De republiek van Plato

Part 19

Chapter 193,685 wordsPublic domain

VIII. Nu gij dit alles overwogen hebt, moet gij nog het volgende bedenken. Zal de menigte ooit van het schoone, enz., willen hooren en het bestaan daarvan erkennen?--Wel neen.--Dus, kan de menigte onmogelijk wijsgeerig zijn.--Onmogelijk.--En dus is het onvermijdelijk, dat de wijsgeeren door haar berispt worden.--Ja.--En evenzoo door die lieden, welke de menigte naloopen en vleijen.--Dat spreekt.--En ziet gij nu eenig redmiddel voor een wijsgeerig karakter, waardoor het niettegenstaande dit alles ten einde toe aan zijne roeping kan getrouw blijven? Herinner u het vorige nog eens. Wij hebben besproken, dat gemakkelijkheid in het leeren, een goed geheugen, moed en onbekrompenheid aan zulk een karakter eigen zijn.--Ja.--En zal nu zoodanig iemand[111] niet terstond in alles de eerste wezen, vooral wanneer zijn ligchaam met zijne ziel overeenstemt?--Dat kan niet anders.--Daarom zullen dan zijne betrekkingen en medeburgers hem, als hij ouder wordt, voor hunne zaken willen gebruiken.--Dat spreekt.--Zij zullen hem dus door nederige verzoeken, eerbewijzingen en vleijerijen pogen in te pakken, voordat hij magtig wordt.--Zoo pleegt het te gaan.--Wat denkt gij nu, dat zoodanig iemand onder zulke menschen doen zal, vooral wanneer hij in eene groote stad geboren en daarbij rijk en van goede huize en verder schoon en kloek van ligchaam is? Zal hij niet met bovenmatige hoop vervuld worden, en meenen in staat te zijn, om de zaken van Grieken en barbaren te regelen? En zal hij zich daarop niet verheffen, en vol worden van verwaandheid en ijdelen hoogmoed?--Zekerlijk.--En wanneer nu, terwijl het zóó met iemand staat, een ander bedaard naar hem toekomt, en zegt, zoo als het is; dat hij geen verstand heeft, maar daaraan groot gebrek lijdt, en dat dit niet te bekomen is, zoo men zich er niet met de borst op toelegt; gelooft gij dan, dat hij, in zulk een toestand zijnde, daar ligt naar hooren zal?--Wel neen.--Maar als hij nu door zijn goeden aanleg en de in hem sluimerende betere denkbeelden tot eenig nadenken komt, en eenigzins naar de wijsbegeerte wordt heengetrokken, wat zullen dan zij wel doen, die meenen daardoor zijne diensten en vriendschap te zullen missen? Zullen zij niet alles doen en zeggen, om te maken, dat hij zich niet laat overreden, en zullen zij den anderen, die hem overreden wil, niet door geheime tegenwerking en openbare beschuldiging daarin zoeken te verhinderen?--Ongetwijfeld.--En is er nu veel kans op, dat zoodanig iemand een wijsgeer wordt?--Niet bijzonder.--

IX. Ziet gij nu wel, hoe zeer wij gelijk hadden, toen wij beweerden, dat zelfs de bestanddeelen van het wijsgeerige karakter bij slechte opvoeding eenigermate de oorzaak zijn van het laten varen der wijsbegeerte; en dat de zoogenaamde goederen, als rijkdom, enz., daar mede schuld aan hebben?--Ja, of wij gelijk hadden.--Hierdoor, mijn vriend! worden dan de beste karakters, die toch buitendien zeldzaam zijn, nog meestal voor de beste bezigheid ongeschikt gemaakt en daarvan afgetrokken. En uit die mannen komen dan zij, die aan staten en enkele personen het meeste kwaad, of, als het zoo uitkomt, het meeste goed doen; maar een nietig karakter doet nimmer aan een staat, noch aan een enkel mensch groot kwaad of goed[112].--Dat is volkomen waar.--Wanneer nu zij, die er het best voor geschikt waren, op deze wijs er uitvallen, dan laten zij de wijsbegeerte alleen en onvoltooid en leiden zelve een hun niet passend of eigenlijk een ónleven; terwijl dan anderen, onwaardigen, haar, die van hare verwanten beroofd is, grijpen en onteeren en haar zulke beschimpingen berokkenen, als waarmede gij zegt, dat zij gewoonlijk wordt aangevallen, te weten: dat hare liefhebbers deels niets, deels groote straf waardig zijn.--Ja, zoo spreekt men er over.--En met regt. Andere menschjes toch, die streek onbezet ziende, maar vol schoonklinkende titels, gaan even als zij, die uit de boeijen naar de tempels vlugten, met blijdschap uit andere bezigheden naar de wijsbegeerte, zoo zij in hunne bezigheid zich eenigen naam verworven hebben. Want al staat het nog zoo slecht met de wijsbegeerte, zij heeft nog altijd boven andere bezigheden een deftigen naam, welke tot aanloksel dient voor menschen van gebrekkigen aanleg, wier geest en ligchaam door neêrdrukkenden arbeid is ontzenuwd en bedorven. Is dat niet onvermijdelijk?--Ja zeker.--En vindt gij nu niet, dat zij er uitzien als een kleine, kale slaaf, die zich pas voor geld heeft weten vrij te koopen, en nu, na zich gebaad en in een nieuw pak kleêren gestoken te hebben, als bruidegom voor den dag komt, om de dochter van zijnen verarmden meester te trouwen?--Zij hebben er veel van.--En welke kinderen zullen nu uit zulk een huwelijk gehoren worden? Immers zonder burgerregt[113], en zonder uitstekende hoedanigheden?--Natuurlijk.--En wanneer nu zij, die geen wetenschappelijke opleiding waard zijn, op eene onbetamelijke wijs tot de wijsbegeerte naderen, welke denkbeelden en meeningen moeten wij dan zeggen, dat zij zullen voortbrengen? Zullen die wel beter zijn dan drogredenen, zonder echte wetenschap en waarheid?--Wel neen.--

X. Dan blijven er al heel weinig over, ~Adimantus~! die zich naar behooren met de wijsbegeerte bezig houden, hetzij dat een edel en goed opgevoed karakter door staatkundige beroeringen in ballingschap gezonden, door gebrek aan personen, die het zoeken af te leiden, bij zijne natuurlijke neiging volhardt; hetzij dat een groote geest in eene kleine stad geboren den staatkundigen werkkring, die dáár voor hem openstaat, beneden zich vindt; misschien zal ook nog een klein hoopje van edelen van andere bezigheden, die hun niet langer voldoen, tot de wijsbegeerte overgaan. Ook een band zoo als die van onzen vriend ~Theages~ zou welligt sommigen kunnen terughouden. ~Theages~ toch is in alle andere opzigten juist iemand, om van de wijsbegeerte af te dwalen; maar de ziekelijkheid van zijn ligchaam belet hem zich met staatszaken te bemoeijen. Het goddelijke teeken echter, dat mij te beurt valt[114], kan hier niet in aanmerking komen; want daarvan zijn bij anderen zoo goed als geen voorbeelden. Deze weinigen nu, eens het genoegen en het geluk der wijsbegeerte geproefd hebbende, en tevens de dwaasheid der menigte ziende, en dat niemand, om zoo te spreken, gezonde begrippen van staatszaken heeft, en dat er niemand is, die hen, als zij de regtvaardigheid voorstonden, zou willen beschermen en helpen, maar dat zij als een mensch, die onder wilde beesten vervallen was, niet mede onregt willende doen, en alleen de woeste menigte niet kunnende tegenhouden, voordat zij den staat of hunne vrienden eenig voordeel konden aanbrengen, zonder nut voor zich zelven of anderen vergaan zouden; dit alles beredenerende en zich stil houdende en hun eigen zaken verrigtende, zijn zij even als iemand, die bij een wervelwind ergens schuilen kan, bijzonder tevreden, zoo zij, de onregtvaardige daden der anderen ziende, zelven vrij van onregt en goddeloosheid hun leven kunnen doorbrengen, en er eindelijk met goede hoop kalm en gelaten uit kunnen verscheiden.--Edoch, als zij dat kunnen, hebben zij althans iets, en wel niet het minste, bereikt.--Ja, maar het meeste toch ook niet, daar zij geene voor hen geschikte staatsregeling gevonden hebben, want in dat geval zouden zij zelven zich beter ontwikkelen en niet slechts hun eigen maar ook het algemeene heil bevorderen.

XI. Wij hebben dus, geloof ik, voldoende besproken, waarom de wijsbegeerte gescholden wordt, en dat dit onverdiend is; of gij moest er anders over denken.--Daarvan spreek ik in ’t geheel niet meer; maar welke der tegenwoordige staten vindt gij nu voor haar geschikt?--Volstrekt geene, maar ik klaag er juist over, dat geene tegenwoordig bestaande staatsregeling voor een wijsgeerig karakter geschikt is, en dat het daardoor verkeerd en bedorven wordt; en dat, gelijk een plant, die uit een vreemde luchtstreek is overgebragt, gewoonlijk langzamerhand verbastert en den aard der inheemsche planten moet aannemen, zoo ook zulk een karakter zich tegenwoordig niet naar zijnen aard kan ontwikkelen, maar tot vreemde zeden vervalt: doch, zoo het eens eene goede staatsregeling vindt, dan zal het blijken, dat het in waarheid goddelijk is, maar dat de andere karakters en bezigheden slechts menschelijk zijn. Nu zult gij zeker vragen, welke die staatsregeling is.--Dat was eigenlijk mijn plan niet, maar wel, of het deze is, welke wij bij het stichten van onzen staat besproken hebben, of eene andere.--In de andere opzigten deze; maar wij hebben toen reeds gezegd, dat er altijd iets in den staat moet wezen, dat steeds die begrippen van staatsregeling in stand houdt, volgens welke gij als wetgever de wetten gemaakt hebt[115].--Dat hebben wij.--Dit nu is echter niet genoeg verklaard, daar ik door uwe tegenwerpingen[116] bevreesd was geworden, dat de redenering lang en moeijelijk zou wezen; want het overige is ook niet bijzonder gemakkelijk.--Wat?--Hoe een staat de wijsbegeerte kan aanpakken, zonder die te bederven. Alles toch, wat hoog is, kan ligt wankelen, en het spreekwoord zegt: het schoone is moeijelijk.--Evenwel, moeten wij dit nog aantoonen om onze redenering ten einde te brengen.--Het zal mij niet aan den wil, maar misschien wel aan ’t vermogen haperen; mijne bereidwilligheid zult gij zelf kunnen beoordeelen. Zie maar eens, hoe bereidwillig en onverschrokken ik al dadelijk zeg, dat de staat dit werk geheel anders dan tegenwoordig geschiedt moet aanpakken.--Hoe zoo?--Tegenwoordig bemoeijen zij, die er nog het meest aan doen, zich er als knapen mede, in den tijd tusschen hunne kindsheid en de werkzaamheden van het huisbestier en geldwinnen; en laten haar loopen, als zij tot haar zwaarste deel, de redeneerkunde gekomen zijn; en als zij later zich nog soms laten overhalen om eens naar eene wijsgeerige voordragt te gaan luisteren, vinden zij zich al heel vlijtig, meenende dit als bijzaak te moeten behandelen; maar op enkele uitzonderingen na wordt hun ijver in den ouderdom nog meer uitgebluscht dan de zon van ~Heracliet~[117], daar hij nimmer weder ontstoken wordt.--Maar hoe moet het dan?--Juist integendeel moeten kinderen en knapen slechts zulk onderwijs bekomen, als voor hunnen leeftijd geschikt is, maar hun ligchaam moet, terwijl het in zijn groei is, zoo goed mogelijk verzorgd worden, opdat het een goed werktuig voor een wijsgeerigen geest worde; doch op meer gevorderden leeftijd, wanneer de geest volwassen wordt, moet hij ook meer worden ingespannen; en wanneer de kracht des ligchaams vermindert, en de mensch voor krijgsdienst en burgerlijke betrekkingen ongeschikt wordt, dan moeten zij, die gelukkig willen leven en hun leven met een gelukkig einde willen kroonen, zich geheel aan de wijsbegeerte toewijden en alle andere dingen slechts als bijwerk beschouwen.--

XII. Waarlijk, ~Socrates~! aan bereidwilligheid hapert het u niet, maar ik geloof toch, dat velen uwer toehoorders, met ~Thrasymachus~ voorop, nog bereidwilliger zijn om u tegen te spreken.--Maak nu geen twist, zeide ik, tusschen mij en ~Thrasymachus~, die nooit vijanden waren, en daareven zelfs vrienden zijn geworden. Want wij moeten zonder ophouden trachten hem en de anderen te overreden, of hen althans iets te laten winnen tegen het volgende leven, wanneer zij wederom geboren zijnde, over dergelijke dingen moeten redeneren.--Gij maakt, zou ik zeggen, plannen voor een kleinen tijd.--Och! voor zoo goed als geenen, in vergelijking met den geheelen tijd. Doch, om tot ons onderwerp terug te keeren, dat de menigte aan die woorden geen geloof slaat, is niet te verwonderen; want zij hebben nooit iets, als hetgeen wij nu zeggen, bijgewoond, maar veeleer woorden, die met voordacht in eene zekere overeenstemming met elkander gebragt waren, en niet, gelijk nu, naar het viel bijeenkwamen; doch van een man, die zoo veel mogelijk zijne woorden en werken in overeenstemming brengt met de deugd, en in eenen op diezelfde wijs ingerigten staat het bewind voert, hebben zij nooit een enkel voorbeeld gezien: denkt gij wel?--Wel neen.--En zij hebben ook nimmer wezenlijk goede en betamelijke redeneringen gehoord, waarin de waarheid op allerlei wijs, met inspanning, uit zuivere weetgierigheid gezocht wordt, en die zich verwijderd houden van sieraad en drogredenen, welke nergens anders naar streven dan naar het maken van vertooning in openbare twistgedingen en bijzondere bijeenkomsten.--Dat is zoo.--Dit nu vooruitziende, werd ik daareven bevreesd; maar zeide toch, door de waarheid gedwongen, dat geen staat, noch staatsregeling, noch enkel mensch volmaakt kan worden, voordat deze weinige wijsgeeren, die nu niet slecht maar onbruikbaar heeten, door de omstandigheden genoodzaakt, zich, of zij willen of niet, met de staatszaken bezig houden, en in staatsdienst treden, of dat bij de zonen der tegenwoordige magthebbers of bij dezen zelven door eene gunstige beschikking der voorzienigheid opregte liefde voor ware wijsbegeerte wordt opgewekt. En dat één van deze gevallen of beiden onmogelijk zou wezen, daarvoor zie ik volstrekt geen reden; anders zouden wij met regt om onze vrome wenschen worden uitgelagchen: vindt gij niet?--Zeker.--Zoo nu zij, die in de wijsbegeerte uitmunten, in vorige eeuwen misschien eens zijn gedwongen geworden om de staatszaken ter harte te nemen, of zoo dit tegenwoordig ergens in het buitenland, ver van ons verwijderd, plaats heeft, of in later tijd zal plaats hebben, dan zijn wij bereid staande te houden, dat dáár de gezegde staatsregeling geweest is, of tegenwoordig is, of zijn zal, zoodra die muze de magt in handen krijgt. Onmogelijk toch is hetgeen wij zeggen niet, al moeten wij zelven bekennen, dat het moeijelijk is.--Zoo denk ik er ook over.--En evenzeer zult gij zeggen, dat de menigte er zoo niet over denkt.--Ja.--Mijn beste! val die menschen zoo hard niet: zij zullen er anders over denken, zoo gij zonder bitsheid, kalm redenerende en den kwaden dunk omtrent de wijsbegeerte oplossende aantoont, wie gij wijsgeeren noemt, en, zoo als wij daareven deden, hunnen aard en hunne werkzaamheid bepaalt, opdat zij merken, dat gij niet dezelfden meent, die zij bedoelen. Of denkt gij niet, dat zij dit begrijpende van meening zullen veranderen en een ander antwoord zullen geven? Of gelooft gij, dat iemand, die vriendelijk en niet naijverig is, zonder reden boos of naijverig zal worden? Ik zal u maar vóór wezen, en zeggen, dat naar mijn inzien zulk een lastig karakter bij weinigen, en althans niet bij de menigte gevonden wordt.--Dat moet ik u toestemmen.--En dan stemt gij zeker ook dit toe, dat de haat der menigte tegen de wijsbegeerte aan hen te wijten is, die van buiten ongepast op haar indringen, en elkander beschimpen en vijandig behandelen, en altijd over menschen sprekende zich op eene wijze gedragen, die met de wijsbegeerte volstrekt niet strookt.--Zekerlijk.--

XIII. Iemand, die waarlijk zijn geest op hetgeen wezenlijk is gerigt heeft, ~Adimantus~! heeft dan ook geen tijd om naar beneden te zien, naar al de bemoeijingen der menschen, en met hen twistende zich met nijd en toorn te vervullen; maar op het onveranderlijke en steeds aan zich zelf gelijke ziende, en datgene beschouwende, wat geen onregt doet of lijdt maar volkomen geordend en geregeld is, zoekt hij dat na te volgen en zich er aan gelijk te maken. Of houdt gij het voor mogelijk, dat iemand hetgeen, waarmede hij gaarne omgaat, niet zou navolgen?--Wel neen.--En daar nu de wijsgeer met het goddelijke en ordelijke omgaat, wordt hij zelf zoo ordelijk en goddelijk als dit voor een mensch mogelijk is, hoezeer er bij allen veel te berispen blijft.--Juist.--En wanneer hij nu wordt genoodzaakt, hetgeen hij dáár ziet voortdurend in de zeden der enkele personen en der staten ingang te verschaffen, en niet alleen zich zelven te vormen, gelooft gij dat hij dan een slecht bewerker zal wezen van ingetogenheid, en regtvaardigheid, in ’t kort van burgerdeugd?--Zeker niet.--Maar als nu de menigte merkt, dat wij van hem de waarheid zeggen, zal zij dan nog boos zijn op de wijsgeeren, en ons geloof weigeren, als wij zeggen, dat een staat niet gelukkig kan worden, zoo niet die schilders hem teekenen, die het goddelijk voorbeeld navolgen?--Zij zal niet boos zijn, als zij dat merkt. Maar hoe moet dat teekenen plaats hebben?--Zij moeten dan den staat en de zeden der menschen als een paneel eerst schoon afvegen. En dit is niet gemakkelijk; maar gij weet nu, dat zij noch een enkel mensch, noch een staat zouden willen aanpakken of hun wetten voorschrijven, zoo zij niet alles schoon vonden of zelve schoon mogten maken.--Natuurlijk.--Zouden zij niet daarna de omtrekken der staatsregeling schetsen?--Ja.--En terwijl zij dat verder afwerkten, zouden zij, denk ik, veel zien én naar het van natuur regtvaardige, schoone, ingetogene, enz., én naar datzelfde voor zoo ver het onder de menschen bestaat; en die dan zamen verbindende en vermengende zouden zij hieruit de trekken ontleenen van het beeld des menschen, zich hierbij aan het goddelijke en godegelijkende, dat ~Homerus~ in sommige menschen prijst, herinnerende.--Dat is goed.--En zij zouden dan, denk ik, met uitwisschen en overschilderen voortgaan, totdat zij de zeden der menschen zoo veel mogelijk aangenaam aan de godheid gemaakt hadden.--Dat zou een heerlijk schilderstuk worden.--Zouden wij nu hen, die gij zeidet, dat woedend op ons zullen komen aanloopen[118], niet kunnen overreden, dat zóó toch wezenlijk de statenschilder zijn moet, aan wien zij niet wilden, dat wij den staat overgaven; en zouden zij, dit gehoord hebbende, niet wat handelbaarder worden?--Zeker; als zij wijs zijn.--Wat zouden zij dan ook nog kunnen betwijfelen? Of de wijsgeeren wel liefhebbers zijn van hetgeen waarlijk is, en van de waarheid?--Dat is al te gek.--Of dat hun karakter, hetwelk wij ontwikkeld hebben, verwant is aan het beste?--Ook dat niet.--Of dat zulk een karakter, als het de vereischte opleiding krijgt, zoo goed en wijsgeerig mogelijk zal wezen? Of zullen zij hun de voorkeur geven, die wij hebben uitgeworpen?--Waarlijk niet.--Zullen zij dan nog boos worden, als wij zeggen, dat, voordat het geslacht der wijsgeeren het bestuur in handen krijgt, noch voor den staat, noch voor de burgers een einde aan de rampen zal wezen, noch de staatsregeling, die wij nu beschrijven, zal verwerkelijkt worden?--Waarschijnlijk wel minder.--Laten wij dan maar zeggen, dat zij niet minder, maar volstrekt niet boos, en integendeel geheel overtuigd zijn; in de hoop, dat zij zich ten minste schamen ons nog langer tegen te spreken.--Best.--

XIV. Hen kunnen wij dus als overtuigd beschouwen, maar zal nu welligt iemand twijfelen, of het mogelijk is, dat kinderen van koningen of vorsten met een wijsgeerigen aanleg geboren worden?--Wel neen.--Dat dezen nu waarschijnlijk zullen bedorven worden, ziet ieder in, en wij stemmen zelve toe, dat hunne redding moeijelijk is; maar dat er in den geheelen tijd van die allen nooit iemand zou gered worden, is toch ook niet waarschijnlijk[119].--Wel neen.--Maar, één enkele, met een gehoorzaam volk, is genoeg om alles, waaraan nu getwijfeld wordt, tot stand te brengen.--Dat is waar.--Als de overheid de gezegde wetten en instellingen voorslaat, is het toch ook niet onmogelijk, dat de burgers ze willen uitvoeren.--Waarlijk niet.--En zou het ook zulk een wonder en zoo onmogelijk zijn, dat anderen evenzoo dachten als wij?--Dat vind ik niet.--En dat het, zoo het maar tot stand kan komen, het beste is, hebben wij, geloof ik, in het vorige voldoende bewezen.--Ja.--Dus volgt, dat ons plan van wetgeving het beste is, en wel moeijelijk is uit te voeren, maar niet onmogelijk.--Dat volgt.--

XV. Dit is dan eindelijk klaar, en nu ligt voor ons aan de beurt te bespreken, hoe en door welke studie en bezigheid de instandhouders onzer staatsregeling moeten gevormd worden, en op welken leeftijd zij met ieder vak moeten beginnen.--Juist. Dat moeten wij dan maar bespreken.--Ik heb er geen wil van gehad, zeide ik, toen ik die moeijelijke voorschriften omtrent de vrouwen, en de voortteling, en het aanstellen van overheden zocht over te slaan, wetende, dat zij, hoe waar ook, aan veel berispingen onderhevig en lastig uit te voeren zijn, want ik ben des niet te min genoodzaakt geworden ze te behandelen. En met de vrouwen en de kinderen zijn wij nu gereed, maar het vraagstuk der overheden moet nog van den grond af worden opgehaald. Wij hebben gezegd, als gij het u herinnert, dat zij bewijzen moeten geven van vaderlandsliefde, en beproefd moeten zijn in vermaak en smart, als die bij geen rampen, noch verschrikkingen, noch eenige andere lotwisseling hunne beginselen laten varen; en dat wij hen, die daartoe te zwak zijn, moeten afkeuren, maar hen, die als in het vuur beproefd goud overal standvastig blijven, tot overheden moeten aanstellen en levend en dood met geschenken vereeren[120]. Dit zeiden wij in het voorbij gaan en liepen er overheen, om het tegenwoordige vraagstuk niet aan te roeren.--Dat is waar, ik herinner het mij wel.--Ik had toen ook weinig lust, mijn vriend! om te zeggen, wat ik nu toch maar gewaagd heb; namelijk, dat volkomene wachters wijsgeeren moeten wezen.--Dat kunnen wij nu wel zeggen.--Bedenk dan nu eens, hoe weinig gij er hebben zult. Het karakter toch, dat wij in hen verlangen, wordt zelden in zijn geheel aangetroffen, maar meest bestaan deszelfs deelen ieder afzonderlijk.--Hoe zoo?--Vluggen in het leeren, sterken van geheugen en snellen van bevatting zijn zelden, tevens onverschrokken, grootmoedig, en geneigd om betamelijk, in rust en bestendigheid hun leven door te brengen, maar de zoodanigen worden door hunne vlugheid her en derwaarts gevoerd; en alle bestendigheid gaat uit hen verloren.--Dat is waar, zeide hij.--Die bestendige, niet ligt veranderlijke karakters daarentegen, op welke men zoo gerust kan vertrouwen, en die door de verschrikkingen van den oorlog niet ligt bewogen worden, zijn ook even onbeweeglijk in het leeren, en vorderen weinig en zijn als ’t ware verlamd, en worden slaperig en gaan gapen, wanneer zij zoo iets moeten uitvoeren[121].--Juist.--Maar wij zeiden, dat zij te gelijk vlugheid in het leeren en bestendigheid moesten hebben, of dat wij hun geen deel aan de hoogste wetenschap en aan eer en gezag geven moesten.--En met regt.--Zullen er dan niet weinig zijn?--Ja.--Wij moeten ze dan, zoo als toen gezegd is, in arbeid, en vrees, en vermaak beproeven, en daarenboven, wat toen is overgeslagen, in vele wetenschappen oefenen, om te zien, of zij ook voor de hoogste wetenschap geschikt zijn, dan of zij er bang voor worden, zoo als anderen voor gevaren.--Dat onderzoek bevalt mij, maar wat noemt gij de hoogste wetenschap?--