De republiek van Plato

Part 18

Chapter 183,605 wordsPublic domain

[108] _Werken en dagen_, 121.

[109] Dat is: een eenoogig gesnedene liet een stuk aardewerk op een vleermuis vallen.

ZESDE BOEK.

I. Zoo is het dan, ~Glauco~! nadat wij eene lange redenering zijn doorgeworsteld, eindelijk aan ’t licht gebragt, wie wijsgeeren zijn en wie niet.--Door eene korte zou dit misschien bezwaarlijk gelukt zijn.--Het schijnt van neen. Met dat al zou het, geloof ik, nog beter gelukt zijn, zoo wij dit punt alleen te behandelen hadden, en niet nog vele andere dingen moesten nagaan, om uit te maken, waarin een regtvaardig leven van een onregtvaardig verschilt.--Wat moeten wij nu aanpakken?--Wat anders, dan hetgeen aan de beurt ligt. Daar zij, die hetgeen steeds hetzelfde blijft kunnen vatten, wijsgeeren zijn, en zij, die dat niet kunnen, maar die in vele en velerlei dingen verdwalen, geen wijsgeeren; wie van beiden moeten dan de bestuurders van den staat zijn?--Hoe zullen wij dat het best beredeneren.--Die van beiden geschikt blijken te wezen om de wetten en staatsinrigtingen te bewaren, moeten wij tot wachters aanstellen.--Dat is goed.--Nu is het niet moeijelijk te kiezen, of de bewaring van eenige zaak aan een blinden of aan een zienden wachter moet toevertrouwd worden.--Neen waarlijk niet.--Vindt gij dan nu nog verschil tusschen blinden en hen, die in waarheid geene kennis hebben van hetgeen waarachtig is, en geen helder denkbeeld in de ziel hebben, noch in staat zijn, als schilders het waarachtige origineel aanschouwende en steeds tot voorbeeld nemende, en zoo naauwkeurig mogelijk in het oog vattende, naar aanleiding daarvan, als het noodig is, wetten over het schoone, en regtvaardige, en goede te maken, en de bestaande te bewaren en in stand te houden?--Zij verschillen er waarlijk niet veel van.--Zullen wij dezen dan eerder tot wachters aanstellen dan hen, die én hetgeen waarlijk is kennen, én in ondervinding voor de eersten niet onderdoen, én in geene andere voortreffelijke eigenschap achterstaan?--Het zou dwaas zijn, anderen tot wachters te nemen, zoo zij in de andere dingen niet minder zijn; want zij munten dan in het belangrijkste punt boven anderen uit.--Laat ons dan nu beredeneren, hoe dezelfde personen zoowel het een als het ander kunnen hebben.--Best.--Vooreerst moeten wij dan, gelijk in ’t begin dezer redenering gezegd is, hunnen aard zoeken te kennen; en ik geloof, dat, zoo wij die goed besproken hebben, het ons duidelijk zal worden, dat dezelfde personen beiden hebben kunnen, en dat geen anderen dan dezen de bestuurders van den staat moeten zijn.--Hoe zoo?--

II. Laat ons dit omtrent de wijsgeerige karakters vaststellen, dat zij steeds liefhebbers zijn van alle wetenschap, die hun licht geeft omtrent hetgeen altijd is, en niet onderworpen is aan ontstaan en vergaan.--Het zij zoo.--En tevens, dat zij die in haar geheel liefhebben, en geen klein of groot, meer of minder aanzienlijk deel daarvan willen missen; even zoo als wij daar straks omtrent eerzuchtigen en verliefde gestellen besproken hebben.--Dat zegt gij goed.--Let nu eens op, of daarbij ook dit eene noodzakelijke eigenschap is van hen, die zóó zullen zijn, als wij zeiden.--Wat?--Afkeer van liegen, zoodat zij nooit vrijwillig een leugen toelaten, maar dien evenzeer verfoeijen als zij de waarheid liefhebben.--Waarschijnlijk.--Niet slechts waarschijnlijk, mijn vriend! maar volstrekt noodzakelijk is het, dat hij, die door zijn inborst ergens een liefhebber van is, alles wat daarmede zamenhangt en daarbij hoort insgelijks lief heeft.--Dat is waar.--En kunt gij nu iets vinden, dat meer bij de wijsheid hoort dan de waarheid?--Onmogelijk.--Kan dan hetzelfde karakter wijsgeerig en liefhebber van leugens wezen?--Onmogelijk.--Die dus in waarheid leergierig (wijsgeerig) is, moet terstond van zijne jeugd af aan alle wetenschap liefhebben.--Zekerlijk.--Nu weten wij immers, dat, zoo iemands neiging sterk naar eenigen kant overhelt zijne neiging voor andere dingen gewoonlijk zwakker is, daar zij als een stroom daarvan wordt afgeleid.--Ongetwijfeld.--Wiens neiging dus op de wetenschappen en wat daarmee zamenhangt gerigt is, die heeft, geloof ik, neiging voor het zuivere vermaak van den geest, maar zoo hij waarachtig, niet in schijn, wijsgeer is, heeft hij weinig verlangen naar het vermaak des ligchaams.--Dat kan niet anders.--Zoodanig iemand is dus ingetogen en niet geldzuchtig; want de redenen, waarom het geld gewoonlijk gezocht wordt, werken vrij wat meer op anderen dan op hem.--Dat is zoo.--Nu moet gij nog hierop letten, om te beoordeelen, of iemands karakter wijsgeerig is of niet.--Waarop?--Of er ook eenige bekrompenheid in verborgen is; want niets verhindert den geest meer om het algemeene in goddelijke en menschelijke dingen te vatten.--Dat is waar.--Die nu verheven van geest is, en met zijne gedachten den geheelen tijd en de geheele wezenheid kan vatten[110], gelooft gij, dat die het menschelijk leven voor iets groots kan houden?--Onmogelijk.--Zoodanig iemand zal dus ook den dood niet verschrikkelijk vinden.--Wel neen.--Eene vreesachtige en bekrompene ziel kan dus, naar het schijnt, geen deel hebben aan de waarachtige wijsbegeerte.--Ik vind van neen.--Maar kan nu een ingetogen en niet geldzuchtig, noch bekrompen, noch overmoedig, noch lafhartig mensch aanmatigend of onregtvaardig wezen?--Onmogelijk.--Wanneer gij dus weten wilt, of iemands geest wijsgeerig is of niet, moet gij reeds in zijne jeugd onderzoeken, of hij regtvaardig en zachtmoedig is, dan wel aanmatigend en woest.--Juist.--En gij zult, denk ik, ook dit niet over ’t hoofd zien.--Wat?--Of hij moeielijk of gemakkelijk leert. Of verwacht gij, dat iemand ooit wezenlijk genoeg zal vinden in hetgeen hij slechts met verdriet en moeite kan doen, en waarin hij zelfs dán nog weinig vordert?--Dat is onmogelijk.--En als iemand eens niets van hetgeen hij leerde kon vasthouden, maar alles vergat, zou hij dan niet ontbloot van kennis moeten wezen?--Natuurlijk.--En als hij op die wijze vruchtelooze moeite deed, zou hij dan niet eindelijk verdriet in zich zelven en in zijnen arbeid krijgen?--Voorzeker.--Dus moeten wij ook een vergeetachtige ziel niet als wijsgeerig beschouwen, maar liever zulk eene zoeken, die een goed geheugen heeft.--Ongetwijfeld.--En komen nu de gebreken eener onbeschaafde en slechte ziel niet grootendeels neêr op het te buitengaan van de juiste maat?--Ongetwijfeld.--En wat heeft meer verwantschap met de waarheid, het overtreden of het houden van die maat?--Het laatste. Dus moeten wij behalve het andere nog toezien, of een ziel maathoudend en ordelijk is, voor wij haar van nature geschikt voor het beschouwen van hetgeen waarlijk is kunnen noemen.--Dat spreekt.--En vindt gij nu niet, dat de door ons genoemde eigenschappen ieder voor zich noodig zijn en uit elkander volgen, in eene ziel, die behoorlijk en goed hetgeen wezenlijk is zal vatten?--Ja zeker.--En kunt gij nu zulk een bezigheid afkeuren, tot welke niemand bekwaam is, dan die van natuur een goed geheugen heeft, en leerzaam is, en onbekrompen, en liefderijk, en een vriend en aanhanger van waarheid, regtvaardigheid, moed en ingetogenheid?--Zoo iets zou zelfs ~Momus~ niet afkeuren.--En zijt gij nu niet voornemens alleen aan zulke menschen, nadat zij door opvoeding en ouderdom volledig gevormd zijn, den staat toe te vertrouwen?--

III. Hierop zeide ~Adimantus~: ~Socrates!~ niemand zou deze uwe woorden kunnen wêerleggen, maar toch gaat het meestal zóó met hen, die dergelijke redeneringen hooren. Zij meenen, dat zij, ten gevolge van hunne onbedrevenheid in het vragen en antwoorden, onder het redeneren bij iedere vraag een beetje van de wijs gebragt worden, tot dat door al die beetjes te zamen bij het einde der redenering eene groote dwaling en tegenstrijdigheid voor den dag komt; en dat, gelijk bij het schaakspel een onbedrevene door een goed speler eindelijk vast wordt gezet, evenzoo ook zij eindelijk vast raken, en door dit spelen niet met stukken maar met woorden, op het laatst zóóver gebragt worden, dat zij niets meer kunnen zeggen, hoewel zij toch eigenlijk de waarheid op hunne zijde hebben. Ik zeg dit bepaaldelijk op ons tegenwoordig onderwerp; want nu zou iemand kunnen zeggen, dat hij wel met woorden geen uwer redeneringen kan weêrleggen, maar inderdaad ziet, dat zij, die de wijsbegeerte niet slechts in hunne jeugd leeren om er zich door te beschaven, en ze naderhand te laten varen, maar die er zich langer meê bezig houden, meestal zonderling, om niet te zeggen slecht, worden; en dat zelfs de besten hunner ten gevolge van die door u zoo geprezen studie geheel onbruikbaar worden voor den staat.--Toen ik dit hoorde, zeide ik: houdt gij de menschen, die zóó spreken, voor leugenaars?--Ik weet het niet, zeide hij, maar ik zou gaarne uwe meening hooren.--Hoor dan, dat ik vind, dat zij de waarheid zeggen.--Maar hoe kunt gij dan nog beweren, dat de staten niet eerder van hunne ellende zullen verlost worden, voordat zij onder het bestuur komen der wijsgeeren, die wij erkennen, dat onbruikbaar voor dezelve zijn?--Gij doet mij daar eene vraag, die door eene gelijkenis moet beantwoord worden.--Gij pleegt toch anders niet in gelijkenissen te spreken.--

IV. Het zij zoo. Spot gij nu nog, na mij zulk een moeijelijk werk opgelegd te hebben? Hoor dan eens mijne gelijkenis, opdat gij nog meer moogt zien, welke naauwkeurige vergelijkingen ik maken kan. De toestand toch, waarin de beschaafdste menschen door hunne betrekking tot den staat komen, is zóó zonderling, dat geen ander wezen iets dergelijks ondervindt, en dat men om hen te verontschuldigen eene bonte gelijkenis moet zamenstellen, zoo als de schilders paardmenschen, en meer andere vreemde verbindingen schilderen. Stel u eens een eigenaar van één of meer schepen voor, die zelf meêvaart, en in grootte en sterkte al de schepelingen overtreft, maar half doof is en bijziende, en die weinig verstand van zeezaken heeft; terwijl de schepelingen met elkander twisten over het sturen, en ieder stuurman wil wezen, ook al heeft hij de stuurmanskunst nooit geleerd, en al kan hij geen leermeester noch leerjaren opgeven; terwijl zij daarenboven staande houden, dat daarbij geen onderwijs te pas komt, en bereid zijn hem, die dat beweert, van kant te maken, en steeds den eigenaar omringen en smeeken, en alle moeite doen, opdat hij hun het roer toevertrouwe; en soms, als zij hem niet kunnen overreden, maar dit aan anderen beter gelukt, die anderen dooden of over boord zetten, en dien goeden eigenaar met opium of wijn bedwelmen en dan het schip besturen, en den voorraad gebruiken en al drinkende en feestvierende voortvaren, zoo als dat van hen te verwachten was; en daarenboven ieder prijzen en een ervaren zeeman noemen, die hen kan helpen om den eigenaar te overreden of te dwingen, om hen het schip te laten besturen, maar hem, die dat niet doet, onbruikbaar noemen, en van een echt zeeman geen denkbeeld hebben, noch inzien, dat hij de jaargetijden, de uren, den hemel, de sterren, den wind, enz., moet waarnemen, om een goed schipper te zijn; en niet gelooven, dat men behalve het behandelen van het roer ook nog die dingen moet leeren en bestuderen, om zonder zich van zijn stuk te laten brengen het schip goed te besturen. Wanneer het zóó op de schepen toeging, gelooft gij niet, dat dan de ware stuurman door de bemanning dier schepen een overnatuurkundige, en zwetser, en onbruikbaar mensch zou genoemd worden?--Ongetwijfeld, zeide ~Adimantus~.--Nu is het, geloof ik, niet eens noodig die gelijkenis op de betrekking tusschen de staten en de waarachtige wijsgeeren toe te passen, maar gij begrijpt zeker wel, wat ik bedoel.--Volkomen.--Gij moet dan vooreerst hem, die zich verwondert, waarom de wijsgeeren in de staten niet geëerd worden, die gelijkenis eens meêdeelen, en hem aan zijn verstand brengen, dat het tegendeel veel verwonderlijker zijn zou.--Met vermaak.--En dat wij toestemmen, dat hij met regt beweert, dat de besten uit de wijsgeeren voor het volk onbruikbaar zijn. Zeg hem echter, dat hij dit aan hen, die ze niet gebruiken, niet aan de wijsgeeren zelve, moet wijten. Want het gaat toch niet aan, dat een stuurman de matrozen smeekt aan hem te gehoorzamen, of dat de wijzen de rijken achterna loopen, maar, die dat zegt, liegt; en de waarheid is, dat, als een rijke of een arme ziek wordt, hij den geneesheer moet naloopen, en evenzoo ieder, die noodig heeft bestuurd te worden, hem, die dat bestuur kan uitoefenen; maar dat een bestuurder van eenige waarde zijne minderen niet kan gaan smeeken zijn bestuur te erkennen. Ook zult gij niet mistasten, met de tegenwoordige staatsbestuurders bij die matrozen van daareven te vergelijken, en de door hen voor onbruikbaren en overnatuurkundigen uitgemaakten, bij de ware stuurlieden.--Juist.--En in zulk gezelschap kan de beste bemoeijing van de laatsten niet ligt geprezen worden door lieden, die het tegenovergestelde beoefenen: het meest echter komt de wijsbegeerte in een kwaden reuk door hare zoogenaamde beoefenaars, die door hare vijanden slecht worden genoemd, terwijl dezen de besten slechts onbruikbaar noemen; want zóó zeidet gij immers?--Ja.--

V. Wij hebben dus nu de reden gezien, waarom de beste wijsgeeren onbruikbaar zijn.--Ja.--Willen wij nu eens de oorzaak van de slechtheid der meesten zoeken, en pogen aan te toonen, als wij kunnen, dat de wijsbegeerte daaraan even weinig schuld heeft.--Gaarne.--Wij moeten ons dan het punt, waarvan wij uitgingen, nog eens herinneren, en nagaan, welken aanleg wij vorderden in hem, die in haar zal uitmunten. Vooreerst, zoo als gij u wel herinnert, vonden wij, dat hij volstrekt een najager van de waarheid moet wezen, zoo hij geen zwetser zijn zal, die geen deel heeft aan de waarachtige wijsbegeerte.--Dat hebben wij gezegd.--En is dit ééne niet vooral in strijd met hetgeen men tegenwoordig van hem gelooft?--Zekerlijk.--Zullen wij ons dan niet goed verdedigen, door te zeggen, dat de waarachtig leergierige (wijsgeerige) door aangeboren neiging streeft naar hetgeen wezenlijk is, en niet staan blijft bij de vele voorwerpen der meening, maar regelregt en onvermoeid de wezenheid van ieder ding naspoort, en niet eerder verzadigd wordt, voor hij die met het daarvoor geschikte geestvermogen bereikt heeft? En geschikt daarvoor is het vermogen, dat er mede verwant is, waarmede hij nadert tot het waarachtig zijnde, en zich er mede vermengt, en kennis en waarheid geteeld hebbende, die opneemt en opkweekt, en eerst daardoor zijn verlangen voldaan ziet.--Dat is eene beste verdediging.--En zal nu zoodanig iemand de leugen liefhebben, of integendeel haten?--Haten.--En als nu de waarheid voorgaat, dan is het, zou ik meenen, niet denkbaar, dat er eene reeks van kwade dingen zou volgen.--Dat kan niet.--Maar wel eene regtvaardige gezindheid, en ten gevolge daarvan ook ingetogenheid.--Voorzeker.--En wat moeten wij nu, volgens het reeds gezegde, verder uit de reeks van eigenschappen van den wijsgeerigen aanleg hierachter plaatsen? Gij herinnert u zeker nog wel, dat daarbij moed, onbekrompenheid, vlugheid in het leeren, en een goed geheugen bleken gevorderd te worden. En toen gij tegenwierpt, dat ieder wel het gezegde zal moeten toestemmen; maar dat hij, die niet op onze woorden, maar op de menschen, waarover wij spreken, lette, zeggen zou te zien, dat sommigen onbruikbaar, en de meesten slecht zijn, werden wij bij het onderzoek naar de oorzaak van dien kwaden dunk op de vraag gebragt, waarom de meesten slecht zijn, en daardoor werden wij genoopt, het vorige weer op nemen en den waarlijk wijsgeerigen aanleg nog eens te bepalen.--Zóó is het gegaan.--

VI. Nu moeten wij eens op het bederf letten, waarvan zulk een karakter bij de meesten het slagtoffer is, zoodat slechts weinigen, die dan niet slecht maar onbruikbaar heeten, gered worden; en vervolgens, welke karakters hetzelve en zijne bemoeijingen nabootsende, daardoor in niet passende en te zware bemoeijingen komen, en bij gevolg door velerlei misstappen de wijsbegeerte bij het algemeen in zulk eenen kwaden reuk brengen.--Welk bederf meent gij?--Ik zal het u, als ik kan, pogen aan te toonen. Ieder zal, geloof ik, wel toestemmen, dat zulk een karakter, hetwelk al de door ons in een wijsgeer gevorderde eigenschappen bezit, slechts zelden in enkele menschen voor den dag komt. Vindt gij dat ook niet?--Zekerlijk.--En zie nu eens hoe vele en groote gevaren die enkelen nog te verduren hebben.--Welke?--Het vreemdste van allen is dit, dat ieder dier goede eigenschappen de ziel, die haar bezit, bederft, en aan de wijsbegeerte onttrekt. Ik meen hier uitdrukkelijk den moed, de ingetogenheid en de andere, die wij genoemd hebben.--Dat klinkt vreemd.--Daarenboven, bederven alle zoogenoemde voorregten de ziel en trekken haar af, te weten schoonheid, en rijkdom, en ligchaamskracht, en magtige bloedverwanten in den staat, enz.; gij weet nu welke soort van dingen ik meen.--Ja, en ik zou gaarne hetgeen gij zegt wat naauwkeuriger hooren.--Houd het dan maar in zijn geheel vast, dan zal het u duidelijk worden, en het vroeger daarover gezegde zal u niet langer verwonderlijk voorkomen.--Hoe wilt gij dan nu?--Wij weten, dat alle zaden en spruiten, hetzij van planten hetzij van dieren, die niet naar hunnen aard voedsel, lucht en plaats deelachtig worden, naarmate zij krachtiger zijn, meer verbasteren; daar het kwade meer in strijd is met het goede dan met het niet goede.--Natuurlijk.--Daaruit laat zich, geloof ik, beredeneren, dat een zeer goede aanleg bij verkeerde opkweeking slechter wordt dan eene onbeduidende.--Dat is waar.--Maar, ~Adimantus~! moeten wij dan ook niet zeggen, dat de edelaardigste zielen bij slechte opvoeding het slechtste worden? Of gelooft gij, dat groote misdrijven en erge boosheid eerder uit een onbeduidend, dan uit een groot, maar door opvoeding bedorven karakter voortkomen, en dat een zwak karakter ooit oorzaak van groot goed of kwaad zal kunnen worden?--Wel neen.--Dus moet een karakter zoo als wij in den wijsgeer verlangen, wanneer het eene goede opleiding krijgt, tot alle deugd opgroeijen; maar, als het niet van den beginne behoorlijk wordt opgevoed, zonder goddelijken bijstand tot het tegenovergestelde komen. Of gelooft gij, zoo als de menigte, dat wel sommige jongelingen door sophisten bedorven worden, en dat er enkele sophisten zijn, die ze in den grond bederven, maar dat niet zij, die dit zeggen, de grootste sophisten zijn, die het volkomenst door hun onderwijs jongen en ouden, mannen en vrouwen zóó maken als zij ze hebben willen?--Hoe meent gij dat? zeide hij.--Wanneer velen te zamen in volksvergaderingen, of regtbanken, of schouwburgen, of legerplaatsen, of andere talrijke zamenkomsten vereenigd, met veel gedruisch sommige woorden en daden berispen, en andere even overdreven al schreeuwende en in de handen klappende goedkeuren, terwijl de rotsen en de plaats, waarin zij dat geraas maken, het geluid der afkeuringen en loftuitingen door weêrkaatsing verdubbelen; hoe gelooft gij, dat dan hierbij een jongeling gestemd is? Of meent gij, dat eenig bijzonder onderwijs, hetwelk hij ontvangen heeft, het daartegen kan uithouden, en niet door die loftuiting en afkeuring overstelpt, als door een stroom wordt medegesleept, zoodat hij hetzelfde als die menigte schoon en leelijk vindt, en zich op hetzelfde toelegt als zij, en dezelfde gezindheden aanneemt?--De kracht dier overredingsmiddelen is schier onweêrstaanbaar, ~Socrates~!--

VII. En nu hebben wij het krachtigste middel nog niet gevonden.--Wat?--Als die opvoeders en sophisten bij woorden daden voegen, en niet langer met overreding werken. Of weet gij niet, dat zij den onleerzamen met schande, boete en lijfstraffen tuchtigen?--Zekerlijk.--En welke andere sophist, of welke redeneringen van enkele menschen gelooft gij, dat zich hiertegen met vrucht kunnen verzetten?--Geene.--Dat geloof ik ook niet, en het is zelfs dwaasheid dit te beproeven; want nooit, mijn vriend! kan een menschelijk karakter zich ontwikkelen tot eenige deugd, die met deze opleiding in strijd is; een goddelijk karakter moeten wij, naar het spreekwoord, hiervan uitzonderen. Dit toch moet gij wel weten, dat, wanneer bij zulk eene staatsregeling een karakter behouden blijft en zich goed ontwikkelt, er met regt kan beweerd worden, dat het door een goddelijk wonder gered is.--Dat vind ik ook.--Dan zult gij zeker ook dit wel vinden.--Wat?--Dat ieder dier enkele loondienaars, welke zij sophisten noemen en als mededingers beschouwen, niets anders onderwijst, dan juist de gevoelens der bijeen vergaderde menigte, en dat hij daarin de wijsheid zoekt, even alsof hij de driften en begeerten van een groot en sterk dier bestudeerd had, en hoe men het moet naderen en aanpakken, en wanneer en waardoor het kwaad of zachtzinnig wordt, en door welke geluiden het dat te kennen geeft, en op welke geluiden van anderen het mak of wild wordt; en wanneer hij dan, dit alles door omgang en tijdsverloop geleerd hebbende, zich wijs noemde, en er een boek over schreef, en er les in ging geven; terwijl hij toch eigenlijk van al die gezindheden en begeerten niets wist, noch wat schoon of leelijk, goed of kwaad, regtvaardig of onregtvaardig is, maar dit alles naar het oordeel van dat groote dier benoemde, en dus wat hetzelve gaarne had goed heette, en wat het haatte kwaad, zonder daar iets meer van te weten, maar het noodzakelijke regtvaardig en schoon vindende, en den aard en het wezenlijk onderscheid van het noodzakelijke en het goede niet inziende, noch aan anderen kunnende leeren; bij ~Zeus~! zoudt gij zóó iemand niet een bespottelijk leermeester vinden?--Zonder twijfel.--En vindt gij nu hem iets beter, die de wijsheid stelt in de kennis van het gunstige of ongunstige oordeel der menigte omtrent schilderkunst, muzijk of staatkunde? Want wanneer iemand in het midden der menigte een dichtstuk of ander kunstwerk, of eenige werkzaamheid in ’t belang van den staat ten toon stelt, en daar de menigte over laat beslissen, vindt gij dan niet, dat hem daardoor de noodzakelijkheid wordt opgelegd, om, behalve hetgeen op zich zelf noodig is, alles te doen, wat zij goed vindt; en hebt gij wel ooit iemand hunner anders dan op eene bespottelijke wijs hooren beredeneren, dat dit in waarheid goed en schoon moet genoemd worden?--Ik zal het denkelijk ook wel nimmer hooren.--