De republiek van Plato

Part 8

Chapter 83,784 wordsPublic domain

XVIII. Dat laat zich best hooren. Maar zoo iemand ons nu vroeg, welke verhalen dit dan zijn moeten, wat zouden wij dan zeggen?--Hierop antwoordde ik: ~Adimantus~: wij zijn op het oogenblik geen dichters maar stichters van een staat. Als zoodanig moeten wij wel de grondregels vaststellen, die de dichters bij het verdichten moeten in het oog houden, en niet toelaten, dat zij die te buiten gaan, maar wij moeten zelve geen sprookjes verdichten.--Dat is goed; maar welke zijn dan nu die grondregels voor de verhalen omtrent de goden?--Bij voorbeeld, dat in alle dichterlijke verhalen, lierzangen, treurspelen, enz., God zoo aan het volk moet voorgesteld worden, als hij werkelijk is.--Ja dat is betamelijk.--En is God niet werkelijk goed, en moeten wij dat niet zeggen?--Ongetwijfeld.--En wat goed is, is niet schadelijk.--Ik vind van neen.--En wat niet schadelijk is, schaadt niet.--Zeker niet.--En wat niet schaadt, doet geen kwaad.--Ook dat niet.--En wat geen kwaad doet, is de oorzaak niet van iets kwaads.--Hoe zou dat mogelijk zijn?--Verder: het goede is immers nuttig?--Ja.--Dus veroorzaakt het welstand?--Ja.--Dus is het goede niet van alles de oorzaak; maar wel van goede, niet van kwade dingen.--Dat spreekt.--Dus is God, die goed is, niet van alles de oorzaak, zoo als de menigte zegt, maar hij veroorzaakt weinig bij de menschen, en veel niet; want wij hebben veel minder goed dan kwaad[30]. En van het goede moeten wij geen andere oorzaak zoeken, maar van het kwade eene andere oorzaak dan God.--Wat gij zegt, vind ik volkomen waar.--Dus moeten wij het niet door de vingers zien, wanneer ~Homerus~ of een ander dichter uit onverstand die dwaling aangaande de goden verspreidt, en zegt, dat «twee vaten liggen op den drempel van ~Zeus~, vol met lotsbeschikkingen, het eene met goede, het andere met kwade,» en dat hij, wien ~Zeus~ een mengsel uit beide gegeven heeft, «dan eens kwaad en dan eens goed ondervindt;» maar dat, zoo ~Zeus~ hem onvermengd uit het ééne geeft, «het kwade verderf hem over de aarde vervolgt,» noch ook, dat ~Zeus~ «voor ons de beschikker is van goed en kwaad[31].»

XIX. En zoo iemand zegt, dat het verbreken der bezworene verbonden, waarvan ~Pandarus~ de schuld had, door ~Athene~ en ~Zeus~ bewerkt is, zullen wij dat niet prijzen; en evenmin het verhaal van den beslissenden strijd der goden op aanhitsen van ~Themis~ en ~Zeus~[32]. Ook mogen wij de jongelieden niet laten hooren, wat ~Aeschylus~ zegt:

«God doet de menschen kwaad bedrijven, zoo hij een geslacht geheel wil in het verderf storten.»

Maar wanneer iemand dergelijke onderwerpen als dat van het stuk, waaruit dit genomen is, b. v. de rampen van Niobe, of van de Pelopiden, of van Troje bezingt; dan moet hij zeggen, dat die rampen geen werk van de goden zijn; of, zoo hij ze aan de goden wil toeschrijven, dan moet hij zóó spreken, als wij daareven, zeggende, dat God regtvaardig en goed handelt, maar dat die menschen tot hun nut gestraft werden: doch, dat zij, die straf lijden, ongelukkig zijn, en dat God daarvan de oorzaak is, dat mag geen dichter verhalen. Zoo hij zegt, dat zij ongelukkig waren, omdat zij straf noodig hadden, daar de slechten ongelukkig zijn, en dat God hun door die straf eene weldaad bewees[33], dan laten wij het toe; maar dat God, die goed is, van eenig kwaad de oorzaak genoemd worde, moet ieder op alle mogelijke wijs in zijnen staat beletten, zoo hij wil, dat deze bloeije; en hij moet zorgen, dat niemand, jong noch oud, dat in verzen of zonder verzen hoore verhalen, omdat het godslasterlijk is, en nadeelig voor ons, en vol tegenstrijdigheden.--Aan die wet geef ook ik mijne stem, zeide hij, want zij bevalt mij.--Dus, zeide ik, is onze eerste wet en grondregel omtrent het godsdienstige deze, dat zij, die er van spreken of er gedichten over maken, God niet van alles, maar alleen van het goede de oorzaak mogen noemen.--Ja, dat is uitgemaakt.--

En wat zegt gij van deze tweede wet? Gelooft gij, dat God een goochelaar is, en als uit eene hinderlaag telkens in eene andere gedaante voor den dag komt, dan eens door zelf allerlei vormen aan te nemen, dan eens door ons te misleiden, en ons dergelijke denkbeelden van hem te doen koesteren? Of dat hij onveranderlijk is, en nooit van gedaante wisselt?--Dat kan ik zoo op een oogenblik niet zeggen.--Maar wat zegt gij dan hiervan? Zoo iets van gedaante verandert, moet het dan niet óf door zichzelf óf door iets anders veranderd worden?--Natuurlijk.--En wat zelf het beste gesteld is, wordt het minst door iets anders veranderd of bewogen, b. v. wordt niet een ligchaam door spijs, drank en arbeid, en eene plant door hitte, wind, enz., naarmate zij gezonder en sterker zijn, minder veranderd?--Dat spreekt.--En de krachtigste en verstandigste ziel wordt immers het minst door oorzaken van buiten beroerd en veranderd?--Ja.--En zoo geldt het ook van alle zamengestelde werktuigen en huizen en kleederen, dat zij minder invloed van tijd en andere oorzaken ondervinden, naarmate zij beter bewerkt zijn.--Juist.--Dus is hetgeen door natuur of kunst of beiden in den besten toestand is, het minst aan verandering door vreemden invloed blootgesteld.--Dat schijnt zoo.--Edoch God en het goddelijke zal wel in den allerbesten toestand zijn.--Ongetwijfeld.--Dus kan God althans door deze oorzaak geenszins vele gedaanten hebben.--Neen waarlijk niet.--

XX. Maar zou hij ook misschien zichzelven veranderen?--Zoo hij ooit verandert, natuurlijk wel.--Maar verandert hij zich dan in iets dat beter en schooner is dan hij, of in iets dat slechter en leelijker is?--Natuurlijk, als dat gebeurt, in het slechtere; want wij kunnen niet beweren, dat God eenige schoonheid of volkomenheid mist.--Dat zegt gij zeer goed. En daar dit zoo is, gelooft gij dan, ~Adimantus~! dat eenig God of mensch zichzelven vrijwillig slechter zou maken?--Dat is onmogelijk.--Ja, waarlijk is het onmogelijk, dat een God zichzelven zou willen veranderen, maar, daar ieder der goden volkomen schoon en goed is, blijft ieder hunner zoo veel mogelijk altijd eenvoudig in zijne eigene gedaante.--Ik zie ook geene andere mogelijkheid.--Dus, mijn beste! mag geen dichter bij ons zeggen, dat «de goden op reizigers uit vreemde landen gelijkende onder allerlei gedaanten door de steden rondwandelen[34];» noch ons [de gedaanteveranderingen] van ~Proteus~ en ~Thetis~ voorliegen; noch in treurspelen of andere gedichten verhalen, «dat ~Hera~ onder de gedaante van eene oude priesteres tot de goede dochters van den Argivischen riviergod ~Inachus~ sprak:» maar alle dergelijke leugens moeten bij ons geweerd worden. Ook mogen de moeders op gezag daarvan de kinderen niet bang maken, en leelijke sprookjes vertellen, zeggende: dat sommige goden des nachts onder allerlei vreemde gedaanten rondzwerven; daar zij hierdoor de goden belasteren en de kinderen vreesachtig maken.--Neen zeker niet.--Maar, zeide ik, misschien zijn de goden wel onveranderlijk, doch doen ons door misleiding en begoocheling meenen, dat zij allerlei gedaanten aannemen?--Misschien.--Maar, zou dan een God willen bedriegen, door met woorden of daden valsche voorstellingen op te wekken?--Dat weet ik niet.--Weet gij dan niet, dat de waarachtige onwaarheid, om eens zoo te spreken, bij alle goden en menschen gehaat is?--Hoe meent gij dat? zeide hij.--Zóó, dat niemand in zijn voornaamste deel ten opzigte van de voornaamste dingen onwaarheid wil dulden, maar dat hij zeer bevreesd is, ze dáár op te nemen.--Nu begrijp ik het nog niet.--Gij denkt zeker, dat ik heel wat vreemds zeg; maar ik meen eenvoudig, dat allen er een afkeer van hebben, om met hunne ziel ten opzigte van hetgeen wezenlijk is te dwalen en onwetend te zijn, en dáár onwaarheid te koesteren, en dat zij ze dáár het allerminst willen opnemen.--Dat is zoo.--Edoch de naam van waarachtige onwaarheid is wel het meest toepasselijk op de dwaling in de ziel van den dwalenden; terwijl de onwaarheid in woorden slechts eene soort van nabootsing van de aandoening der ziel, en dus niet zulk eene volkomene onwaarheid is. Is het zoo niet?--Zekerlijk.--

XXI. Dus, wordt dan de waarachtige onwaarheid door goden en menschen gehaat.--Ja.--Maar nu de onwaarheid in woorden, is die somtijds heilzaam, zoodat zij geen haat verdient? Kan zij tegen vijanden en tegen zoogenaamde vrienden, wanneer zij door waanzin of dwaasheid eenig kwaad pogen te doen, niet soms als een nuttig middel tot afwending gebezigd worden? En maken wij niet in de daareven genoemde verdichte verhalen, dewijl wij van den ouden tijd het ware niet weten, de onwaarheid zoo waarschijnlijk mogelijk en daardoor nuttig?--Ja, zoo is het.--Tot welke dier doeleinden is dan nu de onwaarheid voor God nuttig? Zou hij de onwaarheid waarschijnlijk maken, omdat hij van die oude dingen het ware niet weet?--Dat is te gek, om van te spreken.--Dus verhaalt God geene onwaarheden op de wijs der dichters.--Neen.--Maar zou God ook onwaarheid spreken uit vrees voor zijne vijanden?--Dat is ondenkbaar.--Maar dan om de dwaasheid of waanzin zijner vrienden?--Neen, want geen dwaas of waanzinnige is een vriend van God.--Dus is er geen reden, waarom God onwaarheid zou spreken.--Volstrekt niet.--Dus is de godheid boven alle onwaarheid verheven.--Ongetwijfeld.--Dus is God in woorden en werken altijd zichzelven gelijk en waarachtig, en hij verandert zelf, noch misleidt anderen door schijnvertooningen, of woorden, of voorteekens, of droomgezigten.--Nu gij het zegt, vind ik het ook.--Dus, stemt gij toe, dat de tweede grondregel ten opzigte van het spreken en dichten over de goden deze is, dat men ze niet mag voorstellen als, gelijk goochelaars, zich zelven veranderende, of ons door woorden of daden misleidende.--Dat stem ik toe.--Hoezeer wij dus anders veel in ~Homerus~ prijzen, zullen wij het zenden van den bedriegelijken droom aan ~Agamemnon~ door ~Zeus~ niet goedkeuren[35], en evenmin, dat ~Aeschylus~ ~Thetis~ laat verhalen, hoe ~Apollo~ op hare bruiloft «met gezang hare toekomstige spruiten verhief, daar die zonder rampen lang zouden leven;» en er bijvoegt: «hij zeide, dat mijn leven vol blijken van de gunst der goden was, en zong daar een lied op, dat mij verkwikte. En ik hoopte, dat de goddelijke mond van ~Phoebus~, die overvloeide van voorspellingen, de waarheid zeide. Edoch dezelfde, die zóó zong, dezelfde, die op het feest tegenwoordig was, dezelfde, die dit zeide, heeft zelf mijnen zoon gedood.»

Wanneer iemand zulke dingen van de goden zegt, zullen wij boos worden en zijne stukken van het tooneel weren, en wij zullen de leermeesters verbieden die bij het onderwijs der jeugd te gebruiken; zoo althans onze wachters zoo godvreezend en goddelijk moeten worden als voor een mensch eenigzins mogelijk is.--Die grondregels keur ik volmaakt goed, en ik wil ze wel onder de wetten opnemen.--

Voetnoten

[23] Hier komt dezelfde ironie voor als in den Theaetetus. ~Plato~ laat hier, om de zwakheid zijner tegenstanders aan te toonen, hunne zaak door anderen veel beter bepleiten, dan zij zelve konden doen, ten einde die dan later des te krachtiger te weerleggen.

[24] _Schijn_ beteekent eenvoudig uiterlijke vertooning, zonder dat daarbij over het innerlijke iets beslist wordt. Die schijnt wat hij niet is, heeft alleen schijn; die schijnt wat hij is, heeft schijn en werkelijkheid te gelijk.

[25] Dit spreekt het onmiddellijk voorgaande niet tegen. ~Socrates~ wil niet onderzoeken, of oorlog in het algemeen beschouwd iets verderfelijks, of iets heilzaams is, maar stelt alleen, dat, daar bij den oorlog gewoonlijk eene lijdende partij is, die door den oorlog ongelukkig wordt, een staat moet zorgen, zoo er oorlog uitbreekt, niet tot de lijdende partij te behooren, en dat daartoe een goed, geoefend leger vereischt wordt.

[26] Onder deze uitdrukking wordt alles begrepen, wat eenige beschaving aanbrengt, daar de muzen als de patronessen van allerlei soort van geestbeschaving werden aangezien. Eigenlijk staat er _muzijk_, maar, omdat dit woord bij ons meer bepaaldelijk _toonkunst_ beteekent, heb ik het, uit vrees voor verwarring, niet durven gebruiken.

[27] ~Uranus~ had zijne kinderen in de ingewanden der aarde opgesloten. Zijn zoon ~Cronos~ strafte hem daarvoor, door uit het ijzer, dat de aarde met dat doel voortbragt, een zeis te maken, daarmede zijne vader te ontmannen en hem van den troon te stooten.

[28] ~Cronos~ at zijne kinderen op, maar werd daarom door ~Zeus~, die door zijne moeder verborgen was, van den troon gestooten en in den Tartarus geworpen.

[29] Die bij de Mysteriën van ~Eleusis~ wilde ingewijd worden, moest een zwijn offeren.

[30] De Grieksche schrijvers uiten dikwijls klagten over de jammeren, waaraan de menschen zijn blootgesteld. Reeds bij ~Homerus~, _Il._ XVII. 446 lezen wij: Onder alle wezens, die op aarde ademen en zich bewegen, is er geen ongelukkiger dan de mensch.

[31] _Il._ XXIV. 527 sqq.

[32] _Il._ IV. 50 sqq. XX. 1 sqq.

[33] Zie ~Ahrens~, _Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde_, vrij vertaald door Dr. ~J. Nieuwenhuis~, enz. II. 231, 232.

[34] _Odyss._ XVII, 485 sq.

[35] _Ilias._ II, 1 sqq.

DERDE BOEK.

I. Aangaande de goden moeten zij dus van kindsbeen zulke dingen hooren en niet hooren, zoo zij de goden en hunne ouders zullen vereeren, en de onderlinge genegenheid niet van weinig waarde rekenen.--Ja, zeide hij, dat zeggen wij, geloof ik, met regt.--Maar, zoo zij verder moedig zullen zijn, is het dan niet noodig, dat zulke dingen tot hen gezegd worden, die hen zoo weinig mogelijk voor den dood doen vreezen? Of gelooft gij, dat ooit iemand moedig worden kan, die deze vrees koestert?--Neen waarlijk niet.--Maar denkt gij nu, dat iemand, die het bestaan van al die verschrikkelijkheden in de onderwereld gelooft, onbevreesd voor den dood zal wezen, en dien in den strijd boven nederlaag en slavernij zal verkiezen?--Zeker niet.--Dus moeten wij, naar het schijnt, ook op hetgeen daarvan verteld wordt een wakend oog houden, en de dichters verzoeken, den dood niet zoo onbepaald kwaad te noemen, daar zij dan dingen zouden zeggen, die niet waar, en voor hen, die moedig behooren te zijn, niet nuttig zouden wezen.--Dat is noodig.--Dus zullen wij, om met ~Homerus~ te beginnen, alle dergelijke regels uitschrappen als:

«ik zou liever op aarde een lijfeigene wezen van een gering man, die naauwelijks genoeg te eten had, dan over al de schimmen der gestorvenen te regeren[36].»

en «aan stervelingen en onsterfelijken zouden de akelige, ruime woningen vertoond zijn, waarvoor zelfs de goden een afschrik hebben[37].»

en «Zoo is er dan waarlijk ook in het huis van ~Hades~ nog eene ziel en schim, maar zonder eenig bewustzijn[38].»

en «het is alleen aan de schim van den wigchelaar ~Tiresias~ gegeven verstand te hebben, maar de andere schimmen zijn zonder bewustzijn[39].»

en «de ziel vloog uit het ligchaam weg naar den Hades, over haren dood treurende en hare kracht en jeugd achterlatende[40].»

en «de ziel ging suizende als een damp onder den grond[41].»

en «even als vleermuizen, die zich in een hoek van een groot hol aan elkander vasthielden, wanneer er een uit de rij van de rots is afgevallen, suizende door elkander vliegen, gingen de zielen der gesneuvelde minnaars van ~Penelope~ te zamen suizende naar de onderwereld[42].»

Wij zullen ~Homerus~ en de andere dichters verzoeken het ons ten goede te houden, zoo wij alle dergelijke plaatsen doorschrappen; niet omdat zij niet dichterlijk en aangenaam voor de meeste toehoorders zijn, maar omdat, naarmate zij dichterlijker zijn, jongens en mannen ze minder moeten hooren, zoo wij vrij zullen leven en de slavernij meer vreezen dan den dood.--Toegestemd.--

II. Dus moeten wij ook al die schrikverwekkende namen, die hiervan gebruikt worden, wegwerpen, b. v. _jammermeir_, _haatrivier_, _onderaardsch_, _schimmen_ en alle andere woorden van denzelfden stempel, die er op zijn ingerigt, om allen, die ze hooren, te doen sidderen. Misschien is dit voor iets anders goed, maar wij vreezen voor onze wachters, dat zij door dat sidderen vreesachtiger en weekelijker dan noodig is zouden worden.--Ja, daarvoor vreezen wij met regt.--Dus moeten die uitdrukkingen worden weggenomen?--Ja.--En wij moeten in den tegenovergestelden geest spreken en dichten?--Natuurlijk.--Dus zullen wij ook het beweenen en beklagen van groote mannen afschaffen.--Dat volgt uit het vorige.--Onderzoek dan eens, of wij dat met regt zullen afschaffen, of niet? Wij zeggen immers, dat een redelijk mensch voor zijnen vriend, die van denzelfden aard is, het sterven niet schrikkelijk zal vinden.--Dat zeggen wij.--Dus zal hij ook niet over hem treuren, alsof hij een groot ongeluk ondergaan had.--Zeker niet.--Verder zeggen wij ook, dat zulk een het meest voor zich zelven genoeg is, en het minst de hulp van anderen noodig heeft.--Dat is waar.--Dus is het voor hem ook het minst schrikkelijk, van een zoon, of broeder, of geld, of iets anders dergelijks beroofd te worden.--Zekerlijk.--Dus zal hij ook het minst treuren, en het met de meeste kalmte dragen, als hem zulk een lot overkomt.--Dat spreekt.--Dus zullen wij teregt dat jammeren in beroemde mannen misprijzen, en dat overlaten aan vrouwen van geringe voortreffelijkheid en aan mannen, die weinig bijzonders zijn; opdat zij, die wij tot bewaking van het land opvoeden, er afkeerig van worden zulke dingen te doen.--Dat is goed.--Dus zullen wij dan ook ~Homerus~ en de andere dichters verzoeken, niet te zeggen, dat ~Achilles~, de zoon eener godin, «dan eens op de zijde lag, dan eens op den rug, dan eens voorover, dan weêr opstond en rondzwierf langs het strand van de onvruchtbare zee,» en dat hij «met beide handen de asch opnam en die op zijn hoofd strooide» en, dat hij zóó weende en klaagde, als hij in de Ilias doet[43], en dat ~Priamus~, die nog niet ver van den goddelijken oorsprong van zijn geslacht af was[44], smeekte en zich in den drek wentelde en ieder bij name toeriep[45].

En nog veel meer zullen wij hen verzoeken, de goden niet te laten weeklagen en zeggen, «ach ik ongelukkige, die tot mijn verdriet een uitstekenden zoon heb gebaard[46].» En vooral zich niet te verstouten, om den grootsten der goden zoo ongelijkend af te beelden, dat zij hem laten zeggen, «helaas! daar zie ik, dat een man, dien ik lief heb, rond de stad wordt vervolgd, en mijn hart heeft er deernis mede[47].» Of: «wee mij! dat het noodlot over mijn waardsten zoon, ~Sarpedon~, besloten heeft hem door ~Patroclus~, den zoon van ~Menoetius~, te doen ombrengen[48].»

III. Want, mijn beste ~Adimantus~! als onze jongelieden dergelijke dingen in ernst hoorden verhalen, en er niet om lachten als om onwaardige voorstellingen, dan zou genoegzaam geen mensch zich daarboven verheven rekenen noch het zich verwijten, indien hij bij geval zoo iets zeide of deed; maar zonder zich te schamen of in te houden zou hij over kleine rampen groote weeklagten en jammerkreten aanheffen.--Wat gij daar zegt is zeer waar.--En dit mag toch niet, zoo als daareven is gebleken uit onze redekaveling, waarbij wij ons maar houden zullen, tot men ons met betere bewijzen van het tegendeel overtuigt.--Dat ben ik met u eens.--Ook moeten zij geene liefhebbers van lagchen zijn. Want wanneer iemand aan hevig lagchen toegeeft, is hij meestal geneigd ook in het tegenovergestelde uiterste te vervallen.--Dat vind ik ook.--Dus moeten wij het niet toelaten, wanneer men menschen van naam in lagchen laat uitbarsten, en nog veel minder zoo dit van goden verteld wordt.--Vooral het laatste.--Dus is het uw gevoelen, dat wij van ~Homerus~ ook het volgende aangaande de goden niet zullen goedkeuren:

«En er ontstond een onbluschbaar gelach onder de zalige goden, toen zij ~Hefaestus~ zich in het huis zagen afsloven[49].»--

Zoo gij dat mijn gevoelen wilt heeten, heb ik er vrede mede, zeide hij.--

Verder moet ook de waarheid ten hoogste geëerd worden. Want zoo wij daareven juist spraken, en werkelijk de onwaarheid voor goden nutteloos is, maar voor menschen als geneesmiddel nuttig, dan is het duidelijk, dat wij haar aan de geneesmeesters geven moeten, maar dat oningewijden er af moeten blijven.--Dat is duidelijk.--Dus mogen alleen de overheden van den staat haar tegen vijanden of burgers voor het welzijn van den staat bezigen, maar alle anderen moeten er afblijven, en wij zullen zeggen, dat, als een onderdaan tegen overheden, gelijk wij aanstellen, onwaarheid spreekt, dit een niet minder, ja erger kwaad is, dan, wanneer een zieke den geneesheer of een, die de gymnastiek leert, den schermmeester onwaarheden aangaande den toestand van zijn ligchaam vertelt, of wanneer iemand den bestuurder van een schip misleidt over den waren toestand, waarin hij zelf of het andere scheepsvolk verkeert.--Dat is volkomen waar.--En, zoo de overheid een ander burger b. v. «een werkman, of wigchelaar, of geneesmeester van zieken, of vervaardiger van speren[50]» op onwaarheden betrapt, zal zij hem bestraffen, omdat hij den grond legt tot eene gewoonte, die den staat geheel zou doen ten ondergaan.--Dat is noodig, zoo wij overeenkomstig het gezegde moeten handelen.--

Moeten verder onze jongelieden geen ingetogenheid hebben?--Natuurlijk.--En rekent men niet meestal tot de ingetogenheid vooral deze twee punten: gehoorzaamheid aan meerderen, en beheersching van de begeerte naar drank, mingenot en spijs?--Ja.--Dus zullen wij als goed gesproken aanmerken, wat ~Diomedes~ bij ~Homerus~ tot zijnen wagenmenner ~Sthenelus~ zegt: «Vadertje! houd u stil en luister naar mijne woorden[51],» en wat kort daarop volgt: «de moed ademende Grieken trokken in stilte voort, uit eerbied voor hunne opperhoofden[52],» en wat meer dezelfde strekking heeft.--Ja, dat is goed.--Maar zulke stukken, als wanneer ~Achilles~ tot ~Agamemnon~ zegt: «Wijnzuiper, die hondenoogen hebt en een hertenhart[53],» en wat er verder volgt; of welke andere onbeschaamde uitvallen van onderdanen tegen overheden in proza of verzen verhaald worden, zullen wij die als goed gesproken aanmerken?--Als niet goed.--Zij zijn dan ook, denk ik, niet geschikt om aan de jeugd tot bevordering der ingetogenheid verhaald te worden; anders zijn zij welligt heel vermakelijk, of hoe denkt gij er over?--Evenzoo.

IV. En verder, wanneer men den verstandigsten man van zijnen tijd laat zeggen, dat hij nergens meer schik in heeft dan, «wanneer de tafels vol zijn van brood en vleesch, en de schenker den wijn uit het vat schept, dien ronddraagt, en in de bekers giet[54],» vindt gij dan het hooren daarvan geschikt om de matigheid der jeugd te bevorderen? Of dit: «de allerrampzaligste dood is van honger te sterven[55].»

Of wanneer de dichter ~Zeus~ alles, wat hij in eenzaamheid, terwijl de andere goden en de menschen sliepen, overlegd had, door verlangen naar mingenot, zóó gemakkelijk laat vergeten, en hem op het gezigt van ~Hera~ zóó laat ontroeren; dat hij niet eens naar huis wilde gaan, maar dáár op den grond bij haar wilde liggen, zeggende: dat hij nog veel meer door de begeerlijkheid overmeesterd was, dan toen zij «buiten weten hunner ouders voor de eerste keer heimelijk bij elkander kwamen[56].»