De zwervers op de grenzen

Part 13

Chapter 133,992 wordsPublic domain

„Dat doet er niet toe, ’t is altoos goed niet te veel op zijn geluk te vertrouwen. Ons vak is gevaarlijk, zooals gij weet, en het kon wel zijn dat die verwenschte schobbejak ons te avond of morgen een kwaden trek speelde.”

„Kom, kom! houd op, wat wij gedaan hebben is zuiver spel. Wees verzekerd dat de monnik, onder gelijke omstandigheden, ons evenmin zou gespaard hebben.”

„Dat is waar; dus mag hij voor mijn part naar den duivel loopen! des te meer daar de buit die wij bejagen ons nooit beter van pas kon komen. Ik zou het mij zelven nooit vergeven hebben, als ik dien had laten ontsnappen.”

„Zullen wij hier op den uitkijk blijven zitten?”

„Dat is het veiligste; het zal altoos tijd genoeg wezen om ons bij onze kameraden te voegen, als wij de recua muilezels in de vlakte zien naderen; en buitendien, wij zijn hier immers afgesproken?”

„Dat is waar, daar dacht ik niet meer om.”

„En ziedaar! spreekt men van den wolf.... Daar komt onze man juist aan.”

De jagers stonden haastig op, grepen hunne wapens en stelden zich achter een rotsblok op wacht, om op ieder avontuur gereed te zijn.

De snelle galop van een paard deed zich in de verte hooren, en naderde van oogenblik tot oogenblik. Weldra kwam er uit den bergpas een ruiter te voorschijn, die zonder zijn paard een oogenblik te vertragen doorreed, tot hij naauwlijks twee passen van de jagers af, kalm en fier staan bleef.

Laatstgenoemden kwamen terstond uit hun schuilhoek te voorschijn en snelden hem tegemoet, met den regterarm uitgestrekt en de handpalm open, ten teeken van vrede.

De ruiter, een Indiaansch krijgsman in oorlogskostuum, beantwoordde deze vredelievende vertooning door het zwaaijen met zijn bisonsmantel, vervolgens steeg hij af en kwam zonder verdere pligtpleging vriendschappelijk de handen drukken die de jagers hem toestaken.

„Wees welkom, hoofdman,” zei John, „wij wachtten u met ongeduld.”

„Zoo mijne blanke broeders op de zon willen letten,” antwoordde de Indiaan, „zullen zij zien dat de Blaauwe-Vos niet te laat kwam.”

„Dat is waar, hoofdman, er valt niets op te zeggen; gij komt prompt op uw tijd.”

„De tijd wacht op niemand; krijgslieden zijn geen vrouwen. De Blaauwe-Vos zou gaarne raad houden met zijne blanke broeders.”

„Goed!” antwoordde John, „uwe aanmerking is zeer gepast, hoofdman, laten wij zamen spreken, ik had mij reeds lang met u willen verstaan.”

De Indiaan maakte voor hem eene diepe buiging, hurkte bij het vuur neder, stak zijn calumet aan en begon met stille aandacht te rooken; de beide jagers gingen naast hem zitten, en bewaarden, even als hij, het diepste stilzwijgen, zoo lang er nog tabak in hunne pijpen brandde.

Eindelijk schudde het opperhoofd de asch op den nagel van zijn duim uit, stak de calumet in zijn gordel en was gereed om het woord op te vatten.

Maar op eens knalde er een geweerschot en op hetzelfde oogenblik floot er een kogel voorbij, die even boven hunne hoofden een tak verbrijzelde.

De drie mannen sprongen terstond op de beenen, grepen hunne wapens en maakten zich gereed om den vijand te keer te gaan, die hen zoo onverhoeds durfde aanvallen.

XVII.

DE TIJGERDOODER.

Op ongeveer twintig mijlen afstands van de hacienda del Mezquite, en omtrent even ver van de Venta del Potrero, zaten in den avond van den zelfden dag waarmede het vorige hoofdstuk begon, twee mannen te praten en hun soupé te genieten, dat uit de bekende pemmican en eenige gekookte camotes (wilde aardappelen) bestond.

Deze twee mannen waren de Canadees Tranquille, bijgenaamd Tijgerdooder, en zijn vriend Quoniam, de neger.

Naauwelijks vijftig passen van hen af, in een boschje van klimop en ander struikgewas, stond een jong veulen van omtrent twee maanden, aan een reusachtigen catalpastam vastgebonden.

Het arme dier, na lange en vergeefsche moeite om zijne boeijen te verbreken, had eindelijk de nutteloosheid zijner pogingen ingezien, en zich moedeloos onder den boom nedergelegd.

De beide mannen, die wij aan het slot van ons tiende hoofdstuk als jonge menschen verlaten hebben, waren thans tot de tweede helft van hun leeftijd genaderd.

Ofschoon de ouderdom slechts weinig vat op hun ijzerharde gestel scheen gehad te hebben, begonnen toch enkele haren op het hoofd en in den baard van den jager te grijzen, en vertoonde zich hier en daar een diepere rimpel op zijn eerlijk, maar door de zon en het buitenleven gebronsd gelaat.

Behalve deze ligte maar onmiskenbare teekenen van een gevorderden leeftijd, was er geen het minste spoor van verzwakking bij den Canadees op te merken, integendeel stond zijn oog nog even helder en levendig, bleef zijn lijf even regtop, en waren zijne leden even forsch gespierd als voorheen.

Wat den neger betreft, deze had in zijn voorkomen nog minder verandering ondergaan; hij scheen nog altijd dezelfde jonge man, alleen was hij vrij wat dikker geworden en in plaats van rank, min of meer gezet, zonder daarom iets van zijne voorbeeldelooze vlugheid te verliezen.

De plaats waar onze twee woudloopers zich gelegerd hadden, was ongetwijfeld een der schilderachtigste van de prairie.

De middernachtswind had den dampkring schoon geveegd, en aan het donkerblaauw gewelf schitterden duizenden sterren, waaronder bovenal het Zuider Kruis praalde, met onverdoofbaren luister. Het heldere schijnsel der later opgekomen maan, die nog voor tweederde vol was en reeds vrij hoog aan den hemel stond, deed het sterrenlicht wel is waar merkelijk verflaauwen, maar des te betooverender vielen hare zilverwitte stralen op de omringende voorwerpen en dompelden het bedauwde landschap in eene fantastische schemering. Bij elke verheffing van den wind schudden de boomen hunne vochtige kruinen en ritselde er een kortstondig stortbad van koele droppels op de lagere struiken.

De rivier stroomde rustig tusschen hare welige oevers en kronkelde in de verte door het vreedzame dal, als een breed zilveren lint, terwijl in haar kabbelend watervlak het zachte beeld der maan zich trillend terugkaatste als in een levenden spiegel.

Het was in de woestijn zoo stil, dat men het vallen van een dorrend blad of het schuifelen van een kruipend dier tusschen de takken had kunnen hooren.

De beide jagers zaten te keuvelen met naauwelijks hoorbare stem, wat in de wildernis niet vreemd is; wat echter wel vreemd scheen, voor mannen die met het leven der bosschen zoo goed bekend en vertrouwd waren, was, dat zij hun kamp in plaats van op den top, integendeel aan den kant van een heuvel hadden gekozen, die zacht naar de rivier afglooide, op wier slijkerigen oever, niet ver van hen af, tallooze voetsporen van wilde, en grootendeels van verscheurende dieren zigtbaar waren afgedrukt.

Ondanks de tamelijk koude nachtlucht en de kille dauw die er gevallen was, hadden de jagers geen vuur ontstoken, ofschoon het hun zeer welkom zou zijn geweest zoo zij hunne leden hadden kunnen verwarmen; vooral de neger, die zeer dun gekleed was en niet anders aan had dan een korte linnen broek en een stuk van een zarape vol gaten, zat letterlijk te beven en te klappertanden als een hazewindhondje. Tranquille daarentegen, die in het kostuum der Mexicaansche gambusinos veel warmer gekleed was, scheen van de koude volstrekt geen hinder te hebben; met het geweer tusschen de beenen, terwijl zijn onfeilbaar oog nu en dan in de duisternis rondkeek en zijn geoefend oor scherp luisterde naar het minste gerucht, hield hij den neger gestadig aan de praat, zonder op diens grimassen of klappertanden te letten.

„Gij hebt dus de chica (de kleine) van daag niet gezien, Quoniam?” vervolgde hij.

„Neen, neen, ik heb haar in geen twee dagen gezien,” antwoordde Quoniam.

De Canadees zuchtte.

„Ik had er reeds moeten heengaan,” hervatte hij, „het kind is wel zeer alleen daar, vooral nu de oorlog is uitgebroken en al de grensloopers en bandieten naar dezen kant komen.”

„O! Carmela heeft handen en tanden, zij zal zich weten te weren als men haar beleedigt.”

„Mijn God!” riep de Canadees terwijl hij zijn karabijn vaster klemde, „als een van die onverlaten haar iets meer durfde zeggen dan....”

„Maak u toch zoo ongerust niet, Tranquille,” zei de neger, „gij weet wel als iemand haar durfde beleedigen, dat het de querida Niña (het lieve meisje) niet aan verdedigers zou ontbreken; daarbij, Lanzi is er immers, die verlaat haar geen oogenblik, en zoo als gij weet, die is getrouw.”

„Ja,” mompelde de jager, „maar Lanzi is in ieder geval maar één mensch.”

„Ik zie geen kans om u gerust te stellen, met zulke ideeën als gij u in ’t hoofd haalt.”

„Ik houd heel veel van dat kind, Quoniam.”

„Mijn hemel! ik houd ook veel van haar, dat mooije schalkje; weet gij wat wij doen zullen? zoodra wij dien tijger geschoten hebben, gaan wij naar de Venta; vindt gij dat goed?”

„Het is zoo ver van hier.”

„Kom! vier uren loopens op zijn langst! Maar hoor eens, Tranquille, weet ge wel dat het hier drommels koud is, ik ben letterlijk op weg om te bevriezen. Dat verwenschte beest! Zeg mij toch wat hij op dit oogenblik doet? Ik geloof dat hij meer pleizier heeft om heen en weer te kuijeren, dan regelregt op ons af te komen.”

„Om zich te laten doodschieten, wilt gij zeggen, niet waar?” zei Tranquille met een glimlach. „Sakkerloot! misschien begrijpt hij dat wij hem niet ontzien zullen.”

„Dat is wel mogelijk, die duivelsche dieren zijn slim. Wacht! het veulen begint onrustig te worden, het heeft zeker iets in den neus.”

De Canadees wendde het hoofd naar dien kant.

„Neen, nog niet,” zeide hij.

„Onze gansche nacht gaat er meê heen,” pruttelde de neger op een toon van ontevredenheid.

„Zult gij dan altijd even ongeduldig en stijfhoofdig blijven, Quoniam? Wat ik u ook zeg, gij schijnt mij niet te willen begrijpen! hoe dikwijls heb ik u reeds verzekerd dat de jaguar een der listigste dieren is die men kent. Ofschoon wij hier onder den wind zitten, is het mij duidelijk dat hij ons geroken heeft. Hij zwerft gluiperig om ons heen, en is bang om onzen post te nabij te komen. Zoo als gij zegt, kuijert hij hier en daar, zonder bepaald doel.”

„Maar zoudt gij denken dat hij nog lang zoo in het rond zal loopen?”

„Neen, want hij zal dorst beginnen te krijgen; op dit oogenblik wordt hij door drie verschillende gevoelens geslingerd, door honger, dorst en vrees; de vrees zal het eerste verminderen, wees daar gerust op, dat is slechts een vraag van tijd.”

„Dat merk ik; wij zitten nu reeds meer dan vier uren hier op onzen loer.”

„Geduld! het ergste is geleden; ik ben zeker dat wij spoedig van hem hooren zullen.”

„God geve dat gij waarheid spreekt! want ik verga van de koû, zou hij groot zijn?”

„Ja, zijne stappen zijn lang, maar als ik mij niet zeer bedrieg is hij gepaard.”

„Zoudt gij dat denken?”

„Ik zou er bijna op durven wedden; ’t is onmogelijk dat een enkele jaguar in minder dan acht dagen zooveel verwoesting aanrigt; don Hilario heeft mij verzekerd dat er bij hem tien stuks vee verdwenen zijn.”

„O!” riep Quoniam, vrolijk in zijne handen wrijvende, „dan zullen wij een schoone jagt hebben; het is er zeker een die jongen heeft.”

„Dat heb ik al gedacht; want anders zouden zij niet zoo digt bij de hacienda’s komen.”

Op dat oogenblik hoorde men, op verren afstand in de wildernis, een heesch gebrul, dat min of meer naar het krollen van een kat geleek.

„Dat is zijn eerste geroep,” zei Quoniam.

„Hij is nog zeer ver.”

„O! hij zal spoedig nader komen.”

„Nog niet; het is hem nog niet om ons te doen op dit oogenblik.”

„En om wie dan?”

„Luister!”

Een tweede gebrul, aan het eerste gelijk, maar van den tegengestelden kant komende, klonk thans kort in de nabijheid.

„Heb ik u niet gezegd dat hij gepaard was,” hervatte de Canadees bedaard.

„Daar heb ik niet aan getwijfeld. Als gij met de gewoonten der tijgers niet bekend waart, wie zou ze dan kennen?”

Het veulen was opgestaan; het arme dier beefde van top tot teen; half dood van schrik en met den kop tusschen de voorbeenen, kon het zich naauwelijks staande houden en deed het een klagend gehinnik hooren.

„Ach!” riep Quoniam, „het arme onnoozele dier begrijpt dat hij verloren is.”

„Ik hoop van neen.”

„De jaguar zal hem verscheuren.”

„Ja, als wij den jaguar niet eerst dooden.”

„Pardi!” riep de neger, „ik moet u bekennen, ik zou zoo gaarne zien dat het ongelukkige veulen er goed afkwam.”

„Het zal er goed afkomen, ik heb het voor Carmela bestemd.”

„Bah! En waarom heb gij het dan hier gebragt?”

„Om het aan de tijgers te gewennen.”

„Nu, dat is ook een goed idee; ha! nu vat ik u; dan bemoei ik mij niet meer met dezen kant.”

„Neen, zorg gij maar voor den jaguar die van den anderen kant komt, ik neem dezen voor mijne rekening.”

„Dat is afgesproken.”

Twee nieuwe brullingen, sterker dan de vorige, werden bijna gelijktijdig gehoord.

„Hij heeft dorst,” mompelde Tranquille, „hij wordt kwaad, en hij begint te naderen.”

„Goed! moeten wij ons gereed maken?”

„Wacht nog even; onze vijanden aarzelen; hunne woede is nog zoo hoog niet geklommen dat zij hunne voorzigtigheid vergeten.”

De neger, die reeds was opgestaan, ging bedaard weder zitten.

Zoo verliepen er eenige minuten. Bij tusschenpoozen streek er een windvlaag door de takken, die hun de geheimzinnige geluiden der woestijn scheen aan te dragen, dwarrelde een poosje boven het hoofd der jagers en stierf dan weder weg als een zucht in de verte; daar zaten zij, kalm en onbewegelijk, met de oogen op de vlakte gerigt, met de hand aan de karabijn, en gereed om op het eerste teeken op den vijand los te branden, die tot nog toe onzigtbaar was, maar wiens dreigenden aanval, zij als bij instinct voelden naderen.

Op eens ontroerde de Canadees en boog hij driftig met het oor digt tegen den grond.

„O!” riep hij, vreesselijk verschrikt opstaande: „Wat gaat er toch om in de woestijn?”

Op dit oogenblik klonk het gebrul van een tijger met de kracht van een donderslag.

Onmiddellijk daarop hoorde men een vreeselijken noodkreet en een korten galop van een paard dat met duizelende snelheid scheen te naderen.

„Op! op! en voort!” riep de Canadees, „er is iemand in lijfsgevaar, de tijger zet zijn prooi na.”

De beide jagers vlogen op en ijlden onverschrokken in de rigting waar het gebrul gehoord was.

Het gansche bosch scheen in beweging; allerlei onbestemde geluiden klonken uit de donkere diepten, nu eens als gillend spotgelach, dan weder als angstige jammerkreten.

Onder dit alles hield het maauwen en brullen der tijgers geen oogenblik op. De paardengalop die de jagers in ’t eerst gehoord hadden scheen zich te verdubbelen en van verschillende kanten te komen.

Tranquille en de neger liepen nog altoos in een regte lijn voort over heuvels en steilten, holle wegen en struiken, al wat zij maar konden; de vrees voor het vermoedelijke onheil dat de onbekende reizigers getroffen had of bedreigde, gaf vleugels aan hunne voeten.

Plotseling klonk er een noodkreet, doordringender en wanhopiger dan te voren, op korten afstand.

„O!” riep Tranquille, terwijl de schrik hem deed duizelen, „dat is zij! dat is Carmela!”

En met een sprong als een boschkat vloog hij vooruit, onmiddellijk gevolgd door Quoniam, die hem bij dezen woedenden wedloop geen duimbreed schuldig bleef.

Plotseling werd het in de wildernis doodstil; alle gedruisch en geschreeuw hield als bij tooverslag op; en men hoorde niets dan het hijgen der jagers, die gestadig doorliepen, zonder hunne vaart een oogenblik te vertragen.

Maar op eens klonk er een woest gegrom van tijgers kort voor hen uit; een gekraak in de takken deed de nabijzijnde struiken schudden, en eene donkere massa, die uit een boom sprong, zweefde den Canadees over het hoofd; oogenblikkelijk schitterde er een vlam in de duisternis en knalde er een geweerschot, dat bijna gelijktijdig beantwoord werd door een zieltogend gebrul en een vreeselijken gil.

„Schep moed! Niña! schep moed!” riep eene krachtige mannenstem op korten afstand, „gij zijt gered!”

De jagers verdubbelden nog door eene laatste inspanning de snelheid van hun schier ongeloofelijke vaart en kwamen eindelijk op het tooneel van den strijd.

Een allervreemdst en vreesselijk schouwspel deed zich voor aan hunne verbaasde blikken.

Op eene beperkte opene ruimte, zagen zij eene vrouw bewusteloos uitgestrekt, naast een half verscheurd paard, dat geweldig lag te schoppen, en blijkbaar met den dood worstelde.

De vrouw lag onbewegelijk, zij scheen dood te zijn.

Twee jonge tijgerwelpen, als katten nedergehurkt, zaten met vlammende oogen haar aan te loeren en schenen gereed om op hun prooi toe te schieten; een weinig verder buitelde en kromde zich een gewonde tijger brullend en reutelend over het gras; en zocht in zijn laatste doodstuip nog een man te bespringen, die op de eene knie liggende, den linker arm in zijn zarape gewikkeld voor zich uit hield, en met een groot jagtmes in de regterhand, onverschrokken zijn aanval verbeidde.

Achter dezen man, stond een paard met uitgestrekten hals, snuivende neusgaten en achterwaarts gestreken ooren bevend van schrik op de wijd uitgestrekte beenen; terwijl een tweede tijger op een der hoofdtakken van een grooten lorkenboom, met loerende blikken vlamoogde op den geknielden ruiter onder vreeselijk gebrom met opgeheven staart en ingekorte lenden, almede gereed om ieder oogenblik zijn prooi te bespringen.

Wat ons hier zooveel tijd kostte om te beschrijven, zagen de jagers met een enkelen oogopslag. Met verwonderlijke kalmte en onbegrijpelijke vaardigheid verdeelden de onversaagde woudloopers hunne rollen.

Terwijl Quoniam zich bliksemsnel op de twee jonge tijgers wierp, hen aangreep en met een enkelen slag tegen de rots verpletterde lag Tranquille zijne buks aan en brandde op de tijgerin los juist op het oogenblik toen deze den ruiter aanvloog; vervolgens zich met onvergelijkelijke snelheid omkeerende, sloeg hij met de kolf van zijn geweer den kop van den anderen tijger te pletter en velde hem dood aan zijne voeten.

„Ha! Ha!” riep de Canadees met een gevoel van zelfbewuste fierheid, terwijl hij zijn buks op den grond zette en met de mouw van zijne regterhand het koude zweet van zijn voorhoofd wischte.

„Zij leeft! zij leeft!” schreeuwde Quoniam, die al den angst begreep welke in den uitroep van zijn vriend lag opgesloten; „de schrik alleen heeft haar in flaauwte doen vallen, maar zij is behouden.”

De jager nam langzaam zijne bevermuts af, en sloeg de oogen ten hemel:

„Ik dank u, o mijn God!” murmelde hij op een toon van onbeschrijfelijke dankbaarheid.

Intusschen was de ruiter, die zoo wonderbaar door Tranquille gered werd, naderbij gekomen.

„Onder verpligting van wederkeerige dienst!” riep hij, hem de hand toestekende.

„Neen, ik ben uw schuldenaar,” antwoordde de Canadees edelmoedig; „want zonder uwe schoone zelfopoffering zou ik zeker te laat zijn gekomen.”

„Ik heb niets meer gedaan dan ieder ander in mijne plaats zou gedaan hebben.”

„Misschien! hoe is uw naam, broeder?”

„Edelhart, [4] en de uwe?”

„Tranquille. Dat zij tusschen ons in leven en sterven!”

„Aangenomen, broeder. Maar denken wij om dit arme meisje?”

De beide mannen drukten elkander voor de tweede maal de hand en naderden Carmela, aan wie Quoniam reeds al zijne zorgen besteedde om haar uit de diepe bezwijming op te wekken in welke zij gedompeld lag.

Terwijl Tranquille en Edelhart bij het jonge meisje Quoniam’s plaats overnamen, haastte deze zich om eenig droog hout te sprokkelen en een vuur aan te leggen.

Intusschen opende Carmela eenige minuten later de oogen, en weldra was zij genoeg hersteld om de oorzaak op te helderen waardoor zij zich hier zoo onverwachts in het bosch bevond, in plaats van gerust te slapen in haar bed op de Venta del Potrero.

Dit verhaal, dat uithoofde der geweldige schrikken die het meisje had moeten doorstaan, haar een paar uren kostte om het geheel te vertellen, zullen wij aan onze lezers in het volgende hoofdstuk in weinige woorden mededeelen.

XVIII.

LANZI.

Wij hebben aan het slot van het twaalfde hoofdstuk gezien dat de Jaguar de Venta verliet en Carmela er alleen achterbleef. Terwijl hij onstuimig wegreed, bleef zij hem een geruimen tijd nakijken, en toen zij hem eindelijk in een boschje van Peruboomen had zien verdwijnen, liet zij het hoofd treurig op de borst zinken en keerde met langzamen tred naar de Venta terug.

„Hij haat den kapitein,” mompelde zij ongerust in zich zelve, „hij haat hem; zou hij hem dus wel willen redden?”

Zij zonk op eene bank neer en zat een geruime poos in diep gepeins.

Eindelijk hief zij het hoofd op, een koortsachtig rood kleurde hare wangen, en hare anders zoo zachte oogen schitterden met ongewonen gloed.

„Ik zal hem redden!” riep zij met fiere vastberadenheid.

Na dezen uitroep stond zij op, en snel de zaal doorgaande opende zij de deur aan de zijde van de corral.

„Lanzi!” riep zij.

„Niña?” antwoordde de mesties, die op dit oogenblik bezig was met haver te geven aan twee fraaije paarden, die het meisje toebehoorden en die aan zijne bijzondere zorg waren toevertrouwd.

„Kom hier!”

„Ik kom; ik ben oogenblikkelijk tot uwe dienst.”

Werkelijk liet hij zich niet lang wachten en verscheen hij geen vijf minuten later in de deur der zaal.

„Wat was er van uwe bevelen, Señorita?” vroeg hij met die kalme onderdanigheid, welke aan bedorven huisknechten in Mexico eigen is, „ik heb het op het oogenblik zeer druk.”

„Dat kan wel waar zijn, beste Lanzi,” antwoordde zij, „maar wat ik u te zeggen heb lijdt geen uitstel.”

„Wel zoo!” riep hij min of meer verwonderd, „wat verlangt gij dan?”

„Niets buitengewoons, vriend; alles in de Venta is in orde, zoo als gewoonlijk; ik heb u alleen eene dienst te verzoeken.”

„Eene dienst, aan mij?”

„Ja.”

„Hum! gij hebt maar te spreken, Señorita, gij weet dat ik alles voor u doen zou.”

„Het begint reeds laat te worden, waarschijnlijk komen er vandaag geen reizigers meer in de Venta.”

De mesties keek op en berekende in gedachte den loop der zon.

„Ik geloof ook niet dat er van daag nog reizigers komen zullen,” antwoordde hij eindelijk; „het is haast vier ure; maar toch, het kon wel zijn dat er nog een kwam.”

„Er bestaat geen reden om het te veronderstellen.”

„Reden om het te veronderstellen, neen, Señorita.”

„Goed, dan moest gij de Venta maar sluiten.”

„De Venta sluiten! waarom dat?”

„Ik zal het u zeggen.”

„Is het inderdaad zoo belangrijk?”

„Inderdaad.”

„Spreek dan, Niña, ik ben geheel oor.”

Het meisje keek haar trouwen mesties lang en vragend aan, terwijl hij als een paal voor haar stond; zij liet hare ellebogen op de tafel rusten en hervatte toen met eene zachte stem op onverschilligen toon.

„Ik maak mij ongerust, Lanzi.”

„Ongerust!” riep hij, „en waarover?”

„Over het lang uitblijven van mijn vader.”

„Hoe dat! hij is immers geen vier dagen geleden nog hier geweest?”

„Hij heeft mij nog nooit zoo lang alleen gelaten.”

„Maar....” begon de mesties, terwijl hij zich verlegen achter het oor krabde.

„Kortaf,” hervatte zij, opstaande en hem bepaald in de rede vallende, „ik maak mij ongerust over mijn vader en ik wil hem zien; gij sluit de Venta en zadelt de paarden, en wij gaan terstond naar de hacienda del Mezquite; dat is zoo ver niet, over vier of vijf uren kunnen wij terug zijn.”

„Dat zal toch laat worden.”

„Een reden te meer om dadelijk te vertrekken.”

„Maar, als het uw....”

„Geene aanmerkingen, doe wat ik u zeg, ik wil het zoo.”

De mesties boog het hoofd zonder te antwoorden; hij wist wel, als zijne meesteres dus sprak, dat er voor hem niets anders opzat dan te gehoorzamen.

Het meisje deed een stap vooruit, legde haar kleine blanke hand den mesties op den schouder, bragt haar bevallige kopje digt bij zijn bruine gezigt, en sprak ten slotte, met een glimlach die den armen drommel bijna van blijdschap deed opspringen:

„Wees toch niet boos op mij om deze gril, mijn goede Lanzi.”

„Ik boos op u, Niña!” antwoordde de mesties met nadruk; „gij weet immers wel dat ik voor u door een vuur zou loopen als het wezen moest, hoe veel te meer dan zou ik zulk een onschuldigen inval van u niet gehoorzamen?”