De zwervers op de grenzen

Part 11

Chapter 113,915 wordsPublic domain

Ofschoon behoorende tot een der oudste en edelste geslachten in Mexico, had don Juan Melendez de Gongora zijne bevordering bij het leger, niet aan zijne geboorte, maar alleen aan eigen verdienste willen dank weten, eene wel ongewone zaak in een land waar de militaire eer zoo weinig in aanmerking komt, en waar de hoogere rangen voor hen die ze bezitten slechts een aanzien verleenen, dat hun van de zijde der bevolking veeleer uit vrees dan uit sympathie wordt toegekend.

Intusschen had don Juan zich in zijne zonderlinge denkbeelden zeer goed weten te handhaven, en was iedere nieuwe graad dien hij verwierf geenszins het dubbelzinnige loon, voor bewezen hulp, bij een of andere welgeslaagde omwenteling ten behoeve van dezen of genen eerzuchtigen generaal, maar de welverdiende prijs voor eene schitterende daad. Don Juan behoorde tot die klasse van echte Mexicanen, die hun vaderland opregt beminnen en die uit zuiver eergevoel steeds droomen van een nationaal herstel, dat, zoo al niet onmogelijk, dan toch hoogst moeijelijk te bereiken scheen.

De invloed van een regtschapen karakter is groot, zelfs op de onverschilligste gemoederen, zoodat kapitein don Melendez de Gongora geëerbiedigd werd door allen die met hem in aanraking kwamen, zelfs door hen die hem het minst mogten lijden.

Overigens had de deugd van den kapitein niets overdrevens of stijfzinnigs; hij was een rondborstig militair, opgeruimd en dienstvaardig, dapper als zijn degen en altijd gereed om te helpen met zijn arm en met zijne beurs, ieder, hetzij vriend of vijand, die zijne hulp noodig had. Ziedaar physiek en moreel den man geteekend die de kleine karavaan kommandeerde, en zijne bescherming had toegezegd aan den monnik die aan zijne zijde reed.

Deze geestelijke broeder, van wien wij reeds met een enkel woord gewag maakten, vordert hier eene nadere beschrijving.

Physisch beschouwd, was het een man van omtrent vijftig jaar, van gestalte bijna even breed als hoog, niet ongelijk aan een vat dat op pooten was gezet, en toch begaafd met ongewone kracht en vlugheid; zijn paarsche neus, uitpuilende mond met hangende dikke onderlip, en bolle vuurroode wangen, maakten zijn uitzigt joviaal, terwijl twee kleine, grijze, diepliggende oogen, vol vuur en kloekzinnigheid, hem een zweem gaven van onbezorgde luim en spotzucht.

Wat zijn moreel aangaat, verschilde hij niet veel van het gros der overige monniken in Mexico, dat wil zeggen, hij was zoo dom als een karper, een echte pater goedleven, hartstogtelijk gezet op eene vette keuken, een fijne flesch en het schoone geslacht, en in den hoogsten graad bijgeloovig; overigens een uitmuntend tafelvriend, hoogst gezellig, in ieder gezelschap zijne plaats waard en altijd gereed om een luimigen zet te geven of om die van anderen te lagchen.

Welk toeval hem thans zoo ver buiten de grenzen der beschaafde wereld had gevoerd, was eene vraag die niemand wist te beantwoorden en daar ook niemand zich mede bezig hield; iedereen kende de zwerfzucht der Mexicaansche monniken, wier gansche leven bestaat in reizen en trekken, van de eene plaats naar de andere, zonder bepaald doel en meestal zooals hun eigen grillige luim het hun ingeeft.

Gedurende den tijd van ons verhaal, maakte Texas in vereeniging met de provincie Cohahuila, nog slechts een enkelen staat uit, onder den naam van Texas en Cohahuila.

De karavaan, onder kommando van kapitein don Juan de Melendez was acht dagen te voren van Nacogdoches vertrokken om zich naar Mexico te begeven; volgens bekomen aanwijzingen van hooger hand, had de kapitein echter geenszins den gewonen weg gekozen, daar deze thans door gavillas, bandieten van allerlei slag als overstroomd werd, en had hij een langen omweg gemaakt om zekere kwalijk beruchte bergpassen in de Sierra San-Saba te vermijden, een gebergte dat hij noodwendig passeren moest, maar nu van den kant der groote prairie, namelijk aan die zijde waar het hooge tafelland aanmerkelijk begint te dalen, en niet meer zulke oneffen en hagchelijke punten aanbiedt als voor de reizigers zoo zeer te duchten zijn.

De tien muilezels die de kapitein begeleidde, moeten wel met zeer kostbare goederen beladen zijn geweest, dat de regering, die over zoo weinig troepen te beschikken had, besluiten kon om voor dit eskorte veertig dragonders af te staan, onder bevel van een zoo beroemd officier als don Juan, wiens tegenwoordigheid in de gegeven omstandigheden, zonder twijfel hoogst noodig, zoo niet onmisbaar was in het binnenland van den staat, om de aanslagen der revolutionnairen te onderdrukken en de woelige burgers tot hun pligt te brengen of te houden.

Inderdaad waren de goederen der karavaan zeer kostbaar, want de tien muilezels vervoerden niet minder dan drie millioen piasters aan geld die zeker een goede en gave buit zouden zijn geweest voor de insurgenten, zoo zij in hunne handen waren gevallen.

De tijd was reeds ver te zoeken, toen onder de heerschappij der onderkoningen, de enkele Spaansche vlag aan het hoofd van een konvooi van vijftig of zestig met goud bevrachte muilezels, voldoende zou zijn geweest om zulk eene conducta de plata (geldtransport) te beschermen en zonder eenig gevaar van de eene grens tot de andere, door Mexico te doen trekken; zoo groot was voor hen de schrik dien de naam van Spanje alleen reeds inboezemde.

Thans waren ter bescherming, niet van zestig, of honderd, maar van slechts tien muilezels, veertig uitgelezen ruiters naauwelijks voldoende.

Het gouvernement had ter verzekering van den conducta, die te Mexico sinds lang met reikhalzend verlangen werd te gemoet gezien, de grootste omzigtigheid noodig geoordeeld; omtrent den dag en het uur van vertrek, zoowel als den weg dien het konvooi volgen zou, moest de diepste geheimhouding worden in acht genomen.

De gouden staven en gelden waren met de meeste zorg derwijze gepakt dat de balen naar gewone pakgoederen geleken. Ook werden de muilezels op klaar lichten dag, een voor een en elk onder geleide van een enkelen arriero afgezonden, om zich eerst op vijftien mijlen van de stad te vereenigen, waar het eskorte reeds sedert eene maand, onder een of ander aannemelijk voorwendsel in eene oude presidio (dorp) gekantonneerd was geweest.

Alles was dus met de grootste zorg beraamd en berekend om het kostbare konvooi in veilige haven te brengen; de arriero’s, de eenigste die met de waarde der lading bekend waren, wachtten zich wel om er van te spreken, te meer daar zij voor den veiligen overtogt met al wat zij in de wereld bezaten, hoe veel of weinig het wezen mogt aansprakelijk waren, en het dus om hun volslagen ondergang te doen was, zoo zij op weg mogten worden uitgeplunderd.

De conducta trok in de beste orde voort onder het welluidend gerinkel der Nena; de arriero’s zongen lustig achter hunne muilezels, hen voortdrijvende met hun eeuwig: „Arrea mula! arrea linda!” (Voort muil, voort, mijn beest!)

De vlaggetjes aan de lange lansen der dragonders wapperden vrolijk in de morgenkoelte, en de kapitein luisterde onbezorgd naar het gesnap van den monnik, terwijl hij echter van tijd tot tijd zijne bespiedende blikken over de vlakte liet rondgaan.

„Kom, kom, Fray Antonio,” zeide hij tegen zijn dikken reismakker, „klaag nu maar niet langer dat gij zoo vroeg op weg zijt moeten gaan, het is een heerlijke morgenstond en alles voorspelt ons een gelukkigen dag.”

„Ja, ja, brave kapitein,” antwoordde de monnik met een lach, „daarvoor heeft onze Lieve Vrouw de la Soledad gezorgd, dat wij onder de meest gewenschte omstandigheden op reis zijn gegaan.”

„Wel! het doet mij regt veel genoegen dat ik u in zulk een goede luim zie, ik was al bang dat de trompet u dezen morgen een beetje te vroeg had opgewekt en u uit uw humeur had gebragt.”

„Mij! mijn hemel! kapitein,” hernam de monnik met geveinsde nederigheid, „wij onwaardige leden der kerk behooren ons zonder murmureren te onderwerpen aan de wederwaardigheden die het den Heer behaagt ons toe te zenden; en daarbij, het leven is zoo kort, dat men wijs doet het van zijn besten kant te bezien, om de weinige vrolijke oogenblikken die ons ten deele vallen niet in onnutte klagten te verspillen.”

„Bravo! zoo hoor ik het gaarne, dat is eene philosophie daar ik van houd; gij zijt een goed reisgezel, padre; ik hoop dat wij nog lang zamen zullen reizen.”

„Dat hangt min of meer van u zelven af, heer kapitein.”

„Van mij! hoe dat?”

„Wel! van den koers dien gij nemen zult.”

„Hum!” riep don Juan, „maar welken kant moet gij dan uit, Señor padre?”

De oude manier om de eene vraag met de andere te beantwoorden, is eene uitmuntende taktiek, die bijna altijd gelukt. De monnik althans werd er door gevangen; maar volgens de gewoonte zijner confraters, was zijn antwoord naar behooren, tamelijk uitwijkend.

„O!” riep hij met gemaakte onverschilligheid, „voor mij zijn alle wegen bijna om het even; mijn kleed is mijn paspoort en verzekert mij overal, waar ik ook kom, een goed gezigt en een goed onthaal.”

„Dat is waar, maar dan moet ik mij verwonderen over de vraag die gij mij zoo even gedaan hebt.”

„O! die is de moeite niet waard om er zoo diep over te denken, brave kapitein. Het zou mij zeer spijten als ik er u een oogenblik mede geërgerd had; zoo dat het geval mogt zijn, verzoek ik u wel nederig om verschooning.”

„Gij hebt mij in ’t minst niet geërgerd, Señor padre; ik heb volstrekt geen reden om u te verbergen waar ik heen moet; met den troep muilezels die ik eskorteer, heb ik weinig te maken; reeds morgen, of overmorgen op zijn langst, denk ik er mij van te scheiden.”

De monnik scheen zijne verwondering hierover niet te kunnen verbergen.

„Ah!” riep hij met een doordringenden blik op den spreker.

„Mijn hemel! neen,” vervolgde de kapitein luchthartig; „die goede lui hebben mij gevraagd of ik hen eenige dagen zou willen vergezellen, uit vrees voor de gavillas die hier de wegen verpesten; het schijnt dat zij nog al kostbare goederen bij zich hebben, die zij niet gaarne zouden zien plunderen.”

„Ik begrijp u, dat zou voor hen niet aangenaam zijn.”

„Niet waar? Ik heb hun derhalve deze kleine dienst niet willen weigeren, die mij weinig ongelegenheid veroorzaakt, maar zoodra zij denken veilig te zijn, zal ik hen verlaten om dieper de prairie in te trekken, volgens mijne instructiën, want de bravos (de wilde Indianen) zijn dezer dagen weder zeer on rustig, zoo als gij wel weten zult.”

„Neen, dat wist ik niet.”

„Nu, dan vertel ik het u, pater Antonio, dat is voor u eene schoone gelegenheid, die gij niet ongebruikt moet laten.”

„Eene schoone gelegenheid voor mij!” riep de monnik verwonderd, „welke gelegenheid kapitein?”

„Wel, om voor de heidenen te prediken en hun de gronden van ons geloof te onderwijzen,” antwoordde hij met onverstoorbare koelbloedigheid.

Bij deze onverwachte verklaring deinsde de monnik met schrik terug.

„Naar den duivel met zoo’n gelegenheid!” riep hij tusschen vinger en duim klappende; „zoo zot mogen anderen wezen! ik heb volstrekt geen lust om een martelaar te worden.”

„Zoo als het u behaagt, padre, maar gij hebt toch ongelijk.”

„Dat is wel mogelijk, brave kapitein, maar ik ben een paap zonder p! als ik u naar dat heidensch gebroed vergezel; over twee dagen verlaat ik u.”

„Zoo spoedig reeds?”

„Wel waarachtig! als gij naar de prairiën moet, verondersteld dat gij de muilezels die gij begeleidt, aan de rancho San-Jacinto verlaten zult, dat is het uiterste punt der Mexicaansche bezittingen en aan de grenzen der woestijn.....”

„Wel waarschijnlijk.”

„Welnu! dan denk ik bij de muildrijvers te blijven; als zij toch alle gevaarlijke punten voorbij zijn, heb ik niets meer te vreezen en zet ik mijne reis zoo aangenaam mogelijk voort.”

„Ha!” riep de kapitein met een doordringenden blik, maar hoe veel belang dit gesprek hem ook inboezemde, kon hij het niet vervolgen, daar op eens een ruiter van de voorhoede kwam aanrennen, bij hem stil hield en hem iets in ’t oor fluisterde.

De kapitein keek scherp naar alle zijden rond, ging weder regt in den zadel zitten en wendde zich tot den dragonder: „’t Is goed,” zeide hij, „Hoeveel zijn er?”

„Twee, kapitein.”

„Houd hen in ’t oog, maar zonder hen te laten merken dat zij krijgsgevangen zijn; zoodra wij aan de halte komen zal ik hen ondervragen; ga weder bij uwe kameraden.”

De soldaat boog eerbiedig zonder te antwoorden, en verwijderde zich even snel als hij gekomen was.

Kapitein Melendez had zijne onderhebbenden sinds lang gewend om over zijne bevelen niet te redeneren, maar hem zonder aarzelen te gehoorzamen.

Wij maken hier deze aanmerking, omdat zoo iets in Mexico zeer zelden gebeurt; nergens toch is de militaire tucht zoo onbeduidend, de ondergeschiktheid zoo gering en de krijgstucht zoo slecht gehandhaafd.

Don Juan deed het eskorte weder in ’t gelid treden en gaf bevel om sneller door te rijden.

De monnik had niet zonder heimelijke ongerustheid het gesprek tusschen den officier en den soldaat opgemerkt, daar hij er geen woord van begreep; toen de kapitein dus, nadat zijne bevelen naar behooren waren uitgevoerd, zich weder bij hem voegde, poogde pater Antonio zoo goed mogelijk over zijne bevelen te schertsen en over de ernstige wolk die het gelaat van den officier zoo plotseling had overschaduwd.

„O! o! kapitein,” riep hij met een goelijken lach, „wat ziet ge er bezorgd uit! Hebt gij misschien drie uilen aan uwe regterhand zien vliegen? Zoo als de heidenen zeggen, is dat een kwaad voorteeken.”

„Dat kan wel zijn!” antwoordde de kapitein droogjes.

De toon waarop dit antwoord gegeven werd had zoo weinig vriendelijks of aanmoedigends, dat de monnik begreep dat elk gesprek voor het oogenblik onmogelijk was; hij hield het zich dus voor gezegd, beet zich op de lippen, en reed stil naast zijn reisgezel voort.

Een uur later bereikten zij het kampement; noch de monnik noch de officier had een enkel woord gesproken; alleen schenen beiden, naarmate zij de bestemde halt naderden, meer ongerust te worden.

XV.

DE HALTE.

De zon was reeds bijna aan het ondergaan toen de karavaan in de legerplaats aankwam.

Deze plaats, op de kruin van een steilen heuvel gelegen, was uitgekozen met de gewone schranderheid die den arriero van Texas of Mexico eigen is; iedere overrompeling was hier onmogelijk, terwijl de digte bosschen die den kleinen berg aan alle zijden besloegen, bij een onverhoedschen aanval een veilige schuilplaats tegen de kogels aanboden.

De muildieren werden afgeladen, maar in strijd met het in zulke gevallen gewone gebruik, werden de balen, in plaats van tot verschansing of borstwering voor het kamp te dienen, op eene zekere plaats op elkander gestapeld, buiten het bereik der roovers, zoo deze misschien, wanneer de duisternis gevallen was, lust zouden hebben om er een kans op te wagen. Zes of acht groote vuren werden in een kring ontstoken, om de wilde dieren terug te houden; de muildieren kregen hun rantsoen maïs op mantas of linnen dekkleeden, die men op den grond uitspreidde; daarna, zoodra de schildwachten rondom het kamp waren uitgezet, begonnen de soldaten en muildrijvers hun mager soupé te bereiden, dat zij na de vermoeijenissen van den dag wel noodig hadden.

Kapitein don Juan en de monnik zaten een weinig achterwaarts, bij een vuur dat voor hen afzonderlijk was aangelegd, en begonnen hunne maïs cigaretten te rooken, terwijl de assistente (oppasser) van den officier met allen spoed het maal voor zijn chef gereed maakte;—een maal, even eenvoudig als dat van de andere leden der karavaan, doch dat door een geweldigen eetlust gekruid, hem niet alleen wel smaakte, maar zelfs zeer voedzaam en sappig werd, al bestond het slechts uit eenige varas (ellen) tocino, of in de zon gedroogde en aan repen gesneden vleesch, en vier of vijf platte beschuiten.

De kapitein had er spoedig mede gedaan; hij stond op, en daar het intusschen geheel nacht was geworden, ging hij de posten bezoeken om te zien of alles in orde was. Toen hij zijne plaats bij het vuur weder innam, lag pater Antonio, zorgvuldig in zijn dikken zarape gewikkeld en met de voeten bij het vuur, in diepen slaap, althans zoo scheen het.

Don Juan bespiedde hem een poos met een onbeschrijfelijken blik van haat en verachting, schudde twee of drie keeren bedenkelijk het hoofd, maar beval toch zijn oppasser, die eenige schreden verder op orders stond te wachten, dat hij de twee gevangenen bij hem zoude brengen.

Deze gevangenen waren tot op dit oogenblik achteraf gehouden, en ofschoon zij met alle onderscheiding werden behandeld, konden zij toch wel bemerken dat men hen zorgvuldig bewaakte en in ’t oog hield. Intusschen schenen zij zelven niet te vreezen dat zij lang gevangen zouden blijven, daar men hen, hetzij uit onverschilligheid hetzij om eenige andere oorzaak hunne wapens had laten behouden; bovendien, ofschoon beiden reeds den middelbaren leeftijd bereikt hadden, was het aan hunne forsch gespierde gestalten en krachtvolle gelaatstrekken wel te zien, dat zij, des noods, wanneer hunne vrijheid gevaar liep, wel in staat zouden zijn haar gewapenderhand te herwinnen, of ten minste er een kans voor te wagen. Zij volgden den oppasser zonder aanmerking of tegenstand, en weldra bevonden zij zich voor den kapitein.

De nacht was stikdonker, maar het vlammende houtvuur verspreidde licht genoeg om hunne aangezigten duidelijk te kunnen onderscheiden.

Zoodra don Juan hen bemerkte, gaf hij een teeken van verwondering, en nu hield een der gevangenen driftig den vinger aan den mond om hem voorzigtigheid aan te bevelen, terwijl hij met een zijdelingschen blik op den slapenden monnik wees.

De kapitein begreep deze stilzwijgende waarschuwing en beantwoordde haar dadelijk met een ligten hoofdknik, overigens de meeste kalmte en onverschilligheid toonende.

„Wie zijt gij?” vroeg hij terwijl hij achteloos een cigarette tusschen zijne vingers rolde.

„Jagers,” antwoordde een der gevangenen zonder aarzelen.

„Men ontmoette u eenige uren geleden aan den oever der rivier.”

„Ja.”

„Wat deedt gij daar?”

De gevangene wierp een oplettenden blik om zich heen, en vestigde toen de oogen weder op den kapitein.

„Eer ik uwe vraag nader beantwoord,” zeide hij, „verlang ik er op mijne beurt een tot u te rigten.”

„Welke? Spreek op.”

„Welk regt hebt gij om mij te ondervragen?”

„Zie maar eens rond,” antwoordde de kapitein luchthartig.

„O, ik begrijp u wel, het regt van den sterkste meent gij, niet waar? Ongelukkig erken ik dit regt niet, ten mijnen opzigte. Ik ben een vrij jager, ik erken geen anderen wil dan den mijnen, en geen anderen meester dan mij zelven.”

„O ho! uwe taal klinkt wel fier, kameraad.”

„Het is die van een man die niet gewoon is voor eens anders willekeur te bukken; gij hebt door mij gevangen te nemen geenszins misbruik van uwe kracht gemaakt, want uwe soldaten zouden mij hebben moeten dooden zoo zij mij tegen wil en dank tot u hadden willen brengen, maar van de gemakkelijkheid waarmede ik mij aan hen heb toevertrouwd; ik lever derhalve hiertegen protest in en vorder van u mijne onmiddellijke invrijheidstelling.”

„Uwe hooghartige woorden kunnen mij niet van het spoor brengen en zoo het mij behaagde u tot spreken te dwingen, zou ik er u wel toe weten te noodzaken, door zekere onwederstaanbare middelen die ik in mijn bezit heb.”

„Ja,” zei de gevangene bitter, „de Mexicanen zijn de Spanjaarden van vroeger dagen nog niet vergeten, die zich daartoe meermalen van de pijnbank bedienden; wel nu, neem er ook eens de proef van, kapitein, wie belet het u? Ik hoop dat mijne ijzergraauwe haren niet zullen wegkrimpen voor uw blonden knevelbaard.”

„Zwijg daarvan,” riep de kapitein op een toon van gebelgdheid; „maar zeg mij, als ik u vrij liet vertrekken, zou ik dan een vriend of een vijand loslaten?”

„Geen van beiden.”

„Zoo! wat wilt gij daarmede zeggen?”

„Mijn antwoord is immers duidelijk genoeg?”

„Ik begrijp het toch niet.”

„Met een paar woorden zal ik het u ophelderen.”

„Spreek.”

„Beiden in lijnregt uit elkander loopende rigtingen geplaatst, heeft het toeval ons heden gelieven zamen te brengen; zoo wij elkander thans verlaten, zal geen van ons beiden een gevoel van haat mede voeren, daar gij noch ik ons over iets te beklagen hebben, en wij elkander waarschijnlijk nooit zullen wederzien.”

„Hum! het is echter duidelijk genoeg, dat, toen mijne soldaten u ontmoetten, gij op dezen weg iemand verwachttet.”

„Wat geeft u reden om dit te denken?”

„Duivels! gij zijt immers jagers, hebt gij mij gezegd, en ik zie geen wild dat gij hier op weg zoudt kunnen schieten.”

De gevangene begon te lagchen.

„Wie weet!” hernam hij met zekeren klem op zijne woorden, „misschien kostbaarder wild dan gij veronderstelt en daar gij gaarne uw deel van zoudt willen hebben.”

Hier maakte de monnik eene ligte beweging, en opende de oogen alsof hij ontwaakte.

„Hoe is dat!” riep hij tegen den kapitein terwijl hij in schijn zijn best deed om niet te geeuwen, „slaapt gij niet, Señor don Juan?”

„Nog niet,” antwoordde deze, „ik ondervraag de twee mannen die mijne voorwacht een paar uren geleden in hechtenis heeft genomen.”

„Ah!” riep de monnik met een verachtelijken blik op de onbekenden, „die arme drommels schijnen volstrekt niet te vreezen te zijn.”

„Zoudt gij dat denken?”

„Ik weet het niet, maar waarom zijt gij beducht voor deze twee mannen?”

„Wel! het zijn misschien spionnen.”

Fray Antonio nam eene vaderlijke houding aan.

„Spionnen!” herhaalde hij, „vreest gij dan eene hinderlaag?”

„In zulke omstandigheden als waarin wij ons bevinden zou die veronderstelling alles behalve onwaarschijnlijk zijn, denk ik.”

„Loop heen! in een land als hier en met een eskorte als het uwe, zou het wel vreemd zijn; overigens hebben deze lieden zoo als ik verneem, zich zonder verzet laten vangen, toen het hun zeer gemakkelijk zou gevallen zijn om weg te komen.”

„Dat spreek ik niet tegen.”

„Zij hadden dus geene kwade bedoelingen, dat blijkt duidelijk genoeg; als ik in uwe plaats was liet ik hen stilletjes gaan waar zij goedvonden.”

„Is dat uw advies?”

„Zonder twijfel.”

„Gij schijnt in die twee onbekenden wel veel belang te stellen.”

„Ik! niets ter wereld, ik zeg u maar wat billijk is, dat is alles; intusschen moogt gij doen wat u goeddunkt, ik wasch er mijne handen van af.”

„Gij kunt wel gelijk hebben, maar toch zal ik deze lieden de vrijheid niet terug geven, voordat zij mij gezegd hebben wien zij hier verwachten.”

„Wachten zij dan iemand?”

„Dat zeggen zij ten minste.”

„’t Is waar, kapitein,” hervatte nu de gevangene die tot hiertoe alleen gesproken had; „maar ofschoon wij wisten dat gij hier langs zoudt komen, waart gij het toch niet dien wij verwachtten.”

„Wie was het dan?”

„Wilt gij het volstrekt weten?”

„Zeker.”

„Antwoord gij dan, Fray Antonio,” zei de gevangene meesmuilende, „want gij alleen zijt bekend met den naam dien de kapitein van ons verlangt.”

„Ik!” schreeuwde de monnik uit, terwijl hij van toorn opsprong en zoo bleek werd als een lijk.

„Ha! ha!” riep de kapitein, zich naar hem omwendende, „dat begint hier interessant te worden.”

Het was zeker geene onbelangrijke vertooning die deze vier mannen maakten, staande tegenover elkander rondom het kampvuur, welks flikkerende vlammen op hunne aangezigten een tooverachtig licht verspreidden.

De kapitein rookte onbezorgd zijne cigarette en hield den monnik spotachtig in ’t oog, op wiens gelaat de vrees en de onbeschaamdheid een harden kamp streden, welks afwisselende kansen zich gemakkelijk lieten waarnemen; de twee jagers stonden met de handen op den tromp hunner lange jagtroeren gekruist, in hunne vuist te lagchen, en schenen zich inwendig vrolijk te maken met de verlegenheid van den man dien zij zoo onverhoeds en zoo brutaal ten tooneele hadden gevoerd.

„Stel u toch niet zoo verwonderd aan, padre Antonio,” zeide eindelijk de gevangene, „gij weet wel dat wij hier niemand anders verwachtten dan u.”

„Mij!” hervatte de monnik met eene half gesmoorde stem, „die ellendige kerel is gek, zoo waar als ik leef!”