Part 9
Of het binden van ~Ares~ en ~Aphrodite~ door ~Hephaestus~, om eene dergelijke reden[57].--Neen, waarachtig! dat vind ik niet oorbaar.--Maar, als eenig blijk van zelfbeheersching door een beroemd man in woorden of daden gegeven wordt, dan moeten zij dat zien en hooren, b. v. dit, «hij sloeg zich op de borst en zeide tot zijn hart: houd moed, mijn hart! gij hebt wel erger dingen uitgestaan[58].»--Zekerlijk.--Ook moeten onze mannen immers geen geschenken aannemen of inhalig zijn?--Wel neen.--Dus moeten wij ook voor hen niet zingen: «geschenken overreden de goden en de eerwaardige koningen.» En ~Phoenix~, de leermeester van ~Achilles~, moet niet om zijne verstandige taal geprezen worden, wanneer hij hem raadt, voor geschenken de Grieken te helpen, maar zonder dat geen afstand van zijnen wrok te doen[59]. En ~Achilles~ zelf mag niet als zóó inhalig beschreven worden, dat hij van ~Agamemnon~ geschenken aanneemt[60], en een lijk wel voor losgeld, maar geenszins voor niet wil vrijgeven[61].--Zulke dingen zijn althans zeker niet lofwaardig.--Omdat het ~Homerus~ is, durf ik het haast niet te zeggen, maar toch vind ik het heiligschennis zulke dingen van ~Achilles~ te beweren, en aan anderen mede te deelen. Ook dat hij tot ~Apollo~ zeide: «O verschietende! gij slechtste van al de goden! gij hebt mij kwaad gedaan. Waarlijk, als ik maar kon, ik zou er u voor straffen[62].» Of dat hij naar den riviergod ~Scamander~ niet wilde luisteren, en gereed was, om tegen hem te vechten[63]; en dat hij zijne haren, die aan den riviergod ~Spercheus~ geheiligd waren, afsneed, met de woorden: «ik zal ze aan den dapperen ~Patroclus~ (die nog wel dood was) als geschenk medegeven[64],» dat moet niet verhaald worden. En het slepen van ~Hector~ rond het graf van ~Patroclus~[65], en het slagten der gevangenen bij den brandstapel[66], dat alles zullen wij zeggen, dat niet waar is, en wij zullen evenmin onze jongelieden laten gelooven, dat ~Achilles~, de zoon van eene godin en van den redelijken ~Peleus~, den kleinzoon van ~Zeus~, de kweekeling van den wijzen ~Chiron~, zóó door hartstogten geslingerd werd, dat hij in zich twee tegenstrijdige ziekten had, namelijk laagheid uit inhaligheid voortgesproten, en hoogmoed, die goden noch menschen ontzag.--Dat zegt gij goed.--
V. Dus zullen wij hen dit niet wijs maken, en evenmin, dat ~Theseus~, de zoon van ~Poseidon~, en ~Pirithous~, de zoon van ~Zeus~, zulke schandelijke rooftogten ondernomen hebben, of dat eenig ander godenzoon of halve god zulke schandelijke en goddelooze dingen heeft durven doen, als tegenwoordig van hen gelogen worden; maar wij willen de dichters dwingen te zeggen, dat zij dit niet gedaan hebben, of dat zij geen zonen van goden zijn, en hen beletten beiden tevens te beweren en onze jongelieden in de meening te brengen, dat de goden iets slechts voortbrengen, en dat de halve goden geen zier beter zijn dan de menschen. Want wat wij daareven zeiden, is goddeloos en onwaar, daar wij beredeneerd hebben, dat van de goden niets kwaads kan komen.--Natuurlijk.--En het is ook schadelijk voor de hoorders, want niemand zal zich zelven over zijne slechtheid veroordeelen, wanneer hij gelooft, dat hetzelfde gedaan wordt, en gedaan is «door afstammelingen der goden, nabestaanden van ~Zeus~, die op den top van den aan vader ~Zeus~ geheiligden ~Ida~ een altaar in de vrije lucht hebben,» en «uit wier aderen het bloed der goden nog niet verdwenen is.» Weshalve al die sprookjes moeten afgeschaft worden, om onze jongelingen niet op den slechten weg te brengen.--Dat ben ik volmaakt met u eens, zeide hij.--
Welke soort van grondregels voor de verhalen, die al of niet mogen verhaald worden, moeten wij nu nog vaststellen? Want wij hebben gezegd, hoe men spreken moet van de goden[67], van de halve goden en van de onderwereld.--Juist.--Dus zouden wij nog moeten zeggen, hoe men van de menschen moet spreken.--Natuurlijk.--Maar, mijn vriend! dat kunnen wij op het oogenblik nog niet bepalen.--Waarom niet?--Omdat wij dan, geloof ik, zeggen zouden, dat de dichters en verhalers van de menschen de ergste leugens vertellen, namelijk, dat velen onregtvaardig en toch gelukkig zijn, en regtvaardig maar toch ongelukkig; en dat de onregtvaardigheid nuttig is, zoo zij verborgen blijft; en dat de regtvaardigheid voor vreemden nuttig maar voor hem, die haar heeft, schadelijk is; en omdat wij dan zouden verbieden zulke dingen te zeggen, en gelasten het tegenovergestelde in verzen en verhalen te leeren. Denkt gij dat ook niet?--Neen! maar dat weet ik.--Maar, zoo gij dan toestemt, dat ik de waarheid zeg, zal ik zeggen, dat gij hetgeen, waarnaar wij zoeken, aan mij hebt toegestemd.--Dat is ook waar.--Dus zullen wij het voorschrijven van zulke verhalen ten opzigte der menschen uitstellen, tot dat wij gevonden hebben, wat de regtvaardigheid is, en hoe zij uit haren aard nuttig is voor hem die haar heeft, óf hij zoodanig schijnt te wezen, óf niet.--Opperbest.--
VI. De inhoud der verhalen kunnen wij dus als afgehandeld beschouwen, en moeten nu nog over de wijze van verhalen spreken, om de vraag, wat en hoe er verhaald moet worden, geheel af te handelen.--Wat gij daarmede meent, begrijp ik niet, zeide ~Adimantus~.--Dat dient gij toch te begrijpen. Maar misschien zult gij het beter op deze wijs vatten. Is hetgeen de dichters of de vertellers van fabelen zeggen, niet meest een verhaal van verledene, tegenwoordige of toekomende dingen?--Gewoonlijk.--En klaren zij dat niet op door eenvoudig verhalen, óf door nabootsing, óf door beiden?--Ook dat verzoek ik u duidelijker te zeggen.--Het schijnt, dat ik een gek en duister leermeester ben. Daarom zal ik, even als zij, die niet knap zijn in het spreken, niet het geheele begrip, maar een enkel voorbeeld nemen, om u daarmede wat ik wil duidelijk te maken. Zeg mij dan: gij kent immers het begin van de _Ilias_, waarin de dichter zegt, dat de priester ~Chryses~ ~Agamemnon~ verzocht hem zijne dochter los te geven, maar dat deze boos werd, en dat de ander, toen hij zijnen zin niet kreeg, de Grieken bij ~Apollo~ vervloekte?--Ja.--Weet dan nu, dat tot aan de regels: «en hij smeekte al de Grieken, maar vooral de twee Atriden, de aanvoerders der troepen,» de dichter zelf spreekt, en onze verbeelding niet naar elders poogt te leiden, als sprak er een ander dan hij, maar dat hij het volgende zóó zegt, als ware hij ~Chryses~, en al zijn best doet, om ons te laten denken, dat niet ~Homerus~ spreekt, maar de oude priester. En bijna het geheele verhaal van het bij Troje, op Ithaca en op de togten van ~Ulysses~ gebeurde heeft hij aldus ingerigt.--Dat is zoo.--En verhaalt hij nu niet, wanneer hij het gesprokene mededeelt, en ook wanneer hij zegt, wat daar tusschen valt?--Natuurlijk.--Maar wanneer hij nu een ander laat spreken, moeten wij dan niet zeggen, dat hij zoo veel mogelijk zijne wijze van uitdrukking zoekt gelijk te maken aan die van hem, dien hij te voren zeide dat spreken zou?--Zekerlijk.--Edoch zich zelven in stem, houding enz., aan een ander gelijk te maken, is toch dien anderen, aan wien men zich gelijk maakt, nabootsen.--Juist.--In zulke stukken dus, verhalen hij en de andere dichters door middel van nabootsing.--Ja.--Maar zoo de dichter zich nergens verborg, dan zou zijn geheele dichtstuk of verhaal zonder nabootsing zijn ingerigt. En opdat gij niet zeggen zoudt, dat gij het weêr niet begrijpt, zal ik zeggen, hoe dit zou geschieden. Want als ~Homerus~, na gezegd te hebben, dat ~Chryses~ met den losprijs voor zijne dochter bij de Grieken kwam en hen, vooral de Koningen, smeekte, vervolgens niet sprak alsof hij ~Chryses~ was, maar als ~Homerus~, dan zou het geene nabootsing wezen, maar een eenvoudig verhaal, dat omtrent aldus zou zijn ingerigt: maar ik zal het zonder maat zeggen, want ik ben geen dichter: toen de priester gekomen was, bad hij, dat de goden hun mogten geven, Troje in te nemen, en er zelve goed af te komen, en hem zijne dochter voor losgeld weerom te geven, uit eerbied voor ~Apollo~. En toen hij dit zeide, eerden hem de anderen en keurden het goed, maar ~Agamemnon~ werd boos, en gelastte hem nu heen te gaan en later niet weder te komen, opdat niet de schepter en de offerbanden van den God nutteloos voor hem zijn zouden; en hij zeide, dat zijne dochter, eer zij werd losgegeven, met hem in Argos oud zoude worden; en hij beval hem heen te gaan en niet lastig te zijn, opdat hij behouden mogt naar huis keeren. En de grijsaard, dat hoorende, werd bevreesd en ging stil weg, maar toen hij buiten het leger kwam, bad hij veel tot ~Apollo~, den God bij zijne eerenamen noemende, en herinnerde hem in zijn gebed, welke geschenken hij hem gemaakt had door het bouwen van tempels of het doen van heilige offers; en daarom smeekte hij hem, de Grieken door zijne pijlen voor de tranen, die zij hem hadden doen vergieten, te straffen. Zóó, mijn vriend! is een eenvoudig verhaal, zonder nabootsing ingerigt.--Dat begrijp ik.--
VII. Begrijp dan ook, dat het tegenovergestelde hiervan plaats heeft, wanneer, hetgeen de dichter zelf tusschen de woorden, die hij anderen laat spreken, zegt, wordt weggenomen en slechts, wat de in het stuk voorkomende personen beurtelings zeggen, wordt overgelaten.--Ook dit begrijp ik, en ik meen, dat dit vooral in tooneelstukken plaats heeft.--Goed gevat, en nu zult gij wel begrijpen, wat u daareven niet helder was, dat dichtkunst en vertelling van fabelen óf geheel door nabootsing tot stand komt, zoo als gij ook inziet, dat in treur- en blijspel plaats heeft; óf doordien de dichter zelf zijne meening zegt, hetgeen vooral in lierzangen gebeurt; óf door beiden, zoo als in het heldendicht en elders. Begrijpt gij het nu?--Ja, nu vat ik, wat gij hebt willen zeggen.--Herinner u dan nog eens, wat wij te voren zeiden, dat wij gezien hebben, wat er moet verhaald worden, en nu nog moeten onderzoeken, _hoe_ dit gebeuren moet.--Ik herinner het mij.--Hiermede nu bedoelde ik dit, dat wij het te zamen moeten eens worden, of wij aan onze dichters zullen toelaten door nabootsing te verhalen, óf de nabootsing tot bepaalde onderwerpen zullen beperken, óf ze geheel verbieden.--Ik gis, dat gij overweegt, of wij het treur- en blijspel in den staat moeten opnemen, of niet. Misschien zullen wij nog wel meer soorten van dichtkunst behandelen. Want ik weet niet, waar wij komen zullen, maar wij moeten gaan, waar de gang der redekaveling ons heen drijft[68].--Dat zegt gij goed.--Bezie dan dit nog eens, ~Adimantus~! of onze wachters nabootsers moeten zijn, of niet; en of wij ons niet houden moeten aan het vroeger beredeneerde, dat ieder slechts één vak goed kan beoefenen, maar niet verscheidene vakken, daar hij, dat beproevende, door veel op zich te nemen, alles zou laten vallen, of het althans met niets ver brengen.--Wij moeten ons daaraan houden.--En geldt hetzelfde niet van de nabootsing, dat dezelfde niet even zoo goed veel dingen als één kan nabootsen?--Ja.--Dus zal iemand bezwaarlijk eenig belangrijk werk kunnen waarnemen, en tevens knap zijn in het nabootsen van allerlei dingen, zoo althans dezelfden niet goed tweeërlei soort van nabootsing, die niet eens ver van elkander zijn kunnen, uitvoeren, en, b. v. treur- en blijspelen tevens vervaardigen. Of heet gij die geen nabootsingen?--Wel ja, en het is zoo als gij zegt, dat dezelfden niet voor beiden geschikt zijn.--Ook is iemand niet ligt te gelijk opzegger van gedichten[69] en tooneelspeler.--Neen.--En ook zijn dezelfden geen goede tooneelspelers voor treur- en blijspelen: en dat alles is toch nabootsing, niet waar?--Ja zeker.--En, ~Adimantus~! ik geloof, dat de menschelijke natuur nog fijner verdeeld is, zoodat zij onmogelijk verscheidene dingen goed kan nabootsen, of de zaken zelve uitvoeren, die door die nabootsingen worden afgebeeld.--Dat vind ik ook.--
VIII. Zoo wij dus het eerste gezegde vasthouden, dat onze wachters, met uitsluiting van alle andere werkzaamheden, voortreffelijke werkmeesters van de vrijheid van den staat zijn moeten, en niets anders beoefenen, wat daarop geene betrekking heeft, dan moeten zij ook niets anders doen of nabootsen: en, zoo zij in ’t geheel nabootsen, dan moeten zij zich van kindsbeen af toeleggen op de nabootsing van menschen, die reeds zijn zoo als zij zelve moeten worden, namelijk moedig, ingetogen, godsdienstig, vrij enz.; maar al wat laag of in eenig opzigt schandelijk is, mogen zij niet doen noch er werk van maken om het na te bootsen, opdat zij zich uit die nabootsing, de werkelijkheid niet toeëigenen. Of hebt gij niet opgemerkt, dat het nabootsen, zoo men het jong begint, de hebbelijkheden en de natuur van de ziel zoowel als van het ligchaam wijzigt?--Ja zeker.--Dus zullen wij niet toelaten, dat zij, voor wie wij zeggen te zorgen, en die flinke mannen moeten worden, hoewel zij mannen zijn eene vrouw nabootsen[70], die jong of oud is, of haren man bekijft, of tegen de goden mort en zich trotsch aanstelt, of zich heel gelukkig vindt, of door ongelukken en droefheid overstelpt is; en nog veel minder eene, die ziek, of verliefd, of in barensnood is.--Dat ben ik met u eens.--En ook geene slavinnen of slaven, die slaafsche bezigheden verrigten.--Ook dat niet.--En ook geen ondeugende mannen, die lafhartig zijn, en het tegenovergestelde doen van wat wij daareven zeiden, en elkander belasteren en beschimpen, of hetzij dronken, hetzij nuchteren schandelijke taal uitslaan, of wat zulke menschen meer in woorden of werken tegen zichzelven en anderen misdoen. En ik zou denken, dat zij zich ook niet gewennen moeten, om als waanzinnigen te spreken of te handelen; want zij moeten wel kennis hebben aan waanzinnige en ondeugende mannen en vrouwen, maar zelve niets daarvan doen of nabootsen.--Dat is volkomen waar.--Moeten zij verder kopersmeden of andere werklieden, of scheepsroeijers, of hunne aanvoerders, of iets anders van die soort nabootsen?--Wel neen, want zij mogen aan dat alles niet eens denken[71].--En mogen zij brieschende paarden, of loeijende stieren, of bruischende stroomen, of eene bulderende zee, of donderslagen, enz., nabootsen?--Zij moeten niet waanzinnig zijn, noch zich aan waanzinnigen gelijk maken.--Als ik dan uwe meening vat, is er eene wijs van zich uit te drukken, waarvan zich de wezenlijk goede bedient, als hij iets te spreken heeft; en eene andere daarvan verschillende, die gewoonlijk gebezigd wordt door hen, die door hunne geaardheid en opvoeding van hem verschillend zijn.--Welke meent gij?--Naar mijn inzien, zal een redelijk mensch, wanneer hij onder het verhalen tot een gezegde of eene daad van een goed man komt, dezelve, daar ze met zijne inborst overeenstemmen, gaarne willen vermelden, en zich over die nabootsing niet schamen, maar dien goeden vooral nabootsen, wanneer hij met zekerheid en overleg handelt, minder, wanneer hij door ziekte of verliefdheid aan ’t wankelen gebragt, of door dronkenschap of een ander ongeluk overmeesterd is; maar wanneer hij in zijn verhaal tot iemand komt, die aan hem ongelijk is, zal hij zich geenszins aan eenen, die slechter is, willen gelijk maken, (behalve wanneer hij voor een poos goed handelt), maar hij zal zich daarvoor schamen, daar hij én geene oefening heeft in het nabootsen van dezulken, én weinig zin heeft, om zichzelven te vormen en te plooijen naar het voorbeeld van slechteren, die hij veracht; behalve misschien somtijds voor de grap.--Dat is waarschijnlijk.--
IX. Dus zal hij zich van zulk een verhaaltrant bedienen als wij daar even over ~Homerus~ sprekende aanwezen, en zijne wijze van uitdrukking zal aan beiden deel hebben, aan de nabootsing en aan het gewone verhaal, doch het kleinste deel van hetgeen hij zegt, zal uit nabootsing bestaan. Heb ik daarin geen gelijk?--Ja, gij hebt zeker goed opgegeven, in welken trant zulk een redenaar zal spreken.--Dus zal ook hij, die zóó niet is, naarmate hij minder deugt, meer alles durven verhalen, en het zijner niet onwaardig rekenen, zijn best te doen, om alles in ernst en in ’t openbaar na te bootsen; zelfs wat wij zeiden, donderslagen en geraas van wind, en hagel, en assen, en wielen, en trompetten, en fluiten en allerlei andere instrumenten, en het geschreeuw van honden, en schapen, en vogels; en zijn verhaaltrant zal grootendeels bestaan in nabootsing van geluiden en houdingen, met weinig gewoon verhalen er tusschen in.--Dat is natuurlijk.--Deze twee soorten van verhalen nu bedoelde ik.--Die onderscheidt gij ook teregt.--En nu heeft de eene soort weinig afwisseling, en zoo men zulk een verhaal met gepaste muzijk begeleiden wil, dan kan men bijna altijd dezelfde wijs bezigen, daar er weinig afwisseling in is, en ook alles in dezelfde versmaat voordragen.--Ja, dat is zeker.--Maar de tegenovergestelde soort eischt van alles het tegenovergestelde, namelijk allerlei wijzen en allerlei versmaten, zoo zij althans behoorlijk zal uitgevoerd worden, want zij heeft allerlei vormen van afwisseling.--Juist.--Maar bezigen nu niet alle dichters en verhalers eene der beide soorten, of eene uit beide gemengde soort?--Dat moet wel.--En zullen wij die allen in onzen staat opnemen, of één der twee onvermengde soorten of de gemengde?--Zoo ik mijn zin heb, de onvermengde soort, die bij het nabootsen van deugdzame menschen gebezigd wordt.--Maar, ~Adimantus~! de gemengde is zoo aangenaam, en de soort, die tegen de door u gekozene overstaat, is voor kinderen en opvoeders[72], en de menigte het alleraangenaamst.--Ja, aangenaam is zij.--Maar misschien zult gij zeggen, dat zij voor onzen staat niet past, omdat wij geen dubbele of veelvuldige menschen hebben, maar ieder één ding doen moet.--Juist.--Dus zullen wij dan ook alleen in zulk eenen staat den schoenmaker schoenmaker zien en niet te gelijk schipper; den boer boer en niet te gelijk regter; den krijgsman krijgsman en niet te gelijk financier, enz.--Dat is waar.--Dus, als in onzen staat iemand kwam, die knap genoeg was, om zich aan alles gelijk te maken en alle dingen na te bootsen, en als die zijne verzen wilde voordragen; dan zouden wij hem wel eerbiedig ontvangen, als een gunsteling der goden, die bewondering verdiende, en de menschen vermaken kon, maar wij zouden zeggen, dat bij ons zulke menschen niet zijn en ook niet mogen zijn, en wij zouden hem zalven en bekransen, maar hem naar eenen anderen staat sturen en zelve om der wille van het nut ernstiger en minder aangename dichters en verhalers bezigen, die ons den spreektrant van den deugdzame nabootsten en zich aan de grondregels hielden, die wij vastgesteld hebben, toen wij begonnen de krijgslieden op te voeden.--Ja, als het aan ons lag, zouden wij zeker zóó doen.--Nu, mijn vriend! geloof ik, dat de muzenkunst, voor zoover zij de verhalen en de fabelen insluit, is afgehandeld; want wij hebben gezegd, wat en hoe er moet verhaald worden.--Dat geloof ik ook.--
X. Wij moeten dus nu nog handelen over het gezang en de verschillende soorten van liederen.--Juist.--Maar is het nu niet voor allen duidelijk, hoe wij over dat punt moeten spreken, om met het vorige niet in strijd te komen?--Hierop zeide ~Glauco~ lagchende: ~Socrates~, ik schijn buiten die allen te staan; althans op het oogenblik kan ik niet aangeven, hoe wij over dat punt moeten spreken, hoezeer ik het wel kan gissen.--Gij kunt toch, zeide ik, vooreerst wel inzien, dat een lied uit drie dingen is zamengesteld, uit de woorden, de wijs en de versmaat.--Ja, dat wel.--Voor zoover er nu woorden in komen, verschilt het eigenlijk, wat de grondregels aangaat, niet van dichtstukken, die niet gezongen worden, maar wij moeten er hetzelfde bij in acht nemen.--Dat is waar.--En de zangwijs en versmaat moeten met de woorden overeenstemmen.--Natuurlijk.--Maar wij zeiden immers daareven, dat wij geen woorden, die jammer en geklaag uitdrukken, noodig hebben.--Die kunnen wij ook waarlijk wel missen.--Welke zijn dan nu de klagende zangwijzen? zeg gij dit, want gij zijt een kenner der muzijk.--De half lydische, en de hoog lydische, en wat meer van die soort is.--Dus zijn die te verwerpen, want zij deugen zelfs niet voor vrouwen, die goed gezind moeten wezen, laat staan voor mannen.--Zekerlijk.--En ook dronkenschap, weekelijkheid en ledigheid passen niet voor wachters.--Volstrekt niet.--En welke zangwijzen zijn weekelijk en voor drinkliederen geschikt?--De Jonische, en de Lydische, die den naam hebben van luchtige.--Zult gij die dan bezigen, mijn vriend! bij de opleiding van krijgslieden?--Geenszins; maar gij zult, denk ik, de dorische en de phrygische wel overlaten.--Ik ken al die wijzen niet, zeide ik; maar laat die blijven, welke behoorlijk den toon en de uitdrukking der stem nabootsen van iemand, die mannelijk is in den oorlog en in alle handelingen, welke inspanning vereischen, en die, zoo hij zijn doel mist, of wonden en dood te gemoet gaat, of in eenig ander ongeval komt, met bezadigde kracht zich tegen het onheil verzet; en ook eene andere, die de gemoedstemming uitdrukt van iemand, die met vreedzaam en niet zoo veel inspanning vorderend werk bezig is, en b. v. de Godheid ergens om bidt of door onderwijs en vermaning een mensch ergens van zoekt te overtuigen, of ook luistert naar een verzoek of leering of vermaning van een ander, en in dat alles verstandig handelt, zonder opgeblazenheid, maar ingetogen en redelijk en met den uitslag genoegen nemende. Laat dus twee zangwijzen over, de eene meer, de andere minder ernstig, die het best de wijze van uitdrukking van ingetogene, krachtvolle menschen in voor- en tegenspoed nabootsen.--Best: dan wilt gij geene andere overlaten, dan die ik daareven noemde.--Dus hebben wij in liederen en gezangen geene veelheid van toonen of sterke afwisseling van zangwijzen noodig.--Ik vind van neen.--Dus zullen wij ook geene vervaardigers toelaten van al zulke instrumenten, die veel toonen hebben, en voor allerlei wijzen geschikt zijn.--Neen.--Zult gij dan vervaardigers van fluiten of fluitspelers in den staat opnemen? of heeft dat instrument niet de grootste verscheidenheid, en is het niet het oorspronkelijkste van al die instrumenten met veel toonen?--Voorzeker.--Dus houdt gij slechts de lier en den cither voor bruikbaar in onzen staat, en misschien voor de herders op het land een panfluitje?--Dit volgt althans uit onze redenering.--Wij doen dan ook niets vreemds, mijn vriend! wanneer wij aan ~Apollo~ en zijne instrumenten boven ~Marsyas~[73] met de zijne de voorkeur geven.--Dat vind ik waarlijk ook niet.--Maar, zie eens, hebben wij dien weelderigen staat van daareven niet weer schoongemaakt?--Daar hebben wij goed aan gedaan.--