Part 10
„Ik begrijp niet wat gij zeggen wilt, en ik wil het niet begrijpen. Ik alleen hier, als mijn vader, of Quoniam, of wie het ook wezen mag u beschuldigt, neem uwe verdediging op mij. Is het mijne schuld of kan ik het helpen, dat gij door uw karakter en door het geheimzinnig leven dat gij leidt, u buiten de gewone zamenleving sluit? Ben ik verantwoordelijk voor het stilzwijgen, dat gij zoo halstarrig bewaart omtrent alles wat u persoonlijk aangaat? Gij kent mijn vader, gij weet hoe goed, opregt en braaf hij is; menigmaal heeft hij u van ter zijde om eene ronde verklaring aangezocht, maar altijd hebt gij zijne vorderingen afgewezen. Wijt het dus alleen aan u zelven, als men u algemeen zoekt te ontwijken, en gij u zelven eene eenzaamheid schept, maar geenszins aan mij, de eenige persoon die u tot dusver tegen allen heeft durven verdedigen.”
„’t Is waar,” antwoordde hij mismoedig, „ik ben een dwaas, ik beken mijn ongelijk jegens u, Carmela, want gij spreekt naar waarheid; onder zoo velen, zijt gij de eenige die altijd goed en zachtzinnig waart tegen den verstooteling die door den algemeenen haat vervolgd wordt.”
„Een haat even dom als onregtvaardig.”
„En dien gij niet deelt, niet waar?” riep hij onverwachts.
„Neen, ik deel dien niet, alleen hindert mij uwe stijfhoofdigheid; want ondanks alles wat men van u vertelt, geloof ik dat gij goed zijt.”
„Ik zeg u dank, Carmela; ik wenschte wel u oogenblikkelijk te kunnen bewijzen dat gij gelijk hebt en dat de anderen, die mij lafhartig in mijne afwezigheid bekladden, terwijl zij in mijn bijzijn voor mij sidderen, ongelijk hebben; ongelukkigerwijs is dit voor het tegenwoordige onmogelijk, maar eenmaal hoop ik zal de dag komen, waarop het mij geoorloofd zal zijn mij te laten kennen voor hetgeen ik ben, en het masker af te werpen dat mij bezwaart; en dan....”
„Dan?” herhaalde zij, toen zij zag dat hij ophield.
Hij aarzelde een poos.
„Dan,” vervolgde hij met eene gesmoorde stem, „dan zou ik u eene vraag willen doen en een verzoek voorstellen.”
Het meisje kreeg een ligten blos, maar zich terstond herstellende zag zij hem aan.
„Gij zult mij bereid vinden om beiden te beantwoorden,” murmelde zij naauwelijks hoorbaar.
„Zoudt gij dat inderdaad?” riep hij met vreugde.
„Ik zweer het u.”
Een glans van genoegen verhelderde het gelaat van den jongman.
„Goed! Carmela,” zeide hij op hartelijken toon, „als het oogenblik daar is, zal ik u aan uwe belofte herinneren.”
Zij boog het hoofd ten bewijze van stilzwijgende toestemming.
Er volgde een poos stilte. Het meisje ging aan hare huiselijke bezigheid en behandelde die met de luchtigheid en jagende drift die aan de vrouwen bijzonder eigen is; de Jaguar wandelde in de kamer op en neer met een nadenkend gezigt; na eenige minuten opende hij de deur en keek naar buiten.
„Ik moet vertrekken,” zeide hij.
Zij wierp hem een uitvorschenden blik toe.
„Ach!” riep zij.
„Ja; o wees zoo goed en zeg aan Lanzi dat hij Santiago voor mij gereed maakt; als ik het hem zelf zeg zal hij het misschien minder graag doen; ik meen gezien te hebben dat ik bij hem uit de gratie ben.”
„Ik zal gaan,” zeide zij met een lach.
De jongman zag haar na terwijl zij heenging en smoorde een zucht.
„Wat zou het toch zijn dat ik gevoel?” mompelde hij zich de hand op het hart drukkende, alsof het hem daar plotseling pijn deed: „Zou het dat zijn wat men liefde noemt? Ik ben dwaas,” vervolgde hij een oogenblik later, „kan ik ooit beminnen, ik, de Jaguar? en zou er iemand zijn kunnen die den verstooteling bemint?”
Een bittere grimlach plooide zich om zijne lippen, zijne wenkbraauwen trokken zich zamen en hij mompelde norsch:
„Ieder heeft zijne taak in de wereld, ik zal de mijne weten te volbrengen.”
Carmela keerde terug.
„Santiago zal oogenblikkelijk gereed zijn. Zie, daar zijn uwe botas vaqueras (koeherderslaarzen) die Lanzi mij verzocht u te geven.”
„Ik dank u,” zeide hij.
Hij begon zich nu deze twee lappen geribd leder om de beenen te binden, die in Mexico de plaats van slobkousen, of liever van sloblaarzen vervangen, en dienen moeten om den ruiter tegen het stooten der paarden te beveiligen.
Terwijl hij met het eene been op de bank en in gebogen houding zijne botas vastmaakte, beschouwde Carmela hem met alle aandacht, maar tevens met zekere schroomvallige aarzeling.
De Jaguar bemerkte het.
„Wat schort u?” vroeg hij.
„Niets,” stotterde zij.
„Gij wilt mij foppen, Carmela, pas op, de tijd is kort, zeg mij de waarheid.”
„Nu dan,” antwoordde zij met meer en meer blijkbare aarzeling, „dan wilde ik u iets verzoeken.”
„Mij?”
„Ja.”
„Spreek op, Niña, gaauw, maar gij weet vooruit, dat ik het toesta, wat het ook zij.”
„Zweert gij mij dat?”
„Ik zweer het u.”
„Welnu! wat er ook gebeuren mag, verzoek ik u, zoo gij den kapitein der dragonders ontmoet, die dezen morgen hier was, dat gij hem in uwe bescherming neemt.”
De jongman rigtte zich op als een ontspannen veer.
„Ha!” riep hij, „het is dus waar wat men mij gezegd heeft?”
„Ik weet niet waar gij op doelt, maar ik herhaal u mijne vraag.”
„Ik ken den man niet, daar ik hier eerst aankwam toen hij reeds vertrokken was.”
„Gij kent hem wel degelijk” hervatte zij ongedwongen. „Waarom zoekt gij een uitvlugt? Als gij de belofte wilt terugnemen die gij mij deedt, spreek dan liever ronduit.”
„’t Is goed,” antwoordde hij met eene sombere stem en op een toon van bijtende ironie; „stel u gerust, Carmela, ik zal uw minnaar verdedigen.”
En hiermede ijlde hij de zaal uit, aan de hevigste gramschap ten prooi.
„O!” riep het meisje terwijl zij op een bank nederzonk en in tranen wegsmolt. „O! te regt noemt men dezen duivel de Jaguar, hij heeft het hart van een tijger.”
Zij bedekte haar gelaat met beide handen en begon luid te snikken.
Op het zelfde oogenblik hoorde men daar buiten den snellen galop van een paard dat zich verwijderde.
XIII.
CARMELA.
Eer wij thans met ons verhaal voortgaan, moeten wij onzen lezers eenige ophelderingen geven, die tot verstand der volgende zaken onvermijdelijk noodig zijn.
Onder al de wingewesten van het uitgestrekte Nieuw-Spanje, is er geen waarvan de regering der onderkoningen de waardij zoozeer heeft miskend als van het meest oostelijk gelegene, namelijk Texas, eene onkunde die de Mexicaansche Republikeinen in allen deele hebben overgenomen, daar zij sedert de uitroeping der onafhankelijkheid het niet noodig keurden Texas tot een afzonderlijken staat te verheffen en zonder te bedenken wat er later gebeuren kon, het op eene onverantwoordelijke wijs hebben laten koloniseeren door de Noord-Amerikanen, die destijds reeds bezield waren met de zelfde uitbreiding- en vergrootingskoorts, welke thans eene soort van ongeneeslijke razernij is geworden voor al de burgers der Vereenigde Staten.
Wij willen Texas eenigzins nader beschouwen.
Dit heerlijk land is een der gelukkigst gelegenen van gansch Mexico; wat uitgestrektheid betreft is Texas bijna onmetelijk, geen land is beter besproeid: negen aanzienlijke rivieren stuwen hare wateren zeewaarts, gevoed door ontelbare bijstroomen en beeken die het land in alle rigtingen doorloopen en vruchtbaar maken; deze rivieren en waterstroomen, binnen diepe beddingen en vaste gronden besloten, vormen hoe ver zij zich ook uitstrekken, nergens van die ondiepten en trage overvloeijingen, die in andere streken des aardbols zoo gewoon zijn en den bodem vaak in stinkende poelen of ongezonde moerassen herscheppen.
Het klimaat van Texas is gezond en de verderfelijke ziekten en koortsen, die aan zekere landen in de Nieuwe Wereld zulk eene treurige vermaardheid geven, zijn er geheel onbekend.
De natuurlijke grenzen van Texas zijn: ten oosten de Sabine, ten noorden de Roode Rivier, ten westen een keten van bergen die de uitgebreide prairiën insluit en de Rio-Bravo-del-Norte, en eindelijk ten zuiden tusschen de monden der laatstgenoemde rivier en die der eerste, Sabine, de Golf van Mexico.
Wij hebben reeds gezegd dat de Spanjaarden de waarde van Texas niet begrepen hebben, en toch is het waar dat zij dit land sedert lang kenden, want reeds in 1536 heeft Cabeça de Vaca het geheel doorkruist, toen hij zich uit Florida naar de noordelijke provinciën van Mexico begaf. Intusschen komt de eer der eerste nederzetting in dit schoone land ontegenzeggelijk aan een Franschman toe. Inderdaad was het de vermaarde maar ongelukkige Robert de la Salle, die op last van den Markies de Siegnelay in 1684 uitzeilde om de monden der Mississippi te onderzoeken, bij vergissing stevende hij de Rio-Colorado binnen, die hij onder ongehoorde moeijelijkheden opzeilde tot aan het meer van San Bernando, waar hij het land in bezit nam en er een fort bouwde tusschen Velasco en Martagorda. Wij zullen de bijzonderheden der reis van dezen stoutmoedigen ontdekker niet verder opgeven, die tot tweemaal toe de onbekende streek ten oosten van Mexico poogde te veroveren, en in 1687 door eenige onverlaten van zijn eigen volk lafhartig werd vermoord.
Eene nog latere herinnering verbindt de Franschen andermaal aan Texas; het was namelijk in den jare 1817, toen de Generaal Lallemand beproefde met de Fransche ballingen, het ongelukkige overschot der talrijke legerscharen van het eerste keizerrijk, aldaar eene kolonie te stichten onder den naam van Champ d’Asile. Deze kolonie, op ongeveer tien mijlen van Galveston gelegen, werd geheel verwoest op last van den onderkoning Apodaca, volgens het despotieke stelsel door de Spanjaarden in de Nieuwe Wereld onveranderlijk vastgehouden, om onder geen beding te dulden dat vreemdelingen zich op eenig punt van hun grondgebied vestigden.
De lezer zal ons deze omslagtige bijzonderheden te ligter vergeven, als hij weet dat het land, eerst sedert twintig jaren vrij geworden, over eene oppervlakte van bijna tweeënveertig millioenen bunders, en bij eene bevolking van niet meer dan tweemaal honderd duizend zielen, thans een tijdvak van bloei en vooruitgang is ingetreden, dat onvermijdelijk de aandacht der Europeesche staten en de belangstelling van alle verstandige menschen en der beschaafde natiën verdient.
Op het tijdstip waarin ons tegenwoordig verhaal zich verplaatst, namelijk in de tweede helft van het jaar 1829, behoorde Texas nog onder Mexico, maar zijne roemrijke omwenteling was reeds begonnen en het streed met heldenmoed om het schandelijke juk der Spaansche regering af te schudden en zijne onafhankelijkheid uit te roepen.
Eer wij echter den draad onzer historie hervatten, moeten wij nog ophelderen hoe het kwam dat Tranquille, de Canadeesche jager en Quoniam, de neger die aan hem zijne vrijheid verschuldigd was, en die wij beiden als vrije woudloopers aan de oevers der Missouri verlaten hebben, zich thans om zoo te zeggen in Texas hadden gevestigd, en hoe de jager eene dochter, of althans die hij zoo noemde, bij zich had, het bekoorlijke blonde en blozende meisje, dat wij onzen lezers onder den naam van Carmela hebben voorgesteld.
Een twaalftal jaren voor den dag waarop ons verhaal aan de Venta del Potrero begint, was Tranquille in deze herberg aangekomen, gevolgd door twee kameraden en een vijf- of zesjarig kind, levendig van uitzigt, met blaauwe oogen, rozenlippen en goudblonde haren, in een woord Carmela; wat zijne kameraden betreft de eene was Quoniam, de andere een Indiaansche mesties, die Lanzi heette.
De zon was reeds aan het ondergaan, toen de kleine troep voor de deur der herberg stil hield.
De hospes in dit afgelegen oord, op de Indiaansche grenzen, weinig gewoon om nog zoo laat reizigers te zien, had zijn huis reeds gesloten en gebarricadeerd, en was op het punt van zich ter ruste te begeven, toen de onverwachte aankomst dezer personen hem noodzaakte zijn voornemen dien nacht te wijzigen.
Intusschen was het niet zonder blijkbaren weerzin, en eerst na zich vooraf van hunne goede bedoelingen verzekerd te hebben, dat hij besloot voor de reizigers zijn deur te openen en hen binnen te laten.
Overigens, toen hij eenmaal had toegestemd om hen te ontvangen, was de hospes voor zijne gasten, wat hij behoorde te zijn, namelijk zoo geschikt en gedienstig als men dat ooit van een Mexicaansch kastelein verwachten kan,—onder ons gezegd, het stugst en onherbergzaamst volkje in hun soort dat er op de wereld te vinden is.
De tegenwoordige was een kort, dik man, met katachtige manieren en gluipende oogen, reeds op gevorderden leeftijd, maar toch nog vlug en bij de hand.
Toen de reizigers hunne paarden in de corral (een open stal) aan een goeden voorraad alfalfa (klaver) hadden gezet, en zij zelf met al de graagte van lieden die een langen togt hadden gemaakt, gesoupeerd hadden, begon het ijs tusschen den kastelein en zijne gasten te smelten, vooral nadat de Canadees hem eenige glazen refino de cataluna had laten proeven, en nu werd het gesprek op den hartelijksten voet voortgezet tot diep in den nacht, terwijl het kind, met zorg in de zarape van den jager gewikkeld, zoo gerust en onbekommerd sliep als aan haar leeftijd, die nog van toekomst noch verleden weet, eigen is.
„Zeg eens, compadre,” sprak de Canadees opgeruimd, terwijl hij den herbergier nog een glaasje refino inschonk, „ik geloof dat gij hier een gelukkig leven leidt?”
„Ik!” riep de kastelein.
„Pardi, ja! gij gaat met de bijen naar bed, en ik ben zeker dat gij een gat in den dag slaapt.”
„Wat zou ik anders kunnen doen in deze verwenschte woestijn, waar ik eindelijk ben aangeland voor mijne pekelzonden.”
„Reizigers komen er dus zeker niet veel?”
„Ja, en neen; dat is al naar dat men het begrijpt.”
„Drommels! ik denk dat ik het maar op een manier begrijpen kan.”
„Neen toch, op twee verschillende manieren.”
„Nu, dat zou ik wel eens willen hooren.”
„Dat is gemakkelijk genoeg; het ontbreekt hier niet aan landloopers van allerlei kleuren en kostumen, ook zonder kostumen, en als ik die wilde ontvangen, had ik er den ganschen dag mijn huis vol van; maar de duivel mogt weten hoe hun geld er uitziet, ik niet.”
„Ha! dat is erger; maar die geachte señores caballeros zullen toch uw gansche cliëntele niet uitmaken, zou ik denken?”
„Neen; daar zijn nog Indios bravos, en Comanchen, en Apachen, en Pawnees, wat weet ik het, hoe al dat volkje heet, dat hier in den omtrek rondzwerft.”
„Hum! het is dus een slechte buurt, en als gij geen andere klanten hebt, begin ik het tamelijk met u eens te worden; maar gij moet toch nu en dan wel eens aangenamer bezoeken ontvangen.”
„Ja, nu en dan, bij lange tusschenpoozen komt er een verdoolde reiziger zoo als gij waarschijnlijk, maar de voordeelen die men daaraan behaalt wegen op verre na niet op tegen de kosten.”
„Dat laat zich denken, ik drink op uwe gezondheid.”
„Ik drink de uwe.”
„Maar dan, neem mij niet kwalijk, misschien komt u mijne vraag niet onbescheiden voor.”
„Spreek op, spreek op, caballero, wij praten als vrienden zamen, wij behoeven ons niet te ontzien.”
„Gij hebt gelijk. Maar wat duivel! als gij het hier zoo slecht hebt, waarom blijft gij er dan?”
„A, ja! dat zegt gij wel, maar waar moet ik heen?”
„Duivels! als ik het weet; maar, ongevraagd waarheen, gij zult overal beter zijn dan hier.”
„Ja, als het van mij alleen afhing,” riep hij met een zucht.
„Hebt gij dan nog iemand hier?”
„Neen, ik ben gansch alleen.”
„Welnu, wie houdt u dan tegen?”
„Wel, Caramba! het geld! Alles wat ik bezat en het was niet veel, heb ik verspild om dit huis te bouwen en er mij te vestigen, en niet zonder hulp van de peones der hacienda.”
„Is hier een hacienda in de buurt?”
„Ja, omtrent vier mijlen van hier, de hacienda del Mezquite.”
„Waarlijk!” riep Tranquille op nadenkenden toon; „zeer goed, ga voort.”
„Zoodat gij begrijpt, als ik vertrek, dat ik alles moet achterlaten.”
„Waarom verkoopt gij het dan niet.”
„En wie zou het koopen? Denkt gij dan dat het zoo gemakkelijk gaat om hier iemand te vinden die vier of vijfhonderd piasters in zijn zak heeft, en gereed zou zijn om eene dwaasheid te begaan?”
„Men kan niet weten; met zoeken zou men misschien wel vinden.”
„Kom, steekt gij den draak met mij, compadre?”
„Waarachtig niet,” riep Tranquille, op eens van toon veranderende, „en ik zal het u dadelijk bewijzen.”
„Ga u gang, dat zou ik willen zien.”
„Gij zegt dat uw huis voor vierhonderd piasters te koop is?”
„Heb ik vierhonderd gezegd?”
„Laten we niet kruimelen, gij hebt het gezegd.”
„Zeer goed, ik heb het gezegd; en dan?”
„En dan? Welnu, ik koop het van u, zoo gij wilt”
„Gij?”
„Waarom niet?”
„Duivels! dat moet ik zien.”
„Dat is gaauw gezien; wilt gij, ja of neen, gij kunt het nemen of laten; misschien dat ik er over vijf minuten anders over denk, besluit dus.”
De kastelein wierp den Canadees een doordringenden blik toe.
„Ik neem het aan,” zeide hij.
„Goed; maar ik geef u geen vier honderd piasters.”
„O, maar dan!” riep de andere verwijtend.
„Ik geef er u zes honderd.”
De kastelein stond verbaasd.
„Ik verlang niets meer,” zeide hij.
„Maar onder een beding.”
„Wel nu? En dat is?”
„Dat is, dat gij morgen, zoodra de koop gesloten zal zijn, te paard stijgt. Gij hebt immers een paard, niet waar?”
„Ja.”
„Welnu, gij stijgt te paard, en gij rijdt er mee heen, en gij laat u hier nooit weder zien.”
„O! wat dat aangaat, daar kunt gij wel zeker van zijn.”
„Is dat afgesproken?”
„Volkomen.”
„Dan zorgt gij maar dat morgen met zonsopgang uwe getuigen hier zijn.”
„Zij zullen er zijn.”
Hiermede was het gesprek uit. De reizigers wikkelden zich in hunne fressadas en zarapes (dekens en mantels), legden zich op den hobbeligen grond der zaal neer en sliepen in; de kastelein volgde hun voorbeeld.
Zooals tusschen hen was afgesproken, stond de hospes een poosje voor dat het dag werd, reeds op, en zadelde zijn paard om de getuigen te halen, die voor de deugdelijke bekrachting der overdragt noodig waren; daartoe reed hij spoorslags naar de hacienda del Mezquite, en tegen zonsopgang keerde hij reeds terug, vergezeld van den mayordomo der hacienda en zeven of acht peones.
De mayordomo, de eenige die lezen en schrijven kon, stelde een acte van verkoop op; toen riep hij al de aanwezigen bij elkander, en las hun met luider stem de acte voor.
Tranquille haalde nu zeven en dertig oncen goud uit zijn gordel en telde ze op de tafel.
„Ik neem u allen tot getuigen, caballeros,” sprak de mayordomo, „dat Señor Tranquille de zes honderd piasters, voor den verkoop der Venta del Potrero bedongen, deugdelijk heeft betaald.”
„Wij zijn er getuigen van,” antwoordden allen.
Thans begaven al de aanwezigen met den mayordomo aan het hoofd, zich naar de corral, die achter het huis lag.
In de corral komende, rukte Tranquille een bosje gras uit den grond en wierp het over zijn schouder, daarna raapte hij een steen op en smeet dien over den muur; volgens de termen der Mexicaansche wet, was hij thans daadwerkelijk eigenaar geworden der Venta.
„Weest getuigen, señores,” hervatte de mayordomo, „dat señor Tranquille, hier tegenwoordig, dit onroerend goed wettig in bezit neemt. Dios y libertad (God en de vrijheid).”
„Dios y libertad!” herhaalden al de aanwezigen.
„Leve de nieuwe huesped! (hospes).”
Al de formaliteiten waren thans afgeloopen. Men trad weder in huis, waar Tranquille gansch niet karig was met het schenken van mezcal en pulque aan de getuigen, die dit onverwacht en mild onthaal met blakende geestdrift en vrolijkheid genoten.
De gewezen kastelein, getrouw aan de gestelde voorwaarden, drukte zijn kooper de hand, wenschte hem allen voorspoed, steeg te paard en vertrok; na dien dag hoorde men nooit weer van hem.
Ziedaar op welke wijs de jager in Texas was gekomen, en hoe hij zich in de Venta del Potrero gevestigd had.
Hij liet Lanzi en Quoniam in de Venta bij Carmela. Wat hem zelven betreft, door tusschenkomst van den mayordomo, die hem bij zijn meester don Hilario de Vaureal aanbeval, kwam hij op de hacienda del Mezquite in betrekking als tigrero, of tijgerdooder.
Ofschoon het land waar de jager zich gevestigd had, op de Mexicaansche grenzen lag, en om deze reden bijna geheel onbewoond was, liepen er toch een tijdlang onder de peones en vaqueros allerlei veronderstellingen en geruchten, omtrent de redenen, die zulk een stoutmoedig jager als Tranquille genoopt zouden hebben om zich aldaar terug te trekken; maar welke pogingen de nieuwsgierigen ook aanwendden om er de ware redenen van op te sporen, al de vragen die men deed bleven onbeantwoord; de medgezellen van den Canadees, zoowel als hij zelf, bewaarden hierover het diepste stilzwijgen. Wat het kind aangaat, dit wist er natuurlijk niets van.
Eindelijk het vragen moede, zag de teleurgestelde nieuwsgierigheid zich genoodzaakt om haar onderzoek te staken, en lijdelijk te wachten tot de tijd het raadsel zou oplossen, dat de jager zoo zorgvuldig verborgen hield.
Maar weken, maanden en jaren gingen voorbij, zonder dat er ook maar een hoekje van den geheimzinnigen sluijer werd opgeheven.
Carmela was intusschen tot een bevallige maagd opgegroeid. De Venta had door den tijd meer bezoekers gekregen. De grensstreek waar zij lag, vroeger zoo stil en eenzaam door den verren afstand der steden en dorpen, deelde in de beweging die de opgang der nieuwe ideeën in het centrum des rijks veroorzaakte; de reizigers werden minder zeldzaam, en de jager, die tot hiertoe zich niet over zijne toekomst bekommerd had, en in de eenzame ligging der Venta een steun voor zijn eigen veiligheid zag, begon zich thans minder gerust te gevoelen, niet zoo zeer om zich zelven als wel om Carmela. Het hinderde hem meer en meer dat hij het bekoorlijke kind, dagelijks, bijna zonder bescherming moest laten, niet alleen tegen de stoute aanzoeken van minnaars, die hare schoonheid aantrok als de honig de vliegen, maar ook tegen allerlei slecht volk, dat door de revolutie in beweging gebragt, alle wegen en woonsteden afliep, als coyotes, om hier of daar een begeerigen buit te rooven.
Daar de jager het jonge meisje niet langer aan zulke gevaarlijke omstandigheden wilde blootstellen, hield hij zich ernstig bezig met het beramen der noodige maatregelen om haar lot te verbeteren; want ofschoon het ons vooralsnog onmogelijk is te zeggen door welke banden dit meisje, dat hem vader noemde, aan hem verbonden was, kunnen wij toch verzekeren, dat hij haar eene vaderlijke liefde toedroeg en haar welzijn hem het allernaast aan het harte lag. Wat Lanzi en Quoniam betreft, deze deelden volkomen in zijn gevoelen; Carmela was voor dit drietal mannen, noch kind, noch vrouw, maar veeleer een afgod, daar zij wel voor hadden willen knielen en daar zij met vreugde hun leven voor zouden hebben opgeofferd, wanneer haar welzijn een oogenblik gevaar had geloopen.
Een glimlach van Carmela maakte hen gelukkig; bij hare tranen zouden zij geweend hebben, en de minste wolk op haar gelaat was hun een oorzaak van treurigheid.
Wij mogen niet nalaten hierbij te voegen, dat Carmela, ofschoon zij zich den omvang van hare heerschappij wel bewust was, er toch in ’t minst geen misbruik van maakte; het was hare grootste vreugd dat zij deze drie harten zoo trouw en opregt om haar vereenigd en zoo innig aan haar verbonden zag.
Na het geven van deze, wel is waar zeer onvolkomen, maar voor het tegenwoordige voldoende en eenig mogelijke inlichtingen, zullen wij den loop van ons verhaal hervatten, waar wij dien in ons voorlaatste hoofdstuk verlaten hebben.
XIV.
DE CONDUCTA DE PLATA.
Wij keeren thans terug naar de karavaan die wij met zonsopgang uit de Venta del Potrero hebben zien vertrekken, en in wier aanvoerder Carmela zulk een levendig belang scheen te stellen. Deze aanvoerder was een jongman van omtrent vier en twintig jaar, met fijne, moedige en edele gelaatstrekken; zijne houding teekende de uiterste vlugheid en zwier, en hij droeg de schitterende uniform van kapitein der dragonders.