Part 14
XIV. Nu zult gij wel begrijpen, zeide ik, welke de zin is der woorden: als bij betrekkingsbegrippen het eene lid eenvoudig is, dan is het andere dit ook; maar als het eerste eene bepaalde wijziging ondergaat, dan heeft die in het andere insgelijks plaats. En dit meen ik nu niet zóó, als of met beide leden volmaakt hetzelfde gebeurde, zoodat de kennis van het gezonde zelve gezond, die van het zieke zelve ziek was, en evenzoo die van het kwade kwaad, en van het goede goed; maar dat, wanneer wij niet van het gekende in het algemeen spreken, maar van een bepaald voorwerp van kennis; b. v. van het gezonde en zieke, daardoor de kennis zelve noodzakelijk van eene bepaalde hoedanigheid wordt, b. v. in dit geval geneeskunst.--Dat begrijp ik, en zóó geloof ik, dat het is.--Maar heeft nu niet evenzoo de dorst betrekking op een bepaald voorwerp, en is hij niet dorst naar iets?--Wel zeker, zeide hij, naar drinken.--En heeft niet eene bepaalde soort van dorst op eene bepaalde soort van drinken betrekking, maar de dorst op zich zelve eenvoudig op drinken, zonder meer; niet op veel noch op weinig, niet op goed noch op slecht, noch op eenige andere bepaalde soort, maar eenvoudig op drinken?--Ongetwijfeld.--De ziel van den dorstigen verlangt dus, voor zoover hij dorst heeft, niets anders dan drinken, en dat is het, waarnaar zij streeft.--Natuurlijk.--Wanneer dan nu iets haar van het drinken afhoudt, dan moet dat iets anders zijn dan hetgeen in haar dorst heeft en als een dier naar het drinken doet streven, want een en hetzelfde doet toch niet twee elkander uitsluitende verrigtingen te gelijk.--Dat kan niet.--Dit gaat evenmin, als men van een boogschutter kan zeggen, dat zijne handen den boog te gelijk naar achteren en naar voren trekken, daar eigenlijk de eene hand hem naar achteren, de andere naar voren trekt.--Juist, zeide hij.--Maar weten wij nu niet, dat somtijds menschen, die dorst hebben, toch niet willen drinken?--Wel zeker, dat gebeurt dikwijls.--En wat moeten wij nu daarvan zeggen? Immers, dat in hunne ziel iets is, dat hen tot drinken aanspoort, en iets, dat hen daarvan terughoudt, en van het aansporende verschillend zijnde, dit beheerscht?--Ik vind van ja.--En ontstaat nu dat terughoudende niet meest uit redenering, maar het aansporende en voortdrijvende uit een onaangenaam gevoel van behoefte?--Dat schijnt zoo.--Dus hebben wij regt, om vast te stellen, dat hier twee verschillende dingen voorkomen, en mogen dat, waardoor de ziel redeneert _rede_ noemen, en dat, waardoor zij verliefd is[99], en hongert, en dorst, en andere dergelijke dingen zonder de rede najaagt, en naar bevrediging van behoefte en naar vermaak streeft, begeerte.--Hiertoe geloof ik, dat wij volkomen regt hebben.--Deze twee verschillende dingen kunnen wij dus als in onze ziel aanwezig beschouwen. Maar de toorn en hetgeen, waarmede wij vertoornd worden, is dat een derde of hoort het bij één der beide eerstgenoemde?--Misschien, hoort het bij het tweede, bij de begeerte.--Maar ik heb eens van geloofwaardige menschen gehoord, dat ~Leon~ de zoon van ~Aglaeon~ van den Piréus langs de buitenzijde van den noordelijken muur gaande, en merkende, dat er lijken op het galgeveld lagen, grooten lust kreeg om die te bezien, maar tevens op zich zelven boos werd en er zich zocht af te brengen, en zich er tegen verzettende zijn gelaat bedekte, tot dat hij door de begeerte overmeesterd met wijd opengespalkte oogen naar de lijken toeliep, roepende: komaan ellendelingen! verzadig u dan maar aan dat mooije schouwspel.--Dat heb ik ook wel gehoord.--Hieruit blijkt dan toch, dat de toorn soms in strijd is met de begeerte, als met iets, dat geheel van hem onderscheiden is.--Dat blijkt er uit.--
XV. En merken wij ook niet dikwijls, dat iemand, wanneer de begeerte hem aanzet, om tegen zijne rede te handelen, zich zelven uitscheldt, en over dat aanzetten boos wordt, en dat aldus, als die twee met elkander oorlog voeren, de toorn aan de rede te hulp komt? Aan den anderen kant echter geloof ik, dat gij noch bij u zelven noch bij anderen ooit gemerkt hebt, dat de toorn met de begeerte gemeene zaak maakte, wanneer de rede het inwilligen van de begeerte verbood.--Nooit.--Verder; wanneer iemand weet, dat hij kwaad doet, kan hij dan niet, naarmate hij van natuur beter is, minder boos worden, al lijdt hij honger en koude en meer dergelijke dingen, door toedoen van hem, die naar zijn oordeel het regt heeft hem dit te berokkenen; en is het dan niet, als of zijn toorn niet wil opgewekt worden?--Zekerlijk.--En wanneer iemand van oordeel is, dat hem onregt wordt aangedaan, kookt en bruischt dan zijn toorn niet, en strijdt die dan niet voor hetgeen regt schijnt, zonder zich aan honger of koude of ongemak te storen, of zich van hetgeen regt schijnt te laten afbrengen, voordat hij voldaan is of heeft uitgewoed, of als een hond door den herder door zijn eigen rede is teruggeroepen en tot bedaren gebragt?--Het is juist zoo, en eveneens maakten wij in onzen staat de krijgslieden als honden aan de overheden, die als herders den staat besturen, onderdanig.--Gij begint reeds goed te merken, waar ik heen wil. Bedenk echter eerst nog even het volgende.--Wat?--Dat wij nu geheel anders over den toorn denken dan daareven. Want toen meenden wij hem tot de begeerte te moeten rekenen, maar nu zeggen wij, dat het ver daarvan af is, maar dat hij veeleer bij inwendigen strijd der ziel de rede bijstaat.--Dat is zoo.--Maar is hij dan nu van de rede onderscheiden, of een onderdeel van dezelve; heeft nu de ziel geen drie, maar twee onderdeelen, de rede en de begeerte? Of gelijk de staat bestond uit de geldwinners, de krijgslieden en de overheden, is evenzoo de toorn het derde onderdeel van de ziel, dat uit zijnen aard de bondgenoot is der rede, zoo het ten minste niet door slechte opvoeding is bedorven?--Ik houd hem voor een derde.--Ik ook, wanneer wij ten minste kunnen bewijzen dat hij evenzeer van de rede als van de begeerte moet onderscheiden worden.--Dat is zoo moeielijk niet, want men kan het immers aan de kinderen zien, die terstond na hunne geboorte vol van toorn zijn, maar óf nooit óf althans meestal zeer laat hunne rede ontwikkelen.--Goed gezegd. En hetgeen hij zegt blijkt, ook uit de beesten. Wij kunnen hier ook verwijzen op de reeds aangehaalde plaats van ~Homerus~:
«hij sloeg op zijn borst en zeide tot zijn hart»
want daar laat ~Homerus~ uitdrukkelijk den onverstandigen toorn door de rede, die inziet, wat beter is, tot bedaren brengen[100].--Dat ben ik volmaakt met u eens.--
XVI. Hiermede zijn wij dan eindelijk klaar gekomen, en wij kunnen het als uitgemaakt beschouwen, dat er evenveel en gelijksoortige onderdeelen in den staat en in ieders ziel gevonden worden.--Dat is waar.--Dus moeten wij dan ook toestemmen, dat de wijsheid in den enkelen mensch op dezelfde wijs en dezelfde plaats als in den staat wordt gevonden?--Natuurlijk.--En ditzelfde zal dan wel met den moed en met alle andere deugden plaats hebben.--Zekerlijk.--Wij moeten dan ook zeggen, ~Glauco~! dat een mensch op dezelfde wijs regtvaardig is als een staat.--Dat is onvermijdelijk.--Edoch wij zijn nog niet vergeten, dat de staat regtvaardig was, doordien ieder zijner drie onderdeelen zijn eigen werk verrigtte.--Ik weet het ten minste nog goed.--Dus moeten wij ook besluiten, dat ieder onzer, wanneer ieder onderdeel zijner ziel zijn eigen werk doet, regtvaardig zijn zal, en zijne bestemming zal vervullen.--Dat volgt.--Edoch de rede moet heerschen, daar zij om hare wijsheid regt heeft op het bestuur over de geheele ziel, en de toorn moet haar ondergeschikte medehelper wezen.--Ongetwijfeld.--En hebben wij nu niet gezegd, dat de vereeniging van muzenkunst en gymnastiek deze twee eensgezind zal maken, deels door schoone lessen en oefeningen inspannende en versterkende, deels door vriendelijke verpleging met harmonie en maat verzachtende en bedarende?--Zekerlijk.--En wanneer nu deze twee aldus zijn opgevoed en hun eigen werk hebben leeren verrigten, dan moeten zij de begeerte beheerschen, die het grootste deel van ieders ziel inneemt en van natuur allerinhaligst is; en zij moeten zorgen, dat die niet, door volop van het ligchamelijk vermaak te genieten, groot en sterk worde, en in plaats van haar werk te doen, hare natuurlijke gebieders aan zich poge te onderwerpen en alzoo het geheele leven ten onderste boven te keeren.--Zekerlijk.--En zouden die twee de vijanden van buiten niet het best van ziel en ligchaam afweren, wanneer de eene raad geeft en de andere krijg voerende in onderworpenheid aan de overheid met moed dien raad opvolgt?--Ongetwijfeld.--En wij noemen, geloof ik, een tegelijk dán moedig, wanneer dat deel zijner ziel, waarin de toorn zetelt, in smart en vreugde getrouw blijft aan het oordeel der rede over het al of niet verschrikkelijke.--Juist.--En wij noemen hem wijs wegens dat kleine deel, dat in hem het gebied voert en oordeel velt, en in zich de kennis heeft van hetgeen voor ieder deel en voor hen allen te zamen nuttig is.--Voorzeker.--En noemen wij hem niet evenzoo ingetogen wegens de vriendschap, en overeenstemming van die drie deelen, wanneer én het regerende én de onderworpene het eens zijn, dat de rede moet heerschen, en de laatsten zich bij gevolg niet aan die heerschappij zoeken te onttrekken.--Ja, én in een staat én in een enkel mensch is de ingetogenheid niets anders dan dit.--Maar zóó zal het dan ook wel met hetgeen wij eigenlijk zoeken, met de regtvaardigheid gesteld zijn.--Noodzakelijk.--Wij merken derhalve, dat de regtvaardigheid niets anders is, dan hetgeen zij in den staat bleek te wezen?--Ik geloof van ja.--En als er nu nog eenige twijfel in ons overbleef, zouden wij die op de volgende wijs met geweld kunnen wegmaken.--Hoe?--Bij voorbeeld, zoo wij over zulk een staat, of een zóó opgevoed mensch de vraag stelden, of hij toevertrouwde gelden zou ontvreemden; gelooft gij dan, dat iemand meenen zou, dat hij dit meer zou doen, dan anderen die anders gezind waren?--Wel neen, zeker niet.--En zou zulk een zich ook niet van heiligschennis, diefstal en verraad zoo ten aanzien van enkelen, als van staten onthouden?--Ongetwijfeld.--En hij zou ook nimmer een eed of eenige overeenkomst overtreden.--Nimmer.--En overspel, en verwaarloozing van ouders, en ongodsdienstigheid worden in ieder ander meer dan in hem gevonden.--Dat spreekt.--En is de oorzaak van dat alles niet, dat zoowel het heerschende als de gehoorzamende deelen zijner ziel ieder zijn eigen werk doen?--Juist, dat is de ware oorzaak.--En zou de regtvaardigheid nu wel iets anders zijn, dan hetgeen enkelen en geheele staten zoodanig doet handelen.--Zekerlijk niet.--
XVII. Dus is dan nu ons voorgevoel volkomen vervuld[101], en het schijnt, dat wij, als door de leiding eener godheid, reeds toen wij onzen staat begonnen te stichten op den regten weg zijn gekomen, om een uitgedrukt beeld van de regtvaardigheid te vinden.--Dat zou ik ook zeggen.--En die heilzame eigenschap van onzen staat, waardoor hij een afbeeldsel der regtvaardigheid geven kon, bestond daarin, dat dien de natuur tot schoenmaker bestemd had, ook schoenmaker was, en niets anders verrigtte, en dat ditzelfde met de timmerlieden en met alle andere beroepen plaats greep.--Juist.--Dus heeft dan ook eigenlijk de regtvaardigheid geen betrekking op handelingen naar buiten, maar is meer op het inwendige gerigt, en verhindert ieder deel van de ziel te doen wat hem niet toekomt, en zich in de zaken der andere onbehoorlijk te mengen; maar noopt den mensch in waarheid zich zelven in orde te brengen en te beheerschen, en aldus vrede met zich zelven te bekomen, door die drie deelen behoorlijk zamen te voegen, als waren het drie grondtoonen ééner harmonie, de laagste, de hoogste, en de middelste; en als er nog wat anders tusschen komt, dat zijn eigen plaats te geven, en aldus uit al die deelen een behoorlijk zamengevoegd geheel te vormen; en dan in elk geval ten opzigte van geldwinnen, van verzorging des ligchaams, van staatkunde of van overeenkomsten met enkelen steeds zulke handelingen voor regtvaardig en goed te houden, welke dien toestand der ziel bewaren en bevestigen, en de ware wijsheid te zoeken in de kennis van hetgeen hiertoe noodig is, maar alle handelingen of meeningen, die denzelven vernietigen, als onregtvaardig en dwaas te beschouwen.--Gij zegt volkomen de waarheid, ~Socrates~! zeide hij.--Wanneer wij dus nu beweren, den regtvaardigen mensch, en den regtvaardigen staat, en wat de regtvaardigheid in beiden is, gevonden te hebben, dan zullen wij ons niet erg meer vergissen.--Zeker niet.--Dus willen wij dat maar vaststellen.--Ja.--
XVIII. Daar dit dus is afgehandeld, moeten wij nu de onregtvaardigheid beschouwen.--Natuurlijk.--Dus moet deze noodzakelijk bestaan in een oneenigheid van deze drie deelen, en eene bemoeizucht en verkeerde werkzaamheid, en een opstand van eenig deel tegen de geheele ziel, ten einde haar tegen het regt te beheerschen, in plaats van, zooals betamelijk was, zich aan het van natuur tot heerschen bestemde te onderwerpen. Zulk eene verwarring en afdwaling verdient, geloof ik, den naam van onregtvaardigheid, onmatigheid, lafhartigheid, dwaasheid, in ’t kort van ondeugd.--Toegestemd.--En wat nu onregtvaardig handelen en onregt doen; en aan den anderen kant, wat regtvaardig handelen eigenlijk is, dat alles is nu duidelijk, zoo wij maar de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid kennen.--Hoe zoo?--Wel! dat staat nu tot de ziel volkomen in dezelfde verhouding, als het ongezonde en het gezonde tot het ligchaam.--Hoe dat?--Het gezonde brengt immers gezondheid teweeg, en het ongezonde ziekte?--Ja.--En brengt nu het regtvaardig handelen geen regtvaardigheid teweeg, en het onregtvaardig handelen onregtvaardigheid?--Natuurlijk.--En gezondheid in het ligchaam teweeg te brengen is toch wel niets anders dan te maken, dat de deelen des ligchaams, overeenkomstig met de natuur, elkander beheerschen en gehoorzamen, terwijl het veroorzaken van ziekte gelijk staat met hierin eene tegennatuurlijke verhouding te brengen.--Dat is waar.--Edoch het veroorzaken van regtvaardigheid is te maken, dat de deelen der ziel overeenkomstig met de natuur elkander beheerschen en gehoorzamen, en het veroorzaken van onregtvaardigheid staat gelijk met hierin eene tegennatuurlijke verhouding te brengen.--Juist.--Deugd is dus gezondheid, schoonheid en welstand der ziel; maar ondeugd ziekte, leelijkheid en ongesteldheid.--Ja.--En leiden nu goede oefeningen niet tot het verkrijgen van deugd, slechte tot het tegendeel?--Dat is onvermijdelijk.--
Nu moet, geloof ik, nog onderzocht worden: wat nuttiger is, regtvaardig te handelen en de deugd te beoefenen en regtvaardig te zijn, hetzij dit verborgen is of niet; of onregtvaardig te handelen en onregtvaardig te zijn, zonder door het ondergaan van straf verbeterd te worden.--Maar ~Socrates~! ik vind het eigenlijk gek, na hetgeen wij gevonden hebben nog te onderzoeken: of wél, als het ligchaam bedorven is, het leven, zelfs bij overvloed van spijs en drank, rijkdom en magt, alle waarde mist; maar er toch misschien echt levensgenot bestaan kan, wanneer de eigenlijke bron des levens beroerd en bedorven is, en men doet, wat men wil, behalve datgene, waardoor men van onregtvaardigheid kan verlost worden en regtvaardigheid en deugd kan verkrijgen.--Eigenlijk hebt gij gelijk. Echter moeten wij, nu het ons vergund is, dit duidelijk in te zien, niet werkeloos blijven.--Dat is waar.--Komaan! zie dan eerst eens, hoe veel soorten van ondeugd er wel schijnen te bestaan, want het is de moeite waard, dit te beschouwen.--Zeg maar op, ik ben bereid u te volgen.--Welnu, van het verheven standpunt, waarop wij nu zijn gekomen, komt het mij voor, dat er slechts ééne soort van deugd is, maar oneindig vele van ondeugd, waaronder echter vier soorten meer bijzonder opmerking verdienen.--Hoe meent gij dat?--Het schijnt, dat er evenveel verschillende gesteldheden van ziel als van staatsregeling bestaan.--Hoeveel dan?--Vijf in den staat, en vijf in de ziel.--Welke.--Vooreerst die ééne gesteldheid van staatsregeling, welke wij besproken hebben, welke op tweeërlei wijs kan benoemd worden. Want als onder de overheden één man uitstekend is, is het eene koninklijke regering, en als er meer zijn, eene regering der edelen.--Dat is waar.--Dit nu is ééne soort, zeide ik; want bij eene opvoeding en opleiding als de beschrevene zou het geen noemenswaardig onderscheid in de inrigting van den staat maken, of hij door meerderen of door éénen geregeerd werd.--Dat geloof ik ook niet.--
Voetnoten
[84] Men denke hier om een krijgslist als van den éénen Horatius tegen de drie Curiatiussen.
[85] Dit moet verklaard worden uit de Grieksche opvoeding, daar ieder in zijne jeugd in de gymnasiën onderwijs kreeg in al wat tot de ligchaamsoefeningen behoorde.
[86] Hoezeer het schaakspel in dien vorm, waarin wij het bezitten, waarschijnlijk aan de ouden onbekend was, moeten zij toch iets dergelijks gehad hebben. Zie onder anderen _Saleii Bassi panegyricus in C. Calpernium Pisonem_, vs. 178-196. _Martialis Epigramm._ VII. LXXII.
[87] Deze uitspraak wordt schijnbaar door de ondervinding tegengesproken, daar kinderen van dezelfde ouders dikwijls een geheel verschillenden weg inslaan; maar zoo men in het oog houdt, dat bij opvoeding niet alleen aan den invloed der ouders, maar ook aan dien der omstandigheden gedacht moet worden, en dat ~Plato~ ook die laatsten zoo veel mogelijk wilde regelen, en ze dus hiermede op het oog heeft, zal men ligtelijk toestemmen, dat het hier gezegde waarheid behelst.
[88] Dit past nergens beter dan op eene democratie, waarin, zoo als in Athene, het gemeen den boventoon heeft.
[89] ~Plato~ volgt hier nog de oude voorstelling, die hij in de _mythe_ achter den _Phaedo_ heeft verlaten. Volgens die voorstelling was de aarde plat, en lag Delphi juist in het midden, hetgeen ~Zeus~ had ontdekt, door twee arenden één van het Oosten en één van het Westen met gelijke snelheid te laten vliegen en op te merken, waar zij elkander ontmoetten, hetgeen juist te Delphi gebeurde. Verder ziet men hier duidelijk, dat, hoezeer ~Plato~ eigenlijk Monotheist was, hij de vormen van godsvereering, die hij gevonden had, wilde beschouwen, het ieder vrij latende, daarbij het zijne te denken.
[90] Zie Boek II. Hoofdst. X.
[91] Deze vier zijn de hoofddeugden (_virtutes cardinales_) der oude wijsbegeerte.
[92] Men beschuldige hier ~Plato~ niet van bekrompenheid. Hoezeer het allezins wenschelijk en ook zeer wel mogelijk is, dat alle menschen de voornaamste waarheden van Godsdienst en zedekunde leeren inzien, blijft het toch altijd waar, dat een helder inzigt in den wetenschappelijken grondslag dier waarheden alleen voor hem bereikbaar is, die door zijne omstandigheden in staat is gesteld, om veel tijd aan strenge studie te wijden. Daarom is het ook verkeerde staatkunde de eigenlijke geleerden met werk te overkroppen, dewijl daardoor het licht der wetenschap ten laatste geheel en al moet worden uitgebluscht. Het spreekwoord: _honor alit artes_, kan ook veranderd worden in: _otium alit artes_.
[93] De opvoeding der vrouwen werd te Athene zeer verwaarloosd, hetgeen het zedebederf bijzonder in de hand werkte; daar de geest der mannen in den omgang der eerbare vrouwen niets aantrekkelijks kon vinden.
[94] _Zoogenaamd_, want alleen de wijze is waarlijk vrij, de anderen zijn slaven hunner begeerlijkheden. Zie _Opklimmend deel der Wijsbegeerte_, blz. 46, 47 de noot.
[95] Ligt komt hier bij iemand de vraag op, waarom ~Plato~ zoo vele woorden tot inleiding bezigt, en daardoor den lezer ongeduldig maakt. Ik houd het voor waarschijnlijk, dat hij verlangde, dat zijne lezers hier zouden stilhouden en zelve beproeven het antwoord te vinden, opdat zij zich het volgende meer zouden eigen maken.
[96] Er staat eigenlijk: _dat, of eene soort daarvan is de regtvaardigheid_. Dit heb ik, zoo als in den tekst te zien is, overgezet, omdat zoo dit niet één en hetzelfde met de regtvaardigheid was, maar deze eene soort er van, de regtvaardigheid dan dit tot kenmerk zou hebben met nog andere kenmerken er bij. Zie ~Bake~, _Lessen over de redekunde_, § 11. ~Nieuwenhuis~, _Initia Philosophiae Logicae_, § 74.
[97] Om aan bet gebruik te voldoen, heb ik hier _werklieden_ gebezigd voor hen, die met de handen hun brood verdienen. Deze benaming is echter onjuist; of zijn dan krijgslieden, geleerden, kooplieden, overheden van alle werk bevrijd, en is hun taak niet in hare soort even zwaar als die van den ambachtsman of landbouwer?
[98] ~Plato~ schijnt hier te bedoelen, dat een onderzoek als dit niet bloot op waarneming moet gebouwd zijn, maar dat de bovennatuurkunde hier de beginselen moet aan de hand geven. Al geeft echter zielkundige waarneming alléén geen volkomen wetenschappelijke uitkomsten, voor het oogenblik was zij voldoende. Daarom zou hij zich van dieper onderzoek onthouden, ten einde noodeloozen omhaal te vermijden.
[99] Verliefd zijn wordt in dit verband, en gewoonlijk bij de ouden, alleen van zinnelijke liefde genomen. Wat wij als geestelijke liefde beschouwen, komt bij hen meer onder de kategorie der vriendschap of der vroomheid (pietas).
[100] ~Ulysses~, incognito in zijn paleis teruggekeerd zijnde, hoort en ziet allerlei schandelijke dingen, die zijnen toorn opwekken, maar hij weêrhoudt zich, omdat hij begrijpt, dat de tijd van handelen nog niet gekomen is. (Zie mijne vertaling van den _Phaedo_, p. 106 (1).)
[101] Zie Boek II. C. X.
VIJFDE BOEK.
I. Een staat dus en een mensch, waarmede het zóó gesteld is, heet ik goed en regt, en bij gevolg de tegenovergestelde slecht en verkeerd; en ik beweer, dat er zoowel in de staatsinrigting als in de ziel van een enkel mensch vier verschillende soorten van slechtheid gevonden worden.--Welke zijn die? zeide hij.--
Toen ging ik ze achter elkander opnoemen, zoo als ik dacht, dat zij uit elkander voortkwamen; maar ~Polemarchus~, die een weinig verder van mij af zat, dan ~Adimantus~, stak zijne hand uit, pakte hem bij den schouder, en trok hem naar zich toe, en zelf voorover buigende fluisterde hij hem wat in, waarvan ik niets anders hoorde dan dit: willen wij hem dan maar loslaten?--Wel neen! zeide ~Adimantus~ weer hard op.--Toen zeide ik: wien wilt gij niet loslaten?--U, zeide hij.--En waarom dat?--Gij maakt het u gemakkelijk, en smokkelt een belangrijk stuk der redenering weg, en gij denkt dat wij het niet zullen merken, wanneer gij zoo maar zonder bewijs zegt, dat gelijk ieder inziet, alles, dus ook vrouwen en kinderen, onder vrienden gemeen is.--Maar is dat dan geen waarheid, ~Adimantus~! zeide ik?--Misschien wel, zeide hij. Doch deze waarheid moet even als de rest betoogd worden, en gij moet zeggen, welke wijze van gemeenschap gij hebben wilt. Want er zijn er velerlei denkbaar. Verzwijg daarom niet, hoe gij het wilt. Want wij wachten al zoo lang, of gij ook zeggen zult, hoe ze dan toch kinderen moeten verwekken, en hoe zij die moeten opvoeden, en hoe die heele gemeenschap van vrouwen en kinderen moet wezen; want wij gelooven, dat het voor den staat een groot onderscheid maakt, of dit al of niet behoorlijk geregeld wordt. Spreek dus nu niet van eene andere staatsregeling, voordat gij dit voldoende hebt uiteengezet, want wij hebben, zoo als gij gehoord hebt, besloten, u niet los te laten, voordat gij dit even als de rest hebt behandeld.--Aan dat besluit geef ik mijne stem ook, zeide ~Glauco~.--Houd het er dan maar voor, ~Socrates~, zeide ~Thrasymachus~, dat wij allen van dit gevoelen zijn.--