelijk bereikte hij aan den zoom van het bosch eene plek waar het digte kreupelhout begon, en waar het gras hier en daar min of meer gekneusd scheen, zoodat hij vermoedde niet ver van de plaats der hinderlaag te zijn uit welke het verraderlijk schot gedaan was.
Hier hield de Indiaan stil, om met aandacht het terrein op te nemen en te zien of hij ook sporen ontdekte. Werkelijk zag hij een aantal voetstappen; doch zij waren blijkbaar slechts van een enkel persoon afkomstig, buitengewoon breed en zwaar en zonder eenige voorzorg gemaakt, en schenen veeleer het werk van een blanke die volstrekt niet met de gebruiken der woestijn bekend was, dan van een jager of Roodhuid.
De struiken waren zeer beschadigd, geknakt en gebroken, alsof de persoon die hier geloopen had, er met onstuimige drift was doorgegaan: zonder zich de moeite te geven de takken uit een te buigen en weder op hunne plaats te brengen; ook was het gras hier en daar geweldig plat gedrukt.
De Blaauwe-Vos begreep niets van dit vreemde verschijnsel, dat op geenerlei wijs geleek naar hetgeen hij gewoon was in de woestijn op te merken.