De republiek van Plato

Part 16

Chapter 163,365 wordsPublic domain

IX. En wij moeten ook aan jongelingen, die in den krijg of elders uitmunten, onder andere belooningen, eene meerdere vrijheid tot gemeenschap met de vrouwen geven, om onder een goeden schijn uit hen de meeste kinderen te doen voortkomen.--Dat is goed.--En de pasgeborene kinderen moeten dan worden opgenomen door daartoe aangestelde overheden, uit de mannen of de vrouwen of beiden. Want de vrouwen moeten immers ook deel aan het bestuur hebben.--Ja.--En de kinderen uit goede ouders moeten zij dan naar de minnezaal brengen, die in een ander deel van de stad gelegen is; maar de kinderen der slechten of als anderen verminkte kinderen voortbrengen, moeten zij heimelijk uit den weg ruimen.--Dat is noodig, als onze wachters niet ontaarden zullen.--En zij moeten dan ook voor de voeding zorgen en de moeders, wanneer hare borsten gevuld zijn, naar de minnezaal brengen; steeds oppassende, dat geene haar kind herkenne, en wanneer deze niet voldoende zijn, andere minnen ontbieden. Ook moeten zij zorgen, dat die vrouwen niet te lang zogen; en het waken en oppassen moeten zij aan andere voedsters opdragen.--Gij maakt het kinderen krijgen voor de vrouwen der wachters al heel gemakkelijk.--Dat is ook noodig; maar laat ons nu het vervolg beredeneren. Wij zeiden immers, dat de kinderen moesten geteeld worden uit menschen in bloeijenden leeftijd.--Ja.--En die tijd duurt voor den man dertig, voor de vrouw twintig jaren.--Te weten?--Eene vrouw is van haar twintigste tot haar veertigste jaar geschikt om kinderen voor den staat te baren; een man is goed voor de voortteling van het bedaren zijner eerste hevige driften tot dat hij vijf en vijftig jaar oud is.--In dien tijd althans zijn beiden in krachten in verstand op hun toppunt.--En wanneer nu een oudere of jongere aan de voortteling wil deelnemen, zullen wij hem van onregtvaardigheid en goddeloosheid beschuldigen, daar hij een kind voor den staat zoekt te verwekken, dat, zoo de misdaad verborgen blijft, zal geteeld zijn zonder de offers en de gebeden, die bij iedere verbindtenis door priesters en priesteressen en den geheelen staat zullen gedaan worden, opdat uit goeden beteren, uit bruikbaren nog meer bruikbaren mogen voortkomen, maar hetwelk in tegendeel in ’t geheim en door erge ongebondenheid is verwekt.--Best.--En dezelfde wet is van toepassing, wanneer iemand, die zelf in den bloeijenden leeftijd is, eene vrouw van dien leeftijd zonder vergunning der overheid aanraakt; want wij zullen zeggen, dat hij dan een zonder verloving of offer geteelden bastaard voor den staat zoekt te verwekken.--Volkomen goed.--Maar wanneer nu de vrouwen en de mannen den tijd van het voorttelen te boven zijn, dan zullen wij hun vrijheid geven, om gemeenschap te oefenen met wien zij willen, behalve met de aanverwanten in opgaande of afgaande linie; onder uitdrukkelijke vermaning echter, om liefst geen kinderen te laten geboren worden, en anders ze te vondeling te leggen, daar het niet geoorloofd is ze groot te brengen.--Dat laat zich goed hooren, maar hoe is het mogelijk de verwanten in opgaande en afgaande linie te herkennen?--Dat is onmogelijk, maar allen die meer dan tien maanden, nadat iemand huwbaar geworden is, geboren zijn, zal hij zonen en dochters noemen, en zij hem vader (of moeder), en hunne kinderen noemt hij kleinkinderen, en dezen hem grootvader (of grootmoeder), en die geboren zijn binnen het tijdperk, waarin hunne ouders de voortteling uitoefenden, noemen elkander broeders en zusters; zoodat de eersten, gelijk wij zeiden, elkander niet mogen aanraken, maar de broeders en zusters wel; wanneer het lot het meêbrengt en de Pythia het toestaat.--Dat is waar.--

X. Zoodanig, ~Glauco~! is dus de gemeenschap van vrouwen en kinderen voor onze wachters, maar nu moeten wij nog beredeneren, dat zij met onze andere bepalingen overeenstemt, en dat zij verreweg het beste is. Of hoe denkt gij er over?--Zonder eenigen twijfel.--Moeten wij nu die redenering niet zóó beginnen, dat wij ons eerst afvragen, wat de wetgever als het grootste goed in eene staatsregeling moet aanmerken en derhalve bij het maken van wetten zoeken te bereiken, en wat het grootste kwaad is, dat hij moet vermijden; om vervolgens na te gaan, of hetgeen wij nu besproken hebben, met dat goede overeenstemt, en met dat kwade in strijd is?--Zekerlijk.--En is er nu wel een grooter kwaad voor een staat dan hetgeen hem verdeelt en van één tot velen maakt? Of een grooter goed dan hetgeen hem verbindt, en één maakt?--Zeker niet.--En ontstaat er niet een band door de gemeenschap van vreugde en smart, wanneer zoo veel mogelijk al de burgers zich over één en dezelfde gebeurtenis gelijkelijk verheugen en bedroeven?--Ongetwijfeld.--Maar er ontstaat verwijdering, wanneer integendeel sommigen bedroefd en anderen verheugd zijn over dezelfde lotgevallen van den staat en enkele personen.--Voorzeker.--En dit laatste gebeurt immers wanneer de woorden _mijn_ en _dijn_ door ieder op andere dingen worden toegepast?--Ongetwijfeld.--En de staat, waarin de meesten die woorden op dezelfde dingen toepassen, zal het meest bloeijen.--Verreweg het meest.--Hij zal dan ook het meest met een enkel mensch overeenkomen; want wanneer b. v. iemand onzer zijn vinger stoot, dan ondervindt, door het naauwe verband tusschen ligchaam en ziel, ons geheele wezen daarvan eene onaangename gewaarwording, en dan zeggen wij in dien zin, dat de mensch pijn heeft aan zijnen vinger; en ditzelfde geldt van ieder deel van den mensch, zoo wat smart als wat genot aangaat.--Dat doet het ook, en een goed ingerigte staat heeft daarmede veel overeenkomst.--Als dus, geloof ik, één der burgers eenigen vóór- of tegenspoed ondervindt, dan zal zulk een staat zich dit het meest aantrekken, en zich mede verheugen of bedroeven.--Dit is in een goed ingerigten staat noodzakelijk.--

XI. Het is dan zaak, onzen staat nog eens in oogenschouw te nemen, en te zien, of dit vereischte hier het meest, of elders meer wordt gevonden.--Dat moeten wij dan maar doen.--Wat dan? wordt ook in andere staten de overheid en het volk niet even als in den onzen onderscheiden?--Ja.--En allen geven elkander den naam van burgers.--Natuurlijk.--Maar welken naam bovendien geeft in de andere staten het volk aan de overheden?--In de meeste dien van heeren, en waar eene volksregering is, noemt het ze eenvoudig overheden.--En hoe doet het volk in onzen staat? Met welken naam, buiten dien van burgers, noemt het de overheden?--Het noemt ze behouders en helpers.--En hoe noemen zij het volk.--Loongevers en voeders.--En hoe noemen de overheden in andere staten het volk?--Onderdanen.--En hoe noemen elders de overheden elkander?--Mede-overheden.--En hoe bij ons?--Mede-wachters.--En weet gij nu geen voorbeelden, dat in de andere staten de overheden hunne mede-overheden deels als hunne betrekkingen, deels als vreemden aanmerken?--Ik weet er genoeg.--En iemand beschouwt zijne betrekkingen als de zijnen; de vreemden als niet de zijnen.--Juist.--En hoe doen de wachters bij u? Kan wel iemand hunner een zijner medewachters als een vreemden beschouwen en aanspreken?--Wel neen, want in ieder hunner zal hij een broeder of zuster, vader of moeder, zoon of dochter, of de afstammelingen van dezen meenen te zien.--Mooi gezegd, maar zeg nu ook nog dit: Zult gij nu alleen bepalen, dat zij elkander als betrekkingen moeten aanspreken, of zult gij hun ook voorschrijven overeenkomstig die namen te handelen, en aan de ouders al dien eerbied, dat dienstbetoon, en die gehoorzaamheid te bewijzen, waarop ouders aanspraak hebben; daar goden noch menschen het goedkeuren, en pligtmatig of regtvaardig vinden, zoo iemand anders handelt? Zullen deze voorschriften omtrent ouders en bloedverwanten door al uwe burgers aan de kinderen van jongs af worden ingeprent, of wel andere?--Deze; want het zou belagchelijk zijn, zoo zij elkander slechts betrekkingen noemden, maar niet als zoodanig behandelden.--Dus zal in dezen staat meer dan in alle anderen het geluk of ongeluk van één burger door allen als het hunne worden aangemerkt.--Dat is zeer waar.--En als zij nu zóó dachten en spraken, dan zeiden wij immers, dat vreugd en droefheid hun gemeenschappelijk zou wezen?--En dat zeiden wij te regt.--Dus zullen onze burgers het meest dezelfde zaak de hunne noemen, en bij gevolg het meest gemeenschappelijke vreugde en droefheid hebben.--Zekerlijk.--En wordt dit niet onder anderen door de gemeenschap van vrouwen en kinderen veroorzaakt?--Zeg liever: grootendeels.--

XII. Edoch wij zijn het eens geworden, dat dit het hoogste goed voor een staat is, en dat een goed ingerigte staat zich even als een menschelijk ligchaam verhoudt tot den aangenamen of smartelijken toestand van een zijner leden.--Hieromtrent zijn wij het te regt eens geworden.--Derhalve blijkt het, dat de gemeenschap van vrouwen en kinderen bij onze wachters voor onzen staat de oorzaak is van het hoogste goed.--Voorzeker.--En het vroeger besprokene bevalt ons zeker ook nog, want wij zeiden: dat zij geen eigen huizen, noch land, noch geld moesten hebben; maar dat zij van de anderen, tot loon voor hunne bewaking, hun onderhoud ontvangende, dat gelijkelijk moesten verdeelen; zoo zij inderdaad wachters zouden zijn.--Wel zeker.--Maakt dan nu het vroeger besprokene en het nu gezegde hen niet nog meer tot ware wachters, die den staat niet vanéénrukken door ieder wat anders het mijne te noemen, en door ieder voor zich wat hij kan in zijn huis te slepen, en ieder voor zich vrouw en kinderen, en bijzondere genoegens en smarten te hebben; maar die door eenheid van meening omtrent het eigene allen hetzelfde wit hebben, en zoo veel mogelijk alle droefheid en vreugde gemeenschappelijk voelen.--Voorzeker.--En zullen regtsgedingen en onderlinge beschuldigingen niet om zóó te zeggen uit hun midden verdwijnen, daar niemand iets behalve zijn ligchaam voor zich alleen bezit, maar alles gemeenschappelijk is? En zullen zij daardoor niet van die twisten bevrijd wezen, die onder de menschen om geld en kinderen en bloedverwanten ontstaan?--Ongetwijfeld.--En ook klagten over geweld en beleediging mogen bij hen geen plaats hebben. Want wij zullen zeggen dat ieder zich tegen personen van gelijken ouderdom mag verdedigen, ja hem de noodzakelijkheid opleggen, om voor zijn eigen ligchaam te zorgen.--Best.--En deze wet is ook goed, omdat, als iemand op een ander boos zijnde zijn moed aan hem koelen mag, hierdoor het ontstaan van erger twisten voorgekomen wordt.--Zekerlijk.--En ouderen zullen het regt krijgen om jongeren te bevelen en te bestraffen.--Dat spreekt.--En een jongere mag natuurlijk, zonder bevel der overheden, niet trachten een ouderen eenig geweld aan te doen, of hem zelfs te slaan; en ik denk, dat hij hem ook in geen ander opzigt beleedigen zal; want twee sterke wachters beletten het hem, de vrees en de schaamte; de schaamte, daar zij hem weêrhoudt zijne ouders te mishandelen; de vrees, daar hij duchten moet, dat de anderen dengenen, dien hij kwaad doet, als kinderen, broeders of ouders zullen helpen.--Dat volgt.--Dus zullen door deze wetten die menschen steeds vrede met elkander hebben.--Natuurlijk.--En wanneer zij eendragtig zijn is het niet te duchten, dat ooit de overige burgers tegen hen, of tegen elkander de wapenen opvatten.--Volstrekt niet.--De kleinere rampen, waarvan zij bevrijd zullen wezen, heb ik weinig lust te bespreken, b. v. het vleijen der rijken, de zorgen en verdrietelijkheden, die uit de opvoeding der kinderen, het geldwinnen en de noodzakelijkheid van bedienden te houden ontstaan, en het máken van schulden, en het twisten over geldzaken, en het overlaten zijner bezittingen aan vrouwen en bedienden, en wat men al daarbij voor onaangename dingen ondervindt, die wij om hunne mindere belangrijkheid nu maar zullen overslaan.--Dat is ook voor een blinden duidelijk.--

XIII. Van dit alles zullen zij dus bevrijd wezen, en een leven leiden nog gelukkiger dan dat van de overwinnaars te Olympia.--Hoe zoo?--Die hebben slechts een klein gedeelte van het geluk, dat hun te beurt valt, want hunne overwinning is schooner en hun onderhoud op landskosten ruimer. Hunne overwinning toch strekt tot behoud van den geheelen staat, en behalve voedsel bekomen zij al wat tot het leven vereischt wordt voor zich en voor hunne kinderen, en bij hun leven door hunne medeburgers aldus begiftigd zijnde, worden zij na hunnen dood eervol begraven.--Dat zijn zeker schoone voorregten.--Herdenk nu nog eens, hoe wij daar straks verschrikten door eene tegenwerping van, ik weet niet wien, die zeide, dat wij de wachters niet gelukkig maakten, daar, terwijl zij alle goederen der burgers konden hebben, toch niets daarvan hun toeviel; waarop wij antwoordden, dat wij dit, als het zoo uitkwam, later wel eens zouden onderzoeken; maar dat wij op het oogenblik de wachters wachters maakten, en den geheelen staat zoo gelukkig mogelijk; zonder daarbij het geluk van eenen bepaalden stand te bedoelen[106].--Dat herinner ik mij.--En hoe denkt gij daar thans over? Vindt gij het leven der wachters, hetwelk wij zien dat veel schooner en beter is dan dat der overwinnaars te Olympia, vergelijkbaar met het leven der schoenmakers of der andere handwerkslieden, of der boeren?--Ik vind het niet.--Het is echter noodig nog eens te herhalen wat wij toen zeiden, dat, als de wachter gelukkig wil worden door niet meer wachter te zijn, en een zoo matig, bestendig, en naar ons oordeel voortreffelijk leven hem niet voldoet, maar een dwaas en kinderachtig denkbeeld van geluk hem aandrijft, om zich met geweld alles in den staat toe te eigenen, hij merken zal, hoe waarachtig de uitspraak is van ~Hesiodus~: dat de helft meer is dan het geheel.--Als hij mijn raad volgt, zal hij dat leven vasthouden.--Dus keurt gij het goed, dat de vrouwen, zoo als gezegd is, gezamenlijk met de mannen worden onderwezen, regt op de kinderen hebben en de andere burgers beschermen; en dat zij, in de stad blijvende, en naar den oorlog gaande, even als honden aan het wachthouden deelnemen, en alles zoo veel mogelijk mededoen; en dus vindt gij, dat zij zoo doende het best zullen handelen en niet zullen misdoen tegen de natuurlijke betrekking van de vrouw tot den man.--Ja.--

XIV. Nu moeten wij nog nagaan, of zulk eene gemeenschap onder de menschen even goed als onder de andere dieren kan plaats grijpen; en zoo ja, hoe die dan moet tot stand komen.--Gij zijt mijne vraag voorgekomen.--Aangaande den oorlog is het duidelijk, hoe zij dien zullen voeren.--Hoe zoo?--Zij zullen gezamenlijk uittrekken, en hunne kinderen, die groot worden, meênemen, opdat zij, even als de kinderen der andere werklieden, het werk, dat zij naderhand zullen verrigten, van nabij zien, en daarenboven in den oorlog hunne ouders behulpzaam zijn. Of hebt gij niet wel opgemerkt, hoe b. v. de kinderen der pottebakkers lang behulpzaam zijn en toekijken, voordat zij zelve met pottebakken beginnen?--Ja zeker.--En moeten dezen dan hunne kinderen met meer zorg door ondervinding en aanschouwing van het noodige opleiden dan de wachters de hunne?--Dat zou bespottelijk zijn.--En ook vechten alle dieren moediger als hunne jongen er bij zijn.--Dat is waar, ~Socrates~! Er is echter groote kans, dat, indien zij, zoo als het in den oorlog gaat, eens verslagen worden, niet alleen zij zelve, maar ook hunne kinderen zullen vergaan, en dus de ramp voor den staat onherstelbaar zal wezen.--Dat is waar, maar wilt gij ze dan buiten alle mogelijk gevaar houden?--Wel neen.--Maar wanneer wij ze dus toch ook aan gevaar moeten blootstellen, is het dan geen zaak dit zóó te doen, dat zij daardoor geschikter voor hun beroep worden?--Natuurlijk.--En vindt gij het nu onverschillig, dat toekomstige krijgslieden reeds als kinderen den oorlog zien?--Wel neen, maar van het hoogste belang.--Dus moeten wij de kinderen den oorlog laten zien, maar hun veiligheid bezorgen; dan zal het goed zijn.--Juist.--Vooreerst, zullen hunne ouders, menschelijk gesproken, niet onverstandig zijn, maar geschikt om te beoordeelen, welke togten hachelijk zijn, welke niet.--Natuurlijk.--Dus zullen zij ze naar de laatste medenemen, naar de eerste niet.--Goed.--En zij zullen over hen geen nietswaardige opzigters aanstellen, maar zulke, die door bekwaamheid en leeftijd geschikte aanvoerders en opvoeders zijn.--Dat is betamelijk.--Met dat al, kunnen wij echter niet ontkennen, dat er dikwijls onvoorziene rampen plaats hebben.--Dat is zoo.--Daarvoor, mijn vriend! moeten wij aan de kinderen vleugels bezorgen, opdat zij, als het noodig is, kunnen wegvliegen.--Hoe meent gij dat?--Wij moeten ze zoo jong mogelijk op paarden zetten, en als wij ze hebben leeren paardrijden, moeten wij ze als toekijkers meênemen op paarden, die niet wild en oorlogzuchtig, maar vlug en mak zijn. Want alzoo onder hunne oudere aanvoerders meêgaande, zullen zij hun toekomstig werk het best kunnen zien, en in geval van nood het gemakkelijkst gered worden.--Dat ben ik met u eens.--

En hoe moeten verder in den krijg onze soldaten zich jegens elkander en tegen den vijand gedragen? Heb ik het daaromtrent bij het goede eind of niet?--Zeg mij dan uwe meening.--Zoo iemand hunner de slagorde verlaat of zijne wapens wegwerpt, of een ander dergelijk bewijs van lafhartigheid geeft, moeten zij hem tot den stand der handwerkers of landbouwers vernederen.--Dat is best.--En die zich levend door den vijand hebben laten gevangen nemen, moeten wij hem ten geschenke geven, opdat hij met zijne vangst naar zijnen wil handele.--Juist.--En die zich dapper en roemrijk gedragen, moeten door de kinderen, die den veldtogt meêdoen, bekranst en met allerlei blijken van genegenheid ontvangen worden.--Natuurlijk.--En dat wij de dapperen meer dan de anderen zullen laten paren, opdat er zoo veel mogelijk uit hen geboren worden, hebben wij reeds gezegd.--Ja.--

XV. Wij moeten verder dappere jongelingen ook naar het voorschrift van ~Homerus~ beloonen. Want ~Homerus~ zegt, dat ~Ajax~, die in den oorlog had uitgemunt, eene bijzonder groote portie vleesch als belooning ontving[107], hetgeen een goed eerbewijs is voor een krachtig en dapper man, en hem niet slechts eer, maar ook vermeerdering van ligchaamskracht aanbrengt.--Dat is heel goed.--Dus willen wij hierin ~Homerus~ volgen, en daarom, bij offermaaltijden en andere gelegenheden, aan de dapperen om hunnen moed loftuitingen en andere eerbewijzen geven en ze daarenboven een grooter rantsoen van vleesch en wijn toedeelen, om ze én te eeren én nog meer te versterken.--Dat is opperbest.--Verder moeten wij zeggen, dat die in den oorlog roemrijk sneuvelen, menschen van het gouden geslacht zijn.--Voorzeker.--En wij willen op gezag van ~Hesiodus~ aannemen, dat de menschen van dat geslacht na hunnen dood «heilige geesten worden, die weldadig op aarde ronddwalen, het kwaad afweren, en de menschen bewaken[108].»--Dat moeten wij maar aannemen.--Hoe nu die heilige geesten behooren vereerd, en van de andere goden onderscheiden te worden, daaromtrent vind ik het raadzaam de godspraak te vragen en ons aan hare voorschriften te houden.--Dat is het beste.--En wij zullen ze dan in het vervolg aldus vereeren en aanbidden, en diezelfde bepaling maken voor uitstekende helden, die door ouderdom of ziekte gestorven zijn.--Dat is ten minste billijk.--

En hoe moeten nu onze krijgslieden met de vijanden handelen?--Wat meent gij?--Vindt gij het vooreerst wel billijk, dat Grieken Grieksche staten onder het juk brengen, en moeten wij dit niet veeleer ook aan anderen zoo veel mogelijk beletten, en ons gewennen uit vrees voor het juk der barbaren onze stamgenooten te ontzien?--Het laatste is oneindig beter.--En wij zelve moeten geene Grieksche slaven houden, en ook de andere Grieken tot dit besluit aansporen?--Zekerlijk: Zoo toch komen zij er eerder toe om zich tegen de barbaren te vereenigen en elkander te sparen.--En is het verder wel goed de gesneuvelden van iets anders dan van hunne wapens te berooven? Is dat niet een voorwendsel voor lafhartigen om het gevecht te vermijden, door bij de gesneuvelden te vertoeven; en zijn niet dikwijls legers door dat uitschudden verloren gegaan?--Zekerlijk.--En vindt gij het niet onedel en inhalig, een lijk te plunderen; en niet kinderachtig en kleingeestig, het doode ligchaam vijandig te behandelen, daar de eigenlijke vijand is weggevlogen, en slechts dat, waarvan hij zich in den strijd bediende, heeft achtergelaten? Of oordeelt gij, dat die zóó doen wijzer handelen dan honden, die boos worden op den steen, en niet op hem, die er meê geworpen heeft?--Wel neen, het komt op hetzelfde neêr.--Dus moet dat uitschudden der lijken en dat verhinderen der begrafenis worden afgeschaft.--Zekerlijk.--