Part 15
II. Wat hebt gij gedaan, zeide ik, met mij vast te houden! welk een lange staatkundige redenering maakt gij daar op nieuws weer aan den gang! Ik was al verheugd, dat ik er door was, en heel tevreden, zoo men dit punt maar als afgedaan wilde beschouwen. Gij weet niet, nu gij het aanroert, welk een zwerm van woorden gij opwekt, die ik al zag aankomen en daarom gemakshalve maar heb ontweken.--Wat! zeide ~Thrasymachus~, denkt gij dan, dat dezen hier zijn gekomen om geld te betalen en niet om redeneringen te hooren[102]?--Nu ja, zeide ik, met mate.--Maar, ~Socrates~! zeide ~Glauco~, voor een verstandig mensch is zijn heele leven de maat tot het hooren van zulke redeneringen. Maar laat óns nu maar rusten, en wees zoo goed tot antwoord op onze vraag te beredeneren, hoe, naar uw oordeel, de gemeenschap van vrouwen en kinderen bij onze wachters moet wezen, en hoe de opvoeding zijn moet, van dat de kinderen geboren worden, tot dat zij naar school gaan, want dat is het allerlastigste. Beproef dan te zeggen, hoe die zijn moet.--Het is niet gemakkelijk dit te betoogen, mijn vriend, zeide ik, want het is nog veel meer dan het behandelde aan twijfel onderhevig. Want men zal twijfelen, of het wel mogelijk is; en dan, al is het mogelijk, of het wel het beste is. Daarom heb ik weinig zin het aan te pakken, mijn vriend! uit vrees, dat ik schijnen zal luchtkasteelen te bouwen.--Trek u dat niet aan, want uwe toehoorders zijn toch niet zoo heel onbegrijpelijk, of ongeloovig, of u ongenegen.--Zegt gij dat, zeide ik, om mij moed in te spreken?--Ja, zeide hij.--Gij doet echter juist het tegendeel; want zoo ik het meende te weten, dan was dat een goede aansporing, daar het veilig en opwekkend is, onder verstandige vrienden voor de waarheid, die men weet, uit te komen; maar, wanneer men er zelf niet zeker van is, en al sprekende zelf moet onderzoeken, zoo als ik doe, dan heeft men te vreezen voor het gevaar, niet van uitgelagchen te worden, want dat is kinderachtig, maar van, als men de waarheid niet treffen kan, zijne vrienden mede te slepen in dwalingen omtrent de allerbelangrijkste dingen. Ik zal dan bij hetgeen ik ga zeggen ~Adrastea~[103] maar aanroepen, ~Glauco~! want iemand bij ongeluk te dooden, houd ik voor minder erg dan hem te bedriegen in hetgeen schoon, goed, regtvaardig en wettig is. En ik wilde toch altijd nog liever mijne vijanden dan mijne vrienden aan zulk gevaar blootstellen; zoodat gij mij op een verkeerde wijs moed poogt in te spreken.--Toen begon ~Glauco~ te lagchen, en zeide: ~Socrates!~ zoo wij door die redenering ongelukkig worden, dan willen wij u toch van doodslag en bedrog vrijspreken. Ga maar gerust voort.--Voor de regtbank, zeide ik, geldt de vrijgesprokene voor onschuldig; dus zal het hier ook wel zoo wezen.--Zeg dan maar op.--Ik moet dan, zeide ik, nu weer zeggen, wat daar straks welligt meer op zijn plaats was. Het is echter misschien beter, dat wij de mannen eerst geheel hebben afgehandeld, voor wij aan de vrouwen beginnen, vooral daar gij er nu zóó op aandringt.
III. Menschen toch, die zóó, als wij beredeneerd hebben, zijn geboren en opgevoed, moeten, naar mijn inzien, ook ten opzigte van hunne vrouwen en kinderen geen anderen weg volgen, dan dien wij reeds van den beginne zijn ingeslagen. Wij poogden immers in onze redenering de mannen als bewakers eener kudde af te schilderen?--Ja.--Wij moeten dus onderzoeken, of die vergelijking ook op de geboorte en de opvoeding toepasselijk is.--Hoe meent gij dat?--Aldus. Oordeelen wij, dat de wijfjes der herdershonden met de mannetjes meê moeten de wacht houden, jagen enz., of dat zij te huis moeten blijven, en van die bezigheden door het jongen en het voeden der jongen moeten worden afgehouden, terwijl de anderen al de moeite en zorg voor de kudde op zich nemen.--Alles is aan beiden gemeen, behalve dat wij de wijfjes als zwakker dan de mannetjes aanmerken.--En kunnen wij nu twee dieren tot hetzelfde gebruiken, zoo zij volstrekt niet op dezelfde wijze zijn opgevoed?--Wel neen.--Zoo wij dus de vrouwen voor hetzelfde werk als de mannen willen bezigen, moeten wij haar ook hetzelfde onderwijs geven.--Ja.--En aan de mannen gaven wij onderwijs in de muzenkunst en in de gymnastiek?--Ja.--Dus moeten de vrouwen dat ook leeren, en tevens wat tot den oorlog behoort; en dan moeten zij tot hetzelfde werk gebruikt worden.--Dat volgt uit het gezegde.--Misschien zal er hier veel voorkomen, dat bij de toepassing ongewoon en bespottelijk zou schijnen.--Dat is denkelijk.--En wat vindt gij wel het allerbespottelijkste? Zeker wel, dat de vrouwen, zoowel jonge als oude, naakt met de mannen aan de ligchaamsoefeningen deel nemen; even als tegenwoordig de grijsaards, die, al zijn ze rimpelig en leelijk, toch vermaak in die oefeningen hebben?--Ja waarlijk, dat is naar de tegenwoordige zeden al heel bespottelijk.--Edoch, nu wij eens aan den gang zijn, moeten wij niet geven om den spot van geestige lieden over die verandering in de ligchaamsoefeningen, in de muzenkunst, en vooral in het dragen der wapenen en het paardrijden.--Daar hebt gij gelijk in.--Daar wij dus aan den gang zijn, moeten wij door alles heen bijten, en die menschen verzoeken hunne aanmerkingen te huis te houden, en de zaak ernstig te bezien; en wij moeten hen herinneren, dat het nog zoo lang niet geleden is, toen de Grieken het, even als nu de barbaren, schandelijk en belagchelijk vonden, naakte mannen te zien. En toen eerst de Cretensers, vervolgens de Lacedaemoniers, die oefeningen van naakte mannen invoerden, konden de geestige lieden van dien tijd allerlei zulke aanmerkingen uitkramen. Vindt gij dat ook niet?--Wel zeker.--Nadat het echter gebleken is, geloof ik, dat die oefeningen zonder kleederen beter gaan dan met kleederen, is al die schijnbare bespottelijkheid verdrongen door hetgeen het verstand als beter leerde inzien; en daardoor is het gebleken, dat hij een dwaas is, die iets anders bespottelijk vindt dan het kwade; en dat hij, die bij zijne geestigheden eenen anderen maatstaf neemt voor het bespottelijke dan hetgeen onverstandig en slecht is, ook bij zijne ernstige bezigheden een ander doel beoogt dan het goede.--Dat is zeker.--
IV. Moeten wij het dus niet vooreerst eens worden, of het mogelijk is, of niet; en ter voorkoming van alle tegenwerpingen van grappemakers of van ernstige lieden zoeken te beslissen, of de vrouw alle werk met den man meê kan doen, of dat zij niets meê kan doen, of het ééne wel en het andere niet; en indien het laatste waar is, hoe het dan met de oorlogszaken gelegen is? Zou dit niet het beste begin zijn, en bij gevolg ook tot het beste besluit leiden?--Zekerlijk.--Willen wij dan nu ons zelven maar eens tegenspreken, ten einde onze partij niet zonder verdediging te laten?--Met genoegen.--Wij moeten dan zóó spreken. «Hoor eens ~Socrates~! en ~Glauco~! een ander behoeft u niet te weêrleggen; want gij hebt zelve bij het stichten van den staat beredeneerd, dat ieder naar zijnen aard één bepaald beroep moet uitoefenen.» Dat hebben wij beredeneerd. «Maar is nu de aard van een vrouw niet zeer verschillend van dien van een man?» Ja. «Maar moeten wij dan niet aan ieder een werk geven, dat met zijnen aard overeenkomt?» Natuurlijk. «Maar dan hebt gij het ook mis, en spreekt u zelven tegen, als gij beweert, dat mannen en vrouwen, die zóó zeer verschillen, hetzelfde werk moeten doen?» ~Glauco!~ weet gij daarop een behoorlijk antwoord te geven?--Zoo op het oogenblik is dat niet bijzonder gemakkelijk, doch ik zal u dan maar verzoeken insgelijks te zeggen, wat wij tot verdediging kunnen inbrengen.--Dit is nu een staaltje van de zwarigheden, ~Glauco~! die mij huiverig en bevreesd maakten voor het behandelen van de vrouwen en kinderenwet.--Het schijnt dan ook niet gemakkelijk.--Neen, waarlijk niet. Het is er echter zóó meê gesteld. Of iemand in een vijvertje valt of in het midden van den oceaan, hij gaat altijd zwemmen.--Dat is zeker.--Dus moeten wij ook maar gaan zwemmen, en ons uit die redenering pogen te redden, in de hoop, dat een dolfijn ons zal opnemen, of dat wij door een ander wonder zullen behouden worden.--Dat is het beste.--Komaan dan, wij willen beproeven er uit te komen. Wij hebben gezegd, dat bij verschil van aard het werk moet verschillen, en dat de aard eener vrouw verschilt van dien van een man, en toch beweren wij, dat die twee hetzelfde werk doen moeten. Is dat niet hetgeen ons verweten wordt?--Ja.--~Glauco~! dat maken van drogredenen is toch al heel algemeen.--Hoe zoo?--Omdat velen, geloof ik, zelfs tegen hunnen wil er toe vervallen, en meenen, dat zij niet kijven, maar goed redeneren, daar zij niet in staat zijn bij hun onderzoek de verschillende soorten te onderscheiden, maar, hunne tegenspraak op een woordenspel bouwende, zich wederzijds van drogredenen, niet van goede redenering, bedienen.--Dat gebeurt zeker dikwijls, maar wat hebben wij er op het oogenblik meê te maken?--Heel veel, want wij maken ons er zelven aan schuldig.--Hoe dat?--Wij slaan moedig door op de stelling, dat verschil van aard verschil van werk vordert; maar wij hebben geheel en al verzuimd te onderzoeken, waarin eigenlijk het verschil en de overeenkomst van aard gelegen is, als men zegt, dat verschil van aard verschillend, en overeenkomst van aard overeenkomstig werk vordert.--Dat is waar, dat hebben wij verzuimd.--Wij moeten dan ons zelven nog eens vragen, of de aard van een kaalkop en van een langharige niet tegen elkander overstaan, en of wij toch daarom kunnen beweren, dat als een kaalkop een schoenmaker is, een langharige dat niet zijn kan, en omgekeerd.--Dat zou dwaas zijn.--En ligt dat nu wel ergens anders aan, dan dat wij in het begin niet van verschil en overeenkomst van aard in het algemeen gesproken hebben, maar overeenkomst en verschil alleen met betrekking tot de verschillende werkzaamheden vasthielden, zoo als wij b. v. zeiden, dat een geneesheer en een, die aanleg voor de geneeskunst bezit, in zooverre denzelfden aard hebben. Vindt gij dat ook niet?--Ja.--En dat een geneeskundige en een, die voor timmeren geschikt is, van aard verschillen.--Ongetwijfeld.--
V. Wanneer dus het mannelijk of het vrouwelijk geslacht bijzondere geschiktheid voor eenige kunst of werkzaamheid blijkt te hebben, dan zullen wij die daaraan moeten toewijzen; maar zoo het onderscheid alleen daarin blijkt te bestaan, dat de vrouwen baren en de mannen telen[104], dan zullen wij zeggen, dat het volstrekt niet bewezen is, dat de vrouw in de dingen waarvan wij spreken van den man verschilt; en wij zullen blijven oordeelen, dat onze wachters en hunne vrouwen hetzelfde werk moeten doen.--Juist zoo.--Wij verlangen dus van hem, die ons tegenspreekt, dat hij aantoone, in welke kunst of bezigheid, die op den staat betrekking heeft, de aard van de vrouw niet dezelfde is als die van den man, maar het tegenovergestelde?--Dat is billijk.--Misschien zou nu ook een ander wel hetzelfde zeggen, dat gij daareven zeidet, te weten: dat het niet gemakkelijk is, dit zoo op een oogenblik aan te toonen, maar dat hij er wel kans op zou zien, als wij hem maar tijd gunden, om er over na te denken.--Waarschijnlijk.--Willen wij dan nu dien tegenspreker maar verzoeken ons te volgen, of wij hem misschien kunnen aantoonen, dat de vrouw ten opzigte van het staatsbestuur niets heeft, dat haar alleen eigen is.--Dat is goed.--Komaan dan, zullen wij tot hem zeggen, antwoord eens. Vindt gij niet, dat de één een geschikten aard voor eenige zaak heeft en de ander niet, wanneer de één die gemakkelijk kan leeren, en de ander moeijelijk; en de één bij weinig studie reeds veel zelf kan vinden, de ander bij veel studie en inspanning op zijn best het geleerde kan vasthouden; en het ligchaam van den éénen zijnen geest ten dienste staat, dat van den ander dien tegenwerkt? Bepaalt gij den wél of niet voor eenig vak geschikten aanleg niet naar deze punten?--Dat zal niemand ontkennen, zeide hij.--Weet gij nu eenige menschelijke bezigheid, waarin niet in al deze punten het mannelijk geslacht het vrouwelijke overtreft? of moeten wij nu nog zeuren over het weven, en het koken en bakken, waarin het vrouwelijk geslacht heel wat schijnt te wezen, en zonder schande niet kan onderdoen?--Gij hebt gelijk, dat in alles, om zoo te zeggen, het eene geslacht het andere de baas is. Wel is waar overtreffen vele vrouwen vele mannen in verscheidene dingen, maar over het geheel is het zoo als gij zegt.--Dus, mijn vriend, heeft ook onder de burgers geene vrouw, omdat zij vrouw, of geen man, omdat hij man is, een eigen werk, maar de aard van beiden is over ’t geheel gelijksoortig, en vrouwen en mannen hebben deel aan alle bezigheden, maar in alles is de vrouw zwakker dan de man.--Dat is waar.--Zullen wij dan aan de mannen alles en aan de vrouwen niets opdragen?--Wel neen.--Maar wij zullen dan ook, geloof ik, zeggen, dat de eene vrouw aanleg voor geneeskunst of muzijk heeft, en de andere niet.--Natuurlijk.--En dat de eene geschikt is voor den oorlog en de ligchaamsoefeningen, maar de andere niet.--Juist.--En zoo zijn er ook die wijsgeerig onderzoek beminnen en die het haten; en die moedig zijn, zoowel als die geen moed hebben.--Dat is ook waar.--Dus zijn er ook vrouwen, die voor wachters kunnen dienen, en andere, die hiervoor onbruikbaar zijn. Of hebben wij niet bij het kiezen der mannelijke wachters dezelfde kenmerken gebezigd?--Dezelfde.--Dus is de aanleg van de vrouw en van den man ten opzigte van het bewaken van den staat dezelfde, behalve dat de eerste zwakker is, en de tweede sterker.--Dat schijnt zoo.--
VI. Dus moeten wij dan ook zulke vrouwen uitkiezen, om met zulke mannen zamen te wonen en den staat te bewaken, nademaal zij van natuur voor elkander geschikt en aan elkander verwant zijn.--Dat spreekt.--En moeten wij haar, daar zij denzelfden aanleg hebben, niet hetzelfde werk geven?--Natuurlijk.--Dus komen wij dan weer op hetzelfde punt te land, en zijn het eens, dat het niet tegennatuurlijk is de vrouwen der wachters in de muzenkunst en in de gymnastiek te onderwijzen.--Juist.--Dus is onze voorgestelde wet niet onmogelijk of hersenschimmig, want zij komt met de natuur overeen, maar veel meer is, zou ik zeggen, het tegendeel er van, hetgeen thans geschiedt, met de natuur in strijd.--Dat vind ik ook.--En onderzochten wij niet, of hetgeen wij zeiden het beste, en of het uitvoerbaar was?--Ja.--En dat het uitvoerbaar is, kunnen wij als uitgemaakt aanmerken.--Ja.--Dus moeten wij dan nu nog onderzoeken, of het wezenlijk het beste is.--Natuurlijk.--Maar om nu eene vrouw tot wachter geschikt te maken, hebben wij immers geene andere opleiding noodig dan bij de mannen, vooral daar hun aanleg dezelfde is?--Wel neen.--Hoe denkt gij dan nu hierover?--Waarover?--Dat de eene man beter is en de andere slechter. Of houdt gij ze allen voor gelijk?--Wel neen ik.--Wie gelooft gij dan nu, dat in den staat, dien wij stichten, betere mannen worden: de wachters, die op de beschrevene wijs worden opgevoed, of de schoenmakers, die door het schoenmaken gevormd worden?--Dat is eene gekke vraag, zeide hij.--Ik vat u, zeide ik. Dus zijn dan de wachters de beste van al de burgers.--Verreweg.--En zullen dan ook de zóó gevormde vrouwen niet de beste der vrouwen zijn?--Zeker.--En is er voor een staat iets heilzamers, dan dat er mannen en vrouwen in gevormd worden, die den hoogst mogelijken trap van uitstekendheid bereiken?--Zeker niet.--En dit zullen de muzenkunst en de gymnastiek, op de gezegde wijs toegepast, te weeg brengen.--Natuurlijk.--Dus maken wij hier eene bepaling, die niet slechts mogelijk, maar ook zeer heilzaam voor den staat is.--Ja.--Dus moeten ook de vrouwen der wachters zich uitkleeden, daar zij met de deugd in plaats van met kleêren zullen bedekt wezen; en zij moeten deel hebben aan den krijg en de verdere bewaking van den staat, zonder iets anders te doen; maar van dat werk zullen wij aan de mannen het zwaardere en aan de vrouwen, om hare mindere sterkte, het ligtere geven. En een man die lacht over naakte vrouwen, welke zich die naaktheid, dewijl zij noodzakelijk is, laten welgevallen, en zich daardoor als een geestig spotter wil doen opmerken, weet klaarblijkelijk volstrekt niet, waarover hij lacht of wat hij doet: want het is en blijft toch waarachtig, dat het nuttige schoon en het nadeelige leelijk is.--Ongetwijfeld.--
VII. Dus zijn wij dan nu bij de vrouwenwet door die ééne golf heen geworsteld, zonder er in te verdrinken, en kunnen vaststellen, dat onze wachters en wachteressen alles gezamenlijk moeten uitoefenen, daar onze redenering op geene inwendige tegenstrijdigheid schipbreuk heeft geleden, maar tot mogelijke en heilzame uitkomsten geleid heeft.--Ja, dat is waarlijk een golf van belang geweest, die wij ontworsteld zijn.--Gij zult zeggen, dat het een kleintje was, als gij die ziet, welke nu aankomt.--Komaan, die wil ik dan wel eens zien.--Op deze en de vorige wetten volgt nu, geloof ik, dit.--Wat?--Dat al deze vrouwen gezamenlijk aan al deze mannen moeten toebehooren, en dat geene van haar met één bepaald man moet zamenwonen; en dat evenzoo de kinderen gemeenschappelijk eigendom moeten zijn, en geene ouders hunne spruiten noch deze hunne ouders mogen kennen.--Het is nog vrij wat moeijelijker dan bij het vorige, om hier de mogelijkheid en nuttigheid van te zien.--Ik geloof niet, dat men ligt zou twijfelen, of het nuttig is, dat de vrouwen en de kinderen aan allen gemeen zijn, zoo het maar kan tot stand komen; maar ik denk, dat de meeste twijfeling zich tot de mogelijkheid zou bepalen.--Aangaande beiden valt sterk te twijfelen.--Gij noemt daar eene reeks van redeneringen, zeide ik; want ik meende aan de ééne te zullen ontsnappen, daar het u zeker wel nuttig zou voorkomen, en dus alleen over het al of niet mogelijke te moeten spreken.--Ja, maar dat heb ik wel gemerkt, en ik laat u niet los, voor gij van beiden rekenschap geeft.--Dan moet het er maar op los. Dit ééne kunt gij mij echter wel toestaan. Laat ik mij eens vermaken, zoo als menschen met weinig rijkdom van denkbeelden zich vermaken, wanneer zij alleen wandelen. Want deze geven zich de moeite niet om na te denken over de middelen om hun doel te bereiken; maar, in plaats van zich over hetgeen mogelijk en niet mogelijk is af te tobben, stellen zij wat zij wenschen eenvoudig als werkelijk, en beschikken dan de rest, en vermaken zich met zich voor te stellen, wat zij al doen zullen, als het gebeurd is, en met zóó hun ledig hoofd nog lediger te maken. Zulk eene vlaag van luiheid heb ik nu ook, en ik wilde nu dat onderzoek naar de mogelijkheid eens uitstellen, en, zoo gij het toestaat, maar eerst aannemen, dat het mogelijk is, en eens nagaan, hoe de overheden het besturen zullen, en hoe heilzaam het voor den staat en voor de wachters zou wezen, als het gebeurde. Dit wil ik, met uwe vergunning, eerst onderzoeken, en dan het andere.--Ik heb er vrede meê, zeide hij, onderzoek maar.--
Ik geloof dan, zeide ik, dat, zoo de overheden dien naam waardig zullen wezen, en de helpers desgelijks, dezen wat hun bevolen wordt gaarne zullen doen, en genen niet slechts zullen bevelen, maar ook zelven aan de wetten zullen gehoorzamen, en, voor zoover wij hun de handen vrijlaten, in denzelfden geest zullen voortgaan.--Dat is waarschijnlijk.--Kies gij nu, als wetgever, de vrouwen even als gij het de mannen gedaan hebt, en bezorg er ons, die zoo veel mogelijk van denzelfden aard zijn.--Het is geschied.--Daar zij nu gemeenschappelijke woningen en maaltijden hebben, zonder dat iemand iets in het bijzonder bezit, en daar zij bij de ligchaamsoefeningen en de andere deelen der opvoeding met elkander in aanraking komen, zullen zij, geloof ik, door de noodzakelijkheid worden aangedreven, om zich met elkander te vermengen. Vindt gij dat niet noodzakelijk?--Het zal niet gebeuren door wiskundige noodzakelijkheid, maar door physische, zeide hij, die nog heel wat meer dan de eerste in staat schijnt te wezen om de menigte te overreden en meê te slepen.--
VIII. Ja vrij wat meer; maar, ~Glauco~! dat zij zich nu zonder orde met elkander vermengen of wat dan ook doen, is in een staat van gelukkigen niet geoorloofd, en de overheden zullen het ook niet toelaten.--Het zou ook volstrekt niet goed zijn.--Het is dus duidelijk dat wij de verbindtenissen zoo heilig mogelijk moeten pogen te maken; en die het nuttigste voor den staat zijn, zullen wel de heiligste wezen.--Voorzeker.--Hoe zullen zij dan het nuttigste zijn. Zeg gij dit, ~Glauco~! want ik weet, dat gij vele jagthonden en edel gevogelte houdt. Hebt gij dan, bij ~Zeus~! niet wel eens acht gegeven op hun paren en voorttelen?--Wat meent gij.--Vooreerst zullen er onder dezen, al zijn allen van een edel ras, toch wel bijzonder edele zijn en geboren worden?--Ja.--Laat gij nu allen evenzeer paren, of de besten het meest?--De besten natuurlijk het meest.--En wie meer, de jonge of de oude, of die van bloeijenden leeftijd?--De laatsten.--En als dit niet wordt in het oog gehouden, oordeelt gij dan niet, dat uwe vogels en honden hoe langer hoe slechter zullen worden?--Zekerlijk.--En hoe denkt gij over paarden en andere dieren; is het daar anders mede?--Wel neen.--Sakkerloot, mijn vriend! welke knappe overheden moeten wij dan hebben, als het met het menschdom eveneens gesteld is.--Het is er zeker zóó meê gesteld.--Zij moeten dan een groot getal van kunstmiddelen gebruiken. Als het ligchaam geen geneesmiddelen noodig heeft, maar door een bepaalden leefregel kan geholpen worden, dan houden wij ook een middelmatig arts voor voldoende; maar als er moet ingenomen worden, dan weten wij, dat de behoefte aan een kundigen arts grooter is.--Dat is waar, doch waarop doelt gij met dit te zeggen?--Hierop, zeide ik, dat onze overheden tot nut van de onderdanen heel wat leugens en bedrog zullen bezigen. En wij zeiden immers, dat dit alles bij wijze van geneesmiddel bruikbaar kan wezen[105].--En te regt.--Dit nu schijnt vooral ten opzigte van het paren en het telen van kinderen te gelden.--Hoe dat?--Volgens het besprokene moeten de besten zoo veel mogelijk paren, en de minsten zoo weinig mogelijk, en de spruiten der eersten moet men opvoeden, die der laatsten niet, zoo de kudde zoo goed mogelijk zal wezen: en dit alles moet plaats hebben zonder dat iemand behalve de overheden het weet, zoo de troep der wachters niet in oproer zal komen.--Dat is zeer waar.--Dus moeten er feesten worden vastgesteld, waarop wij de bruiden en bruidegoms zullen zamenbrengen, en offers, en liederen, die onze dichters bepaaldelijk voor die verbindtenissen moeten maken: en de bepaling van het getal dier verbindtenissen moeten wij aan de overheden overlaten, opdat zij zoo veel mogelijk hetzelfde getal van wachters in stand houden, met bijrekening van oorlog, ziekte en andere rampen; opdat onze staat zoo veel mogelijk noch te groot noch te klein worde.--Voorzeker.--En hiertoe moeten wij, denk ik, eene kunstige wijze van loten verzinnen, opdat de slechten bij elke verbindtenis aan het lot, niet aan de overheid, de schuld geven.--Juist.--