De republiek van Plato

Part 20

Chapter 203,942 wordsPublic domain

XVI. Misschien herinnert gij u nog, hoe wij de ziel in drie deelen verdeeld en de regtvaardigheid, de matigheid, den moed en de wijsheid bepaald hebben?--Als ik mij dat niet herinnerde, was ik waard het overige niet te hooren.--En weet gij ook nog hetgeen daar vóór gezegd is?--Wat?--Wij zeiden, dat, om deze zoo goed mogelijk te zien, een langere weg vereischt werd, aan wiens einde zij duidelijk in het oog zouden vallen; doch dat ook uit het gezegde reeds een bewijs kon afgeleid worden. En toen zeidet gij, dat dit voldoende was, en zoo is het toen naar mijn oordeel met te weinig naauwkeurigheid beredeneerd, maar of het u voldaan heeft, moet gij zelf zeggen.--Ik vond het genoeg, en de anderen vonden het ook.--Mijn vriend! in zulke dingen is niets genoeg, zoo lang er iets wezenlijks ontbreekt, want niets is genoeg wat onvolkomen is, hoezeer sommigen het wel eens genoeg vinden en het verdere zoeken onnoodig rekenen.--Dat gebeurt dikwijls uit gemakkelijkheid.--Edoch die oorzaak mag bij een wachter van den staat en der wetten geen invloed uitoefenen.--Daarin hebt gij gelijk.--Zulk een persoon, mijn vriend! moet dus den langeren weg gaan, en zich bij de studie niet minder inspannen dan bij de ligchaamsoefeningen, of hij zal nimmer in de hoogste en voortreffelijkste wetenschap, waarvan wij spreken, doordringen.--Maar is dit dan niet bet hoogste. Is er dan iets hoogers dan de regtvaardigheid en hetgeen wij verder behandeld hebben?--Ja, zeide ik; en van deze dingen zelven moet hij niet, zoo als nu, slechts eene schets aanschouwen, maar ze geheel en al afgewerkt zien. Of is het niet gek in andere dingen van weinig belang zijn uiterste best te doen, om ze zoo naauwkeurig en zuiver mogelijk te hebben, en in de hoogste dingen niet naar de hoogste naauwkeurigheid te streven?--Het is wel der moeite waard dit ter harte te nemen. Maar denkt gij, dat iemand u nu zal laten gaan, zonder u te vragen, wat toch die hoogste wetenschap is, en waarop zij betrekking heeft?--Wel neen, vraag gij het maar. Gij hebt het echter niet zelden gehoord, en gij denkt er slechts op het oogenblik niet aan, of gij zijt van zins mij door tegenspreken in het naauw te brengen. Ik geloof meer het laatste; want dat de idee van het goede de hoogste wetenschap is, hebt gij dikwijls gehoord, en ook dat het regtvaardige, enz., door haar bruikbaar en nuttig wordt. En nu weet gij wel, dat ik ga zeggen dat wij haar noodig hebben, en verder, dat wij haar niet volkomen kennen; maar dat zonder haar alle andere kennis even weinig waarde heeft, als het verkrijgen van eenig ding, aan hetwelk de eigenschap van goed te zijn gemist wordt. Of vindt gij, dat wij iets winnen met eenige bezitting, die niet goed is, te verwerven of met het verkrijgen van alle kennis, behalve die van het goede?--Wel neen, zeker niet.--

XVII. Nu weet gij immers wel, dat de menigte het vermaak, en de meer beschaafden de kennis voor het goede houden.--Wel zeker.--En dat zij, mijn vriend! die er zóó over denken, niet kunnen opgeven, welke kennis; maar dat zij eindelijk genoodzaakt worden te zeggen: de kennis van het goede.--Ja, en dat is al heel gek.--Of het gek is, zeide ik, want terwijl zij ons verwijten, dat wij het goede niet kennen, spreken zij er tegen ons toch weer zóó over, alsof wij het wel kenden; want zij bepalen het als de kennis van het goede, even alsof wij hen konden begrijpen, wanneer zij _van het goede_ zeggen[122].--Dat is zeer waar.--En zijn zij, die het vermaak voor het goede houden, wel in eene minder erge dwaling dan de anderen? Of moeten zij niet erkennen, dat er ook slecht vermaak is?--Wel zeker.--Daaruit volgt dan, dat zij goed en slecht voor hetzelfde houden, niet waar?--Ongetwijfeld.--Blijkt hieruit niet, dat er over dit punt veel te redeneren valt?--Zeker.--En blijkt het niet bovendien, dat velen wat schoon en regtvaardig schijnt, ook al is het zulks niet, toch willen doen en hebben en ten toon dragen; doch dat niemand tevreden is met het schijnbaar goede te hebben, maar allen zoeken wat wezenlijk goed is, en geen waardij aan den blooten schijn hechten?--Ongetwijfeld.--Maar zullen wij nu zeggen, dat ten opzigte van hetgeen alle menschen najagen en bij al hun doen beoogen, daar zij het voor iets werkelijks houden, doch welks aard zij niet kennen noch behoorlijk kunnen vatten, of zoo als andere dingen door een onwankelbaar geloof aannemen, waardoor zij dan ook in de andere dingen hun wezenlijk voordeel missen; dat ten opzigte van zulk eene belangrijke zaak ook de besten in den staat, aan wie wij alles toevertrouwen, even onwetend moeten wezen?--Wel neen, zeker niet.--Ik zou dan ook denken, dat het regtvaardige en schoone slecht zal bewaakt worden door een wachter, die niet weet in welk opzigt zij goed zijn; ja ik vermoed, dat zij zelfs door iemand, die dat niet weet, niet eens goed kunnen gekend worden.--Dat vermoeden beaam ik.--En zal onze staat niet geheel in orde zijn, als hij bestuurd wordt door een wachter, die daarmede bekend is?--

XVIII. Dat is natuurlijk. Maar, ~Socrates~! houdt gij het goede voor de kennis, of voor het vermaak, of voor iets anders?--Gij zijt er een! zeide ik. Al lang was het te merken, dat gij niet tevreden zoudt zijn met de meeningen der anderen te hooren.--Ik vind het dan ook niet billijk, ~Socrates~! als men zich zoo lang met die dingen bezig houdt, wel de meeningen van anderen te zeggen, maar de zijne niet.--Maar vindt gij het dan billijk, over dingen, die men niet weet, te spreken, alsof men ze weet?--Niet alsof men ze weet, maar alsof men daaromtrent eene meening heeft, en die meening wil zeggen.--Maar, gij hebt toch wel gemerkt, dat alle meeningen zonder kennis leelijk zijn; en de beste derzelve blind: of vindt gij eenig verschil tusschen blinden, die bij toeval den goeden weg opgaan, en hen, die eene ware meening hebben, zonder daar de reden van te weten?--Dat komt op hetzelfde neêr.--Wilt gij dan leelijke, en blinde, en kromme dingen beschouwen, terwijl gij van anderen heldere en schoone kunt hooren?--Bij ~Zeus~, ~Socrates~! zeide ~Glauco~, houd nu niet op, alsof gij aan het einde waart; want wij zullen tevreden zijn, wanneer gij het goede behandelt, zoo als gij de regtvaardigheid, de ingetogenheid, enz.; behandeld hebt.--Daarmede zal ik ook bijzonder tevreden zijn, mijn vriend! maar ik ben bang, dat ik er niet toe in staat zal wezen, en dat ik, door het toch te beproeven, een gek figuur zal maken. Maar, mijne vrienden! laat ons voor het oogenblik de vraag, wat het goede is, laten rusten; want ik geloof, dat om hetgeen er mij nu van voor den geest zweeft te bereiken, eene meer diepzinnige redenering dan onze tegenwoordige gevorderd wordt; maar den zigtbaren zoon van het goede, die er het meest op gelijkt, wil ik, zoo het u goeddunkt, zeggen; zoo niet, verzwijgen.--Zeg dien dan maar, naderhand zult gij er toch wel aan moeten gelooven, en ons den vader zeggen.--Ik zou willen, dat ik dien zeggen kon, en dat gij hem kondet vatten, en u niet tot de kinderen behoefdet te bepalen. Doch weest nu met dezen zoon van het goede tevreden. Past echter op, dat ik u niet tegen mijnen wil bedrieg, en u een onderschoven kind voorstel.--Wij zullen zoo veel mogelijk oppassen, zeg het maar.--Eerst moeten wij ons nog eens onderling verstaan, en ons geheugen te hulp roepen, omtrent hetgeen in het vorige en ook bij vele andere gelegenheden gezegd is.--Wat?--Wij zeggen, dat er vele schoone en vele goede dingen zijn, en evenzoo zeggen en bepalen wij ook al het andere.--Dat doen wij.--En aan den anderen kant stellen wij van die vele en schoone en goede dingen en evenzoo van al de andere, die wij eerst velen noemden, eene idée b. v. het schoone, het goede, enz., en noemen die het wezenlijke van elk van die vele dingen.--Dat is waar.--En wij zeggen, dat die vele dingen gezien, maar niet gedacht; de idéen daartegen gedacht, maar niet gezien worden.--Juist.--En welk vermogen hebben wij nu, om de zigtbare dingen te zien?--Het gezigt.--En zoo dient immers ook het gehoor voor de hoorbare dingen, en evenzoo de andere zintuigen voor al wat verder zinnelijk is?--Ja.--Hebt gij nu wel eens bedacht, hoe bijzonder voortreffelijk de maker der zintuigen het zintuig des gezigts heeft gemaakt?--Neen.--Bezie het dan eens aldus: Heeft het gehoor en het geluid nog een derde ding noodig om te hooren, en gehoord te worden, zonder welks bijkomen het eerste niet zal hooren, en het tweede niet gehoord worden?--Neen.--En zoo meen ik, dat ook vele, om nu niet te zeggen alle andere zintuigen, niets dergelijks noodig hebben. Of weet gij er één voorbeeld van?--Neen ik.--Maar merkt gij niet, dat het gezigt en het zigtbare wél zoo iets noodig hebben?--Hoe dat?--Wanneer de oogen het vermogen des gezigts hebben, en de menschen daarvan trachten gebruik te maken, en er kleuren voor hetzelve aanwezig zijn, dan weet gij, dat evenwel, zoo er niet nog een derde, dat bepaaldelijk daar voor is ingerigt, bij komt, het gezigt niets ziet en de kleuren onzigtbaar blijven.--Wat bedoelt gij daarmede?--Wat gij licht noemt.--Dat is waar.--Dus heeft de zintuig des gezigts het voorregt, dat het met de zigtbare dingen door een kostelijker band is vereenigd dan elk der andere zintuigen met zijn voorwerp; daar toch het licht niet te verachten is.--Neen waarlijk niet.--

XIX. Wien der hemelgoden noemt gij nu daarvan de oorzaak, en wiens licht gelooft gij, dat ons gezigt het best in staat stelt om te zien, en het zigtbare om gezien te worden.--Ik denk hier aan denzelfden als gij en alle anderen, want gij meent natuurlijk de zon.--En staat nu het gezigt tot dien God in deze verhouding?--In welke?--De zon is zelve geen gezigt noch hetgeen, waarin het gezigt huisvest, namelijk het oog.--Neen.--Maar dit heeft de grootste gelijkheid van alle zintuigen met de zon.--Zeker.--En deszelfs vermogen heeft het als ’t ware door uitstrooming uit de zon gekregen.--Juist.--Dus is de zon wel zelve geen gezigt, maar is daarvan de oorzaak, en wordt er ook door gezien.--Juist.--Dit is nu de zoon van het goede, dien ik bedoelde, wien het goede als zijn afbeeldsel heeft voortgebragt, zoodat deze in de zigtbare wereld tot het gezigt en de zigtbare dingen dezelfde verhouding heeft als het goede zelf in de denkbare wereld tot het denken en de gedachten.--Hoe meent gij dat, zeg het nog eens.--Gij weet, dat de oogen, wanneer men ze niet naar die dingen keert, welke door het licht van den dag bestraald worden, maar naar nachtelijke schijnsels, stomp worden en haast blind zijn, even als of zij het vermogen om te zien misten.--Ja.--Maar wanneer zij naar dingen gekeerd worden, die door de zon verlicht zijn, dan zien zij duidelijk, en dan blijkt het, dat diezelfde oogen heel goed zien kunnen.--Natuurlijk.--Let eens evenzoo op de ziel. Wanneer zij zich vestigt op dingen, die door de waarheid en het wezenlijk zijnde beschenen worden, dan denkt zij die, en kent ze, en blijkt denkvermogen te hebben; maar, wanneer zij zich vestigt op het met duisternis vermengde, hetgeen ontstaat en vergaat, dan meent zij slechts, en is stomp en verandert telkens van meening, en het schijnt als had zij het kenvermogen niet.--Dat is zoo.--Zeg dan nu, dat hetgeen aan het gekende de waarheid en aan den kennenden het vermogen om te kennen verschaft, de idée van het goede is, welke de kennis en de waarheid, die door het kenvermogen gekend wordt, veroorzaakt; en als gij, terwijl kennis en waarheid al zoo heel schoon zijn, haar voor nog schooner houdt, zult gij weldoen; en even als het juist is, het licht en het gezigt wel als met de zon verwant, maar niet als de zon zelve te beschouwen, zoo moet gij ook de kennis en de waarheid wel beide met het goede verwant noemen, maar niet het goede zelf, daar gij dit nog vrij wat hooger moet stellen.--Dat moet al heel schoon zijn, zoo het wel kennis en waarheid aanbrengt, maar zelf in schoonheid daarboven uitmunt; want gij meent nu zeker het vermaak niet.--Pas op uwe woorden! zeide ik; maar beschouw zijne natuur liever aldus.--Hoe?--Gij zult, geloof ik, zeggen, dat de zon niet alleen het zigtbare in staat stelt om gezien te worden, maar ook geboorte, wasdom en voedsel verschaft, zonder zelve geboorte, enz. te wezen.--Juist.--Evenzoo moet gij zeggen, dat het kenbare door het goede niet slechts kenbaar gemaakt wordt, maar ook bestaat en daardoor aan het zijn deel heeft, zonder dat het goede het zijn is, maar terwijl het daar nog vóór en boven gaat[123].

XX. Toen riep ~Glauco~, zich vrolijk makende: Bij ~Apollo~! dat is wel een overtreffende trap.--Alles is uwe schuld, zeide ik, daar gij mij gedwongen hebt mijne meening te zeggen.--Houd daar niet mede op voordat althans de gelijkenis van de zon is afgehandeld; zoo gij ten minste nog meer over hebt.--Ik heb nog veel over.--Houd daarvan toch niets achter.--Ik ben integendeel voornemens, veel achter te houden; maar zal u toch zoo veel zoeken mede te deelen, als op het oogenblik mogelijk is.--Dat is goed.--Houd dan nu het goede en de zon voor twee verschillende dingen, waarvan het ééne de denkbare, het andere de zigtbare wereld regeert. (Het woord _hemel_ vermijd ik hier met voordacht, om niet in verdenking van spelen met woorden te komen.) Gij hebt dus hier twee soorten van dingen, de zigtbare, en de denkbare.--Ja.--Doe nu als of gij eene lijn in tweeën gedeeld hadt, en deel nog eens ieder stuk, dat van het zigtbare, en dat van het denkbare, in tweeën, dan hebt gij aan weerskanten twee in duidelijkheid van elkaar verschillende stukken, namelijk, in het zigtbare vooreerst de beelden. Ik bedoel met beelden onder anderen de schaduwen, verder de schijnsels in het water en op effene, gladde en blinkende oppervlakten, enz., begrijpt gij?--Ja.--Stel nu als het andere stuk de levende wezens en alle planten en voortbrengselen van kunst, enz.--Goed.--Zoudt gij nu niet willen toestemmen, dat hier ten aanzien van de waarheid hetzelfde verschil tusschen het afgebeelde en het afbeeldsel bestaat, als tusschen de voorwerpen der meening en die der kennis?--Ongetwijfeld.--Let nu ook eens op, hoe het stuk van het denkbare moet doorgesneden worden.--Hoe dan?--Om het ééne deel daarvan te vinden, moet de ziel de daareven genoemde dingen als beelden gebruiken en uit onderstellingen zich niet naar den grond, maar naar het op dezelve gebouwde begeven; en om het andere deel te vinden uit onderstellingen naar den eersten grond, zonder behulp van beelden maar alleen langs zuivere begrippen voortgaande.--Wat gij daar zegt, begrijp ik niet goed.--Het zal straks wel beter gaan, wanneer gij er dit nog bij gehoord hebt. Want gij weet, geloof ik, wel, dat de beoefenaars der meetkunst, rekenkunst, enz., bij iedere redenering axioma’s en bepalingen ten grondslag leggen, en die als zeker stellende, zonder het noodig te keuren daarvoor een bewijs te leveren, dewijl zij voor ieder klaarblijkelijk zijn, daarvan bij het bewijzen van het overige uitgaan, en zóó tot het punt komen, hetwelk zij zich voorgenomen hadden te beredeneren.--Dat weet ik heel goed.--En dat zij de zigtbare figuren tot hulpmiddelen bij hunne redeneringen bezigen, zonder bepaaldelijk die figuren te bedoelen, maar wel hetgeen zij voorstellen, b. v. het vierkant, en zijne hoekpuntslijnen in het algemeen, niet juist die, welke zij trekken; en dat zij evenzoo de andere door hen geteekende figuren, die ook zelve in schaduwen of in het water kunnen afgebeeld worden, slechts als beelden gebruiken, maar eigenlijk die begrippen zelve pogen te zien, die slechts voor den geest zigtbaar zijn.--Dat is waar.--

XXI. Dit is nu het deel der denkbare wereld, waarvan ik zeide, dat de ziel om het te vinden zich uit onderstellingen niet naar den grond moet begeven, daar zij niet dieper dan die onderstellingen kan indringen, maar wel met behulp van de zigtbare figuren en hunne afbeeldsels als van algemeen begrepene en erkende dingen, naar de daardoor afgebeelde begrippen.--Nu vat ik, dat gij de voorwerpen der meetkunst en hare zusterwetenschappen bedoelt.--Vat dan nu ook, dat ik met het andere deel der denkbare wereld datgene meen, hetwelk de geest door de rede vat, daarbij de onderstellingen niet als grond, maar bloot als onderstellingen en hulpmiddelen bezigende, om tot den op geen onderstellingen meer rustenden eersten grond door te dringen, en dien gevat hebbende, hetgeen daarop gebouwd is te onderzoeken, zonder behulp van zinnelijke dingen, maar slechts langs begrippen tot begrippen voortgaande.--Nu vat ik het, hoewel niet volkomen, want gij spreekt daar, dunkt mij, van een geweldigen arbeid; maar gij bedoelt, geloof ik, dat hetgeen door de rede met behulp der redeneerkunde van het zijnde en het denkbare gekend wordt, klaarblijkelijker is dan de voorwerpen dier zoogenaamde wetenschappen, die op onderstellingen gebouwd zijn, en wier beoefenaars ze wel met den geest en niet met de zintuigen moeten beschouwen; maar toch, dewijl zij niet tot den grond doordringen en slechts van onderstellingen uitgaan, geen waarachtige kennis schijnen te hebben, al zijn hunne onderwerpen daar vatbaar voor, als zij in verband met den eersten grond beschouwd worden. Gij oordeelt dus, geloof ik, dat de kennis der meetkunstenaars, enz., wel verstandskennis maar geen redekennis kan genoemd worden, daar de verstandskennis tusschen de meening en de redekennis in ligt.--Dat hebt gij zeer goed opgevat. Stel dan nu bij die vier deelen deze vier vermogens der ziel: bij het voornaamste de redekennis, bij het tweede de verstandskennis, bij het derde het geloof, en bij het vierde het vermoeden, en neem daarbij dezelfde verhouding in acht, zoodat, gelijk die deelen aan de waarheid deelachtig zijn, ook deze vermogens aan het inzigt in dezelve deel hebben.--Dat begrijp ik, en stem het toe, en stel het, zoo als gij zegt.

Voetnoten

[110] ~Plato~ spreekt van den geheelen tijd en de geheele wezenheid, als wij van den oneindigen tijd en de oneindige wezenheid spreken zouden. Hij vat dus het begrip van de stellige, niet van de ontkennende zijde.

Opdat nu niemand zich aan dit vatten van het oneindige stoote, zal ik hier twee plaatsen uit de _Eerste gronden der Meetkunst, door_ ~J. de Gelder~ overnemen. Op blz. 43 zegt hij: «Een hoek is eene onbepaalde platte vlakte, die aan twee kanten, door twee zamenkomende en tot in het oneindige voortloopende lijnen bepaald of begrensd, maar, aan den tegenovergestelden kant van het hoekpunt, onbegrensd is. Men heeft geene oneindig groote stukken papier: men kan ook geene regte lijnen tot in het oneindige verlengen; _maar men kan dezelve denken_.» En blz. 93, «Met dit verklaarde [over de onmeetbare uitgebreidheden] strijdt geenszins ons onvermogen, een regte lijn, b. v. tot in het oneindige te verdeelen; want wij kunnen dit laatste niet om twee redenen: 1^o. omdat weldra de uitgebreidheden zoo klein worden, dat onze zintuigen dezelve niet meer kunnen onderscheiden; 2^o. omdat wij buiten dien hinderpaal toch met het verdeelen niet tot in het oneindige zouden kunnen voortgaan: _van de mogelijkheid, en wezenlijkheid van het bestaan der onderling onmeetbare uitgebreidheden overtuigt ons de rede, zonder dat het in onze magt staat, dezelve in eene figuur of constructie aanschouwelijk te maken_.» Zie ook ~Ahrens~, _Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde_, II. 127, 128.

[111] Dit volgende is als ’t ware het afbeeldsel van ~Alcibiades~. Zie ~Xenophon~, _Gedenkwaardigheden van Socrates_, uit het Grieksch vertaald, door Prof. ~J. ten Brink~, Boek I. Hoofdst. II.

[112] Toen ~Themistocles~ nog een knaap was, zeide zijn leermeester tot hem: jonge! gij wordt zeker een uitstekend held of een groot deugniet.

[113] In Athene had volgens de wet niemand het burgerregt, wiens beide ouders geen burgers waren.

[114] ~Xenophon~, _Gedenkwaardigheden van Socrates_, Boek 1. Hoofdst. I. 4. en IV. 14. Boek IV. Hoofdst. VIII.

[115] Zie Boek III. Hoofdst. XIX. XX.

[116] Zie Boek IV. Hoofdst. I.

[117] ~Heracliet~ hield het vuur voor het grondelement, waaruit alles ontstaat, en geloofde, dat alles periodiek uit het vuur ontstaat en weer tot dat vuur terugkeert. Zie _Handboek voor de Philosophie, ten gebruike voor Gymnasien en andere voorbereidende scholen. Naar het Hoogduitsch, van_ ~F. H. J. Albrecht~, blz. 131. Mijne inleiding voor den _Theaetetus_ blz. 7.

[118] Zie Boek V. Hoofdst. XVIII.

[119] Zie mijne inleiding op den _Phaedo_, blz. 5.

[120] Zie Bock III. Hoofdst. XX.

[121] Zie _Theaetetus_, Hoofdst. II.

[122] Zie _Handboek voor de Philosophie_, van ~Albrecht~ blz. 56-89. ~Nieuwenhuis~, _Quaestiones Logicae_ p. 80-82.

[123] Zie _Opklimmend deel der Wijsbegeerte_. blz. 87. a. 2.

ZEVENDE BOEK.

I. Nu zal ik u zeggen, waarmede gij onzen toestand, voor zoo ver wij niet of wel door goed onderwijs beschaafd zijn, moet vergelijken. Stel u menschen voor, die in een onderaardsch hol wonen, dat eene opening naar boven heeft langs zijn geheele breedte; en die van jongs af aan de beenen en den hals geboeid waren, zoo dat zij steeds alleen vooruit konden zien, en door die boeijen verhinderd werden hun hoofd om te draaijen; en dat er een vuur in de hoogte achter hunne ruggen brandt; en dat er tusschen dat vuur en die gevangenen een pad is en daar langs een muur, zoo hoog als de beschotten, waarachter zich de marionettenspelers verschuilen, wanneer zij hunne poppen laten bewegen.--Ik stel het mij voor.--Verbeeld u nu verder, dat er langs dien muur menschen gaan, die vaten en beeldwerk van allerlei maaksel op hun hoofd dragen, zoodat het boven dien muur uitkomt, en die natuurlijk somwijlen in het voorbijgaan spreken en somwijlen zwijgen.--Die gelijkenis en die gevangenis vind ik al heel zonderling.--Het is ons beeld, zeide ik; want, vooreerst: gelooft gij, dat zulke menschen van zich zelven en anderen wel meer zouden gezien hebben dan hunne schaduwen, die door het vuur op de tegenovergestelde zijde van het hol geworpen worden?--Wanneer zij hun leven lang hun hoofd onbewegelijk hebben moeten houden, zeker niet.--En evenmin van hetgeen voorbij wordt gedragen?--Dat spreekt.--Als zij nu met elkander konden spreken, gelooft gij dan niet, dat zij zich zouden aanwennen aan hetgeen zij zagen voorbijgaan namen te geven?--Natuurlijk.--En als nu die gevangenis eene echo had, die van de zijde tegenover den ingang kwam, en iemand, die voorbijging, sprak, gelooft gij, dat zij dan dat geluid aan iets anders dan aan de voorbijgaande schaduw zouden toeschrijven?--Wel neen.--En in ’t algemeen, zouden zij in dien toestand niets dan die schaduwen van de voorbijgedragen dingen voor werkelijk houden.--Dat is onvermijdelijk.--Let dan nu eens op, hoe het hun gaan zou, wanneer zij konden losgemaakt en van hunne dwaling genezen worden. Wanneer een hunner werd losgemaakt en op eens gedwongen op te staan, en zijn nek om te draaijen en voort te gaan, en het licht aan te kijken, en door dat alles pijn leed, en door het schelle licht die dingen niet zien kon, waarvan hij te voren de schaduwen zag; wat zou hij dan wel zeggen, zoo iemand tot hem zeide, dat hij te voren slechts schijnbeelden gezien had, maar nu nader bij de waarheid was en meer wezenlijke dingen aanschouwde en beter zien kon, en zoo men hem het voorbijgedragene wees, en hem vroeg, wat dat was? Denkt gij niet, dat hij er weinig van maken zou en het vroegere voor meer waar zou houden, dan hetgeen men hem nu liet zien?--Zeer zeker.--