Part 13
VII. Edoch de moed en het deel van den staat, waarin hij gevonden wordt, en daardoor den geheelen staat regt geeft op den naam van moedig, is juist niet moeijelijk te vinden.--Hoe zoo?--Zou wel iemand, zoo hij een staat moedig of lafhartig noemde, naar iets anders zien dan naar dat deel, waaraan de zorg voor den oorlog is opgedragen?--Zeker niet.--Ik geloof dan ook niet, dat de andere inwoners, door laf of moedig te zijn, den staat zus of zoo kunnen maken.--Ik ook niet.--Dus is een staat ook moedig door een zijner deelen, dewijl hij in dat deel de kracht heeft, die noodig is, om altijd de meening te bewaren, dat datgene verschrikkelijk is, hetwelk de wetgever bij het onderwijs als zoodanig leerde beschouwen. Of noemt gij dat geen moed?--Ik vat nog niet goed, wat gij zegt; zeg het nog eens.--Ik noem den moed een bewaren zeide ik.--Welk bewaren?--Van de meening, die volgens de wet door de opvoeding is ingeprent, aangaande hetgeen al of niet verschrikkelijk is. En ik sprak van altijd bewaren, omdat die meening bij smart en vermaak en begeerten en verschrikkingen moet bewaard blijven en niet verloren gaan. Wil ik u eens zeggen, waarmede ik meen dit te kunnen vergelijken?--Gaarne.--Weet gij dan niet, dat de wolverwers, wanneer zij wol purper willen verwen, eerst uit wol van verschillende kleuren alleen de witte uitkiezen, vervolgens die met niet weinig zorg bereiden, opdat zij zoo veel mogelijk het kleursel opneme, en haar er dan in doopen? En het op die wijs geverwde wordt vast van kleur, en het wasschen met of zonder loog kan de kleur er niet uitkrijgen; maar gij weet, hoe het gaat met hetgeen niet zóó is behandeld, hetzij het met purper of met andere kleuren zonder die bereiding geverwd wordt.--Ja, dat verschiet door het wasschen en wordt leelijk.--Iets dergelijks nu moet gij aannemen, dat ook wij naar ons vermogen gedaan hebben, toen wij de krijgslieden uitkozen, en die door muzenkunst en gymnastiek opleidden; want weet, dat wij toen niet anders bedoelden, dan dat zij, aan ons gehoor gevende, de wetten als eene verwstof zoo goed mogelijk zouden inzuigen, opdat hunne meening omtrent het verschrikkelijke en omtrent de andere dingen vast van kleur zou worden, daar zij in eene door natuur en opvoeding goede geaardheid is opgenomen, en dus ook niet wordt uitgewasschen door die sterke loog, het vermaak, die meer vermag dan potasch of salpeter, of door smart, begeerte, vrees, enz. En zulk eene sterkte en voortdurende bewaring van de ware en wettige meening omtrent het al of niet verschrikkelijke heet ik moed, tenzij gij van een ander gevoelen zijt.--Dat ben ik niet, zeide hij. Want ik geloof, dat gij, wanneer omtrent dezelfde zaken, zonder opvoeding bij dieren, of slaven een ware meening ontstaat, die niet bijzonder wettig vindt, en ze als heel wat anders beschouwt dan den waren moed.--Goed gevat, zeide ik.--Dan heb ik er vrede meê, dat dit moed is.--Dit is dus uitgemaakt, voor zoover de moed in staatszaken te pas komt; later zullen wij, zoo gij wilt, dit punt beter behandelen. Want nu zoeken wij niet dit, maar de regtvaardigheid; en daarvoor is, geloof ik, het gezegde voldoende.--Dat ben ik met u eens.--
VIII. Dus moeten er dan nog twee in den staat gevonden worden: de ingetogenheid, en het doel van al ons zoeken: de regtvaardigheid.--Juist.--Maar zouden wij nu de regtvaardigheid niet kunnen vinden, zonder nog moeite aan de ingetogenheid te besteden?--Ik weet het niet, en zoo wij dan de ingetogenheid overslaan, verlang ik het niet eens, maar als gij mijn zin doen wilt, onderzoek deze dan eerst.--Dat wil ik ook wel doen, zeide ik, als het niet verkeerd is.--Waarom zou het verkeerd zijn? Onderzoek maar.--Komaan dan! Zoo als het nu schijnt te staan, gelijkt zij meer dan de vorigen op eene soort van overeenstemming en harmonie.--Hoe zoo?--Immers, de ingetogenheid is eene soort van ordelijkheid en van beheersching der lusten en begeerten, zoo als blijkt uit het gewone zeggen, dat de ingetogene meester over zich zelven is, en wat meer van dien aard als kenmerk der ingetogenheid wordt opgegeven. Niet waar?--Ja zeker. Maar is dat _meester over zich zelven_ niet eigenlijk ongerijmd? want die meester over zich zelven is, is ook knecht van zich zelven, en daar hij toch één en dezelfde persoon is, is hij dan meester en knecht te gelijk.--Dat is zoo.--Edoch deze uitdrukking beteekent, geloof ik, dat in de ziel van den mensch een beter en een slechter deel is; en wanneer nu het betere meester is van het slechtere, dan noemt men dat meester over zich zelven te zijn, en prijst het: maar wanneer, door slechte opvoeding of slechten omgang, het slechtere deel zóó toeneemt, dat het betere er door overheerscht wordt, dan berispt men dit en zegt, dat zóó iemand zich zelven niet meester is.--Dat geloof ik ook.--Beschouw dan nu onzen nieuwen staat eens, en gij zult er het eerste vinden; want gij zult moeten toestemmen, dat hij teregt meester van zich zelven wordt geroemd, zoo dit ten minste beteekent, dat het betere deel over het slechtere heerschappij voert.--Ik zie, dat gij waarheid spreekt.--Dit zult gij nog meer inzien, zoo gij het volgende opmerkt. Menigvuldige en velerlei begeerten en aandoeningen van vermaak en smart kan men vooral bij kinderen, en vrouwen[93], en slaven, en bij de meesten en minstwaardigen der zoogenaamd[94] vrije mannen aantreffen.--Ongetwijfeld.--Maar eenvoudige en matige begeerten, die door rede en bedaard overleg bestuurd worden, vindt men slechts bij enkelen, die door aanleg en opleiding uitmunten.--Dat is waar.--En ziet gij nu datzelfde niet in onzen staat, en dat dáár de begeerten, die in de onbeschaafde menigte gevonden worden, door de begeerten en het verstand der beteren worden beheerscht?--Ja.--
IX. Zoo dus eenige staat meester over de lusten en begeerlijkheden en over zich zelven mag genoemd worden, dan is het deze.--Ongetwijfeld.--Maar moet hij dan niet om diezelfde reden ingetogen heeten?--Voorzeker.--Edoch zoo in eenigen staat overheden en onderdanen eenstemmig denken over de vraag, wie regeren moet, dan is het in dezen. Vindt gij niet?--Zeker.--In welke klasse van burgers zult gij dan bij zulk eene stemming de ingetogenheid zoeken? in de overheden of in de onderdanen?--In beiden.--Dus ziet gij, dat wij daareven goed geraden hebben, dat de ingetogenheid eene soort van harmonie is.--Hoe zoo?--Omdat het hier niet is als met den moed en de wijsheid, die in een deel van den staat wonende hem moedig en wijs maakten, maar zij in waarheid door den geheelen staat verspreid is, en dus hen, die in wijsheid, of kracht, of menigte, of rijkdom of iets anders de sterksten of de zwaksten of tusschen beide zijn, in een vol accoord doet overeenstemmen; welke overeenstemming van minderen en meerderen over de vraag, wie in den geheelen staat en in ieder deel van denzelven regeren moet, wij met regt ingetogenheid kunnen noemen.--Dat ben ik volkomen met u eens.--
Goed, wij hebben dan, naar het schijnt, drie van de vier in den staat gevonden, maar wat zou dan nu de vierde eigenschap wezen, door welke de staat deugdelijk is? deze toch moet noodzakelijk de regtvaardigheid zijn.--Dat spreekt.--Dus, ~Glauco~! nu moeten wij doen als jagers, die een bosch afzetten; en naauwkeurig toezien, dat de regtvaardigheid ons niet ontsnappe, want zij moet hier ergens schuilen. Zie dan eens goed toe, of gij ze ook eer dan ik vinden kunt, en zeg het mij.--Als dat eens gebeurde! Doch gij moet nu maar tevreden zijn, zoo ik u volgen, en het door u aangetoonde zien kan.--Volg dan maar, en laat ons de goden om zegen bidden.--Dat zal ik doen, ga slechts voor.--Ja, maar de streek schijnt digt bewassen en duister; en het is moeijelijk het gezochte te vinden. Wij willen het echter beproeven.--Dat willen wij, zeide hij[95].--Hierop bedacht ik mij een oogenblik, en riep: hoezee! ~Glauco~, ik geloof, dat wij een spoor hebben, en dat zij ons niet zal ontkomen.--Dat is een goede tijding.--Ja, zeide ik, maar wij zijn al heel laf.--Hoe zoo?--Van den beginne ligt zij voor onze voeten, mijn beste! en wij zagen haar niet, en maakten ons even belagchelijk als menschen, die zoeken, wat zij in de hand hebben; daar wij haar niet digt bij, maar in de verte zochten, en daardoor niet konden vinden.--Hoe meent gij?--Wel! wij hebben er reeds lang van gesproken en gehoord, zonder dat wij het merkten.--Dat is een lange inleiding voor iemand, die gaarne wil hooren, wat er van de zaak is.--
X. Hoor dan, of ik iets zeg. Want, hetgeen wij bij het stichten van den staat hebben vastgesteld, is óf de regtvaardigheid zelve, óf behoort althans tot hare kenmerken[96]. Immers, wij hebben vastgesteld en herhaalde malen gezegd, zoo als gij u nog wel herinnert: dat ieder burger één van de in den staat noodige dingen verrigten moet, en wel dat, waartoe hij van natuur de meeste geschiktheid heeft.--Dat is waar.--En dat zijn eigen werk te verrigten en anderen met rust te laten regtvaardigheid is, hebben wij dikwijls van anderen gehoord en ook dikwijls zelve gezegd.--Ja, dat hebben wij.--Dus houd ik het er dan voor, mijn vriend! dat de regtvaardigheid in zeker opzigt bestaat in zijn eigen werk te verrigten. Weet gij, waarom ik dat denk?--Neen, zeg het maar.--Ik geloof, dat hetgeen behalve de dingen, die wij beschouwd hebben, de ingetogenheid, den moed, en de wijsheid, in den staat nog over is, datgene zijn moet, wat aan die allen de kracht verleende om te ontstaan, en vervolgens, zoo lang zij aanwezig zijn, den staat tot heil te verstrekken. En nu hebben wij immers gezegd, dat de regtvaardigheid datgene zijn zou, wat overbleef, zoo wij de drie andere gevonden hadden.--Dat is dan ook noodig.--Edoch, zoo wij moesten zeggen, wat onzen staat vooral goed maakt, dan zou het moeijelijk zijn te beslissen, of het de eensgezindheid van overheden en onderdanen is; óf het vasthouden der krijgslieden aan de door de wet voorgeschrevene meening omtrent het al of niet verschrikkelijke; óf de wijsheid der overheden, die hen tot bewaken in staat stelt; óf dat hij vooral daarom goed is, dewijl kinderen, vrouwen, slaven, vrijen, handwerkers, overheden en onderdanen ieder alleen zijn eigen werk verrigten, zonder anderen lastig te vallen.--Dat is inderdaad moeijelijk om uit te maken.--Dus wordt de deugdelijkheid van den staat om strijd bevorderd door zijne wijsheid, ingetogenheid, moed, en daardoor, dat ieder in denzelven zijn eigen werk doet.--Zekerlijk.--En zoudt gij nu niet stellen, dat hetgeen om strijd met die anderen den staat deugdelijk maakt, de regtvaardigheid is?--Ongetwijfeld. Bezie dan nog eens zóó, of gij het hierover eens zijt.--Moeten de overheden van onzen staat het spreken van het regt niet in handen hebben?--Ja.--En zullen zij nu daarbij niet vooral moeten toezien, dat niemand hebbe wat aan anderen behoort, noch van het zijne verstoken worde?--Juist.--En wel, omdat dit regtvaardig is?--Ja.--Dus zou men dan kunnen zeggen, dat het zijne te hebben en te verrigten regtvaardig is?--Ja.--Zie dan nu eens, of gij mij dit toestemt. Als een timmerman het werk van een schoenmaker wilde doen, of omgekeerd; en zij alzoo elkanders gereedschap en beroep overnamen; of als één hunner beide vakken wilde uitoefenen, en dit met al die beroepen plaats had; gelooft gij, dat dit den staat veel nadeel zou toebrengen?--Och neen!--Maar wanneer iemand, die slechts aanleg voor een handwerk of ambacht heeft, op rijkdom, vele vrienden, of ligchaamskracht trotsch zijnde, zich onder de krijgslieden begeven wil, of iemand, die slechts voor krijgsman geschikt is, aan de beraadslagingen der overheid wil deel nemen, en dus de eene stand het werk en de voorregten van den anderen najaagt, of wanneer één mensch alles te gelijk wil doen, dan zult gij denkelijk wel toestemmen, dat die verandering en bemoeizucht verderfelijk is voor den staat.--Ongetwijfeld.--Dus kunnen wij met regt zeggen, dat niets nadeeliger is en den staat meer kwaad doet, dan wanneer die drie standen hunnen werkkring te buiten gaan.--Met volkomen regt.--En zijn eigen staat zoo veel mogelijk kwaad te doen, is dat geen onregtvaardigheid?--Natuurlijk.--Hier hebben wij dus de onregtvaardigheid.
XI. En wij kunnen dan bij gevolg daar tegenover stellen, dat, wanneer werklieden[97], krijgsvolk en overheden ieder hun eigen werk doen, dit regtvaardigheid is, en den staat regtvaardig maakt.--Ik houd het voor uitgemaakt.--Al te stellig moeten wij het evenwel nog niet beweren, maar zoo wij, ieder mensch afzonderlijk beschouwende, diezelfde bepaling van de regtvaardigheid vinden, dan zullen wij ze wel als waar moeten aannemen; en zoo niet, dan zullen wij iets anders zoeken. Laat ons dan nu onzen weg vervolgen, daar wij meenden met meer gemak te zullen vinden, wat de regtvaardigheid in een enkel mensch is, zoo wij haar eerst in een grooter geheel hadden opgespoord. Als zulk een grooter geheel beschouwden wij den staat, en ondernamen derhalve er een zoo goed mogelijk te stichten; wel wetende, dat slechts in een goeden de regtvaardigheid zou te vinden wezen. Wat wij dus dáár gevonden hebben, moet nu op den enkelen mensch worden overgebragt. Zoo dat overeenkomt, is alles in orde; maar als wij bij den enkelen mensch tot een ander besluit komen, dan zullen wij den staat op nieuws onderzoeken. En wanneer wij dan die twee bij elkaar nemen, en als een paar vuursteenen tegen elkander aanslaan, zullen wij er waarschijnlijk de regtvaardigheid als een vonk doen uitspringen, en, zoo wij haar ééns kennen, haar bij ons zelven versterken.--Gij wijst daar een goeden weg, en dien moeten wij dan maar op.--
Edoch, wanneer hetzelfde in iets grooters en in iets kleiners gevonden wordt, zijn die twee dan in dit opzigt gelijk of ongelijk?--Gelijk.--Dus verschilt een regtvaardig mensch van een regtvaardigen staat ten opzigte der regtvaardigheid niet, maar is er aan gelijk.--Ja.--Edoch wij hebben beredeneerd, dat een staat regtvaardig is, wanneer de drie natuurlijke standen ieder zijn eigen werk doen; en dat hij om andere bepaalde toestanden en gesteldheden van diezelfde standen ingetogen, moedig en wijs genoemd wordt.--Dat is waar.--Dus, mijn vriend! dan moeten wij ook zeggen, dat een enkel mensch, diezelfde onderdeelen in zijne ziel hebbende, wegens diezelfde toestanden en gesteldheden, ook op dezelfde benamingen als de staat aanspraak heeft.--Natuurlijk.--Mijn waarde, wij zijn daar in een leelijke vraag vervallen, te weten: of de ziel drie zulke onderdeelen heeft of niet.--Ik vind die vraag nog zoo leelijk niet. Want, ~Socrates~! is het dan geen waar spreekwoord, dat het schoone moeielijk is?--Welligt hebt gij gelijk. Weet echter, ~Glauco~! dat naar mijne meening eene zaak als deze, op den weg dien wij nu volgen, nooit met zekerheid kan gevonden worden, daar de weg, die daarheen voert, vrij wat omslagtiger en langer is; maar toch zouden wij er misschien genoeg van kunnen vinden voor de behoefte van onze tegenwoordige redenering[98].--Dat is al wel, althans ik ben er nu mede tevreden.--Ik eigenlijk ook.--Komaan dan, begin maar!--Wij moeten dan toestemmen, dat ieder onzer dezelfde neigingen en hoofdrigtingen in zijnen geest heeft, als die welke in den staat zijn; want hoe zouden zij anders in den staat komen? Want het zou dwaas zijn te meenen, dat de driftigheid niet uit de enkele menschen in den staat gekomen is, terwijl toch velen, vooral de Thraciers, Scythen en andere volken van die streken, juist als driftig bekend staan; en hetzelfde geldt van de leergierigheid, die vooral in ons land gevonden wordt, en van de winzucht, die zich vooral bij de Phoeniciers en Aegyptenaren vertoont.--Dat stem ik toe.--Dus kunnen wij het dan als zeker vaststellen, dat in een enkel mensch dezelfde hoofdneigingen zijn als in den staat, en het is niet moeijelijk dit in te zien.--Neen waarlijk niet.--
XII. De eigenlijke moeijelijkheid is dan, of wij met één en hetzelfde, of met drie verschillende vermogens alles verrigten; dat is, of wij met het eene leeren, met het tweede driftig worden, met het derde naar zinnelijke genoegens haken; of dat wij bij ieder dier verrigtingen onze geheele ziel inspannen. Dit goed te beredeneren is niet gemakkelijk.--Zeker niet.--Wij willen dan dit punt op de volgende wijs pogen te onderzoeken.--Hoe?--Het is duidelijk, dat één en hetzelfde wezen, in hetzelfde opzigt en ten aanzien van dezelfde zaak, niet te gelijk in twee elkander uitsluitende betrekkingen kan komen; zoodat, wanneer wij hier zulke tegenstrijdige verschijnselen waarnemen, daaruit zal blijken, dat wij niet met één en hetzelfde, maar met meer dan één te doen hebben.--Juist.--Hoor dan nu eens, wat ik zeg.--Zeg op.--Kan hetzelfde, in hetzelfde opzigt, te gelijk stil staan en zich bewegen?--Onmogelijk.--Wij moeten dit echter nog naauwkeuriger bezien, om later niet in de war te raken. Want zoo een mensch stil stond, doch zijn hoofd en handen bewoog, dan zouden wij, geloof ik, eigenlijk niet kunnen zeggen, dat hij te gelijk in rust en in beweging was, maar wel, dat een deel zijns ligchaams in rust was, en een deel in beweging; niet waar?--Ja.--En zoo nu verder de tegenwerping gemaakt werd, dat een draaijende tol, wiens punt op dezelfde plaats blijft, toch geheel in beweging en tevens in rust is, en dat ditzelfde van alle ligchamen geldt, die om een onbeweeglijke middellijn rondwentelen, dan zouden wij dit niet toegeven, daar niet hetzelfde deel dier ligchamen in rust en in beweging is; maar wij zouden zeggen, dat men hier middellijn en omtrek moet onderscheiden, en dat, voor zoover zij niet ombuigen, de middellijn blijft staan, doch de omtrek daarentegen in beweging is; maar, zoo zij zich tevens voor- of achterwaarts, regts of links buigen, dat zij dan in geen een opzigt in rust zijn.--Dat is juist.--Dus zullen wij ons door geene zoodanige tegenwerpingen laten misleiden; noch ons gaan inbeelden, dat ooit één en hetzelfde, te gelijk, in hetzelfde opzigt en ten aanzien van dezelfde zaak in twee elkander uitsluitende betrekkingen kan komen.--Daar is geen nood voor.--Laat ons dan, om de moeite te sparen van al die tegenwerpingen na te gaan en te weêrleggen, dit maar vaststellen en er op voortbouwen, onder belofte, dat, zoo ons ooit het tegendeel blijkt, wij al, wat daaruit is afgeleid, zullen intrekken.--Dat moeten wij maar doen.--
XIII. Beschouwt gij nu het vergunnen en weigeren, het trachten naar iets en het zich daarvan onthouden, het aantrekken en het afstooten niet als elkander uitsluitende betrekkingen?--Wel zeker.--Rekent gij dan nu dorsten, hongeren en de andere begeerten, en willen en verlangen niet tot deze soort van begrippen? Zult gij niet zeggen, dat de ziel van iemand, die begeert, tracht naar hetgeen zij begeert, of wordt aangetrokken door hetgeen zij wil, dat haar te beurt valle; of ook, voor zoover zij iets bekomen wil, dat als ’t ware in antwoord op een aan haar gerigte vraag aan zich zelve vergunt, daar zij er naar streeft, dat het plaats hebbe.--Ja.--En het niet willen, niet verlangen, niet begeeren, en rekent gij die niet tot het afstooten, afkeerig zijn, met één woord, tot het tegenovergestelde?--Natuurlijk.--Daar dit zoo is, willen wij als eerste soort de begeerte vaststellen, en honger en dorst als hare krachtigste onderdeelen beschouwen.--Best.--En de honger is begeerte naar spijs, de dorst naar drank?--Ja.--Maar begeert de dorst op zich zelve nog iets anders, b. v. is zij begeerte naar warm of koud, veel of weinig, met één woord, naar eene bepaalde soort van drinken? Of zou niet veel meer, als er hitte bij den dorst komt, daardoor de begeerte naar koud drinken ontstaan, en omgekeerd; en evenzoo, als er veelheid bij den dorst komt, begeerte naar veel drinken, en omgekeerd? Kortom is de dorst zelve uit zijnen aard wel iets anders, dan de begeerte naar drinken, zonder meer; en de honger evenzoo naar spijs?--Zoo is het, de begeerte zelve haakt eenvoudig naar haar voorwerp, maar het haken naar eene bepaalde soort van dat voorwerp hangt af van bijkomende omstandigheden.--Wij moeten ons dan niet laten wegslepen door de tegenwerping, dat niemand eenvoudig naar drinken verlangt, maar naar goed drinken; noch eenvoudig naar spijs, maar naar goede spijs; want dat allen naar het goede verlangen, en dus de dorst ook begeerte is naar goed drinken; en dat het evenzoo met de andere begeerte gesteld is.--Die tegenwerping is toch zoo gek niet.--Edoch, zeide ik, als bij betrekkingsbegrippen het eene lid eenvoudig is, dan is het andere dit ook; maar als het eerste eene bepaalde wijziging ondergaat, dan heeft die in het andere insgelijks plaats.--Dat begrijp ik niet.--Begrijpt gij niet, dat het grootere uit zijnen aard grooter is dan iets anders?--Ja.--Immers dan hetgeen kleiner is?--Ja.--En het veel grootere is dit met betrekking tot het veel kleinere?--Juist.--En wat grooter was tot hetgeen kleiner was, en wat grooter zal zijn tot hetgeen kleiner zal zijn?--Natuurlijk.--En zoo staat ook het meerdere tot het mindere, het dubbele tot het halve, het zwaardere tot het ligtere, het snellere tot het tragere, het warme tot het koude, enz.--Zekerlijk.--En is het nu niet evenzoo met de kennis? Heeft niet de kennis op zich zelve eenvoudig betrekking op het gekende, zonder meer, terwijl de eene of andere bepaalde kennis ook tot het een of andere bepaalde voorwerp van kennis betrekking heeft? b. v. wordt niet de kennis van het maken van huizen van alle andere kennis onderscheiden door den naam van bouwkunde?--Zekerlijk.--En is dit niet, omdat zij zelve bepaald is, en tot een bepaald voorwerp betrekking heeft? en is het niet evenzoo met alle andere kundigheden?--Ja.--