De republiek van Plato

Part 10

Chapter 103,882 wordsPublic domain

XI. Komaan, laat ons hem dan verder schoonmaken. Na de zangwijzen komen wij van zelfs aan de versmaten, en het volgt noodzakelijk uit het gezegde, dat wij geen maten vol afwisseling en van allerlei soort moeten najagen, maar omzien naar zulke, die in overeenstemming zijn met de gemoedstemming van een ingetogen en krachtvol man; ten einde, zoo wij deze in woorden willen uitdrukken, daaraan de enkele voeten en hunne verbinding gelijkvormig te maken, niet omgekeerd. En wat voor maten dat zijn, moet gij zeggen, even als bij de zangwijzen.--Maar dat kan ik niet zeggen. Want dat er drie verschillende hoofdsoorten van voeten zijn, en dat daaruit de versmaten worden zamengesteld, zoo als in de zangwijzen vier grondtoonen, waaruit al de wijzen haren oorsprong hebben, dat weet ik uit mijne studie van het vak; doch welke hunner met iedere soort van gemoedstemming overeenkomt, ben ik niet in staat om te zeggen[74].--Hierover zeide ik, zullen wij dan maar met ~Damon~[75] raadplegen, en hem vragen, welke soorten van versmaat de uitdrukking zijn van laagheid, of overmoed, of waanzin, of eenig ander gebrek, en welke met het tegengestelde overeenkomen. Want ik heb wel het een en ander van dactylische en heroische versmaten en van jamben en trochaeën en van allerlei verbindingen van lange en korte lettergrepen gehoord, en dat de enkele voeten evenzeer goed of af te keuren zijn als de versmaten; maar het regte kan ik er niet van zeggen. Dit moet dus aan ~Damon~ gevraagd worden, want dit onderzoek zou ons te ver afleiden; of hoe denkt gij er over?--Ik heb er ook geen zin in.--Maar dit kunt gij toch wel inzien, dat de goede of de kwade houding van het lied grootendeels van de deugd of gebrekkigheid van de versmaat afhangt.--Wel zeker.--En de goede of gebrekkige versmaat past op hetgeen goed of gebrekkig is gezegd, en de wijs eveneens, zoo althans versmaat en wijs zich, zooals wij zeiden, naar de woorden moeten schikken, niet omgekeerd.--Ik vind ook, dat zij zich naar de woorden moeten schikken.--En de vorm en inhoud van het gesprokene schikt zich immers naar de stemming van den geest?--Natuurlijk.--En naar het gesprokene de rest.--Ja.--Dus zijn goede woorden, goede wijs, goede houding van het lied, en goede versmaat een gevolg van een goed hart, wanneer wij althans daaronder geen dwaze toegefelijkheid verstaan, maar eene stemming van het hart, die op waarachtig goed inzigt van het verstand gebouwd is.--Toegestemd.--En moeten de jongelingen, om goed hunnen pligt te doen, dit niet overal najagen?--Voorzeker.--Edoch ook de schilderkunst, en alle andere kunsten, b. v. het weven, beeldhouwen, huizenbouwen, en de gesteldheid der ligchamen, zoo van menschen als van alle andere levende wezens, zijn allen vatbaar voor diezelfde deugden en ondeugden, die wij in de wijzen, de versmaten en de woorden hebben opgemerkt, en zijn dus afbeeldingen van eene goede of kwade inborst.--Ongetwijfeld.--

XII. Moeten wij dan alleen op de dichters het oog houden en ze noodzaken, om óf in hunne gedichten goede zeden na te bootsen, óf bij ons geen verzen te maken; of is het zaak ook op de andere kunstenaars te passen, en ze te beletten eenige slechtheid van zeden, of ongebondenheid, of laagheid, of onwelvoegelijkheid in schilderwerk, of gebouwen, of in wat dan ook, te doen doorschijnen; en die dat niet vermijden kan, bij ons niet toe te laten: opdat onze wachters niet onder allerlei afbeeldingen van slechtheid als met vergiftigde spijs gevoed wordende, door daar dagelijks een weinig van in te nemen, ongemerkt veel kwaad in hunne zielen vergaderen? En is het niet raadzaam kunstenaars te zoeken, die in staat zijn al wat schoon en betamelijk is op te sporen en na te bootsen, opdat de jongelieden, als in eene gezonde plaats wonende, van alles nut trekken, daar hun gezigt of gehoor steeds door schoone dingen getroffen wordt, als waaide hun een heil aanbrengende koelte uit gezonde plaatsen toe, en zij alzoo van kindsbeen ongemerkt aan al wat schoon is gelijkvormig worden?--Het zou zeker het beste zijn, ze zóó op te voeden.--En juist daarom, ~Glauco~! is het opvoeden door middel der muzenkunst van zoo veel belang, omdat maat en zangwijs zoo gemakkelijk in de ziel indringen, en haar zoo stevig aangrijpen, en bij goede leiding ingetogen maken, bij verkeerde het tegendeel. En ook, omdat, die daarin behoorlijk is onderwezen, het meest ziet, wat verzuimd of niet goed bewerkt is, en zich daaraan ergert, en het schoone prijst en gaarne opneemt, om er zijne ziel mede te voeden, en daardoor schoon en goed te worden, maar reeds in zijne jeugd het leelijke juist weet te berispen en te haten, nog voordat hij daar reden van geven kan; en, zoo hij de reden leert, die het best kan vatten, daar de zaak hem eigen is[76].--Dat is dan ook, geloof ik, het doel van het bezigen der muzenkunst bij de opvoeding.--Nu kan immers iemand eerst dán gezegd worden de letters te kennen, wanneer hij die overal herkent, en wel evenzeer of ze groot of klein zijn?--Ja.--En hij kan immers ook de beelden der letters in het water of in een spiegel niet herkennen, voordat hij de letters zelve kent, daar het laatste uit het eerste volgt?--Wel neen.--En zoo zullen wij immers ook geene ware dienaars der muzen zijn, en onze kweekelingen evenmin, voordat wij de ingetogenheid, den moed, de edelaardigheid, de grootmoedigheid, en wat daar meer toe behoort of daartegen strijdt, overal herkennen, en in andere dingen opmerken, zoowel waar zij zelve, als waar hunne beelden zijn, en of zij zich in groote of in kleine dingen vertoonen?--Dat moet ik u toestemmen.--Edoch, die in zijne ziel schoone zeden koestert en wiens uiterlijke daarmede overeenstemt, is voor hem, die het waarderen kan, het schoonste schouwspel.--Ongetwijfeld.--En het schoonste is het beminnenswaardigste.--Voorzeker.--Dus zal de ware dienaar der muzen vooral voor zulke menschen genegenheid koesteren, en niet voor personen, die met hem niet overeenstemmen.--Dat is te zeggen, zoo het gebrek in de ziel huist; zoo slechts het ligchaam niet schoon is, heeft hij er vrede meê.--Ik begrijp het al, gij spreekt hier uit ondervinding[77]. Doch ik geef het u toe. Verder zult gij mij zeker toestemmen, dat hier aan geen zinnelijk vermaak mag gedacht worden, daar dit hier volstrekt niet in aanmerking komt, en met al het vorige strijdig is.--Toegestemd.--Dus kunnen wij de redenering over de muzenkunst als afgehandeld beschouwen, daar zij niet beter kon eindigen, dan met de zuivere liefde voor het wezenlijk schoone?--Dat is waar.--

XIII. Na het onderwijs in de muzenkunst moeten de jongelieden door de gymnastiek[78] worden opgevoed.--Natuurlijk.--Dus moeten zij ook daarin van hunne jeugd af behoorlijk onderwijs krijgen. Hiermede nu geloof ik, dat het aldus staat: zie gij ook eens. Ik meen, dat een goed ligchaam door zijne voortreffelijkheid de ziel nog niet goed maakt, doch dat daarentegen eene goede ziel door hare voortreffelijkheid het ligchaam zoo goed mogelijk kan maken. Hoe denkt gij daarover?--Dat geloof ik ook.--Wanneer wij dus het verstand behoorlijk vormen, en daaraan het uitdenken van de bijzonderheden omtrent het ligchaam overlaten, terwijl wij ter vermijding van noodeloozen omslag slechts de grondregels opgeven, doen wij dan niet goed?--Zekerlijk.--Nu hebben wij reeds gezegd[79], dat zij zich van dronkenschap moeten onthouden; want het misstaat vooral aan een wachter door dronkenschap niet te weten, waar ter wereld hij is.--Het is dan ook wat gek, dat een wachter zelf een wachter noodig heeft.--En hoe staat het met het eten? Onze wachters zijn immers kampvechters in den grootsten strijd?--Ja.--Zou dan nu de ligchaamsgesteldheid van de gewone kampvechters voor hen geschikt wezen?--Misschien wel.--Maar, die menschen zijn dommelig en worden ligt ongesteld. Of weet gij niet, dat zij hun leven verslapen, en dat, zoo zij maar een weinig van den voorgeschrevenen leefregel afwijken, zij dadelijk en dikwijls erg ziek worden?--Dat weet ik.--Dus is er een matiger levenswijs noodig voor de kampvechters in den oorlog, die als honden wakker moeten wezen, en zoo scherp mogelijk zien en hooren, en in het veld allerlei afwisseling van drank, en spijs, en hitte, en koude kunnen ondergaan, zonder daarvan ligt kwade gevolgen voor hunne gezondheid te ondervinden.--Dat vind ik ook.--Maar zou nu de beste gymnastiek geene zuster zijn van de eenvoudige muzenkunst, die wij daareven behandelden?--Hoe zegt gij?--Ik meen eene eenvoudige en geschikte gymnastiek, die tot voorbereiding voor den oorlog is ingerigt.--En hoe moet die dan wezen?--Dit zoude men zelfs van ~Homerus~ wel kunnen leeren. Want gij weet dat hij de helden in het veld geen visch laat eten, hoezeer zij aan den Hellespont, vlak bij zee gelegerd waren, noch gekookt vleesch, maar alleen gebraden, hetwelk voor krijgslieden het gemakkelijkst te krijgen is, want het is toch veel gemakkelijker het vuur zelf te bezigen dan overal vaatwerk mede te slepen.--Dat spreekt.--Ook herinner ik mij niet, dat ~Homerus~ ergens van lekkernijen spreekt. Doch ook anderen, die hun ligchaam oefenen, weten wel, dat die gezond wil zijn, zich daarvan moet spenen.--Ja, dat weten zij zeer goed, en onthouden zich er ook van.--Dus, mijn vriend! hebt gij, naar het schijnt, weinig op met eene Syracusaansche tafel, en een Sicilischen overvloed van toespijs.--Neen waarlijk niet.--Dan keurt gij het zeker ook af, dat mannen, die krachtvol en gezond zijn moeten, zich op Corinthische meisjes verslingeren?--Natuurlijk.--En ook het maken van goede sier met Attische taarten?--Dat spreekt.--Want wij zouden, geloof ik, teregt die geheele levenswijs met het maken van verzen en liederen op zulke kunstige wijzen en in allerlei versmaten kunnen vergelijken.--Ja.--En die groote verscheidenheid maakt hier losbandigheid en dáár ziekte, maar eenvoudigheid van muzenkunst verwekt ingetogenheid in de zielen, en eenvoudigheid van gymnastiek gezondheid in de ligchamen?--Volkomen waar.--En wanneer er veel losbandigheid en ziekten in den staat zijn, worden er dan niet vele regtbanken en ziekenhuizen geopend, en wordt dan de regtswetenschap en de geneeskunst niet geëerd, daar vele personen van goede afkomst ze vlijtig beoefenen?--Dat spreekt van zelfs.--

XIV. En zoudt gij wel een grooter bewijs van verkeerde opvoeding kunnen uitdenken, dan dat in een staat niet alleen de daglooners en de handwerkslieden, maar ook zij, die op eene goede opvoeding aanspraak maken, bekwame geneesmeesters en regters noodig hebben! Of houdt gij het niet voor schandelijk en voor een groot bewijs van onbeschaafdheid, wanneer men zich door anderen als door heeren en regters moet laten voorschrijven, wat regt en billijk is, omdat men er zelf geen begrip van heeft?--Dat is zeker al heel schandelijk.--En vindt gij het niet nog schandelijker, wanneer iemand niet slechts een groot deel van zijn leven vermorst met voor de regtbank anderen te beschuldigen en zich zelven te verdedigen, maar er zich ook uit gebrek aan schoonheidszin op verheft, dat hij een baas is in het doen van onregt en geschikt om met allerlei kunstige wendingen door alle gaten te kruipen, en door zich in allerlei bogten te wringen, de straf te ontduiken; en dat nog wel om nesterijen zonder waarde, daar hij niet begrijpt, hoe veel schooner en beter het is zijn leven zóó in te rigten, dat men in ’t geheel niet met slaperige regters te doen heeft?--Ja, dat is nog schandelijker.--En de geneeskunst noodig te hebben, niet wegens wonden of ziekten, die aan het jaargetijde eigen zijn, maar wegens allerlei kwalen, die een gevolg zijn van ledigheid en overdaad, waarvoor de fatsoenlijke dienaars van ~Esculaap~ allerlei vreemde namen verzonnen hebben, vindt gij dat ook niet schandelijk?--Wel zeker, en die gekke, vreemde namen toonen genoeg, waar die ziekten vandaan komen.--Zij waren er dan ook waarschijnlijk niet, toen ~Esculaap~ zelf leefde.--Dit geloof ik ten minste, omdat zijne zonen toelieten, dat ~Eurypylus~, die voor Troje gewond was, Pramneïschen wijn met meel en geraspte kaas er in te drinken kreeg, en omdat zij ~Patroclus~, die hem oppaste, daar niets over zeiden[80].--Maar ik vind het toch gek, zulk een drank te geven aan iemand, die in zulk een toestand is.--Och neen! wanneer gij maar bedenkt, dat de dienaars van ~Esculaap~ de tegenwoordige geneeskunst, die de ziekten slepende houdt, voor den tijd van ~Herodicus~, naar men zegt, niet gekend hebben. Maar ~Herodicus~, die een onderwijzer der gymnastiek en ziekelijk was, verbond de gymnastiek met de geneeskunst, en pijnigde daarmede eerst zich zelven en toen vele anderen.--Hoe dat?--Wel, zeide ik, door zijnen dood zoo lang als hij kon te rekken. Want hij vocht altijd met zijne ongeneeslijke kwaal, en kon die wel niet overmaken, maar hield zich zijn leven door met medicineren bezig; en terwijl hij zware pijnen moest doorstaan, zoo hij maar even van zijne gewone levenswijs afging, bereikte hij door zijne wijsheid langzaam stervend een vrij hoogen ouderdom.--Dan had hij veel aan zijne kunst!--Men kon niet anders verwachten van iemand, die niet inzag, dat ~Esculaap~ deze soort van geneeskunst niet uit onkunde aan zijne nakomelingen onthouden heeft, maar omdat hij wist, dat in goed geordende staten ieder zijn werk heeft, dat hij noodzakelijk doen moet, en dus niemand zijn leven met medicineren kan doorbrengen. Maar wij zijn dwaas genoeg, om dit bij handwerkslieden te begrijpen, maar bij rijken en zoogenaamde gelukkigen niet.--Hoe meent gij dat?--

XV. Een timmerman, zou, als hij ziek was, van den geneesmeester een drank vragen om in eens de kwaal door braking of ontlasting kwijt te raken, of er door branden of snijden van verlost te worden: maar zoo men hem een omslagtigen leefregel voorschreef, en zijn hoofd inpakte en hem wilde broeijen; dan zou hij spoedig zeggen, dat hij geen tijd had om ziek te zijn, en geen lust om zóó te leven, en altijd met zijne kwaal bezig zijnde zijn werk te verzuimen. En dan zou hij dien geneesheer laten loopen en zijne gewone levenswijs hervattende, óf beter worden en zijnen arbeid volbrengen, óf als zijn ligchaam het niet kon uithouden, door den dood van alle smart verlost worden.--Zóó iemand heeft dan ook gelijk, dat hij zóó met de geneeskunst omspringt.--Gij meent zeker, omdat hij een werk heeft, dat hij doen moet, en omdat hij anders niets aan zijn leven heeft.--Juist.--Maar de rijke heeft, naar men zegt, geen zoodanig werk, waarvan hij niet door dwang kan afgehouden worden, zonder verdriet in het leven te krijgen.--Zoo wordt er althans over gesproken.--Maar gij hebt toch wel gehoord, wat ~Phocylides~ zegt: dat een mensch, als hij eerst voor zijn onderhoud gezorgd heeft, de deugd moet beoefenen?--Ik zou zeggen, dat bij daar vroeger meê beginnen moest.--Daarover willen wij nu niet met hem twisten, maar zelve onderzoeken, of de rijke dit doen moet en anders niets aan zijn leven heeft, dan of het koesteren eener ziekte wel nadeelig is voor het timmeren, doordien het daarvan aftrekt, maar niet verhindert den raad van ~Phocylides~ te volgen.--Waarlijk, bij ~Zeus~! die overdrevene verzorging des ligchaams is daarvoor bijzonder hinderlijk; want zij staat in den weg én aan het huisbestier, én aan den oorlog, én aan het waarnemen van bedieningen in den staat. En het ergste van alles is, dat zij alle studie, en nadenken, en eigene oefening belemmert, en altijd vreest voor hoofdpijn en duizeling, en daarvan aan de wijsbegeerte de schuld geeft; zoodat zij, waar zij is, het beoefenen en overdenken van de deugd ten hoogste belemmert, door ons altijd te doen meenen, dat wij ziek zijn, en ons over onze kwalen te laten tobben.--Dit heeft ~Esculaap~ zeker ingezien, zeide ik, en daarom voor hen, die een door natuur en levenswijs gezond ligchaam hadden, en tijdelijk door bijkomende omstandigheden ziek waren, eene geneeswijs aan de hand gedaan, die de ziekte door geneesmiddelen en snijden uitdreef, zonder dat de menschen hunne gewone levenswijs behoefden te veranderen, daar dit voor den staat nadeelig zou wezen; maar de door en door zieke ligchamen heeft hij zeker niet beproefd door allerlei leefregels en door langdurige bewerkingen te plagen, en zóó aan de menschen een lang en ellendig leven te bezorgen, en ze natuurlijk even gebrekkige kinderen te laten voortbrengen; daar hij meende hem, die bij de bestaande orde van dingen niet leven kon, niet in het leven te moeten houden, omdat zulks noch voor den lijder noch voor den staat nuttig was.--Gij maakt ~Esculaap~ dan tot een staatkundige.--En met regt, zoo als ook uit zijne zonen blijkt. Of ziet gij niet, dat zij voor Troje dapper streden, en tevens de geneeskunst zóó uitoefenden als ik zeide? Herinnert gij u niet, dat zij, toen ~Menelaus~ door ~Pandarus~ gewond was, het bloed afwischten en er verzachtende kruiden op leiden, maar aan hem evenmin als aan ~Eurypylus~ voorschreven, wat hij eten of drinken moest[81]; daar er niets dan die kruiden vereischt werd, om mannen te genezen, die gezond waren en matig geleefd hadden, zelfs al dronken zij op het oogenblik wijn met geraspte kaas. Maar zij oordeelden, dat bij een ziekelijk en door weelde bedorven ligchaam noch voor hetzelve noch voor anderen het leven nuttig was, en dat de kunst aan zulken niet moest besteed worden, al waren zij rijker dan ~Midas~.--Gij maakt die zonen van ~Esculaap~ al heel knap.--

XVI. Dat is niet meer dan behoorlijk. De treurspeldichters echter en ~Pindarus~ denken er anders over, en zeggen, dat ~Esculaap~ een zoon van ~Apollo~ was, en dat hij zich door goud heeft laten overhalen, om een rijk man, wiens dood reeds was vastgesteld, te genezen; en daarom zelf door den bliksem getroffen is. Maar wij zullen, zoo als gezegd is, beide verhalen niet tevens aannemen, en zeggen: Zoo hij een godenzoon was, was hij niet inhalig; en zoo hij inhalig was, geen godenzoon.--Dat is heel goed. Maar wat zegt gij hiervan, ~Socrates~! Moeten wij dan in onzen staat geen goede geneesheeren hebben, en dus vooral zulken, die zooveel gezonde en zooveel zieke menschen mogelijk uit ondervinding kennen? En evenzoo regters, die met allerlei soort van karakters hebben omgegaan?--Die zouden al heel goed zijn. Maar weet gij, hoe ik over dezulken denk?--Zoo gij het eerst zegt.--Ik zal het beproeven. Maar gij hebt in ééne vraag twee ongelijke dingen zamengevoegd.--Hoe zoo.--Een geneesmeester zou wel het knapst worden, wanneer hij van kindsbeen, bij zijne studie, met zoo vele en verschillende zieken als mogelijk omging, en zelf aan allerlei ziekten sukkelde, en een voos gestel had. Want zij genezen toch de ligchamen niet met het ligchaam, want dan zouden er geen ongezonde ligchamen zijn, maar met de ziel, die, zoo zij zelve niet deugt, bezwaarlijk iets anders genezen kan.--Dat is waar.--Maar een regter, mijn vriend! heerscht met zijne ziel over zielen, en die mag toch niet van jongs af onder slechte zielen worden opgeleid en daarmede omgaan, en zelve allerlei onregt doen, om uit eigen ondervinding het onregt van anderen te merken, zoo als dit met de ligchaamsziekten plaats heeft; maar zij moet in hare jeugd van alle aanraking met kwade zeden bevrijd blijven, zoo zij goed en schoon zal worden, en goed zal beoordeelen, wat billijk is. Daarom schijnen ook brave menschen in hunne jeugd onnoozel en ligt te foppen door onregtvaardigen, van wier boosheid zij geen denkbeeld hebben.--Ja, dat ondervinden zij veel.--Daarom moet een goed regter niet jong, maar oud wezen, daar hij eerst laat heeft gemerkt, wat de onregtvaardigheid is, niet door er in zijn eigen ziel mede gemeenzaam te worden, maar door ten gevolge eener waarneming van vele jaren bij anderen op te merken, welk een kwaad zij is, en haar alzoo door studie, niet door eigen ondervinding, te leeren kennen.--Zoodanig een regter zou zeker het allerbest zijn.--En goed, waarnaar gij gevraagd hebt, want, die eene goede ziel heeft, is goed. Maar die knappe en ergdenkende, die zelf veel onregt gedaan heeft, en tot alles in staat is, en zich zelven heel wijs vindt, zal, zoo hij met zijns gelijken te doen heeft, voor heel schrander en voorzigtig doorgaan, daar hij de anderen naar zich zelven beoordeelt; doch wanneer hij met brave menschen van jaren moet omgaan, dan komt zijne slechtheid uit, daar hij dan ten ontijde wantrouwend is, en duidelijk toont geen denkbeeld van een gezond karakter te hebben. Daar hij echter meer met slechten dan met goeden te doen heeft, zal hij over ’t geheel aan zich zelven en anderen verstandig toeschijnen.--Dat is volkomen waar.--

XVII. Dus moeten wij, om een goeden en wijzen regter te hebben, niet zóó iemand zoeken, maar een man zoo als den eersten. Want de boosheid kan de deugd en zich zelve niet kennen, maar de deugd van een man van langdurige ondervinding staat aan zijne kennis van de boosheid niet in den weg. Daarom is deze, en niet de booze, naar mijn inzien, wijs.--Dat vind ik ook.--Dus zult gij in onzen staat eene geneeskunst, zoo als wij beschreven hebben, en tevens zulk eene regterlijke magt instellen, die de burgers, wier zielen en ligchamen goed zijn, zullen ten dienste staan, maar hen, wier ligchaam niet deugt, zullen laten sterven, en de slecht geaarden en ongeneeslijken van ziel zullen dooden?--Dit schijnt althans het beste te wezen, zoo voor de lijders als voor den staat.--En de jongelingen zullen zich natuurlijk voor regtshandel wachten, wanneer zij zijn opgeleid door die eenvoudige muzenkunst, welke wij zeiden, dat ingetogenheid aankweekt.--Zekerlijk.--En zal de dienaar der muzen niet volgens hetzelfde rigtsnoer in de gymnastiek datgene kiezen, waardoor hij zoo weinig mogelijk met de geneeskunst te maken heeft?--Ik zou zeggen van ja.--Dus zal hij dan ook bij ligchaamsoefeningen en inspanning meer letten op hetgeen meest dienstig is tot vermeerdering van de veerkracht zijner ziel, dan op de aankweeking zijner ligchaamskracht, en niet zoo als de andere kampvechters voedsel en oefening vooral tot vermeerdering van ligchaamskracht aanwenden.--Juist.--Dus, ~Glauco~! is het hoofddoel van de opvoeding door muzenkunst en gymnastiek niet, zoo als sommigen meenen, om door de ééne het ligchaam, door de andere de ziel te verzorgen.--Hoe zoo?--Beiden zijn, geloof ik, vooral om der wille van de ziel ingesteld.--Hoe dat?--Merkt gij niet, hoe de ziel gesteld is bij hen, die hun leven met gymnastiek doorbrengen en de muzenkunst niet beoefenen, en hoe bij hen, die het tegenovergestelde doen?--In welk opzigt meent gij?--Wat woestheid, en hardvochtigheid, of zachtheid en weekhartigheid aangaat.--Wel zeker, want zij, die zich alleen met gymnastiek bezig houden, worden al te woest, en zij, die alleen aan de muzenkunst doen, al te week.--Juist! En die woestheid heeft haren oorsprong in de aangeboren driftigheid, die, zoo zij goed geleid wordt, de grond van den moed is, maar, zoo zij te veel wordt aangewakkerd, natuurlijk in hardvochtigheid en kwaadaardigheid overgaat.--Dat vind ik ook.--En is aan den anderen kant de zachtzinnigheid geen gevolg van aanleg voor de wijsbegeerte? En ontstaat daaruit niet bij te veel aankweeking te groote weekheid, maar bij goede leiding zachtmoedigheid en zedigheid?--Dat is zoo.--En wij zeggen, dat de wachters deze twee eigenschappen moeten hebben.--Dat moeten zij ook.--En moeten dezelve niet goed zamen verbonden worden?--Natuurlijk.--En de ziel, waarin zij goed verbonden zijn, is ingetogen en moedig.--Zekerlijk.--En die, waarin zij dit niet zijn, laf of woest.--Dat spreekt.--