Part 12
„Ik ben alles behalve gek, Señor padre, en ik zal u voor dezen keer die benamingen waarmede gij mij gelieft te begunstigen, kwijtschelden, maar pas op voor de tweede maal,” antwoordde de gevangene droogjes.
„Kom aan, verklaar u,” riep nu de andere gevangene, die tot hiertoe gezwegen had, barsch. „Ik heb geen lust om aan een eindje touw te bengelen voor uw pleizier.”
„Hetgeen toch onvermijdelijk gebeuren zal,” merkte de kapitein bedaard aan, „als gij niet besluit, caballeros, om mij eene duidelijke en volledige verklaring te geven van uw gedrag.”
„Ei zoo! gij ziet wel, patertje,” hervatte de gevangene; „onze positie begint slecht te worden; kom, zorg dat de zaak in orde komt.”
„O!” brulde de monnik woedend, „ik ben in een gruwzamen strik gevallen.”
„Genoeg!” riep de kapitein met eene donderende stem, „deze komedie heeft reeds veel te lang geduurd, pater Antonio. Niet gij zijt in een vreeselijken strik gevallen, maar ik integendeel ben het, dien gij er in zoekt te slepen; ik ken u van oude dagteekening en ik heb van de plannen die gij smeedt de omstandigste bewijzen in handen. Gij speelt sedert lang een gevaarlijk spel; men kan niet te gelijk God en den duivel dienen, zonder dat eindelijk alles aan ’t licht komt; maar ik heb u slechts tegenover deze twee eerlijke lieden willen stellen, om u te verpletteren en u het huichelaarsmasker af te rukken waarmede gij u bedekt.”
Bij deze ruwe ontboezeming bleef de monnik een poos sprakeloos, geheel overstelpt door de kracht der verwijtingen die hem werden toegevoegd; eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich naar den kapitein:
„Waarvan beschuldigt men mij?” vroeg hij op hooghartigen toon.
Don Juan glimlachte met minachting.
„Men beschuldigt u,” antwoordde hij, „dat gij de conducta, die onder mijne bescherming staat, in eene hinderlaag hebt willen voeren, die door u gelegd is en waar op dit oogenblik uwe waardige handlangers ons verwachten, om ons te vermoorden en uit te plunderen. Wat antwoordt gij hierop?”
„Niets,” zeide hij kortaf.
„Gij hebt gelijk, want uwe ontkenningen zouden niet gangbaar zijn; intusschen, nu gij door uw eigen bekentenis schuldig staat, zult gij mij niet meer ontsnappen, zonder dat ik u een eeuwig aandenken van onze ontmoeting mede geef!”
„Zie toe wat gij begint, señor kapitein, ik behoor tot de kerk; dit ordekleed maakt mij onschendbaar.”
Een spottende lach plooide zich om de lippen van den kapitein.
„Als het daarom te doen is,” zeide hij op sarcastischen toon, „dan zal men u ontkleeden.”
Het meerendeel der dragonders en muildrijvers, door het gekibbel van den monnik en den officier wakker geworden, waren allengs naderbij gekomen en volgden aandachtig den loop van het gesprek.
De kapitein wenkte de soldaten en met vingerwijzing op den monnik zeide hij:
„Ontdoet dien man van het kleed dat hij draagt, bindt hem aan een catalpa en geeft hem twee honderd slagen met de chicote (karwats).”
„Ellendelingen!” schreeuwde de monnik, buiten zich zelven van woede, „den eerste van u die mij durft aanraken vervloek ik; omdat hij de hand aan een dienaar van het altaar heeft geslagen, zal hij eeuwig verdoemd zijn.”
De soldaten bleven verschrikt staan op het hooren dezer vervloeking, die zij hetzij uit onkunde of uit bijgeloovigen eerbied den moed niet hadden te braveren.
De monnik kruiste thans de armen op de borst en riep op zegevierenden toon tegen den officier: „Rampzalige dwaas, ik zou u kunnen straffen voor uwe vermetelheid, maar ik schenk u vergiffenis. God zal zich wel met mijne wraak belasten; die zal u kastijden wanneer uw uur geslagen is; vaarwel. Kom, terug daar! en laat mij door,” vervolgde hij tegen de anderen.
De dragonders, door schrik bevangen, weken langzaam en aarzelend voor hem terug: de kapitein, die genoodzaakt was zijn onvermogen te erkennen, balde de vuisten en wierp toornige blikken in ’t rond.
Fray Antonio was de rijen der soldaten bijna door, toen hij zich op eens bij den arm voelde terughouden: hij keerde zich om, met het voornemen om het vermetel individu dat hem had durven aanraken streng te berispen, maar zijn gezigt kreeg oogenblikkelijk eene andere uitdrukking toen hij, in den man die hem tegenhield en hem met een koddigen blik aankeek, den gevangene herkende aan wien hij zijn laatsten hoon te danken had.
„Nog een oogenblik, Señor padre,” zei de jager; „ik kan zeer goed begrijpen dat deze brave lieden, die katholieken zijn, uwe vervloeking duchten en daarom de hand niet aan u durven uitsteken uit vrees voor het helsche vuur, doch met mij is dit gansch anders, ik ben een ketter, zoo als gij wel weet en waag dus niets met u het monnikskleed uit te trekken; zoo gij het mij dus vergunt zal ik u deze dienst wel bewijzen.”
„O!” riep de monnik knarstandend, „ik zal u dooden, John. Ik vermoord u, ellendeling.”
„Bah, bah! wie gedreigd wordt, leeft lang. Wie is ooit van dreigen gestorven?” zei John, terwijl hij hem dwong om het monniksgewaad uit te doen dat hij over zijn fijn linnen ondergoed aan had.
„Ziedaar!” vervolgde hij een oogenblik later. „Nu, mijne braven, kunt gij gerust het bevel van uw kapitein ten uitvoer brengen; de man is thans voor u niets beter dan een ander.”
Het stoutmoedig bedrijf van den jager had op eens den bijgeloovigen schroom die de soldaten gebonden hield verbroken. Zoodra het heilige kleed de schouders van den monnik niet meer bedekte, luisterden zij niet langer naar zijne gebeden of bedreigingen, maar maakten zich van hem meester, bonden hem ondanks zijn geschreeuw aan den catalpa en dienden hem met alle militaire naauwgezetheid de twee honderd karwatsslagen toe, die de kapitein hem had opgelegd, terwijl de twee jagers de strafoefening bijwoonden, in stilte de slagen telden en zich luidkeels vrolijk maakten om de tuchtiging van den ongelukkigen monnik, die van pijn huilde en zich kronkelde als een slang.
Toen de straf voor drievierden was toegediend, schreeuwde hij niet meer, zijn zenuwgestel scheen geheel vernietigd te zijn en maakte hem gevoelloos; intusschen was hij niet buiten kennis, maar zijne tanden waren gesloten en het schuim stond hem op den mond; hij staarde regt voor zich uit zonder iets te zien en gaf geen andere blijken van bewustzijn dan nu en dan een diepen zucht, die uit zijne breede borst moeijelijk opkwam.
Toen de strafoefening was afgeloopen en men hem losmaakte viel hij op den grond, waar hij roerloos bleef liggen.
Men gaf hem zijn monnikskleed terug en liet hem voor hetgeen hij was, zonder zich verder met hem te bemoeijen.
De beide jagers verwijderden zich, na vooraf eenige oogenblikken in stilte met den kapitein gesproken te hebben.
Het overige van den nacht ging voorbij zonder dat er iets bijzonders gebeurde.
Eenige minuten voor zonsopgang, stonden de soldaten en arriero’s op om de paarden te zadelen, de muilezels te laden en alles gereed te maken voor hunne reis, tot het sein van vertrek zou gegeven worden.
„Maar,” riep op eens de stem van den kapitein, „waar is toch de monnik, wij kunnen hem toch hier niet laten liggen; zet hem op een muilezel, en aan de eerste rancho de beste zullen wij hem achterlaten.”
De soldaten gehoorzaamden en gingen aan het zoeken, maar al hunne nasporingen waren vergeefs. Pater Antonio was nergens te vinden, hij was spoorloos verdwenen.
Don Juan fronste de wenkbraauwen bij dit berigt, maar na een oogenblik te hebben nagedacht, schudde hij onbezorgd het hoofd, en zeide:
„Zoo veel te beter. Wij zouden onder weg niets dan last van hem hebben gehad.”
De conducta de plata (het geld-konvooi) kwam in beweging en hervatte den togt.
XVI.
POLITIEK OVERZIGT.
Eer wij verder gaan, zullen wij met een paar woorden den staatkundigen toestand van Texas beschrijven, op het tijdstip waarmede ons verhaal begint. Gedurende al den tijd der Spaansche overheersching, hebben de Texanen hunne vrijheid gewapenderhand verdedigd; maar eindelijk, na met afwisselend succes gestreden te hebben, werden zij geheel ten onder gebragt in den slag van Medina, op den noodlottigen 13den Augustus 1813, door den kolonel Arredondo, kommandant van het regiment Estramadura, bij hetwelk zich de militie van den staat Cohahuila had gevoegd. Van dien noodlottigen dag tot aan de tweede Mexicaansche omwenteling, bleef Texas gebogen onder het ondragelijk juk eener soldaten-regering, en weerloos prijs gegeven aan de onophoudelijke invallen der Comanchen-Indianen.
De Vereenigde Staten hadden reeds meermalen hunne aanspraken op dit gewest laten gelden, onder voorwendsel dat de natuurlijke grenzen tusschen Mexico en de bondgenootschappelijke Unie door de Rio-Bravo waren aangewezen. In 1819 evenwel zagen zij zich gedwongen hunne aanspraken op dien voet op te geven, en nu zochten zij naar andere, minder regtstreeksche middelen om dit rijke land meester te worden en met de staten der Unie te verbinden.
Van toen af aan begonnen zij de listige en langzaam maar zeker werkende staatkunde te ontwikkelen, die hen eindelijk moest doen zegevieren.
In 1821 verschenen de eerste Amerikaansche landverhuizers op de grenzen; hier en daar in de bosschen verstrooid, schroomvallig, ter sluik en bijna incognito, begonnen zij boomen te vellen, landerijen te ontginnen, en in stilte koloniën te stichten; zij breidden zich meer en meer uit, en werden binnen weinige jaren zoo magtig, dat zij in 1824 reeds eene massa van ongeveer vijftig duizend zielen uitmaakten. De Mexicanen, onophoudelijk met elkander in strijd en in eindelooze burgeroorlogen gewikkeld, hadden weinig begrip van den aard en de strekking dezer Amerikaansche emigratie, die zij zelven in den beginne aanmoedigden.
Naauwelijks acht jaren na de komst der eerste Amerikanen in Texas, maakten dezen bijna de geheele bevolking uit.
Het kabinet van Washington hield nu zijne plannen niet langer verborgen en sprak reeds op hoogen toon om Mexico het grondgebied van Texas af te koopen, waar het Spaansch element schier geheel verdwenen was om voor den ondernemenden en stoutmoedigen koopmansgeest der Angel-Saksen plaats te maken.
De Mexicaansche regering, eindelijk uit haar langen slaap wakker geschud, begreep het gevaar dat haar door den dubbelen inval der inwoners van Missouri en van Texas in den staat Santa-Fé bedreigde, en het wilde de Amerikaansche landverhuizing stuiten, maar het was te laat; de door het Congres te Mexico uitgevaardigde wet was onmagtig, en de kolonisatie hield niet op, ondanks de militaire posten die overal de Mexicaansche grenzen bezetten, en belast waren om de emigranten af te wijzen en tot den terugtogt te dwingen.
Generaal Bustamente, de president der Republiek, begon in te zien dat hij weldra tegen de Amerikanen zou te kampen hebben, en bereidde zich in stilte tot den strijd. Onder bedekte termen rigtte hij van lieverlede naar de Roode rivier en de Sabine talrijke troepenkorpsen, die weldra het cijfer van twaalf duizend man bereikten.
Intusschen bleef alles schijnbaar in rust en niemand had vooreerst den dag of het jaar kunnen bepalen wanneer de strijd beginnen zou, tot op eens eene trouweloosheid van den gouverneur der oostelijke provinciën dien deed uitbreken, op een oogenblik dat men er het minst op verdacht was.
Zie hier de zaak:
De kommandant Anahuac liet zonder voldoende redenen verscheidene Amerikaansche kolonisten arresteren en in de gevangenis werpen.
De Texanen hadden tot dusver zonder morren de tallooze kwellingen verdragen die zij van tijd tot tijd van de zijde der Mexicaansche officieren moesten ondergaan, maar bij deze laatste magtsmisbruiking stonden zij in massa op, vertoonden zich gewapend bij den kommandant en eischten met dreigende oorlogskreten dat hunne medeburgers onmiddellijk zouden worden in vrijheid gesteld.
De kommandant, die zich te zwak gevoelde om openlijk weerstand te bieden, veinsde hun verzoek toe te staan, maar hield hun voor, dat hij twee dagen noodig had om zekere formaliteiten te volbrengen en zijne verantwoordelijkheid te dekken.
De insurgenten bewilligden in dit uitstel, van hetwelk de officier heimelijk gebruik maakte om het garnizoen van Nacogdoches in allerijl tot zijne hulp op te roepen.
Dit garnizoen rukte binnen op het oogenblik dat de insurgenten, op het woord van den gouverneur vertrouwende, rustig waren afgetrokken.
Woedend over deze trouwelooze misleiding, keerden zij onmiddellijk terug en namen zulk eene indrukwekkende houding aan, dat de officier zich gelukkig rekende van hen af te komen, door de gevangenen in vrijheid te stellen.
Onder deze bedrijven werd er in Mexico een pronunciamento, of nieuwe regeering uitgeroepen, ten gunste van Santa-Anna, die de magt van generaal Bustamente omver wierp, onder den kreet van: „Leve het bondgenootschap!”
In Texas vooral was men tegen het stelsel der centralisatie, dat hen nooit als afzonderlijken staat had willen erkennen; de Texanen verklaarden zich dus eenparig voor de bondgenootschappelijke regering.
De kolonisten kwamen in massa in opstand, voegden zich bij de insurgenten van Anahuac, die nog altoos onder de wapenen waren, en trokken gezamentlijk naar het fort Velasco, dat zij belegerden.
De leus hunner vereeniging was nog altoos: „Leve het bondgenootschap!” maar onder deze leus verborg zich de kreet van: „Leve de onafhankelijkheid!” dien de Texanen nog niet sterk genoeg waren om openlijk uit te spreken.
Het fort Velasco werd verdedigd door een kleine Mexicaansche bezetting, onder kommando van een dapper officier met name Ugartechea.
In dit zonderlinge beleg, waarbij de belegeraars het kanonvuur der vesting met karabijnschoten moesten beantwoorden, deden de Texanen en Mexicanen wonderen van dapperheid en legden beiden een ongewonen heldenmoed aan den dag.
De kolonisten, meestal geoefende scherpschutters, achter verbazende verhakkingen en aardewerken verscholen, vuurden als naar de schijf en verpletterden de handen der Mexicaansche artilleristen zoo vaak deze zich vertoonden om hunne stukken te laden.
Eindelijk kwamen de zaken zoo ver, dat de kommandant Ugartechea, toen hij zijne dapperste manschappen telkens verminkt aan zijne zijde zag vallen, besloot liever zich zelven op te offeren en zelf de handen aan het werk sloeg. Door dezen trek van heldenmoed getroffen, hielden de Texanen, die den braven kommandant twintigmaal hadden kunnen dooden, met vuren op en Ugartechea gaf zich eindelijk over, afziende van eene verdediging, die hij zonder ontzet van buiten, bepaald onmogelijk keurde.
Deze uitslag vervulde de kolonisten met vreugde, doch Santa-Anna liet zich aangaande de bedoeling der insurgenten niet misleiden; hij begreep dat onder de leus der confederatie eene duidelijk verklaarde revolutionnaire beweging verscholen lag, en wel verre van zich door de schijnbare medewerking der kolonisten te laten misleiden, zond hij, zoodra zijn gezag genoeg gevestigd was om met vrucht tegen hen te kunnen handelen, in allerijl kolonel Mexia met vierhonderd man naar Texas om er het zwaar geschokte gezag der Mexicanen te herstellen.
Na veel aarzelingen en diplomatieke draaijerijen, die tusschen lieden welker voornaamste wapen in wederzijdsch wantrouwen bestond, onmogelijk tot iets goeds kon leiden, brak de oorlog eindelijk met vernieuwde woede uit; een comité van openbare veiligheid kwam te San-Felipe tot stand en riep het volk in massa op om zich te wapenen en aan den strijd deel te nemen.
Intusschen, nog voor dat de burgerkrijg officieel was begonnen, verscheen de man, die het lot van Texas voor goed zou beslissen en wien de eer toekomt het te hebben vrijgemaakt, namelijk Samuel Houston.
Van dit oogenblik af werd de bedeesde en tot niets leidende opstand in Texas eene volslagen omwenteling. Het Mexicaansche gouvernement bleef echter, in schijn, nog altijd de wettige regering des lands; de kolonisten werden natuurlijk opstandelingen genoemd, en wanneer zij den vijand in handen vielen, als zoodanig behandeld, dat is, zonder vorm van proces, gehangen, verdronken of doodgeschoten, al naar dat de plaats waar men hen gevangen kreeg, voor een dezer drieërlei wijzen van terdoodbrenging geschikt was.
Op den dag waarmede ons verhaal begint, had de verbittering tegen de Mexicanen en de geestdrift voor zaak der vrijheid en onafhankelijkheid haar hoogste toppunt bereikt.
Omtrent drie weken vroeger was er een ernstig gevecht geleverd tusschen het garnizoen van Bejar en een detachement vrijwilligers uit Texas, onder kommando van den moedigen Austin, een van de meest beroemde opperhoofden der insurgenten. Ondanks hunne minderheid in getal en hunne onbedrevenheid in de militaire taktiek, hadden de kolonisten zoo dapper gestreden en met hun eenig stuk geschut zoo goed gemanoeuvreerd, dat de Mexicaansche troepen, na zware verliezen te hebben geleden, genoodzaakt waren het veld te ruimen en ijlings naar Bejar terug te trekken.
Dit gevecht was het eerste dat in het westen van Texas na de verovering van het fort Velasco geleverd werd, en het besliste over de revolutionnaire beweging, die zich nu met de snelheid van een loopend vuur uitbreidde.
Uit alle steden en dorpen kwamen er manschappen op om zich bij het bevrijdingsleger te voegen, de tegenstand organiseerde zich op uitgebreide schaal, en talrijke partijgangers, onder moedige chefs, liepen het land in alle rigtingen af, voerden den kleinen oorlog voor eigen rekening en dienden elk op zijne wijs de zaak die zij met mannenmoed verdedigden.
Kapitein don Juan Melendez, aan alle kanten door zulke geduchte vijanden omgeven, die des te gevaarlijker waren voor hem daar hij hunne getalsterkte zoo min als hunne bewegingen onmogelijk kon verkennen, zag zich derhalve tot dubbele waakzaamheid verpligt; bovendien belast met eene moeijelijke en gewigtige taak, terwijl hij bij iederen stap voelde dat hem verraad dreigde, zonder dat hij wist waar of wanneer of hoe het over hem zou losbarsten, moest hij de uiterste voorzorg inachtnemen en met buitengewone gestrengheid te werk gaan, zoo hij den kostbaren schat, die hem was toevertrouwd, in behouden haven wilde brengen; daarom ook had hij niet geaarzeld, in de ruwe kastijding van padre Antonio, een afschrikkend voorbeeld te stellen voor allen die hem zouden willen navolgen.
Sedert lang reeds had de monnik, wiens dubbelzinnig gedrag zijne ongerustheid zeer had gaande gemaakt, bij hem onder zware verdenking gelegen, zoodat hij alle reden meende te hebben om zijne eerlijkheid te mistrouwen.
Don Juan nam zich dus voor om bij de eerste de beste gelegenheid die zich aanbood zijn twijfel tot zekerheid te brengen. Wij hebben reeds gezien hoe het hem gelukte de vijandelijke mijn verkeerd te doen springen, toen hij den vermetelen spion door twee vermomde tegenspionnen, die slimmer waren dan hij, wist te bespieden en hem bijna op heeterdaad te betrappen.
Intusschen moeten wij hier tot onpartijdige beoordeeling van den geldzuchtigen monnik bekennen, dat de staatkunde met diens gedrag niets te maken had; zijne denkbeelden gingen zoo hoog niet, hij wist dat de kapitein met het overbrengen van eene conducta de plata belast was, en had hem alleen in den strik willen lokken om voor zich een goed aandeel in den buit te bekomen, en zoo in een enkelen slag zijn fortuin te maken, om ongestoord zijn vrolijk leven te kunnen voortzetten, dat hem tot hiertoe niet altijd even gemakkelijk viel; verder gingen zijne gedachten niet, de man was eenvoudig een dief of liever een straatroover, maar bemoeide zich niet, gelijk andere zijner ordebroeders, met politieke zaken.
Wij zullen hem voor het tegenwoordige laten waar hij is, om ons bezig te houden met de twee jagers, aan wier tusschenkomst hij zijne ruwe kastijding te danken had en die terstond na de strafoefening het kamp verlaten hadden.
Deze beide mannen gingen stil den heuvel af en verdiepten zich in een digt bosch, waar zij hunne paarden terugvonden, twee prachtige, halfwilde mustangs, met vurige oogen en fijn gevormde, lange beenen, die er onbezorgd liepen te grazen; zij waren gezadeld en gereed om bestegen te worden.
Na hun de kluisters te hebben afgedaan, bragten de jagers hun gebit en teugel weder in orde, sprongen in den zadel, en reden spoorslags weg.
Zoo renden zij een geruimen tijd voort, diep over den hals hunner paarden gebogen, dwars door de wildernis, zonder om te zien of zich te bekreunen om de hindernissen die zij op weg ontmoetten en waar zij met voorbeeldelooze vaardigheid over heen sprongen; eindelijk, na een rid van twee uren, en omtrent een uur voor het opgaan der zon hielden zij stil.
Zij hadden thans den ingang van een vrij engen bergpas bereikt aan weerszijden door hooge boschrijke heuvels ingesloten, de eerste voorposten van het hemelhoog gebergte welks besneeuwde spitsen zoo nabij schenen dat zij over het vlakke land dreigden neer te storten.
De jagers stegen af eer zij de bergengte intraden en na hunne paarden weder gekluisterd te hebben, die zij in een digt boschje van floripondios verborgen, begonnen zij den omtrek te doorzoeken, met al de zorg en schranderheid van Indiaansche krijgslieden die een spoor op het oorlogspad moesten ontdekken.
Hun onderzoek bleef lang zonder vrucht, zooals wel te bemerken was aan de uitroepen van spijt en teleurstelling, die hun nu en dan dof over de lippen kwamen.
Eindelijk, na meer dan een uur vergeefs gezocht te hebben, ontdekten zij, dank zij de eerste stralen der zon, die helder over de vlakte opging en snel de duisternis verdreef, zekere, bijna onmerkbare, maar ontwijfelbare teekenen, die hen van vreugde deden opspringen.
Thans, voorloopig van hunne meest knellende zorgen bevrijd keerden zij naar hunne paarden terug, strekten zich vergenoegd op den grond uit en grabbelden in hunne alforjac (ransels) en haalden er het noodige uit voor een sober dejeuner, daar zij weldra alle eer aan bewezen, met den gulzigen eetlust van lieden die den ganschen nacht in den zadel geweest en langs bergen en dalen gegaloppeerd hadden.
Sinds hun vertrek uit het Mexicaansche kamp was er tusschen de beide jagers geen woord gewisseld, zij schenen te handelen onder den indruk eener voorgenomen taak, die hen geheel vervulde en alle gesprek onnoodig maakte.
Overigens is deze stilzwijgendheid een merkwaardige trek van menschen die gewoon zijn in de woestijn te leven; zij brengen soms gansche dagen door zonder een woord te spreken, of doen het alleen bij hooge noodzakelijkheid en dan nog menigmaal vervangen door de gebarentaal, die op spreektaal dit onbetwisbaar voordeel bezit dat zij de tegenwoordigheid van hen die er zich van bedienen niet verraadt aan hun vaak onzigtbaren vijand, die welligt op korten afstand in de struiken verscholen gereed is om op de onvoorzigtigen af te schieten, als een roofvogel op zijn prooi.
Toen de eerste honger der jagers eindelijk gestild was stopte de een, dien de kapitein John had genoemd, zijn korte pijpje, stak het in den hoek van zijn mond en reikte den tabakzak aan zijn kameraad over.
„Wel, Sam,” begon hij half fluisterend, als vreesde hij door iemand gehoord te worden, „ik geloof dat wij goed geslaagd zijn, zeg?”
„Ik ben van ’t zelfde gevoelen, John,” antwoordde Sam met een toestemmenden hoofdknik, „gij zijt verduiveld knap, vriend, dat moet ik zeggen.”
„Bah!” riep de andere met minachting, „er steekt weinig verdienste in om die lompe Spanjaarden te foppen, zij zijn zoo stom als roode flamingo’s.”
„Dat doet er niet toe, de kapitein is in de fuik, zoo mooi als ge ’t ooit gezien hebt.”
„Nu! voor hem was ik het minste bang, want ik wist sedert lang hoe ik met hem om moest gaan; maar die vervloekte monnik....”
„Ja, ja! als we niet juist in tijds waren gekomen, zou hij ons die schoone zaak waarschijnlijk afhandig hebben gemaakt.”
„Ik geloof dat ge gelijk hebt, Sam; het deed mij duivels goed toen ik hem zag krimpen onder de chicote.”
„’t Was inderdaad een heerlijk gezigt. Maar zoudt gij niet denken dat hij zich wreken zal? die monniken zijn verduiveld haatdragend.”
„Loop! wat hebben wij van zoo’n ellendeling te vreezen? hij zal ons nooit weer durven aanzien.”