De republiek van Plato

Part 21

Chapter 213,422 wordsPublic domain

II. En zoo men hem dwong naar het licht zelf te kijken, zou hij dan geen pijn aan de oogen hebben en ze zoeken af te wenden naar datgene, wat hij kon aanzien, en meenen, dat dit inderdaad duidelijker was?--Zekerlijk.--En als men hem dan met geweld van zijne plaats tegen den ruwen en steilen opgang optrok, en niet losliet, voordat hij naar buiten in het zonnelicht getrokken was; zou hij dan geen smart lijden en zich boos maken, en wanneer hij in het daglicht gekomen was geheel verblind worden, zoodat hij volstrekt niets zien kon van hetgeen tegenwoordig als wezenlijk bestaand wordt aangemerkt?--Als het zoo op eens ging, zekerlijk.--Hij zou er, denk ik, van lieverlede aan moeten gewennen, als hij hetgeen boven op de aarde is ooit zou leeren zien.--In het eerst zou hij het gemakkelijkst de schaduwen kunnen beschouwen, en daarna de beelden van menschen en andere dingen in het water, en eindelijk de dingen zelve. Vervolgens zou hij van de hemelsche dingen het nachtelijke licht van de sterren en de maan met meer gemak kunnen aanzien dan over dag de zon en haar licht.--Natuurlijk.--Het laatste van allen, geloof ik, zou hij de zon niet in haar schijnsel in het water of elders, maar regelregt de zon zelve kunnen aankijken, en zien hoe zij er uitziet.--Dat spreekt.--Hierop zou hij over haar gaan nadenken en tot het besluit komen, dat zij de jaargetijden en de jaren daarstelt en al het zigtbare bestuurt, en ook eenigermate van alles, wat hij dáár beneden gezien had, de oorzaak was.--Het is natuurlijk, dat hij eerst van lieverlede hierop komen zou.--En als hij zich nu aan zijne eerste woning, en hetgeen dáár wijsheid was, en aan zijne medegevangenen herinnerde; gelooft gij niet, dat hij dan zich zelven om die verandering gelukkig zou noemen, en hen zou beklagen?--Wel zeker.--En als er nu bij hen eenige eer of loftuiting en belooning was voor hem, die hetgeen voorbijging het scherpst zien kon, en zich het best herinnerde, wat daarvan gewoonlijk vroeger, en wat later, en wat te gelijk voorbijkwam, en daaruit het best kon voorzeggen, wat er komen zou; gelooft gij, dat hij dan daarnaar zou verlangen en hen, die daar beneden vereerd en geprezen werden, zou benijden; of dat hij, zoo als ~Homerus~ zegt, liever boven op aarde de knecht van een arm man zou willen zijn, en liever alles dulden dan zich weer met die gissingen bezig te houden en op zulk eene wijze te leven?--Ik geloof, dat hij liever alles zou dulden dan zóó te leven.--Bedenk nu nog eens dit. Wanneer hij nu weder naar beneden ging en op dezelfde plaats ging zitten, zouden zijne oogen dan niet door de duisternis verblind worden, daar hij zoo pas uit het licht kwam?--Zeer zeker.--En als hij nu in het raden naar die schaduwen weder met hen, die steeds geboeid waren gebleven, moest wedijveren, voordat zijne oogen aan dat schemerlicht gewend waren, en hij er niet heel spoedig aan gewennen kon; zou hij dan niet worden uitgelagchen, en zou men niet van hem zeggen, dat zijne oogen door dat naar boven gaan bedorven waren, en dat het niet der moeite waard was eene poging te doen, om ook naar boven te komen? En zouden zij iemand, die hen wilde losmaken en naar boven brengen, niet, als zij hem maar in hunne handen konden krijgen, van kant zoeken te maken?--Ongetwijfeld.--

III. Deze gelijkenis nu, mijn beste ~Glauco~! moet in haar geheel op het vroeger gezegde worden toegepast. Onze woonplaats op de zigtbare wereld moet gij met die woning in de gevangenis vergelijken, en het licht van de zon met het schijnsel van het vuur daar binnen; en wanneer gij nu dat opklimmen naar boven en dat beschouwen van hetgeen op de aarde is, als een beeld neemt van het opklimmen der ziel in de denkbare wereld, zult gij mijne geliefkoosde meening, die gij immers hooren wildet, geraden hebben. Of zij waar is, weet God; maar ik voor mij ben van oordeel, dat in de denkbare wereld de idee van het goede de grond van alles is, en dat het moeijelijk is haar te vatten; maar dat, als men haar gevat heeft, daaruit het besluit moet volgen, dat zij overal van al het schoone en goede de oorzaak is, daar zij in de zigtbare wereld het licht en deszelfs bron heeft voortgebragt, en in de denkbare wereld de grond is van waarheid en kennis, en derhalve door ieder, die in bijzondere of algemeene zaken redelijk zal handelen, moet gekend worden.--Zoo ver als ik het volgen kan, ben ik het met u eens.--Dan zult gij het zeker ook hierin wel met mij eens zijn, en u niet verwonderen, dat zij, die dáár zijn gekomen, de menschelijke zaken niet meer willen behartigen, maar dat hunne zielen voortdurend haken om boven te vertoeven; want als onze gelijkenis juist is, kan dit niet anders.--Neen waarlijk niet.--En vindt gij er dan ook wel iets verwonderlijks in, wanneer iemand, van zulke goddelijke bespiegelingen naar de menschelijke ellende afdalende, een dwaas figuur maakt en aan bespotting ten doel staat, als hij, terwijl zijn gezigt nog verblind en aan die duisternis nog niet gewoon is, gedwongen wordt voor de regtbank of elders over de schaduwen en beelden der regtvaardigheid te twisten, en te kibbelen over de wijze, waarop zij door menschen worden opgevat, die de regtvaardigheid zelve nimmer gezien hebben[124]?--Wel neen.--Een verstandig mensch zou dan ook bedenken, dat tweeërlei oorzaken de oogen kunnen verblinden, namelijk de overgang uit het licht in de duisternis, en die uit de duisternis in het licht; en oordeelende, dat hetzelfde ook met de ziel plaats heeft, zou hij eene ziel, die in de war was en niet best zien kon, niet onberedeneerd uitlagchen, maar nagaan, of zij, uit een helderder plaats gekomen zijnde, door ongewoonte niet zien kon, dan wel, of zij in helderder licht, dan waarin zij geweest was, overgebragt zijnde, door den meerderen glans verblind werd; en dan zou hij de eerste gelukkig noemen, en de tweede beklagen, en als hij deze nog uitlachte, zou hij daaraan althans minder dwaas doen dan indien hij gene uitlachte, die uit een helderder licht gekomen was.--Daarin hebt gij gelijk.--

IV. Als dit nu waar is, moeten wij hieruit het gevolg afleiden, dat het onderwijs niet zoodanig is als de meeste onderwijzers zeggen. Want zij zeggen, dat zij de kennis, die niet in de ziel is, daarin brengen, even alsof zij in blinde oogen het vermogen om te zien bragten.--Dat zeggen zij.--Onze tegenwoordige redenering echter brengt aan het licht, dat het vermogen en het zintuig der kennis in ieders ziel wordt gevonden, en dat bij gevolg, even als wanneer iemand zijn oog slechts met zijn geheele ligchaam van de duisternis naar het licht kon keeren, hij evenzoo met de geheele ziel van het ontstaan en vergaan moet worden afgewend en voorzigtig omgedraaid, tot dat zijn zielsoog het aanschouwen van het wezenlijk zijnde, ja van deszelfs helderste deel, kan uithouden; en dit laatste noemen wij het goede, niet waar?--Ja.--Dus bestaat de kunst van het onderwijs in het zoo gemakkelijk en volkomen mogelijk omwenden van de ziel, niet in het inbrengen van het gezigt, daar dit er wel is, maar slechts naar eene verkeerde zijde is heengewend[125].--Dat schijnt zoo.--De andere zoogenaamde deugden der ziel nu schijnen met die des ligchaams veel overeenkomst te hebben, en er in waarheid eerst niet in te zijn, maar er later door gewoonte en oefening ingebragt te worden; doch het kenvermogen is, naar het schijnt, van veel goddelijker aard, daar het nooit zijne kracht verliest, maar door de omwending bruikbaar en nuttig of onbruikbaar en schadelijk wordt. Of hebt gij nooit opgemerkt, hoe scherp en snel het zieltje van zulke personen, die men zegt dat slecht en wijs te gelijk zijn, die dingen doorzien kan, naar welke het zich gekeerd heeft; daar het niet slecht van gezigt is, maar zich in de dienst van het kwaad begeven heeft, en dus te meer kwaad doet naarmate het scherper ziet?--Wel zeker heb ik.--En wanneer nu zulk eene ziel van jongs af werd besnoeid en van de ruigte gezuiverd, die er door smulpartijen en ander vermaak aan vastgroeit en haar gezigt naar beneden trekt, en daarvan verlost zijnde naar de waarheid gekeerd werd; dan zou zij ook deze met dezelfde vlugheid doorzien, als de dingen, naar welke zij tegenwoordig is heengewend.--Waarschijnlijk.--En is het nu ook niet waarschijnlijk, ja volgens het besprokene noodzakelijk, dat noch onbeschaafde en met de waarheid onbekende menschen een staat ooit goed kunnen besturen, noch zij, die hun leven lang zich met de waarheid mogen bezig houden; daar gene in hun leven geen rigtsnoer hebben om al hunne openbare en bijzondere bemoeijingen naar te regelen, en deze zich aan alle bemoeijingen onttrekken, daar zij meenen reeds bij hun leven naar de gelukkige eilanden verhuisd te zijn?--Dat is waar.--Dus is het onze taak onze burgers van den besten aanleg tot de voortreffelijkste wetenschap, de kennis van het goede te brengen en op te leiden; maar, wanneer zij zijn opgeklommen en het lang genoeg gezien hebben, hun niet te vergunnen wat men tegenwoordig wel vergunt.--Wat meent gij?--Daar boven te blijven en niet naar de gevangenen af te dalen, noch aan de werkzaamheden en eerbewijzen daar beneden, hoe die dan ook wezen mogen, deel te nemen.--Maar zullen wij hun dan geen onregt doen, en hen ongelukkig maken, terwijl zij in de gelegenheid waren een ongestoord geluk te genieten?--

V. Gij zijt nu al weder vergeten, mijn vriend! dat een wetgever niet zijn best doet, om éénen stand in den staat bijzonder gelukkig te maken, maar dat hij dit geluk aan den geheelen staat wil verschaffen, en met overreding en dwang de burgers zamenvoegt, en maakt, dat zij elkander doen deel nemen aan het voordeel, hetwelk ieder aan den geheelen staat kan bezorgen; en dat bij zulke menschen in den staat opleidt, niet om ze naar hun eigen lust te laten leven, maar om ze te gebruiken tot de betere zamenvoeging van den geheelen staat.--Dat is waar; ik was het vergeten.--Ook moet gij bedenken, ~Glauco~! dat wij hen, die bij ons wijsgeeren worden, geen onregt doen, maar regt hebben van hen te vorderen, dat zij voor de anderen zorgen en ze bewaren. Want wij zullen zeggen: die in andere staten zoodanig worden, behoeven zich niet met de staatszaken te bemoeijen, omdat zij van zelfs zonder medewerking van staatswege ontstaan, en al wat van zelfs ontstaat los is van de verpligting om aan iemand voor zijne opvoeding dank te vergelden: maar wij hebben u voor u zelven en voor de overige burgers even als de aanvoerders en koningen in een bijenzwerm groot gebragt, en door eene uitstekende opvoeding in staat gesteld, om aan beiden (wijsbegeerte en staatsbestuur) deel te nemen. Dus moet ieder uwer op zijne beurt naar de woning der andere burgers afdalen, en zich gewennen om in dat schemerlicht te zien; want, zoo gij er eens aan gewend zijt, zult gij honderdmaal beter zien dan zij, die dáár wonen, en honderdmaal beter bij elk dier schaduwbeelden onderkennen, wat het is en waarvan; daar gij het wezenlijk schoone, goede en regtvaardige gezien hebt. En zóó zal onze staat door wakende menschen bestuurd worden, niet, zoo als tegenwoordig de meeste, door droomende, die om schaduwen tegen elkander vechten en om het regeren, alsof dat iets goeds was, twisten. In waarheid toch is het zóó: de staat, waarin de toekomstige overheden het minst naar de regering verlangen, wordt noodzakelijk het best en het rustigst bewoond; en omgekeerd.--Ongetwijfeld.--Denkt gij nu, dat onze kweekelingen dit hoorende ongehoorzaam zullen wezen, en zullen weigeren ieder zijne taak in den staat te vervullen, en liever gezamenlijk boven zullen blijven wonen?--Onmogelijk, want wij hebben iets regtvaardigs van regtvaardige menschen geëischt. Zij zullen echter altijd het regeren als een noodzakelijk kwaad aanmerken, en daarin van de tegenwoordige bewindhebbers onderscheiden wezen.--Zoo is het dan ook, mijn vriend! Wanneer gij voor de toekomstige overheden een leven kunt uitdenken, dat beter is dan het waarnemen van overheidsambten, dan is het mogelijk, dat uw staat goed bestuurd wordt; want alleen in zulk eenen staat zullen zij regeren, die waarlijk rijk zijn, niet in geld, maar in den wezenlijk geluk aanbrengenden rijkdom, in een goed en redelijk leven; doch wanneer zij, die arm zijn aan eigene goederen, de algemeene goederen in handen krijgen en meenen daarmeê hun voordeel te moeten doen, dan is dit niet mogelijk; want als er om de regering wordt gestreden, ontstaat er een burgeroorlog, die én voor de strijders én voor den geheelen staat verderfelijk is.--Dat is volkomen waar.--Weet gij nu een andere levenswijze, die de staatsambten doet geringschatten, dan die van den waren wijsgeer?--Wel neen.--Edoch de regering moet aan hen worden opgedragen, die er geen minnaars van zijn; anders gaan de medeminnaars der regerende personen er om vechten.--Natuurlijk.--Zult gij dus anderen tot het besturen van den staat nopen dan hen, die het wijste zijn in die dingen, waardoor een staat het beste bestuurd wordt, en die tevens andere eer en een beter leven, dan het staatkundige hebben?--Niemand anders.--

VI. Willen wij nu eens nagaan, hoe zulke menschen gevormd worden, en hoe men ze naar het licht moet opleiden, gelijk sommigen volgens de overlevering uit den Hades naar de Goden zijn opgeklommen?--Met vermaak.--Dit schijnt meer te zijn dan het omkeeren van een kleed, en heeft veel van eene omwending der ziel uit een nachtelijk duister naar den weg tot het ware licht, dien wij gewoon zijn wijsbegeerte te noemen.--Natuurlijk.--Moeten wij dus niet nagaan, welke studie daartoe geschikt is?--Ja.--Welke studie, ~Glauco~! zou dan de ziel van het ontstaan en vergaan naar het ware zijn kunnen heentrekken? Daar komt mij onder het spreken iets in de gedachten. Zeiden wij niet, dat zij in hunne jongelingsjaren zich in den oorlog moesten oefenen[126]?--Ja.--Dus moet de studie, welke wij zoeken, nog deze eigenschap hebben.--Welke?--Zij moet voor krijgslieden niet nutteloos wezen.--Zeker niet; als dit maar mogelijk is.--Bespraken wij niet vroeger, dat onze wachters door gymnastiek en muzenkunst moesten gevormd worden[127]?--Ja.--De gymnastiek nu houdt zich bezig met het ontstaan en vergaan; want zij waakt over den wasdom en het afnemen des ligchaams.--Juist.--Dus is zij de studie niet, welke wij zoeken.--Neen.--Zou het dan die muzenkunst zijn, die wij vroeger besproken hebben?--Maar die was, zoo gij het u nog herinnert, het tegenbeeld van de gymnastiek, en vormde de zeden der wachters, door hun gevoel voor harmonie en maat op te wekken[128], niet door hun wetenschap mede te deelen; en ook voor zoo ver zij in sprookjes en ware verhalen bestond, had zij dezelfde strekking[129]; maar eenige opleiding tot de kennis van het goede, zooals gij nu zoekt, was in haar volstrekt niet te vinden.--Dit herinnert gij mij zeer naauwkeurig, want inderdaad had zij die volstrekt niet. Maar, mijn waarde ~Glauco~! waarin zou die dan wezen? de kunsten toch schenen allen den geest neder te drukken[130].--Dat spreekt. Maar wat is er dan behalve de muzenkunst, de gymnastiek en de kunsten nog voor andere studie?--Komaan, zeide ik, als wij dan niets daarbuiten kunnen vinden, moeten wij maar iets nemen, dat vaan die allen gemeen is.--Wat?--Bij voorbeeld dit, hetwelk alle kunsten, redeneringen en wetenschappen bezigen, en hetwelk overal het eerst moet geleerd worden.--Wat?--Eenvoudig, één, twee en drie te onderscheiden; met één woord, de leer der getallen en het rekenen. Of heeft alle kunst en wetenschap dit niet volstrekt noodig?--Wel zeker.--Dus ook de krijgskunst.--Natuurlijk.--~Palamedes~ maakt dan ook in de treurspelen ~Agamemnon~ tot een al heel bespottelijk veldheer. Want gij weet immers, dat hij beweert het tellen uitgevonden te hebben, en het daardoor mogelijk te hebben gemaakt, om het leger voor Troje in benden te verdeelen en het getal der schepen en van al de rest te bepalen; daar die te voren ontelbaar waren, en ~Agamemnon~, naar het schijnt, niet eens wist, hoe veel voeten hij had? En wat voor een veldheer moet hij dan wel geweest zijn?--Als dat waar is, een erge prul.--

VII. Willen wij het dan maar als een der vereischten van een krijgsman beschouwen, dat hij kan tellen en rekenen?--Ongetwijfeld; zoo hij ten minste eenig denkbeeld van het in orde scharen van troepen moet hebben; of liever, zoo hij een mensch moet wezen.--Denkt gij nu over die studie even als ik?--Hoe meent gij?--Zij schijnt uit haren aard te behooren tot die opleidende studieën, welke wij zoeken; maar niemand bezigt ze, geloof ik, naar behooren, daar zij inderdaad geschikt is, om de kennis van hetgeen wezenlijk is te bevorderen.--Hoe zegt gij?--Ik zal mijn best doen, om u mijne meening duidelijk te maken. Beschouw eens met mij, wat, naar ik geloof, tot ons doel opleidt, en wat niet; en zeg dan, of gij er evenzoo of anders over denkt; opdat wij wat duidelijker inzien, of ook dit zóó is als ik vermoed.--Zeg maar op.--Ik zeg dan, zoo gij het begrijpt, dat sommige voorwerpen der zinnelijke waarneming het verstand niet tot nadenken opwekken, daar zij door de zinnen alleen genoeg worden waargenomen; en andere volstrekt nadenken vorderen, daar de zinnen alleen geen uitsluitsel geven.--Gij meent zeker de verwijderde voorwerpen, en die, waarbij gezigtsbedrog plaats heeft.--Gij hebt nog niet volkomen gevat, wat ik zeggen wil.--Maar wat wilt gij dan zeggen?--Wat geen nadenken opwekt, noem ik dat, welks zinnelijke waarneming geen tegenstrijdigheid oplevert; maar wat dit wel doet, en in de waarneming zich zoowel op deze als op gene wijs vertoont, hetzij het van verre of van nabij wordt waargenomen, dat zeg ik, dat het nadenken opwekt. Zóó zult gij mijne meening duidelijker inzien. Hier hebt gij drie vingers, de voorste, de middelste, en de achterste.--Ja.--Denk nu, dat wij ze van nabij zien; en let eens met betrekking tot dezelve hierop.--Waarop?--Ieder hunner vertoont zich als een vinger, en het maakt geen onderscheid, of hij in het midden of aan een der zijden is, en of hij wit is of zwart, dik of dun, enz., want bij dit alles wordt de ziel niet genoodzaakt aan het verstand te vragen, wat een vinger toch eigenlijk is, daar het gezigt volstrekt niet te kennen geeft, dat een vinger het tegenovergestelde van een vinger is.--Dat is zoo.--Iets van dezen aard heeft dus geen kracht om tot nadenken op te wekken.--Niet bijzonder.--Maar ziet nu het gezigt hunne grootte en kleinte even goed, en is het daarvoor hetzelfde, of een hunner in het midden of niet in het midden is? En neemt het gevoel even goed hunne dikte of dunheid, hardheid of zachtheid waar? En geven ook de andere zinnen omtrent zulke dingen geen gebrekkige berigten? Doet niet iedere van haar aldus? Vooreerst de zin, die het harde waarneemt, moet ook het zachte waarnemen, en verkondigt aan de ziel, dat zij hetzelfde als hard en als zacht waarneemt[131].--Dat is waar.--En moet nu de ziel in zulke gevallen niet onzeker zijn, wat toch voor de zinnelijke waarneming hard is, daar hetzelfde zich ook als zacht voordoet; en evenzoo wat ligt en wat zwaar is, wanneer het zware ligt en het ligte zwaar schijnt.--Ja waarlijk, deze waarnemingen zijn zonderling en vereischen nader onderzoek.--En begint nu niet in zulke dingen de ziel van zelfs het verstand en de redenering aan het werk te zetten, om te zien, vooreerst: of ieder dier waargenomen dingen één of twee is?--Natuurlijk.--En als het twee schijnt te wezen, is dan ieder van die twee niet één?--Ja.--En als ieder één is en zij te zamen twee zijn, dan zal het verstand ze van elkander onderscheiden; want, als zij niet onderscheiden waren, zou het er geen twee, maar één denken.--Juist.--Echter, zeggen wij, zag het gezigt wel groot en klein, maar toch niet onderscheiden, doch tot één verbonden: niet waar?--Ja.--En juist omdat het zich duidelijk alzoo vertoonde, moest integendeel de geest groot en klein niet verbonden, maar ieder afzonderlijk zien.--Dat is waar.--En komt daardoor dan niet vooreerst de vraag in ons op, wat toch groot en wat klein is?--Ongetwijfeld.--En ten gevolge daarvan onderscheiden wij dan het denkbare van het zigtbare.--Volkomen juist.--