De republiek van Plato

Part 7

Chapter 73,775 wordsPublic domain

XI. Een staat dan wordt, geloof ik, gegrondvest, omdat ieder onzer aan zich zelven niet genoeg heeft, maar vele dingen mist. Of houdt gij iets anders voor de oorzaak, waaruit staten ontstaan?--Wel neen.--Wanneer dus verscheidene menschen met verschillende behoeften tot vervulling daarvan bij elkander gaan wonen, om elkander wederzijds te helpen, dan noemen wij die zamenwoning een staat, niet waar?--Ja.--En dan geven zij elkander wederzijds, wat zij noodig hebben, omdat zij daarin voor zich zelve voordeel zien?--Natuurlijk.--Komaan! laat ons dan eens beredeneren, hoe een staat geboren wordt. De oorzaak van zijn ontstaan schijnt dus onze behoefte te wezen.--Juist.--En de eerste en grootste behoefte is wel die van voedsel om het leven te onderhouden.--Dat spreekt.--En de tweede die van woning, de derde van kleeding, enz.--Ja.--Maar hoe zal nu een staat tot vervulling dier behoefte genoegzaam zijn? Immers dan, wanneer er een boer, een die huizen kan bouwen, een wever, een schoenmaker en nog een paar zulke menschen gevonden worden?--Juist.--Dus zou een staat op zijn allerminst vier of vijf burgers moeten hebben.--Dat schijnt zoo.--Maar wat nu? Moet nu ieder hunner van zijn werk aan allen mededeelen, zoodat b. v. die ééne boer aan vier menschen voedsel bezorgt, en dus ook, om aan de anderen te kunnen mededeelen, viermaal zoo veel tijd en moeite aan den landbouw besteedt; of moet hij zich om hen niet bekommeren, en voor zich alleen in het vierde van den tijd, dien hij anders noodig had, een vierde deel van het voedsel aanbouwen, en de drie andere deelen tot het bouwen van zijn huis en het maken van zijne kleederen en schoenen besteden, en zijne zaken zelf doen, zonder den last te hebben van voor anderen te moeten zorgen?--Misschien is het eerste nog wel zoo gemaklijk, ~Socrates~! zeide ~Adimantus~.--’t Is wel mogelijk, zeide ik. Want nu gij dat zegt, schiet mij te binnen, dat vooreerst de een van ons niet volkomen op den ander gelijkt, maar integendeel de een meer aanleg voor dit, de ander voor dat heeft. Vindt gij dat ook niet?--Ja zeker.--Maar wat zal nu beter gaan, wanneer één vele kunsten uitoefent, of ieder ééne?--Ieder ééne.--Daarenboven is het ook duidelijk, dat, wanneer iemand den geschiktsten tijd voor eenig werk laat voorbijgaan, dit werk mislukken moet.--Dat is duidelijk.--Ik zou dan ook denken, dat het werk niet wachten wil tot de werkman tijd heeft, maar dat de werkman het werk naar behooren en niet als bijwerk moet waarnemen.--Noodzakelijk.--Derhalve wordt er van alles meer, beter en gemakkelijker gedaan, wanneer ieder één ding naar zijnen aard en op den geschiktsten tijd behandelt, zonder zich door wat anders te laten aftrekken.--Zeker.--Dus, ~Adimantus~! hebben wij, om ons voornemen tot stand te brengen, ook meer dan vier burgers noodig. Want dan moet, naar het schijnt, de landman zijn eigen ploeg, zoo hij goed zal wezen, niet zelf maken, noch zijn zeis, of eenig ander werktuig van landbouw. En evenzoo de huizenbouwer, want die heeft toch ook verscheidene werktuigen noodig. En hetzelfde geldt van den wever en den schoenmaker; niet waar?--Natuurlijk.--Dus zullen timmerlieden, smeden en meer dergelijke werklieden aan ons staatje deel krijgen en dat volkrijk maken.--Ongetwijfeld.--Het zal dus geen overdaad zijn, al voegen wij er ossendrijvers, schapenhoeders en andere herders bij, opdat de landbouwers voor het ploegen ossen kunnen krijgen, en de huizenbouwers zoowel als de landlieden lastdieren tot het vervoeren, en de wevers en schoenmakers huiden en wol.--Als onze staat dat alles heeft, is hij waarlijk niet klein meer.--Ja maar, zeide ik, het is niet wel mogelijk hem op zulk eene plaats te stichten, waar hij allen aanvoer van buiten kan missen.--Dat kan niet.--Dus zijn er nog anderen noodig, die hetgeen hij behoeft van elders moeten halen.--Ja.--Maar, zoo die dienaars ledig heengaan, zonder iets mede te nemen, dat noodig is op de plaats, vanwaar zij die benoodigheden willen halen, dan komen zij ledig weerom; niet waar?--Dat zou ik ook denken.--Dus moet er bij ons niet slechts zoo veel gemaakt worden, als voor ons gebruik genoeg is, maar ook zulke dingen en zoo veel als zij vorderen, wier hulp wij noodig hebben.--Dat moet.--Dus heeft onze staat meer boeren en werklieden noodig.--Ja.--En ook andere dienaars, om de waren in- en uit te voeren, namelijk kooplieden.--Juist.--Dus kunnen wij de kooplieden niet missen.--Wel neen.--En zoo de handel over zee gevoerd wordt, ook nog menschen, die verstand hebben van zeezaken.--Ja, nog zeer velen.--

XII. Maar hoe zullen zij nu in den staat zelven elkander de vruchten van hun werk mededeelen? want juist daarom hebben wij dien toch gesticht.--Natuurlijk door koopen en verkoopen.--Bij gevolg moet er eene markt zijn, en geld als middel van ruiling.--Ja.--Maar wanneer nu een boer of eenig ander werkman eenig voortbrengsel van zijnen arbeid naar de markt brengt, en niet op denzelfden tijd komt als zij, die verlangen het van hem in te ruilen, moet hij dan op de markt blijven wachten en zijn werk verzuimen?--Wel neen, maar dan zijn er, die dat zien en zich daarvoor aanbieden, en dat zijn in goed ingerigte staten meestal de zwaksten, en die voor ander werk ongeschikt zijn. Want zij moeten dáár op de markt blijven en van hen, die iets kwijt willen zijn, dat voor geld inruilen, om het naderhand weêr voor geld af te staan aan hen, die het koopen willen.--Daarom moeten er dan in onzen staat kramers zijn. Want wij noemen zeker hen, die tot gemak van den handel zich steeds op de markt ophouden, kramers; en hen, die van den eenen staat naar den anderen reizen, kooplieden.--Ja.--Verder zijn er, denk ik, nog andere dienaars, die in gaven des geestes niet bijzonder uitblinken, maar de noodige ligchaamskracht voor den arbeid bezitten, en naar het loon, dat zij voor het verhuren hunner ligchaamskrachten ontvangen, den naam krijgen van daglooners, niet waar?--Ja.--Dus zijn ook de daglooners een noodzakelijk aanvulsel van den staat.--Zeker.--Maar, ~Adimantus~! zou nu onze staat niet haast voltooid wezen?--Misschien.--Waar zou er dan nu de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid in gevonden worden, en met welk van de genoemde bestanddeelen zijn zij er binnen gekomen?--Ik zie het nog niet, ~Socrates~! of het moest zijn met de wederzijdsche betrekkingen der inwoners.--Misschien hebt gij gelijk, dus moeten wij dat nasporen en niet vertragen.

Vooreerst moeten wij dus beschouwen, hoe zij zullen leven, als de zaken alzoo op orde zijn gekomen. Zij zullen dus graan en wijn bouwen, en kleederen, schoenen en huizen maken, en des zomers meestal naakt en blootvoets, maar des winters behoorlijk geschoeid en gekleed hun werk doen. En zij zullen zich voeden door van het graan meel en bloem te malen en dat te kneden en te bakken, en aldus daarvan allerlei soort van kostelijk brood te maken, dat zij op schoone bladeren opdisschen, en, op matrassen van stroo of varen aanliggende, in gezelschap hunner kinderen nuttigen, terwijl zij wat wijn toe drinken, en met kransen op het hoofd de goden bezingen, en zich dus in elkanders gezelschap vermaken. Ook moeten zij zorgen niet meer kinderen te verwekken dan zij onderhouden kunnen, ter voorkoming van gebrek en oorlog.

XIII. Toen vatte ~Glauco~ het woord op, en zeide: zult gij die menschen geen toespijs bij hun eten geven.--Dat is ook waar, zeide ik. Ik heb nog vergeten te zeggen, dat zij ook toespijs zullen hebben, namelijk zout, en olijven, en kaas, en uijen, en allerlei tuingroenten, die gekookt worden. En tot lekkernij zullen wij hun vijgen en erwten, en boonen voorzetten, en myrtenbessen en eikels zullen zij in de asch braden, en daarbij een slokje drinken. En alzoo zullen zij hun leven in gezondheid en vrede doorbrengen, en waarschijnlijk oud worden, en een dergelijk leven aan hunne nakomelingen nalaten.--Hierop zeide hij: ~Socrates!~ zoo gij een staat van varkens wildet stichten, hoe zoudt gij ze dan wel anders voederen?--Maar hoe moet het dan zijn, ~Glauco~! zeide ik.--Zoo als het hoort, zij moeten, om geen ellendig leven te hebben, op bedden aanliggen en van tafels eten, en toespijs en lekkernijen hebben, zoo als die tegenwoordig te bekomen zijn.--Ook al goed. Wij onderzoeken dus, naar het schijnt, niet eenvoudig, hoe een staat, maar hoe een weelderige staat wordt ingerigt. En misschien is dat wel zoo goed, want door dit laatste er bij te nemen, zullen wij welligt kunnen zien, hoe de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid in de staten geboren worden. Naar mijn oordeel is dus de staat, dien wij beschreven hebben, wel de ware en gezonde; maar zoo gij wilt, dat wij ook een zieken staat beschouwen, is er niets in den weg. De beschrevene levenswijs toch is, naar het schijnt, voor velen niet voldoende, maar er moeten ook tafels zijn en bedden en ander huisraad, en toespijs, en zalf, en reukwerk, en hoeren, en gebak, en meer dergelijke dingen. Ook moeten wij dan het eerstgenoemde, namelijk huizen, kleeding en schoenen, niet voor het alleen noodige houden, maar er de schilder- en beeldhouwkunst bij halen, en goud en elpenbeen en wat dies meer zij moeten wij bezitten: niet waar?--Ja, zeide hij.--

XIV. Dus moeten wij den staat ook grooter maken. Want die gezonde is niet meer groot genoeg, maar hij moet nu nog gevuld worden met een menigte ballast, die in de staten niet om de noodzakelijkheid aanwezig is, b. v. allerlei soort van jagers; en allerlei nabootsers in gedaanten, kleuren, en muzijk; en dichters met hunne dienaars, b. v. opzeggers van verzen, tooneelspelers, en koorzangers; en aannemers; en vervaardigers van allerlei huisraad, en van sieraden voor de vrouwen. Ook hebben wij dan meer dienaars noodig. Of moeten wij dan geen oppassers van kinderen, kindermeiden, minnen, kappers, baardscheerders, banketbakkers en koks hebben? En dan mogen er ook nog wel zwijnenhoeders wezen. Want dat alles hadden wij in onzen vorigen staat niet, omdat het niet noodig was; maar in dezen moeten wij dat alles hebben. En ook allerlei vee, dat gegeten wordt, niet waar?--Natuurlijk.--En geneeskundigen zullen wij dan ook wel meer noodig hebben, dan bij de vorige levenswijs.--Veel meer.--

En het land, dat toen groot genoeg was, om de menschen, die zóó leefden, te voeden, zal nu, in plaats van groot genoeg, veel te klein wezen.--Natuurlijk, zeide hij.--Dus moeten wij, om genoeg land voor ons vee en onzen akkerbouw te hebben, van dat onzer buren afnemen; en zij evenzoo van het onze, zoo zij insgelijks naar oneindige uitbreiding van bezittingen streven, en de grenzen der noodzakelijkheid te buiten gaan.--Dat is onvermijdelijk, ~Socrates~!--Dus zullen wij ook krijg voeren, ~Glauco~! niet waar?--Zekerlijk.--Wij willen nu niet zeggen, dat de oorlog over ’t algemeen goed of kwaad teweeg brengt, maar alleen dit, dat wij den oorsprong des oorlogs gevonden hebben, en dat, zoo de burgers van een staat of de staat zelf ongelukkig worden, dit vooral daaraan te wijten is[25].--Juist.--Dus moet onze staat bij dit alles geen klein toevoegsel hebben, maar een geheel leger, dat moet uittrekken en om al onze bezittingen, ook om het laatstgenoemde, met de vijanden krijg voeren.--Maar kunnen de burgers dat dan zelve niet doen?--Neen, zoo gij en wij allen ten minste teregt bij het vormen van den staat zijn overeengekomen, gelijk gij u nog wel herinnert, dat één mensch onmogelijk vele kunsten goed kan uitoefenen.--Dat is waar.--En vindt gij nu niet, dat het oorlogvoeren tot de kunsten behoort?--Wel ja.--En is de schoenmakerskunst van meer belang dan de krijgskunst?--Wel neen.--Edoch wij hebben den schoenmaker verboden te gelijk boer, of wever, of huizenbouwer te wezen, opdat het schoenmakerswerk goed zou gedaan worden; en evenzoo hebben wij aan ieder der overigen één ding toegewezen, waartoe hij van natuur geschikt was, en dat hij goed zou uitoefenen, door er zijn heele leven werk van te maken, en de geschikte tijden niet te verzuimen; en is het dan niet van het hoogste belang, dat de krijgszaken goed behandeld worden? of is dat zóó gemakkelijk, dat een boer of schoenmaker, of ander werkman, te gelijk een krijgskundige kan wezen, terwijl het dammen of dobbelen slechts behoorlijk kan gedaan worden door iemand, die er van kindsbeen zijn hoofdwerk van gemaakt heeft? en kan iemand, die een schild of ander wapen of oorlogswerktuig opneemt, dan zoo maar in eens allerlei soorten van strijd behoorlijk volbrengen, terwijl toch geen ander werktuig, zoodra het is opgenomen, de kunst van het te bezigen aanbrengt, noch bruikbaar is voor iemand, die er niet mede bekend is en zich niet behoorlijk in deszelfs gebruik heeft geoefend?--Als dat zoo was, dan zouden die werktuigen wel veel waarde hebben.--

XV. Naarmate dus het werk der wachters van meer belang is, vordert het meer tijd, en kennis, en oefening.--Dat zou ik ook denken.--En ook natuurlijke geschiktheid voor die bezigheid.--Stellig.--Dus moeten wij, zoo wij kunnen, bepalen, welke en hoedanig een aard voor het bewaken van den staat geschikt is.--Juist.--Waarlijk, dat is geen kleinigheid; maar wij moeten toch den moed niet laten zakken, zoo lang wij nog kracht hebben.--Zeker niet.--Maar vindt gij niet, dat de aard van een goeden wachthond veel overeenkomst heeft met dien van een knaap van goeden aanleg voor de krijgsdienst.--Hoe meent gij dat?--Beiden moeten immers scherp van waarneming zijn, en vlug in het najagen van het waargenomene, en sterk als er na het inhalen moet gevochten worden.--Ja, dat alles is noodig.--En ook moedig, zoo zij goed zullen vechten.--Dat spreekt.--En kan een paard, of een hond, of eenig ander dier, dat niet driftig is, wel moedig zijn? Of hebt gij nooit opgemerkt, hoe moeijelijk om te bestrijden en te overwinnen de drift is, en dat, waar die gevonden wordt, de ziel nergens voor vreest of terugdeinst.--Ja, dat heb ik wel eens opgemerkt.--Dus is het duidelijk, hoe het ligchaam van den wachter moet gesteld zijn.--Ja.--En van zijne ziel is het uitgemaakt, dat zij driftig moet zijn.--Juist.--Maar, ~Glauco~, wanneer zij zulk eenen aard hebben, zullen zij dan niet lastig voor elkander en voor andere burgers wezen?--Ongemakkelijk.--Maar het is toch noodig, dat zij zachtmoedig zijn voor de hunnen, en slechts tegen de vijanden kwaadaardig. Want zoo dat geen plaats heeft, zullen zij niet wachten tot anderen hen verdelgen, maar zij zullen dat wel vroeger zelve doen.--Dat is ook waar.--Wat zullen wij dan doen? Hoe zullen wij eene inborst vinden, die te gelijk krachtvol en zachtmoedig is? Want driftig en zachtmoedig staat toch tegen elkander over.--Dat schijnt zoo.--En die één van beiden mist, kan onmogelijk een goed wachter zijn. Dus stuiten wij dan op onmogelijkheden, en een goed wachter is onmogelijk.--Dat lijkt wel.--Geen raad wetende overdacht ik het vorige nog eens, en zeide: het is geen wonder, mijn vriend! dat wij in de war zijn geraakt, want wij hebben het ons voorgestelde beeld uit het oog verloren.--Hoe zegt gij?--Wij hebben niet bedacht, dat er wel degelijk zulke geaardheden bestaan, die wij onmogelijk noemden, die deze beide eigenschappen bezitten.--Waar dan?--Zij komen ook wel bij andere dieren voor, maar vooral bij die soort, waarbij wij den wachter vergeleken hebben. Want gij weet toch wel, dat honden van edel ras de eigenschap hebben, dat zij bijzonder zachtzinnig jegens hunne bekenden, en het tegenovergestelde tegen onbekenden zijn.--Dat weet ik.--Dus is het gestelde niet onmogelijk, en wij zoeken geen tegennatuurlijke soort van wachters.--’t Schijnt van neen.--

XVI. Vindt gij nu niet, dat hij, die een goede wachter zijn zal, behalve driftig, ook wijsgeerig van geaardheid moet wezen?--Hoe dat? ik begrijp u niet.--Ook dit kunt gij in de honden opmerken, en het is wel eene merkwaardige eigenschap van dat beest.--Wat?--Dat het boos wordt op alle vreemden, ook die het nooit kwaad gedaan hebben, en vriendelijk is jegens alle bekenden, al heeft het er nooit iets goeds van ondervonden. Hebt gij u nooit daarover verwonderd?--Tot nog toe heb ik er niet bijzonder op gelet; doch ik erken, dat het waar is.--Maar dat is toch wel eene aardige en waarlijk wijsgeerige eigenschap.--Hoe zoo?--Wel, dat het iemand om geen andere reden, dan om bekendheid of onbekendheid, al of niet met vriendelijkheid of onvriendelijkheid bejegent. Of is het geen blijk van leergierigheid het eigene en het vreemde naar de bekendheid of onbekendheid te bepalen?--Ja zeker.--En is leergierig en wijsgeerig niet hetzelfde?--Ja.--Dus kunnen wij gerust vaststellen, dat ook een mensch, zoo hij jegens zijne huisgenooten en bekenden zachtmoedig zal wezen, een wijsgeerigen en leergierigen aard moet hebben.--Ja.--Dus moet hij, die een goede wachter voor onzen staat zal wezen, wijsgeerig en driftig, en vlug, en sterk van aanleg zijn.--Dat is noodig.--Zóó moeten zij dus van aanleg zijn. Maar hoe moeten zij nu worden groot gebragt en opgeleid? Zou het onderzoek van dit punt ons ook kunnen helpen om gemakkelijker te vinden wat wij eigenlijk zoeken, hoe regtvaardigheid en onregtvaardigheid in den staat geboren wordt? want wij moeten nu niets, dat noodig is, overslaan, en evenzeer noodeloozen omslag vermijden.--Hierop zeide ~Adimantus~: ik geloof, dat dit onderzoek ons hiertoe van heel wat nut zal kunnen zijn.--Komaan, mijn beste ~Adimantus~! zeide ik, dan moeten wij het niet nalaten, al is het wat heel omslagtig.--Zeker niet.--Dus willen wij dan, alsof wij eene fabel verdichten, daar wij toch tijd hebben, de opleiding dier mannen beschrijven.--Dat is goed.--

XVII. Hoe moet dan nu die opleiding wezen? Is het niet moeijelijk eene betere te vinden dan die door lengte van tijd gevonden is, namelijk de gymnastiek voor het ligchaam, en de muzenkunst[26] voor den geest?--Juist.--En moeten wij hen niet eerst door de muzenkunst, vervolgens door de gymnastiek opleiden?--Natuurlijk.--En rekent gij tot de muzenkunst ook de verhalen?--Ja.--En nu zijn er immers twee soorten van verhalen, ware en verdichte?--Ja.--En wij moeten ze door beiden opleiden, maar eerst door de verdichte?--Ik begrijp niet, wat gij bedoelt.--Begrijpt gij niet, dat wij aan de kinderen eerst sprookjes vertellen. En die zijn toch meest verdicht, al loopt er ook wat waars onder. En wij bezigen bij de kinderen die sprookjes vóór zij de gymnastiek leeren.--Ja.--Dit bedoelde ik, toen ik zeide, dat wij de muzenkunst vóór de gymnastiek onderwijzen.--Juist.--En nu weet gij zeker wel, dat het begin van ieder werk het belangrijkste is, vooral bij het nog jonge en teedere. Want daaraan wordt de gedaante, die men er aan geven wil, het best uitgedrukt en gevormd.--Ongetwijfeld.--Maar moeten wij dan nu zoo maar toelaten, dat de kinderen allerlei door iedereen vervaardigde sprookjes hooren, en alzoo in hunne ziel denkbeelden opnemen, die meestal lijnregt strijden tegen die, welke wij verlangen, dat zij als volwassenen koesteren?--Wel neen, zeker niet!--Vooreerst moeten wij dus het oog houden op hen, die sprookjes vervaardigen, en, zoo zij een heilzaam sprookje gemaakt hebben, dat goedkeuren, maar wat niet heilzaam is, afkeuren. Verder zullen wij de voedsters en de moeders aanraden de goedgekeurde aan de kinderen te vertellen, en alzoo hunne zielen veel meer door die sprookjes dan hunne ligchamen met de handen te vormen. Maar verscheidene van de sprookjes, die nu verteld worden, moeten wij afkeuren.--Welke?--Naar de grootere zullen wij ook de kleinere kunnen beoordeelen. Want de grootere en de kleinere moeten dezelfde strekking hebben en denzelfden invloed uitoefenen, niet waar?--Ja zeker; maar ik vat evenmin, wat gij met die grootere bedoelt.--Hetgeen ~Hesiodus~ en ~Homerus~, en de andere dichters ons verhaald hebben. Want die hebben vele verdichte sprookjes vervaardigd en aan de menschen verteld, en vertellen die nog, door hunne gedichten.--Wat bedoelt gij, en wat hebt gij daarop aan te merken?--De belangrijkste aanmerking, die men op verkeerde verdichtselen kan maken.--Welke dan?--Wanneer iemand verkeerde voorstellingen aangaande de natuur van goden en halve goden in omloop brengt; als een schilder, die afbeeldingen maakt, welke volstrekt niet gelijken op hetgeen zij moeten voorstellen.--Het is zeker goed daarop aanmerking te maken; maar hoe en wat meent gij toch eigenlijk?--Vooreerst, zeide ik, de ergste leugen omtrent de heiligste dingen; zoo als b. v. wat ~Hesiodus~ ~Uranus~ laat doen, en hoe ~Cronos~ hen daarvoor strafte[27]. En wat ~Cronos~ gedaan en weêr van zijn zoon ondervonden heeft[28], zou ik, al was het waar, niet zoo ligt aan onwetende, jonge lieden vertellen, maar veel liever zwijgen: en zoo ik het zeggen moest, zou ik het in den vorm van mysterie doen, opdat zoo weinigen als mogelijk het zouden vernemen, en daarbij geen zwijn[29], maar zulk een kostbaar offer vorderen, dat haast niemand er bij kon komen.--Ja, die verhalen zijn leelijk.--En zij moeten in onzen staat niet verteld worden, ~Adimantus~! En evenmin moeten wij aan een jong toehoorder zeggen, dat, zoo hij het grootste onregt bedreef, of zijnen vader, die onregt deed, op allerlei wijs daarin verhinderde, hij niets vreemds doen zou, maar, hetzelfde als de eersten en grootsten der goden.--Neen waarlijk, dat vind ik ook niet oorbaar om te zeggen.--En ook in ’t geheel niet, dat de goden oorlog voeren en elkander bestrijden en belagen (’t welk toch een leugen is), zoo althans onze toekomstige wachters het schandelijk moeten vinden, over eene kleinigheid met elkander te twisten. En ook gevechten van goden en reuzen moeten wij hun niet verhalen, noch in afbeeldingen vertoonen, en evenmin al die andere twisten en vijandelijkheden van goden en halve goden tegen hunne bloedverwanten en naastbestaanden: maar zoo wij hen willen doen gelooven, dat geen medeburgers tegen elkander vijandig mogen worden, en dat dit ook door de goden wordt afgekeurd, dan moeten de oude mannen en vrouwen ook dergelijke dingen aan de kinderen en de aankomende knapen vertellen, en dan moeten wij de dichters noodzaken aldus hunne verdichtselen in te rigten. Maar dat ~Hera~ door ~Hefaestus~ is gebonden, of dat ~Hefaestus~ door zijnen vader uit den hemel is geworpen, toen hij zijne moeder, die geslagen werd, wilde helpen; en dat de goden, zoo als ~Homerus~ verhaalt, gevochten hebben; zulke verhalen moeten wij in onzen staat niet toelaten, of er een verborgen zin in ligt of niet. Want een jong mensch is niet in staat te onderscheiden, wat verborgen zin is en wat niet, en de meening, die iemand op die jaren heeft aangenomen, is meestal onuitwischbaar en niet te veranderen. Daarom is het zaak zijn uiterste best te doen, dat zij het eerst zulke sprookjes vernemen, die zoo veel mogelijk eene strekking tot de deugd hebben.