De republiek van Plato

Part 17

Chapter 174,035 wordsPublic domain

XVI. Wij moeten ook, om de onderlinge welwillendheid der Grieken te bevorderen, geen veroverde wapens, althans niet van Grieken, in de tempels ophangen; maar veel meer duchten, dat het heiligschennis zijn zou zóó iets van onze stamgenooten naar een tempel te brengen; tenzij de godspraak er anders over denkt.--Dat is naar mijn zin gesproken.--En het verwoesten van Grieksch grondgebied, en het verbranden der woningen, mogen uwe krijgslieden dat bij de vijanden doen?--Daarover wilde ik gaarne uw gevoelen hooren.--Mijne meening is dan, dat wij geen van beiden moeten doen, maar alleen de te veld staande vruchten moeten wegnemen. En wil ik u eens zeggen, waarom?--Ja! doe dat.--Ik ben van gevoelen, dat niet slechts de woorden: oneenigheid en oorlog, maar ook de zaken, die zij uitdrukken, verscheiden zijn, en als eigen en vreemd tegen elkander overstaan; zoodat oneenigheid onder betrekkingen, oorlog onder vreemden plaats heeft.--Ik geloof, dat gij gelijk hebt.--Zie dan ook eens, wat gij hiervan denkt. Ik zeg, dat alle Grieken elkanders betrekkingen en stamgenooten zijn, maar met de barbaren, als vreemden, niets te maken hebben.--Dat is juist.--Als dus Grieken en barbaren met elkander overhoop liggen, zeggen wij dat zij oorlog voeren, en beschouwen ze als natuurlijke vijanden; maar, als dit onder de Grieken plaats heeft, zeggen wij, dat zij van natuur vrienden zijn, maar dat Griekenland op het oogenblik ziek en oneenig is; en wij geven dien strijd slechts den naam van oneenigheid.--Dat ben ik met u eens.--Wanneer nu in een staat oneenigheid geboren wordt, en iedere partij het land en de huizen der andere verwoest en verbrandt; vindt gij dan die oneenigheid niet verderfelijk, en kunt gij wel eene van beiden vaderlandslievend noemen, daar zij, zoo zij dat waren, nooit hun vaderland hadden durven verwoesten? en zou het niet het beste zijn, dat de overwinnaars slechts de veldvruchten der overwonnenen meênamen, en overigens steeds bedachten, dat zij weer vrienden zullen worden, en niet altijd oneenig blijven?--Deze denkwijs past althans aan beschaafde lieden veel meer dan de andere.--En zijt gij nu niet bezig eenen Griekschen staat te stichten?--Natuurlijk.--Dus moeten ook zijne burgers goed en beschaafd zijn.--Dat spreekt.--En immers ook beminnaars van Griekenland, die dit hun vaderland noemen, en deel hebben aan dezelfde heiligdommen als de andere Grieken?--Ongetwijfeld.--Wanneer zij dus met Grieken in twist raken, zullen zij dien, daar deze hunne betrekkingen zijn, als oneenigheid, niet als oorlog, beschouwen, en er zóó over spreken.--Ja.--En zij zullen daarbij het plan hebben weer vrienden te worden.--Voorzeker.--Zij zullen ze dus met vriendelijkheid kastijden, zonder te trachten hen in slavernij te storten of te verdelgen, daar zij toch eigenlijk geen vijanden zijn.--Zoo zullen zij doen.--Als Grieken zullen zij dus Griekenland niet verwoesten en geen huizen verbranden, en niet beweren, dat in eenigen staat, allen, mannen, vrouwen en kinderen hunne vijanden zijn, maar slechts weinigen, namelijk die den twist hebben aangestookt. En daar dus de meesten hunne vrienden zijn, zullen zij hun land niet willen verwoesten, noch de huizen vernielen; maar zij zullen slechts zoo veel maatregelen van vergelding nemen, als noodig zijn, om te maken, dat de schuldigen door de onschuldigen tot het geven van schadevergoeding gedwongen worden.--Ik vind het goed, dat onze burgers zich zóó jegens hunne tegenstanders gedragen; en dat zij de barbaren, zoo als nu de Grieken elkander, behandelen.--Willen wij dan dit vaststellen, dat onze wachters geen land mogen verwoesten noch huizen in brand steken?--Met genoegen, want wij kunnen verzekerd zijn, dat het goed is.--

XVII. Ik geloof echter, ~Socrates~! dat, als wij u laten begaan, gij volstrekt niet meer denken zult om hetgeen gij daar straks hebt overgeslagen; te weten, dat en hoe eene staatsregeling als deze bestaan kan: want dat, zoo zij haar beslag kreeg, de staat, waarin dit gebeurde, gelukkig zou wezen; en dat, om nog aan te vullen, wat gij verzwegen hebt, zij, die onder haar leefden, het best tegen de vijanden zouden vechten, en elkander het minst in den steek laten, dewijl zij elkander als broeders, ouders en kinderen zouden beschouwen; en dat, als de vrouwen meê te veld trokken, en óf in dezelfde slagorde stonden, óf tot schrik der vijanden, en tot hulp in den nood, als spaarbenden achteraan geplaatst waren, ook dit zou meêwerken om hen onoverwinnelijk te maken, dat zie ik wel in, en tevens, hoeveel voorregten zij nog bovendien te huis zouden hebben; maar dewijl ik nu toestem, dat deze en nog honderd andere dingen zouden plaats hebben, wanneer die staatsregeling tot stand kwam, zoo spreek daarover niet langer, maar laat ons nu het overige laten rusten, en zoeken te beredeneren, dat en hoe zij tot stand kan komen.--Gij doet daar in eens een aanval op mijne redekaveling, en wilt van geen tegenstribbelen hooren. Misschien weet gij niet, dat terwijl ik met moeite door twee golven ben heen geworsteld, gij nu de grootste en lastigste doet opkomen; maar als gij die gezien en gehoord hebt, zult gij mij wel toestemmen, dat ik teregt afkeerig was, en terugbeefde van het bespreken en navorschen van een zoo vreemd en moeijelijk onderwerp.--Naarmate gij meer zulke dingen zegt, zullen wij u minder vrijspreken van het zeggen, hoe die staatsregeling bestaanbaar is. Zeg het maar zonder verwijl.--

Vooreerst dan, moeten wij ons herinneren, dat wij door het onderzoek, wat regtvaardigheid en onregtvaardigheid is, hier zijn heengedreven.--Goed, maar wat beduidt dat?--Niets. Maar wanneer wij nu gevonden hebben, wat de regtvaardigheid is, zullen wij dan oordeelen, dat de regtvaardige man volstrekt niet daarvan mag verschillen, maar in alle opzigten er aan moet gelijk wezen; of zullen wij tevreden zijn, wanneer hij zoo na mogelijk er bij komt, en er meer dan de overigen aan deelachtig is?--Wij zullen met dat laatste tevreden zijn.--Wij zochten dus, om een rigtsnoer te hebben, wat de regtvaardigheid zelve is, en hoe een volmaakt regtvaardig mensch zou gevormd worden, en hoe hij zou wezen, en deden hetzelfde met de onregtvaardigheid en den onregtvaardige; ten einde, hun geluk en ongeluk beschouwende, ook omtrent ons zelven te besluiten, dat hij, die met een van hen de meeste overeenkomst heeft, ook in geluk of ongeluk het meest met hem moet overeenkomen; maar wij stelden ons niet voor, te bewijzen, dat zij werkelijk kunnen bestaan.--Daarin hebt gij gelijk.--Gelooft gij dan nu, dat een schilder, die een toonbeeld van een schoon mensch geschilderd had, waarop niets was aan te merken, een minder goed schilder zou wezen, wanneer hij de mogelijkheid, dat zoo iemand bestond, niet bewijzen kon?--Wel neen, zeker niet.--En maakten wij niet in onze redenering een toonbeeld van een goeden staat?--Ja.--Gelooft gij dan nu, dat onze redenering minder goed is, zoo wij niet kunnen bewijzen, dat het mogelijk is een staat aldus in te rigten.--Wel neen!--Ik zou dus dit bewijs eigenlijk niet behoeven te leveren. Om evenwel u ten gevalle na te gaan, hoe en onder welke voorwaarden zoo iets het best zou kunnen plaats hebben, moet gij met mij nog eens dezelfde punten beredeneren.--Welke?--Kan iets ooit volkomen zóó zijn als het beredeneerd is; of is het onvermijdelijk, dat de werkelijkheid altijd te kort schiet bij het begrip, ook al merkt niet ieder dit op?--Het laatste is onvermijdelijk.--Dwing mij dus niet, om aan te toonen, dat al wat wij beredeneerd hebben werkelijk plaats heeft; maar, zoo wij kunnen vinden, hoe een staat ten naastenbij volgens het gezegde kan ingerigt worden, laat ons dan zeggen, dat wij de mogelijkheid van het toepassen onzer voorschriften gevonden hebben. Of zult gij daar niet meê tevreden zijn? Ik althans wel.--Ik ook.--

XVIII. Hetgeen ons nu te doen staat, is, geloof ik, na te sporen en aan te toonen, wat in de staten van onzen tijd niet deugt, en belet, dat zij zóó worden ingerigt; en hoe een staat met de minste schokken en de geringste verandering tot deze soort van staatsregeling zou kunnen komen.--Opperbest.--Nu geloof ik, te kunnen bewijzen, dat dit zou kunnen gebeuren door ééne, wel niet geringe of ligte, maar toch niet ondenkbare verandering.--Welke?--Nu zijn wij op de grootste golf. Ik zal het echter zeggen, al word ik door eene stortzee van gelach en ongeloof overstelpt. Let dan op hetgeen ik zeg.--Zeg op.--Zoo niet de wijsgeeren het staatsbestuur in handen krijgen, of de bestaande koningen en vorsten zich met de borst op de wijsbegeerte toeleggen, zoodat magt in den staat en wijsbegeerte in dezelfde personen vereenigd worden; en zoo niet de meesten, die naar één van beiden afzonderlijk streven, met alle geweld worden buitengesloten, is er geen einde aan de ellende, mijn vriend ~Glauco~! noch voor de staten, noch, naar ik meen, voor het menschelijk geslacht, en onze pas beredeneerde staatsregeling kan vóór dien tijd niet ontstaan en aan het licht komen. Maar ik had reeds lang tegenzin om dit te zeggen, daar ik zag, hoezeer het tegen de gewone meening zou inloopen; want het is moeijelijk de menschen te overtuigen, dat er anders geen geluk voor enkele personen noch voor staten bestaan kan.--Hierop zeide hij: ~Socrates~! gij hebt daar eene uitspraak gedaan, om welke gij verwachten moet, dat zeer velen, en niet van de minsten, zoodra zij ’t hooren, hun rok zullen uittrekken en met alle wapens, die zij vinden kunnen, woedend komen aanloopen, om zich krachtig te weer te stellen; en zoo gij hen niet afslaat of ontvlugt, zult gij tot uw straf aan bespotting worden prijs gegeven.--Maar, zeide ik, is dat niet door uw toedoen?--Ja, en daar deed ik goed aan. Ik zal u evenwel niet in den steek laten, maar, zoo veel ik kan, bijstaan. Dit kan ik doen door belangstelling en door u aan te sporen, en misschien ook door bereidwilliger dan anderen op uwe vragen te antwoorden; en daar gij zulk een helper bezit, moet gij dus maar aan de ongeloovigen trachten te bewijzen, dat het is, gelijk gij zegt.--Als gij zulk een bijstand geeft, moeten wij het maar beproeven. Ik houd het dan voor noodig, als wij er heelshuids willen afkomen, naauwkeurig te bepalen, hoedanige wijsgeeren wij durven zeggen, dat het bestuur in handen moeten hebben, opdat wij, als dit is vastgesteld, in staat mogen zijn ons te verdedigen, door aan te toonen, dat dezen van natuur tot de wijsbegeerte en het staatsbestuur geroepen zijn, maar dat de anderen zich daarvan moeten afhouden en slechts gehoorzamen.--Die bepaling is volstrekt noodig.--Komaan dan! volg mij, om te beproeven, of wij het eenigzins goed kunnen uiteenzetten.--Ga gij maar voor.--Als gij het welligt vergeten zijt, moet ik u herinneren, dat iemand, die waarlijk liefhebberij voor iets heeft, niet slechts een of ander deel daarvan, maar die geheele zaak moet liefhebben.--

XIX. Herinner het mij dan maar, want ik weet het niet best meer.--Dat een ander zoo sprak, kon er nog meê door, ~Glauco~! maar iemand, die verliefd van gestel is, moest zich herinneren, dat alle schoonheden hem treffen en inpakken, en hem toeschijnen regt op zijne opmerkzaamheid te hebben. Of is het niet zoo? wordt een platneus door u niet aardig genoemd, een haviksneus koninklijk, een neus, die tusschenbeide is, van de juiste maat? Noemt gij de donkeren niet flink, en de bleeken interessant? Ja, is niet zelfs het woord lelieblank waarschijnlijk door een minnaar verzonnen, die de bleekheid van het voorwerp zijner liefde als eene deugd aanmerkte; en met één woord, zoekt gij niet allerlei voorwendsels en mooije benamingen, om allen, die jong en knap zijn, onder de schoonheden te kunnen opnemen.--Zoo gij gestellen als het mijne verliefd noemt, dan stem ik toe, dat de verliefden zoo handelen.--Maar, doen de liefhebbers van den wijn niet hetzelfde? Prijzen zij niet allerlei wijn om allerlei redenen?--Ja.--En ziet men niet evenzoo, dat de eerzuchtigen, als zij geen veldheer zijn kunnen, naar den post van wijkmeester trachten; en zoo zij door de aanzienlijken niet geëerd worden, zich troosten met eer bij de geringen; daar al wat eer is hen aanlokt?--Zekerlijk.--Zeg dan nu eens, of dit waar is, of niet: dat hij, die naar eenig ding begeerig is, dat in zijn geheel begeert, maar geenszins sommige deelen daarvan wél, andere niet.--Hij begeert het in zijn geheel.--En zeggen wij nu niet, dat de wijsgeer begeerig is naar wijsheid, en wel, niet slechts naar een deel daarvan, maar naar de wijsheid in haar geheel?--Voorzeker.--Die dus verdriet in het leeren heeft, vooral wanneer hij jong is, en nog niet kan beoordeelen, wat nuttig is en wat niet, dien kunnen wij leergierig noch wijsgeerig noemen, evenmin als iemand, die vol kuren omtrent zijn eten is, kan gezegd worden wezenlijk honger te hebben.--Dat gaat volstrekt niet.--Maar die vaardig is om naar alle weten te trachten, en gaarne wil leeren, en nooit verzadigd is, dien noemen wij met regt wijsgeerig; niet waar?--Hierop zeide ~Glauco~: zóó kunt gij er genoeg krijgen en daaronder vreemde stoethaspels. Want de liefhebbers van een kijkje moeten alles weten, wat er te zien is; en vooral de liefhebbers van hooren zijn vreemde snaken om ze onder de wijsgeeren te rekenen, daar zij wel nooit vrijwillig eene redekaveling zouden bijwonen, maar, alsof zij hunne ooren tot het luisteren naar alle gezang verhuurd hadden, op de feesten van ~Bacchus~ rondloopen, en geen gelegenheid om te hooren, noch in de stad, noch op het land laten voorbijgaan. Moeten wij nu deze allen, en die meer zulke dingen willen weten, en de nietigste kleinigheden nasporen, wijsgeeren noemen?--Wel neen, zeide ik, maar naäpers van de wijsgeeren.--

XX. Maar wie noemt gij de ware wijsgeeren?--Hen, die begeerig zijn de waarheid te zien.--Best, maar wat noemt gij waarheid?--Dit een ander te beduiden is niet gemakkelijk, maar gij zult, geloof ik, mij het volgende wel toestemmen.--Wat?--Dat dewijl schoon en leelijk van elkander verschillen, zij te zamen twee zijn.--Natuurlijk.--En dat bijgevolg ook ieder hunner één is.--Ook dit.--En geldt nu niet hetzelfde van regtvaardig en onregtvaardig, van goed en kwaad, en van het soortgelijke; dat ieder hunner één is, maar, dewijl het zich overal in verschillende daden, ligchamen en betrekkingen vertoont, den schijn van veel te zijn aanneemt.--Daarin hebt gij gelijk.--Volgens dit beginsel nu, onderscheid ik de daareven genoemde liefhebbers van een kijkje, en de minnaars van kunsten, en de bedrijvigen, van hen, over wie wij spreken, die alleen regt hebben wijsgeeren genoemd te worden.--Hoe meent gij dat?--Die liefhebbers van hooren en kijken houden veel van schoone geluiden, en kleuren, en gedaanten, en al wat daarvan gemaakt wordt, maar de natuur van het schoone zelf kan hun geest niet zien noch liefhebben.--Dat is waar.--Zij daarentegen, die het schoone kunnen opsporen en dat op zich zelf beschouwen, zijn die niet zeldzaam?--Zekerlijk.--Die nu wel schoone dingen erkent, maar de schoonheid zelve niet erkent, noch iemand, die hem tot haar zoekt op te leiden, kan volgen, vindt gij dat hij zijn leven wakker of droomend doorbrengt? Of is het geen droomen, als iemand slapend of niet slapend dat, hetwelk ergens op gelijkt, niet als er op gelijkend, maar als hetzelfde beschouwt?--Ik zou zeggen, dat zóó iemand droomde.--En die daarentegen het bestaan van de schoonheid erkent, en haar evenzeer kan zien als hetgeen haar deelachtig is, en die haar niet met hetgeen haar deelachtig is verwart, vindt gij dat die zijn leven wakker of droomend doorbrengt?--Fiks wakker.--En kunnen wij niet met regt aan hem kennis toeschrijven, maar aan den anderen slechts meening?--Ongetwijfeld.--Maar wanneer nu die man, dien wij zeggen dat meent en niet kent, boos op ons wordt en beweert, dat wij geen waarheid spreken, kunnen wij hem dan niet zacht en ongemerkt ompraten en doen inzien, dat hij dwaalt?--Wij moeten het ten minste beproeven.--Komaan dan! onderzoek, wat wij tot hem moeten zeggen. Laat ons hem eerst verzekeren, dat, als hij kennis heeft, wij ze hem niet misgunnen, maar er ons integendeel over zullen verblijden; en hem dan verder vragen: antwoord ons eens hierop. Die kent, kent hij iets of niets? Antwoord gij voor hem.--Ik antwoord, dat hij iets kent.--En kent hij iets, dat is, of iets, dat niet is?--Dat is; want hoe kan hetgeen niet is gekend worden?--Hoewel wij nu nog verder konden bespreken, dat wat geheel en al is, geheel en al kenbaar is, en wat volstrekt niet is, volstrekt niet kenbaar; hebben wij echter hieraan reeds genoeg.--Volkomen genoeg.--Best. Maar als nu iets te gelijk is en niet is, ligt het dan niet midden in tusschen hetgeen volkomen is en hetgeen volstrekt niet is?--Ja.--Zoo nu de kennis betrekking heeft op hetgeen is, en de onkunde op hetgeen niet is, moeten wij voordat middending iets zoeken, dat tusschen onkunde en kennis in ligt; indien zoo iets ten minste bestaat.--Ongetwijfeld.--Nu erkennen wij immers het bestaan van meening?--Wel zeker.--Is zij hetzelfde als kennis, of iets anders?--Iets anders.--Dus heeft de meening betrekking op iets anders dan de kennis, ieder naar haren aard.--Natuurlijk.--En heeft nu de kennis geen betrekking op hetgeen is, om het te kennen, zoo als het is? Of liever, ik geloof dat het noodig is, dit eerst aldus te onderscheiden.--Hoe?--

XXI. Wij zullen zeggen, dat er vermogens bestaan, door welke de menschen vermogen, wat zij vermogen, b. v. de vermogens van gezigt en gehoor. Begrijpt gij dit?--Ja wel.--Hoor dan eens hieromtrent mijn gevoelen. Aan die vermogens zie ik geen kleur of gedaante of eenige andere van die eigenschappen, naar welke ik gewoonlijk de voorwerpen onderscheid; maar bij dezelve onderzoek ik alleen, waarop zij betrekking hebben, en wat zij bewerken, en noem ze naar aanleiding daarvan vermogens; en wat op hetzelfde betrekking heeft en hetzelfde bewerkt, noem ik hetzelfde vermogen, maar wat op iets anders betrekking heeft en iets anders bewerkt, een ander. Hoe doet gij?--Evenzoo.--Let dan nu nog eens hierop, mijn beste! Houdt gij de kennis voor een vermogen, of niet?--Wel zeker, en wel voor het allersterkste.--En de meening, moeten wij die een vermogen noemen, of niet?--Ook die; want hoe zouden wij anders vermogen te meenen?--Edoch daareven hebt gij toegestemd, dat kennis en meening niet hetzelfde is.--Hoe zou dan ook een verstandig mensch het onfeilbare en het feilbare hetzelfde kunnen noemen?--Best. Dus stellen wij vast, dat meening iets anders is dan kennis.--Ja.--Zij zijn dus verschillende vermogens, en hebben op verschillende dingen betrekking.--Natuurlijk.--En kennis heeft betrekking op hetgeen is, om dit te kennen, zoo als het is?--Ja.--En meening om te meenen?--Ja.--Maar heeft zij betrekking op hetzelfde, hetwelk de kennis kent, zoodat dezelfde zaak het voorwerp van kennis en van meening is? Of is dat onmogelijk?--Dat is volgens het beredeneerde niet mogelijk, zoo althans ieder vermogen op een bepaald voorwerp betrekking heeft, en meening en kennis twee verschillende vermogens zijn. Hieruit toch volgt, dat de voorwerpen van kennis en die van meening niet dezelfde kunnen wezen.--Als nu hetgeen is het voorwerp is der kennis, is dan het voorwerp der meening niet iets anders dan hetgeen is?--Ja.--Is dit dan hetgeen niet is? Of kan hetgeen niet is ook geen voorwerp van meening zijn? Denk hier eens over. Rigt niet de meenende zijne meening op een voorwerp? Of is het mogelijk te meenen, en toch niets te meenen?--Wel neen.--Dus heeft hij, die meent, een voorwerp.--Ja.--Edoch wat niet is, is ook geen voorwerp, maar is eigenlijk niets.--Dat spreekt.--Wat niet is rekenden wij dan met regt tot de onkunde; wat is, tot de kennis.--Ja.--Dus rigt zich de meening noch op hetgeen is, noch op hetgeen niet is.--Juist.--Dus is zij noch kennis noch onkunde.--Geen van beiden.--Is zij dan misschien daar buiten, en óf nog helderder dan de kennis, óf nog duisterder dan de onkunde?--Ook dat niet.--Is dan de meening duisterder dan de kennis, en helderder dan de onkunde?--Juist.--Dus ligt zij tusschenbeide.--Ja.--Dus is de meening eene tusschensoort.--Ja.--En hebben wij nu niet vroeger gezegd, dat zoo wij iets vinden, dat te gelijk is en niet is, dit tusschen hetgeen is en hetgeen niet is moet invallen, en dat noch kennis, noch onkunde daarop betrekking heeft, maar wel hetgeen tusschen kennis en onkunde inligt?--Juist.--En nu blijkt het, dat de meening daar tusschen ligt.--Dat blijkt.--

XXII. Dus moeten wij, naar het schijnt, nog dat vinden, hetwelk aan beiden deel heeft; aan het zijn en het niet zijn, en dat dus van beiden moet onderscheiden worden; ten einde, zoo het blijkt, dat dit het voorwerp der meening is, zoowel de uitersten als de middelsten behoorlijk te verbinden. Vindt gij dat niet goed.--Heel goed.--Op dezen grondslag zal ik nu voortgaan met het ondervragen van dien besten man, die oordeelt, dat het schoone zelf en de onveranderlijke idée der schoonheid niet bestaat; en die wel vele schoone dingen erkent en gaarne ziet, maar er niet naar hooren wil, wanneer iemand het bestaan van het schoone, het regtvaardige, enz., verdedigt. Wij zullen dan zeggen: mijn beste! is er wel iets onder al die schoone dingen, dat niet leelijk kan schijnen, of onder de regtvaardigen onregtvaardig, of onder de heiligen onheilig?--Neen, maar zij moeten onvermijdelijk dan eens schoon, en dan eens leelijk, enz. schijnen.--En zullen de dingen, die dubbel zijn, zich niet even zoo goed als half voordoen?--Ongetwijfeld.--En de groote, en kleine, en ligte en zware dingen, zullen die wel meer deze namen dan de tegenovergestelde verdienen?--Neen, zeide hij, maar ieder zal beide kunnen dragen.--Is dan nu een van die vele dingen dat, wat het gezegd wordt te zijn, meer wél dan niet?--Dit lijkt wel eene dubbelzinnigheid voor de grap, of een raadsel, zoo als de kinderen wel opgeven, zeggende: een man en geen man, een vogel en geen vogel, ziende en niet ziende, wierp hem en wierp hem niet, met een steen en geen steen[109]; want het schijnt dat dit dubbelzinnig is, en dat men onmogelijk een van die dingen streng kan bepalen, en er óf één van beiden óf geen van beiden van zeggen.--Weet gij er dan wel iets beters mede te doen, dan ze tusschen het zijn en het niet zijn in te plaatsen? want zij schijnen toch niet minder dan hetgeen niet is, of meer dan hetgeen is, aan het zijn deelachtig te wezen.--Dat is waar.--Dus hebben wij, geloof ik, gevonden, dat wat de menigte schoon, enz., noemt, zich tusschen hetgeen is en hetgeen niet is moet ophouden.--Ja.--En wij zijn het eens geworden, dat het in dit geval een voorwerp van meening is, niet van kennis, daar de middelste der drie vermogens op het middelste der drie voorwerpen betrekking heeft.--Daarover zijn wij het eens.--Wij zullen dus zeggen, dat zij, die vele schoone dingen beschouwen, maar het schoone zelf niet zien, noch een ander, die hen daartoe opleidt, volgen kunnen, en met wie het evenzoo staat ten opzigte van het regtvaardige, enz., dat zij wel vele meeningen maar volstrekt geen kennis hebben.--Dat is een noodzakelijk gevolg.--En dat zij, die de onveranderlijke idéën zelve beschouwen, kennis, geen meening hebben.--Dat ook.--En dat zij genegenheid en liefde hebben voor de voorwerpen der kennis; de anderen voor die der meening? Of herinneren wij ons niet, dat zij, zoo als wij zeiden, schoone klanken en kleuren enz., liefhebben en beschouwen, maar het bestaan van het schoone niet erkennen?--Ja.--Wij zullen dus niet misdoen met ze vrienden der meening in plaats van wijsgeeren te noemen, al worden zij daarom ook nog zoo knorrig?--Wel neen, zeide hij; maar als zij mijn raad willen hooren, zullen zij dat niet worden; want het is niet goed knorrig te worden op de waarheid.--En zij, die hetgeen waarlijk is liefhebben, moeten wijsgeeren, niet meengeeren, genoemd worden?--Dat spreekt.--

Voetnoten

[102] Zie Boek I. Hoofdst. IX.

[103] De godin der regtvaardigheid.

[104] Zie DR. ~H. Ahrens~, _Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde_, vrij vertaald door Dr. ~J. Nieuwenhuis~, II. 27.

[105] Zie Boek III. Hoofdst. III.

[106] Boek IV, Hoofdst. I.

[107] _Il._ VII. 321.