De republiek van Plato

Part 12

Chapter 123,620 wordsPublic domain

I. Toen vatte ~Adimantus~ het woord op, en zeide: ~Socrates!~ wat zult gij antwoorden, als iemand zegt, dat gij die mannen niet bijzonder gelukkig maakt, en ze zelven daartoe laat meêwerken, dewijl zij eigenlijk de meesters van den staat zijn en er toch geen voordeel van trekken, door zoo als de anderen akkers te hebben, en schoone, ruime huizen te bouwen, en die met behoorlijk huisraad te voorzien, en eigene offers aan de goden te wijden, en gasten te ontvangen, en, zoo als gij daareven zeidet, goud en zilver te bezitten, en wat meer tot het geluk noodig wordt geoordeeld? Want men zou waarlijk kunnen zeggen, dat zij niet meer schijnen te zijn dan huurtroepen, die slechts tot bewaking van den staat zijn aangeworven.--Juist, zeide ik, die slechts in de kost zijn, maar anders geen loon krijgen, zoodat zij geen reis op hun eigen kosten kunnen doen, en niets hebben om aan hoeren te geven, of op andere wijs door te brengen, zoo als zij plegen te doen, die voor gelukkig gehouden worden.--Juist, dat is ook een deel der beschuldiging.--En nu vraagt gij, wat wij daarop zullen antwoorden?--Ja.--Langs denzelfden weg, zeide ik, dien wij tot nog toe gevolgd hebben, hoop ik te vinden wat wij zeggen moeten. Want wij zullen zeggen, dat zij welligt juist zóó het gelukkigste zijn zullen; dat wij echter den staat niet stichten, opdat ééne klasse meer dan de overige, maar opdat de geheele staat gelukkig zij; want, dat wij in zulk eenen het gemakkelijkst de regtvaardigheid hoopten te vinden, en evenzoo in die, welke het slechtst was ingerigt, de onregtvaardigheid, om vervolgens onze eigenlijke vraag te beantwoorden.--Zoo wij dus den staat gelukkig willen maken, bedoelen wij niet eenige weinige uitverkorenen, maar den geheelen staat; en zullen vervolgens op dezelfde wijs den tegenovergestelden bezien. Want, als wij eens een mensch schilderden en iemand er bij kwam en ons berispte, omdat wij het schoonste deel niet met de schoonste verwen hadden gekleurd, daar wij de oogen, die toch het schoonste zijn, niet met purper, maar met zwart bestreken hadden; zou onze regtvaardiging slechts behoeven te bestaan in de woorden: vriend! meen niet, dat wij de oogen zoo mooi moeten maken, dat zij niets meer van oogen hebben, en verlang datzelfde niet omtrent de andere ligchaamsdeelen: maar zie liever, of wij het geheel schoon maken, door aan ieder deel te geven, wat er aan toekomt. Evenzoo moet gij ons ook nu niet dwingen, aan de wachters zulk een geluk te geven, waardoor zij alles behalve wachters zouden worden. Want wij konden ook de boeren wel in gala kleeden en met goud behangen en hen voor pleizier het land laten bebouwen, en de pottebakkers bij het vuur laten aanliggen en eten en drinken, met het wiel naast hen, om als zij lust hadden potten te maken: en al de anderen op dezelfde wijs gelukkig maken, opdat ieder in den staat gelukkig zou wezen. Zoo iets moet gij ons echter niet aanprijzen, want als wij uwen raad volgen, blijft de boer geen boer, noch de pottebakker pottebakker, en geen ander der beroepen, die te zamen den staat vormen, blijft in stand. Bij de anderen is dit minder, want al zijn de schoenmakers slecht, en bedorven, en slechts in schijn schoenmakers, dan is dit voor den staat nog niet gevaarlijk; maar zoo de bewakers der wetten en van den staat dit slechts in schijn zijn, dan ziet gij, dat zij den geheelen staat te gronde rigten; terwijl zij in het tegenovergestelde geval de hoofdbewerkers van deszelfs bloei en geluk zijn. Zoo wij dus werkelijke wachters maken willen, dan zorgen wij vooral, dat zij den staat geen kwaad doen; maar hij die zóó spreekt, en ze tot boeren of tot een gezelschap van gelukkige feestvierders maakt, moge daarmede meenen wat hij wil, van een staat heeft hij geen begrip. Dus moeten wij toezien, of wij de wachters aanstellen met het plan, dat zij zelven zoo gelukkig mogelijk zijn, of dat wij dit voor den geheelen staat moeten beoogen, en die helpers en wachters met dwang en overreding daarheen moeten brengen, dat zij hun eigen werk zoo goed mogelijk verrigten, en al de anderen desgelijks; opdat, terwijl de geheele staat groeit en bloeit, iedere stand zoo veel deel aan dat geluk krijge, als volgens zijn aard mogelijk is.

II. Dat moet ik toestemmen, zeide hij.--En wat zegt gij dan van hetgeen daarmede zamenhangt?--Wat bedoelt gij?--Zie eens of deze dingen de andere werklieden bederven en slecht maken?--Welke?--Rijkdom en armoede.--Hoe zoo?--Dat zal ik zeggen. Gelooft gij, dat een koperslager, als hij rijk is geworden, nog langer werk van zijn vak zal willen maken?--Wel neen.--Dus zal hij luier en nalatiger worden, dan te voren?--Zekerlijk.--En dus als koperslager ook slechter?--Veel slechter.--En zoo hij aan den anderen kant zich door armoede geen werktuigen, of wat verder voor zijn vak noodig is, kan aanschaffen, dan zal hij slechter werk voortbrengen, en zijne zonen, of wie hij verder onderwijst, tot slechter werklieden maken.--Dat kan niet anders.--Dus worden door beiden, door rijkdom en armoede, de werklieden zoowel als hun werk slechter.--Dat blijkt.--Dus hebben wij nog een paar dingen gevonden, die door de wachters op allerlei wijs buiten den staat behooren gehouden te worden.--En dat zijn?--Rijkdom en armoede; daar de eerste weelde, luiheid en zucht naar verandering te weeg brengt; de tweede insgelijks zucht naar verandering en tevens laagheid en slechtheid.--Dat is waar.--Doch, ~Socrates~! bezie echter dit eens. Hoe zal onze staat oorlog kunnen voeren, wanneer hij geene schatten bezit, vooral zoo hij met een grooten en rijken staat te doen heeft?--Natuurlijk zal dat tegen éénen moeijelijker en tegen twee gemakkelijker gaan.--Hoe meent gij dat.--Vooreerst, als er moet gevochten worden, zullen zij dan niet tegen rijke lieden optrekken, terwijl zij zelve beoefenaars van den oorlog zijn?--Ja, dat is zoo.--Maar, ~Adimantus~! zou een bokser, die zijn vak volkomen meester was, niet gemakkelijk kunnen vechten met twee personen, die geen boksers, maar rijk en vet waren?--Als zij te gelijk kwamen, zou dat welligt zoo heel gemakkelijk niet gaan.--Ook niet, zoo hij mogt gaan loopen[84], en zich telkens omkeerende hem, die het meest onder zijn bereik was, een slag geven, en zoo hij dit telkens herhaalde, en dat wel in de brandende zon? zou dan zóó iemand niet vele dergelijken aan kunnen?--Zóó zou het waarschijnlijk wel gaan.--Maar gelooft gij niet, dat de rijken altijd nog meer kennis en ondervinding van het boksen, dan van den oorlog hebben[85]?--Ja, dat geloof ik wel.--Dus zullen onze geoefende manschappen waarschijnlijk met gemak tegen een dubbel of driedubbel aantal bestand wezen.--Nu moet ik het toestemmen, want ik vind, dat gij gelijk hebt.--En zoo zij nu naar den éénen staat een gezantschap zonden, om, zoo als wij naar waarheid doen kunnen, te zeggen: wij gebruiken geen goud of zilver, want dit is ons niet geoorloofd, maar u wel; voeg u daarom bij ons, en verkrijg tot belooning de bezittingen der anderen: gelooft gij dan wel, dat iemand, dit hoorende, liever tegen sterke en magere honden zou vechten, dan met die honden tegen vette en zwakke schapen?--Wel neen. Maar zoo nu die rijkdommen eens het eigendom zijn van éénen staat, zou die dan toch niet gevaarlijk zijn voor een armen staat, als den onzen?--Gij zijt wel goed, daar gij ook aan andere staten, dan dien wij daareven gesticht hebben, den naam van _staat_ wilt geven.--Hoe moet het dan.--Zij moeten met een grooteren naam benoemd worden. Want ieder hunner is niet één staat maar meer dan één, die als in het schaakspel[86] vijandig tegen elkander over staan. In de kleinste zoogenoemde staten toch zijn er eigenlijk twee, die der armen en die der rijken, en in ieder van die zijn er weer verscheidene, die gij verkeerd zoudt doen met als één te beschouwen, daar gij, door ze als velen te behandelen, en het geld, de magt en de personen van den éénen aan den anderen te geven, altijd veel bondgenooten en weinig vijanden zult hebben. En zoolang uw staat de voorgeschrevene matige levenswijs in acht neemt, zal hij niet in schijn, maar in werkelijkheid de grootste wezen, al had hij slechts duizend voorvechters; want één wezenlijk zoo grooten staat zult gij niet ligt bij de Grieken of de barbaren vinden, maar wel velen, die vrij wat grooter schijnen. Of denkt gij er anders over?--Ik niet.--

III. Dus, zou dit de beste maatstaf zijn voor onze overheden, bij het bepalen van de grootte van den staat en van het grondgebied, dat zij er voor moeten trachten te verwerven.--Wat?--Dat hij zoolang mag aan wassen als zijne eenheid er geen gevaar bij loopt; verder niet.--Juist.--Dus zullen wij de wachters ook daarvoor laten zorgen, dat de staat niet klein en ook niet schijnbaar groot, maar van genoegzame grootte en één zij.--Dat is nog al eenvoudig.--En nog eenvoudiger is hetgeen wij reeds gezegd hebben, dat, indien onder de wachters een kind van minder aanleg geboren wordt, dit in een anderen stand moet overgebragt worden, en evenzoo een uitstekend kind uit een anderen stand naar de wachters. En hiermede bedoelden wij tevens, dat ook onder de andere burgers ieder aan dat werk moet gezet worden, waartoe hij het best geschikt is, opdat ieder, alleen zijn vak uitoefenend, niet velen maar één zij; en alzoo ook de geheele staat één zij, niet vele.--Ja, dat laatste is nog eenvoudiger.--Och, mijn beste ~Adimantus~! al onze voorschriften zijn minder zwaar dan zij schijnen, zij zijn allen eenvoudig; zoo zij dit ééne groote, of liever juist voldoende maar in het oog houden.--En dat is?--Het onderwijs en de opvoeding, want als zij goed zijn opgevoed en menschen worden zoo als het behoort, dan zullen zij dat alles gemakkelijk inzien, en meer nog dan dit, b. v. ten opzigte van de vrouwen en de kinderen, dat ook hierin, volgens het spreekwoord, alle goederen onder vrienden moeten gemeen zijn.--Ja dat zou dan alles wel te regt komen.--En, als die staatsregeling maar eens goed aan den gang is, dan breidt zij zich als in een cirkel uit. Want aanhoudend goede opvoeding en onderwijs maakt de geaardheid goed; en zoo kinderen van een goede geaardheid zulk een opleiding deelachtig worden, dan worden zij nog beter dan hunne ouders, zoowel in andere opzigten als met betrekking tot de voortteling, even als dit bij andere dieren plaats heeft.--Dat is waarschijnlijk.--Om het dus met korte woorden te zeggen, de overheden van den staat moeten vooral zorgen, dat er geene nieuwigheden in de gymnastiek en de muzenkunst worden ingevoerd, maar daartegen met allen ijver waken; en zorgen, dat de woorden: het nieuwste lied is voor de menschen gewoonlijk het aangenaamste: niet zóó worden uitgelegd en geprezen, alsof hier geen nieuw dichtstuk maar een nieuwe zangwijs bedoeld werd. Want die mag niet geprezen noch aangenomen worden. Het aannemen toch van nieuwe zangwijzen is gevaarlijk voor het geheel; want, zoo als ~Damon~ zegt, en ik toestem, nooit worden de wijzen der muzijk veranderd, zonder dat dit de grootste veranderingen in de wetten van den staat na zich sleept.--Dat stem ik ook toe, zeide ~Adimantus~.--

IV. Dus, zeide ik, moeten de wachters vooral over de muzenkunst de wacht houden.--De overtreding komt althans van dien kant ligt ongemerkt binnen.--Juist, want zij heeft dáár de gedaante van een spel dat volstrekt geen kwaad doet.--Zij doet dan ook niets anders, dan dat zij zich langzaam vestigende zoetjes en zachtjes in de zeden en de oefeningen binnensluipt, vandaar zich met meer kracht naar de onderlinge verbindtenissen keert, vervolgens de wetten en staatsinrigtingen losmaakt, en eindelijk alle bijzondere betrekkingen en den geheelen staat vanéénscheurt.--Ziet gij dat zóó donker in, zeide ik.--Ja zeker.--Dus, moeten onze knapen, zoo als wij reeds zeiden, dadelijk door hunne spelen in de vereischte stemming gebragt worden, want als zij door dezelve de wetten leeren overtreden, dan kunnen zij onmogelijk tot vereerders van de wet en tot brave menschen opgroeijen.--Dat spreekt.--En wanneer zij integendeel reeds bij hunne kinderspelen door de muzenkunst in die stemming gebragt worden, welke door de wet verlangd wordt; dan blijft hun dezelve bij, en oefent overal haren invloed uit, en brengt veel gebrekkigs in den staat eindelijk te regt.--Dat is volkomen waar.--Dus, vinden zij dan ook al die schijnbare kleinigheden, waarop de wet ook invloed moet uitoefenen, en die vroeger zoo zeer verwaarloosd werden.--Welke?--Bij voorbeeld: dat de jongeren, zoo als passend is, in de tegenwoordigheid der ouderen zwijgen, en ze op de eerste plaats laten aanliggen en voor hen opstaan, dat de kinderen hunne ouders eeren, dat bij het dragen van het haar, bij de kleeding, bij het schoeisel enz., de betamelijkheid wordt in acht genomen, en wat dies meer zij. Vindt gij dat ook niet?--Ja zeker.--Op dit alles echter wetten te maken zou dwaas zijn; want het is toch onmogelijk die wetten te laten nakomen.--Dat gaat niet.--Het schijnt dan ook, ~Adimantus~! dat iemand de rigting, die hij door zijne opvoeding krijgt, in zijn verdere leven van zelfs volgt[87]; daar immers het gelijke steeds het gelijke met zich meêbrengt.--Juist.--En eindelijk komt dan hieruit, zou ik zeggen, de hoogst mogelijke trap van goed of kwaad te voorschijn.--Natuurlijk.--Daarom zou ik ook niet eens willen beproeven, op die dingen wetten te maken.--Daar hebt gij gelijk in.--Verder, bij de goden! hetgeen den handel betreft, en de onderlinge schikkingen der kooplieden of de overeenkomsten met arbeiders, en de beleedigingen, en beschadigingen, en het beschuldigen, en het verkiezen van regters, en het invorderen of vaststellen van noodzakelijke belastingen op de markt of in de havens, en wat verder op het handhaven der orde op de markt, in de havens en in de stad betrekking heeft, zullen wij van dat alles in de wet durven spreken?--Het is onnoodig, hieromtrent voor wezenlijk beschaafde menschen voorschriften te geven; want over het geheel zullen zij ligtelijk vinden, welke bepalingen daaromtrent moeten gemaakt worden.--Juist, mijn vriend! zoo God slechts geeft, dat de reeds vastgestelde wetten in wezen blijven.--En zoo dat geen plaats heeft, zullen zij, met vele dergelijke bepalingen te maken en die telkens te veranderen, bun leven slijten, in de hoop, eindelijk het beste te zullen treffen.--Gij zegt, dat dezulken zullen leven als zieken, die uit gebrek aan veerkracht niet kunnen besluiten om hunne verkeerde levenswijs te laten varen.--Juist.--Die hebben dan ook eene fraaije manier van leven. Want zij vorderen niets met al hun innemen, dan dat zij meer afwisseling in hunne kwaal brengen en die grooter maken, terwijl zij van ieder nieuw middel beterschap verwachten.--Gij schetst den toestand van zulke zieken volmaakt naar waarheid.--Maar wat zegt gij nu hiervan? Vindt gij het ook niet aardig, dat zij niemand minder kunnen velen, dan hem, die hun zegt, zoo als het is, dat zoolang zij voortgaan met drinken en smullen en naar de meisjes loopen, geen innemen, noch branden, noch snijden, noch tooverzangen, noch broeijen, noch eenig ander middel hun iets kan helpen?--Heel aardig vind ik dat niet; want boos te worden op iemand, die ons goeden raad geeft, is al heel onaardig.--Dus zijt gij, naar het schijnt, geen lofredenaar van zulke personen.--Neen waarlijk niet.--

V. Dus zult gij het zeker ook niet prijzen, wanneer een staat zoo handelt. Of vindt gij niet, dat hetzelfde plaats heeft in die staten, welke, hoewel een slechten regeringsvorm hebbende, de burgers op doodstraf verbieden pogingen aan te wenden tot het veranderen der geheele staatsregeling; terwijl hij, die hen, zonder daaraan te raken, het bereidwilligste dient en zich bij hen door vleijerij weet aangenaam te maken, en hunne begeerte vooruit weet te raden en die spoedig te vervullen, de mooije man is, en om zijne wijsheid geëerd wordt[88]?--Dat komt op hetzelfde neer, en ik prijs het volstrekt niet.--En bewondert gij nu niet den moed en de handigheid van hen, die zulke staten met bereidwilligheid dienen?--Of ik: behalve zoo zij zich daardoor laten foppen, en zich waarlijk voor staatkundigen houden, omdat zij door de menigte geprezen worden.--Hoe zegt gij? waarom neemt gij dat die menschen zoo kwalijk? Of houdt gij het voor mogelijk, dat iemand, die niet kan meten, wanneer velen, die er even weinig verstand van hebben, staande houden, dat hij vier ellen lang is, dit niet eindelijk zelf van zich zelven gaat gelooven?--Daar hebt gij gelijk in.--Maak u dan maar niet boos. Want zulke wetgevers zijn alleraardigste menschen, die altijd lappen, en meenen tegen de kwade trouw in de overeenkomsten en de andere gebreken een middel te zullen vinden, daar zij niet merken, dat zij eigenlijk een moriaan wasschen.--Ja, dat doen zij waarlijk.--Ik zou echter meenen, dat een goed wetgever zulk eene wijs van wetten en inrigtingen te maken noch in een slecht noch in een goed ingerigten staat zou toepassen: in den eersten niet, omdat het daar nutteloos is en nergens voor dient; in den laatsten niet, omdat die dingen deels door ieder kunnen gevonden worden, deels van zelfs uit de eens gegevene rigting volgen.--Wat rest ons dan nu nog vast te stellen? zeide hij.--Hierop zeide ik: ons niets, maar ~Apollo~ te Delphi moet nu nog de grootste, schoonste en belangrijkste bepalingen maken.--Welke?--Die op het stichten van tempels, en op de offers en andere eerbetooningen aan de goden, geesten en helden, en op het begraven der lijken en het bevredigen van de schimmen der afgestorvenen. Van die dingen toch hebben wij zelve geen kennis, en zullen ons, zoo wij wijs zijn, bij het stichten van onzen staat tot geen anderen leermeester wenden, dan tot dien onzer vaderen; deze God toch heeft van oudsher als leermeester van alle menschen zijnen zetel op het middelpunt der aarde[89].--Dat zegt gij goed, en zoo moeten wij doen.--

VI. Dus, zoon van ~Aristo~! uw staat is dan voltooid: licht nu eens bij, en laat uw broeder en ~Polemarchus~ en de anderen ons helpen, om te zien, of wij vinden kunnen, waar de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid schuilen, en waarin zij van elkander onderscheiden zijn, en welke van beiden iemand hebben moet, om gelukkig te wezen, hetzij goden en menschen met hem bekend zijn, of niet.--Wat gij zegt, zal u niets baten, zeide ~Glauco~, want gij hebt beloofd te zoeken, daar gij het goddeloos vondt de zaak der regtvaardigheid niet op allerlei wijs naar uw vermogen te bepleiten[90].--Wat gij mij herinnert is waar, zeide ik, en zóó moet het dan maar gebeuren; doch gij moet ook een handje helpen.--Goed, zeide hij, dat willen wij doen.--Ik heb hoop, zeide ik, het zóó uit te vinden. Ik geloof dat onze staat, daar hij behoorlijk is ingerigt, volkomen goed is.--Noodzakelijk.--Dus is hij natuurlijk wijs, en moedig, en ingetogen, en regtvaardig[91].--Natuurlijk.--Zoo wij dus een deel van die eigenschappen in hem gevonden hebben, dan is het overige het nog niet gevondene.--Dat spreekt.--Wanneer wij dus één van vier dingen, die ergens in waren, zochten, en dat ééne vonden, zouden wij tevreden zijn; maar zoo wij de drie anderen eerst gemerkt hadden, zou juist daardoor het gezochte bekend worden; want het zou natuurlijk niets anders zijn dan het overgeblevene.--Dat is waar.--Dus moeten wij met deze vier eveneens handelen.--Dat is duidelijk.--

Vooreerst dan meen ik in onzen staat de wijsheid te zien; en ik merk daaromtrent iets zonderlings.--Wat?--Ik geloof, dat onze staat werkelijk wijs is: want hij handelt met goed overleg. Niet waar?--Ja.--En dit goed overleg is eene soort van kennis, want goed overleg steunt niet op onkunde, maar op kennis.--Dat spreekt.--Maar nu zijn er vele verschillende soorten van kennis in den staat.--Zekerlijk.--Moeten wij dan nu den staat wijs en goed overleggend noemen wegens de kennis der timmerlieden?--Wel neen, want die kennis strekt zich niet verder uit dan tot het timmeren.--Dus is een staat nog niet wijs te noemen, al wordt daarin kostelijk beraadslaagd over de beste manier om hout te bewerken.--Volstrekt niet.--Of, om bedrevenheid in het geelgieten, of iets dergelijks?--Om niets van dat alles.--En ook niet om het verstandig bearbeiden van den grond. Vindt gij wel?--Neen ik.--Maar is er dan bij eenige burgers van onzen daareven gestichten staat eenige kennis, die geen betrekking heeft op een of ander deel, maar op den geheelen staat, en op de beste wijs, waarop hij van binnen moet zijn ingerigt en zich jegens andere staten moet gedragen?--Wel zeker.--En welke is die kennis en bij wie wordt zij gevonden?--Het is de kennis der wachters, die vooral gevonden wordt bij de overheden, die wij volkomene wachters genoemd hebben.--En hoe noemt gij den staat om die kennis?--Goed overleggend, en in waarheid wijs.--En wie gelooft gij nu, dat in onzen staat talrijker zijn zullen, de koperslagers of die volkomene wachters?--De koperslagers.--En zouden gene ook niet minder talrijk zijn dan al de overigen, die naar eenige kennis genoemd worden?--Ongetwijfeld.--Dus zal een staat, die zoo als het hoort is ingerigt, door zijne minst talrijke klasse van inwoners, en zijn kleinste deel, de overheid en de kennis die daarin gevonden wordt, geheel wijs wezen; en het schijnt te blijken, dat zij, die de eigenlijke wijsheid bekomen, uit den aard der zaak weinig in getal zijn[92].--Wat gij zegt is volkomen waar.--Dus hebben wij, ik weet niet hoe, één van de vier gevonden en zijne plaats in den staat vastgesteld.--Ik althans meen, dat dit genoegzaam is uitgemaakt.--