Part 11
XVIII. Wanneer dus iemand aan de muzenkunst toelaat door zijne ooren als door een trechter in zijne ziel die aangename, zachte, klagende wijzen, waarvan wij gesproken hebben, in te fluiten en in te gieten, en zijn leven al neuriënd en door liederen vervrolijkt doorbrengt; dan maakt hij in het eerst zijn aangeboren driftigheid, als ijzer door het vuur, zacht en handelbaar: maar wanneer hij onafgebroken met dat weeken voortgaat, dan doet hij ze eindelijk smelten en vervloeijen, tot hij al zijne geestkracht versmolten heeft, en de zenuwen zijner ziel heeft verlamd, en een lafhartig oorlogsman is geworden.--Dat is zeker.--En wanneer hij dit met eene ziel zonder veerkracht begint, dan klaart hij het spoedig; maar zoo dezelve driftig van aard is, dan maakt hij die drift zwak en gevoelig, zoodat zij door kleinigheden snel wordt opgewekt en nedergezet. Zulke menschen worden, in plaats van krachtig, ligt geraakt en korzelig en kunnen niets velen.--Hierin hebt gij gelijk.--En wanneer iemand daarentegen veel werk van gymnastiek maakt en allerlei krachtige spijs nuttigt, maar de muzijk of de wijsbegeerte niet aanroert, dan wordt hij in het eerst sterk en vol zelfvertrouwen en geestdrift, en veel moediger dan hij te voren was.--Natuurlijk.--Maar, wanneer hij nu niets anders doet, en zich met de Muzen niet ophoudt, wordt dan niet de leergierigheid, die hij nog had, daar zij van studie of onderzoek niets proeft, noch aan eenige redekaveling of muzenkunst deel neemt, zwak en doof en blind, daar zij niet wordt opgewekt, noch gevoed, noch van dwaling gezuiverd?--Ja.--Dus wordt, zou ik denken, zóó iemand een redehater[82] en een vijand van de muzen, en bedient zich volstrekt niet meer van overreding, maar doet als een wild dier alles met geweld en woestheid, en leeft in bekrompenheid en onkunde, zonder eenige beschaving of bevalligheid.--Ja, zoo gaat het.--Dus zou ik haast zeggen, dat een God aan de menschen die twee kunsten, de muzenkunst en de gymnastiek, niet voor den geest en het ligchaam, maar voor het driftige en het wijsgeerige gegeven heeft, ten einde die twee tot de juiste maat te brengen, waarop zij zijn moeten, om in goede verhouding tot elkander te staan.--Dat is wel waarschijnlijk.--Die dus het best de muzenkunst met de gymnastiek vereenigt en ze in de beste verhouding aan de ziel toedient, heeft veel meer aanspraak op den naam van een waren dienaar der Muzen, dan hij, die de snaren behoorlijk kan stemmen.--Ongetwijfeld, ~Socrates~!--Dus, ~Glauco~! hebben wij ook in onzen staat zulk een opperhoofd noodig, zoo onze staatsregeling zal bloeijen.--Ja, die hebben wij hard noodig.--
XIX. Dit zijn dan nu de grondregels voor onderwijs en opvoeding. Want waartoe zouden wij nu nog het dansen, jagen, de ligchaamsoefeningen, en het paardrijden van zulke menschen behandelen? Want het is toch duidelijk genoeg, dat dit alles met het vorige moet overeenkomen, en hoe dat geschieden kan, is niet moeijelijk te vinden.--Dat zal wel gaan.--Komaan dan, wat ligt er nu aan de beurt? Immers, wie hunner moeten heerschen, en wie beheerscht moeten worden?--Hoe zoo?--Wel, het is duidelijk, dat de ouderen moeten heerschen en de jongeren beheerscht worden.--Dat spreekt.--En dat de besten hunner moeten heerschen.--Ook dat.--En zijn de beste boeren niet zij, die het land het best bebouwen?--Ja.--Daar zij dan nu de beste uit de wachters zijn moeten, zoo moeten wij zeker die kiezen, die den staat het best bewaken?--Ja.--Dus moeten zij het daartoe noodige verstand en de noodige kracht en tevens hart voor den staat hebben.--Natuurlijk.--En iemand heeft het meeste hart voor hetgeen hij lief heeft.--Juist.--En hij heeft dat het meest lief, wat, naar zijn oordeel, met hem hetzelfde belang heeft, en welks voor- en tegenspoed hij dus het meest als den zijnen beschouwt.--Dat is zoo.--Dus moeten wij uit de andere wachters zulke mannen uitkiezen, die in hun geheele leven doen blijken, dat zij, wat zij voor den staat nuttig oordeelen, met allen ijver doen willen, maar het tegenovergestelde volstrekt niet.--Die zijn zeker geschikt.--Dus vind ik, dat wij ze op alle leeftijden moeten waarnemen, om te zien, of zij standvastig zijn en door bedrog noch geweld de meening laten varen, dat zij doen moeten, wat voor den staat het beste is.--Hoe meent gij dat?--Dat zal ik u zeggen. Mijns inziens laat iemand eene meening óf vrijwillig óf tegen zijnen wil varen; vrijwillig, zoo zij valsch is en hij beter onderrigt wordt; tegen zijnen wil, zoo zij waar is.--Dat vrijwillig laten varen begrijp ik, maar ik wenschte wel te hooren, hoe men dit tegen zijnen wil kan doen.--Maar oordeelt gij dan ook niet, dat de menschen het goede tegen hunnen wil laten varen, en het kwade vrijwillig? En is het dwalen niet een kwaad en het kennen der waarheid een goed? En bestaat het kennen der waarheid niet in het overeenstemmen onzer meening met de dingen, die werkelijk bestaan?--Dat alles stem ik toe, en dus ook, dat de menschen tegen hunnen wil de ware meening laten varen.--En gebeurt dat niet, zoo zij er door diefstal, begoocheling of geweld van beroofd worden?--Nu begrijp ik het nog niet.--Ik schijn dan al heel hoogdravend te spreken. Want door diefstal meen ik overreding of vergetelheid, daar bij de ééne de tijd, bij de andere de redenering ongemerkt de ware meening wegneemt. Dat begrijpt gij toch wel?--Ja, dat wel.--En met geweld bedoel ik, wanneer pijn of droefheid ons noopt van meening te veranderen.--Dat begrijp ik ook, en ik stem het toe.--En nu zult gij ook wel toestemmen, denk ik, dat begoocheling hier beteekent zich door de kitteling van het vermaak of door vrees voor dreigend gevaar van zijne meening te laten afbrengen.--Juist, want al wat ons misleidt, begoochelt ons.--
XX. Wij moeten dus onderzoeken, wie het best de meening bewaren, dat zij steeds doen moeten wat het beste is voor den staat. Daarom moeten zij van hunne jeugd af aan beproefd worden, door hun zulk werk te geven, waarbij iemand die het ligtst zou vergeten en zich laten misleiden, en dan moet de volhardende en die bezwaarlijk te misleiden is worden goedgekeurd en de ander afgekeurd. Niet waar?--Ja.--Ook moeten zij door moeite, pijn en wedstrijden beproefd worden, en daarin diezelfde meening vasthouden.--Dat is goed.--Verder moet er ook een derde proef, met de begoocheling, genomen worden; en even als jonge paarden in geraas en rumoer gebragt worden, om te zien of zij schrikachtig zijn, zoo moeten ook de jongelingen door gevaren en tevens door vermaken nog veel meer beproefd worden dan goud in het vuur, om te zien, of zij in alles zich moeijelijk te begoochelen en ingetogen betoonen, en goede bewaarders zijn van de muzenkunst, die zij geleerd hebben, en, door in al die dingen den goeden regel en de ware verhoudingen in acht te nemen, voor zich zelven en voor den staat zoo nuttig zijn als mogelijk is. En die aanhoudend als kind, als jongeling en als man beproefd en goed bevonden is, moet als overheid en wachter van den staat worden aangesteld, en bij zijn leven vereerd en na zijnen dood geprezen en met de grootste onderscheiding begraven worden; maar die de proef niet doorstaat, moet verworpen worden. Aldus ~Glauco~! moeten wij met het uitkiezen en aanstellen der overheden en wachters handelen; om het nu maar in de hoofdtrekken, niet in de bijzonderheden, op te geven.--Ik hecht er mijn zegel aan.--Dus kunnen wij hen met het volste regt volkomene wachters, zoo tegen de vijanden van buiten als tegen de vrienden van binnen heeten, die zorgen dat de laatsten geen kwaad willen doen, en de eersten het niet kunnen; en de jongelingen, die wij tot nog toe wachters genoemd hebben, noemen wij dan helpers en handhavers van de besluiten der overheid.--Dat vind ik goed.--
XXI. Zouden wij nu niet met vrucht eene dier nuttige onwaarheden, waarvan wij straks spraken[83], kunnen toepassen, en zoo mogelijk de overheden zelve, maar althans de andere burgers in eene heilzame dwaling brengen?--Wat meent gij.--Niets ongehoords, maar iets, dat onder anderen met de Phoenicische Colonie in Thebe en op vele andere plaatsen vroeger meermalen, zooals de dichters zeggen, gebeurd is, doch in onzen tijd niet, en waarschijnlijk ook niet gebeuren zal, en dat men bezwaarlijk iemand kan doen gelooven.--Gij schijnt niet veel zin te hebben, om het te zeggen.--En teregt, zooals gij zelf zult inzien, als gij het hoort.--Zeg het maar onbeschroomd.--Komaan dan! al weet ik ook niet, hoe ik het zal durven of kunnen staande houden. Ik zal dan vooreerst de overheden en de krijgslieden en verder de andere burgers zoeken te doen gelooven, dat zij eigenlijk slechts gedroomd hebben, dat zij door ons werden opgevoed en onderwezen, maar dat zij in waarheid met hunne wapenen en ander gereedschap onder den grond zijn gegroeid en gevormd; en, dat, toen zij behoorlijk gevormd waren, hunne moeder, de aarde, hen gebaard heeft; en dat zij dus nu voor hun land als voor hunne moeder behooren te zorgen en te strijden, zoo het wordt aangevallen, en de andere burgers beschouwen moeten als hunne broeders, die ook uit de aarde ontsproten zijn.--’t Is geen wonder, dat gij weinig zin hadt, om die onwaarheid te zeggen.--Neen waarlijk niet, maar toch moet gij ook de rest van het verzinsel aanhooren. Want wij zullen hen verder aldus toespreken: gij allen, die in onzen staat woont, zijt dus wel broeders, maar God heeft, toen hij u maakte, bij de vorming van hen, die voor regeren bekwaam zijn, goud gebezigd, weshalve zij de voortreffelijksten zijn; en bij de helpers der overheden zilver; en ijzer, en koper bij de landlieden en de handwerkers. Daar gij dus allen bloedverwanten zijt, zult gij wel meestal kinderen verwekken, die aan u gelijk zijn, maar kan het toch gebeuren, dat uit goud gevormde ouders zilveren spruiten verwekken, en uit zilver gevormde gouden, en evenzoo bij de anderen. Daarom gelast God vooreerst en vooral de overheden om niets zoozeer in het oog te houden en te bewaken als de kinderen, ten einde te zien, welk van die metalen zij in de ziel hebben, en als uit hen een kind geboren wordt, dat aan koper of ijzer verwant is, hetzelve geenszins te sparen, maar het naar zijne geaardheid te behandelen, en in de klasse der handwerkers en landlieden te doen overgaan, en als onder dezen personen geboren worden, die blijken verwantschap met goud of zilver te hebben, die te vereeren en met de wacht of het helpen der overheden te belasten, daar de godspraak bepaald heeft, dat onze staat zal ondergaan, zoo hij door zilver of koper bewaakt wordt. Ziet gij er eenig middel op, om voor hen dat verzinsel geloofelijk te maken?--Voor hen zelven, volstrekt niet, maar wel voor hunne kinderen en verdere nakomelingen.--Dit zou ook al goed zijn, om te maken, dat zij meer zorg voor den staat en voor elkander droegen; want ik vat wel, wat gij wilt. Wij zullen het dan maar aan de overlevering opdragen, dit denkbeeld te verspreiden.
XXII. Wanneer wij nu deze kinderen der aarde gewapend hebben, moeten wij ze onder aanvoering der overheden de stad doen intrekken. Wanneer zij daar gekomen zijn, moeten zij zien, waar zij zich het best kunnen legeren, om zoowel de personen van binnen, die niet aan de wetten willen gehoorzamen, te bedwingen, als hen, die van buiten als wolven de schaapskooi aanvallen, af te weren. Als zij die plaats gekozen hebben, moeten zij, na de gebruikelijke offers, verblijfplaatsen voor zich laten maken.--Dat spreekt.--En immers zulke, die voldoende zijn voor het afweren van koude en hitte?--Natuurlijk, want gij meent huizen, geloof ik.--Ja, maar voor krijgslieden, niet voor kapitalisten.--Maar welk onderscheid maakt gij dan tusschen die twee?--Ik zal trachten het u te zeggen. Het is voor herders allerschadelijkst en schandelijkst, de honden, die de kudde moeten beschermen, zóó te kiezen en zóó te behandelen, dat zij door teugelloosheid, of honger, of eenig ander gebrek de schapen pogen kwaad te doen, en meer op wolven dan op honden gelijken.--Dat is zeker erg.--Dus moeten wij op allerlei wijzen zorgen, dat onze krijgslieden in het omgaan met burgers, die hunne minderen zijn, niet meer op woeste meesters dan op welwillende beschermers gelijken.--Ja daar moeten wij voor zorgen.--En zou dit zorgen niet grootendeels in het geven eener goede opvoeding bestaan?--Ja, maar daarvoor is reeds gezorgd.--Dat is wat stellig gesproken, mijn beste ~Glauco~! maar, wat wij daareven zeiden, is zeker waar, namelijk: dat hen goed op te voeden, waar dan ook die opvoeding in besta, het voornaamste middel is, om hen jegens elkander en jegens hunne beschermelingen zachtzinnig te maken.--Dat is zeker.--Daarenboven leert het gezond verstand, dat zij zulke woningen en andere bezittingen moeten hebben, waardoor zij evenmin zelve bedorven worden als aangezet, om de andere burgers te mishandelen.--Dat leert het met regt.--Zie dan nu eens, of zij zóó moeten leven en wonen, om zoodanig te worden. Vooreerst moet niemand hunner, zoover dit niet volstrekt noodig is, een eigen bezitting hebben; verder moet niemands woning en voorraadkamer gesloten zijn, maar ieder moet er in kunnen komen; ook moeten zij tot levensonderhoud hebben, wat ingetogene, moedige krijgslieden behoeven; en daartoe moeten zij van de andere burgers, tot loon voor hunne bewaking, zoo veel krijgen, dat zij jaarlijks rondkomen, maar niet overhouden; en als krijgslieden in eene legerplaats moeten zij aan gemeenschappelijke tafels te zamen eten. Verder moeten wij hun zeggen, dat zij goddelijk goud en zilver van de goden in hunne zielen gekregen hebben, en dus het menschelijke niet behoeven, noch, door het bezit van dat vergankelijke goud, wat zij hebben, mogen bezoedelen, daar er vele gemeene dingen met het goud, dat de menigte heeft, gedaan worden, maar het hunne zuiver is; en daarom mogen zij alleen onder de burgers geen goud of zilver behandelen, noch aanraken, noch er mede onder hetzelfde dak zijn, of het aan hun ligchaam hangen, of er uit drinken. Alzoo toch kunnen zij behouden blijven en den staat behouden; doch, wanneer zij eigen landerijen, huizen en geld hebben, zullen zij financiers of boeren zijn, maar geen wachters; en zullen de andere burgers beheerschen, niet beschermen; en ze hatende en door hen gehaat wordende, gedurende hun geheele leven ze belagen en aan hunne lagen blootstaan, en veel meer voor de vijanden van binnen dan voor die van buiten vreezende, zoowel zich zelven als den geheelen staat hals over kop in het verderf storten. Om al deze redenen zullen wij zeggen, dat de wachters, wat woningen enz. aangaat, zóó moeten gesteld zijn, en wij zullen dat bij de wet vaststellen. Niet waar?--Zekerlijk, zeide ~Glauco~.
Voetnoten
[36] _Odyss._ XI. 488.
[37] _Il._ XX. 64.
[38] _Il._ XXIII. 103.
[39] _Odyss._ X. 495.
[40] _Il._ XVI. 856.
[41] _Il._ XXIII. 100.
[42] _Odyss._ XXIV. 6.
[43] _Il._ XXIV. 3 sqq.
[44] En van wien men dus verwachten zou, dat hij althans nog iets goddelijks in zijn karakter over had.
[45] _Il._ XXII. 414.
[46] _Il._ XVIII. 54.
[47] _Il._ XXII. 168.
[48] _Il._ XVI 433.
[49] _Il._ I. 599.
[50] _Odyss._ XVII. 383.
[51] ~Diomedes~ komt bij ~Homerus~ met al zijne dapperheid als een zeer bescheiden karakter voor. In de aangehaalde plaats, _Il._ IV. vs. 370-418, wordt hij door ~Agamemnon~ ten onregte berispt, maar zwijgt uit eerbied voor den Koning. Hierop neemt ~Sthenelus~ het woord en weèrlegt ~Agamemnon~ vrij vinnig, waarover hij nog door ~Diomedes~ bestraft wordt.
[52] _Il._ IV. 431.
[53] _Il._ I. 225.
[54] _Od._ IX. 5.
[55] _Od._ XII. 342.
[56] _Il._ XIV. 291.
[57] _Od._ VIII. 266.
[58] _Od._ XX. 17.
[59] _Il._ IX. 496.
[60] _Il._ XIX. 278.
[61] _Il._ XXIV. 175.
[62] _Il._ XXII. 15.
[63] _Il._ XXI. 233.
[64] _Il._ XXIII. 144.
[65] _Il._ XXIV. 16.
[66] _Il._ XXIII. 175.
[67] In het Grieksch staat hier nog tusschen: _van de geesten_. Ik heb die woorden weggelaten, omdat wij in het vorige niets van die geesten gehad hebben, en zij zeer ligt door een later Platonicus kunnen ingevoegd zijn, daar die wijsgeeren bijzonder veel werk van daemonen, engelen, geleigeesten enz., maakten. Zie ~Nieuwenhuis~, _Initia Philosophiae Theoreticae_ II. 1. p. 33.
[68] Zoo dit ernstig gemeend is, dan is de stelling, dat ~Plato~ zoo maar voort schreef, niet ligt te ontkennen. Ik heb echter in den Phaedo en den Theaetetus reeds zoeken aan te toonen, dat ~Plato~ wel degelijk een geregeld plan volgde en niet schreef, zoo als de geest getuigde. Men kan evenwel deze plaats misschien ook zóó uitleggen, dat ~Socrates~ zegt: niet wat ons al of niet goed dunkt, maar wat van zelfs uit ons onderwerp voortvloeit, moeten wij onderzoeken.
[69] Het opzeggen van gedichten was in Griekenland een tak van industrie, die tot vergoeding voor de weinige verspreiding der boeken ten gevolge van hunne kostbaarheid diende.
[70] De rollen op het Grieksche tooneel werden allen door mannen vervuld, waarin geene zwarigheid was, dewijl de tooneelspelers gemaskerd waren.
[71] Alle dergelijke beroepen werden door de Grieksche geleerden veracht, omdat zij ze voor geestverdoovend hielden, wegens het werktuigelijke der bezigheid.
[72] Het Grieksche woord, dat hier opvoeders beteekent, drukt slaven uit, die met de zorg voor de kinderen belast werden, iets dat bij de Grieken zeer gewoon was, doch aan hunne wijsgeeren niet weinig ergernis gaf, vooral ook om de verkeerde keus, die vaak daarbij plaats had. Men leest onder anderen in het boekje over de opvoeding, dat aan ~Plutarchus~ wordt toegeschreven: Hoofdst. VII. «Hetgeen tegenwoordig door velen gedaan wordt, is allerbespottelijkst. Want van hunne goede slaven maken zij sommigen tot landbouwers, anderen tot schippers, of verkoopers, of huisverzorgers, of bestuurders van geldzaken; maar zoo zij een slaaf hebben, die aan den drank verslaafd en snoepachtig is, en voor niets anders deugt, dragen zij hem de opvoeding hunner zonen op.»
[73] De lier en cither waren aan ~Apollo~ gewijd, en ~Marsyas~ wordt bij de dichters als de patroon van het fluitspel beschouwd, daar hij de door ~Athene~ uitgevondene, maar weggeworpene fluit opraapte, en zich daarop geoefend hebbende, zelfs ~Apollo~ tot een muzijkalen wedstrijd durfde uitdagen.
[74] Over dit punt is vooral lezenswaard ~K. O. Müller~, Gesch. d. Gr. Lit., Deel I. blz. 263 volgg.
[75] Een beroemd toonkunstenaar, die te gelijk met ~Socrates~ leefde, doch, toen de Republiek werd uitgegeven, waarschijnlijk reeds overleden was.
[76] Hierin ligt eene belangrijke waarheid opgesloten. Wij begrijpen het best redeneringen over zaken, die ons reeds bekend zijn, en het is verkeerd, voordat de toehoorders iets van de feiten weten, hun die feiten te willen verklaren en derzelver onderling verband te doen inzien. Zie ~H. M. Moll~, _Latijnsche Spraakkunst_, voorberigt, blz. 1.
[77] ~Socrates~ zelf was verschrikkelijk leelijk, waarom ~Alcibiades~ hem in het _Gastmaal_ met een monsterachtig Silenusbeeld vergelijkt, dat tot koker moest dienen, om een schoon gouden godenbeeldje te bewaren.
[78] Het woord _gymnastiek_ wordt hier in zeer uitgebreiden zin genomen, daar het niet slechts ligchaamsoefeningen aanduidt, maar alles wat tot het bewaren en versterken des ligchaams dienstig is.
[79] Boek III. Hoofdst. X.
[80] _Ilias_ XI. 505, 617, 841. ~Plato~ vertelt deze geschiedenis niet volkomen juist, hetgeen waarschijnlijk daaraan moet geweten worden, dat hij ze uit zijn geheugen aanhaalde. Hoe echter die gewonde held heette, en wie hem oppaste, is hier geheel onverschillig; genoeg, dat aan de behandeling der gewonden bij ~Homerus~ duidelijk te zien is, dat in die eenvoudige tijden de menschen niet zoo teer waren als tegenwoordig, en zich minder voor alles in acht namen, zonder dat dit hunne gezondheid benadeelde; waaruit blijkt, hoe heilzaam een eenvoudige levenswijs voor den welstand des ligchaams is. Hoezeer naauwkeurigheid in het aanhalen verdient geprezen te worden, is het echter verkeerd op de letter te vitten, zoo de geest maar goed gevat is.
[81] _Il._ IV. 213.
[82] Zie _Phaedo_, Hoofdst. XXXIX.
[83] Zie Boek II. Hoofdst. XXI. III. Hoofdst. III.
VIERDE BOEK.