De republiek van Plato

Part 6

Chapter 63,866 wordsPublic domain

III. En dat zij, die haar beoefenen, dit doen, omdat zij tot het plegen van onregt niet in staat zijn, kan gemakkelijk blijken, zoo wij in de gedachte aldus doen. Geven wij aan beiden, aan den regtvaardige en aan den onregtvaardige, de gelegenheid om te doen, wat zij willen, en laat ons dan eens zien, waar ieder door zijne begeerte wordt heen gedreven. Dan zouden wij den regtvaardige betrappen, terwijl hij, niet minder dan de onregtvaardige, zijn best deed, om meer dan anderen te hebben, daar dit de natuurlijke neiging van alle wezens is, al worden zij ook door de wet met geweld tot het in acht nemen der gelijkheid gedwongen. De gelegenheid nu, die ik meen, zou liefst zoo moeten zijn, als die, welke, naar men zegt, aan ~Gyges~ te beurt viel. Want er wordt verteld, dat hij een lijfeigen herder was van den Koning van Lydie, en dat door groote slagregens en eene aardbeving in de streek, waarin hij weidde, eene spleet in de aarde ontstond. Dat hij, dit met verwondering ziende, daarin afdaalde, en daar allerlei andere vreemdigheden zag, en ook een paard van koper, dat hol was en met deuren voorzien, waardoor hij naar binnen keek, en een lijk zag, dat te groot was voor een mensch. Dat daaraan verder niets bijzonders was dan een gouden ring aan de hand, dien hij er afnam en heenging. Dat, toen de gewone verzameling der herders plaats had, om maandelijks aan den Koning den staat der kudden te berigten, hij daar ook kwam met zijnen ring aan. Dat, terwijl hij daar met de anderen zat, hij bij toeval de kas van den ring naar de binnenste zijde van zijne hand draaide, en dat hij daardoor onzigtbaar werd voor de aanwezigen, zoodat zij van hem zeiden, dat hij was heengegaan. Dat hij zich hierover verwonderde en de kas van den ring weder naar buiten draaide, en daardoor weder zigtbaar werd. Dat hij, dit merkende, de kracht van den ring beproefde, en dat het hem altijd gebeurde, dat hij, als de kas naar binnen gekeerd was, onzigtbaar werd, en, zoo zij naar buiten kwam, zigtbaar. Dat hij, toen hij dit had waargenomen, wist gedaan te krijgen, dat hij onder de boden was, die naar den Koning gezonden werden, en dat hij, daar gekomen zijnde, overspel met de Koningin bedreef, en met hare hulp den Koning belaagde en vermoordde, en het oppergebied bemagtigde. Zoo er nu twee zulke ringen waren, en de regtvaardige den eenen, de onregtvaardige den anderen aandeed, dan zou toch wel niemand zoo onverzettelijk zijn, dat hij bij de regtvaardigheid bleef, en van zich verkrijgen kon, om het goed van anderen niet aan te raken, terwijl hij van de volle markt zonder vrees wat hij wilde kon wegnemen, en in de huizen kon gaan om gemeenschap te hebben met wie hij wilde, of wien hij wilde te dooden of uit de gevangenis te halen, enz., daar hij dan als een god onder de menschen zou rondwandelen. In dat geval zou de een niet anders doen dan de ander, maar beiden zouden hetzelfde verrigten. En dit is toch wel een groot bewijs, dat de menschen niet vrijwillig, maar uit dwang regtvaardig zijn, daar dit op zich zelf geen goed is; want ieder doet onregt, wanneer hij meent er toe in staat te wezen. Ieder toch oordeelt, dat op zich zelve de onregtvaardigheid veel voordeeliger is dan de regtvaardigheid, en daarin heeft hij gelijk, zoo als in deze leer wordt beweerd; want, zoo iemand zulk eene gelegenheid bekwam, en dan geen onregt doen, noch het goed van anderen wilde aanraken, dan zouden zij, die het hoorden, hem heel ongelukkig en gek vinden, maar hem toch openlijk prijzen en elkander bedriegen uit vrees van zelve onregt te lijden. Dit staat dus vast.

IV. Om eindelijk beider levenswijs goed te kunnen beoordeelen, zullen wij liefst den regtvaardige en den onregtvaardige tegen elkander over stellen. Dit moeten wij zóó doen. Wij moeten bij den onregtvaardige niets van zijne onregtvaardigheid, en bij den regtvaardige niets van zijne regtvaardigheid afnemen, maar ons ieder in zijne soort volmaakt voorstellen. Vooreerst moet dus de onregtvaardige handelen als iemand, die zijn vak verstaat. Een bekwaam stuurman b. v. of arts ziet in, wat zijne kunst vermag, en wat zij niet vermag, en onderneemt het eerste, maar het tweede niet; en indien hij al eens eene fout maakt, weet hij die te herstellen. Evenzoo moet de onregtvaardige het onregt, dat hij doen wil, met overleg doen, en daardoor verborgen blijven, wanneer hij een onregtvaardige, zoo als het hoort, zijn zal. Doch, zoo hij betrapt wordt, kent hij zijn vak maar half, want de hoogste onregtvaardigheid bestaat juist in regtvaardig te schijnen, zonder dat men het is. Dus moeten wij aan den volkomen onregtvaardige de volkomene onregtvaardigheid geven en er niets afnemen, maar toelaten, dat hij, hoewel het grootste onregt bedrijvende, zich den grootsten roem van regtvaardigheid verwerft, en, zoo hij al eens een misstap doet, moet hij dat kunnen goed maken, door, wanneer hij van onregt beschuldigd wordt, zich met overtuigende redeneringen vrij te pleiten, en in geval van nood, geweld te gebruiken, daar hij moed en kracht heeft en over vrienden en geld kan beschikken.

Nu moeten wij tegenover dezen den regtvaardige stellen als een eenvoudig en edelaardig mensch, die, zoo als ~Aeschylus~ zegt, liever goed wil zijn, dan schijnen. Dus ontnemen wij hem den schijn. Want zoo hij regtvaardig schijnt[24], valt hem om die reden eer en voordeel te beurt, en dan is het onzeker, of hij zóó is, om de regtvaardigheid zelve, of om de eer en het voordeel. Daarom moeten wij hem van alles behalve van zijne regtvaardigheid berooven, en hem in den tegenovergestelden toestand van den anderen plaatsen; zoodat hij, zonder eenig onregt te doen, den grootsten schijn van onregtvaardigbeid heeft; ten einde zijne regtvaardigheid proefondervindelijk te bewijzen, door zich aan geen kwaden schijn en de gevolgen daarvan te storen, maar tot den dood bij zijne niet bekende regtvaardigheid te volharden; opdat, wanneer beiden het hoogste toppunt, de een van regtvaardigheid, de ander van onregtvaardigheid bereikt hebben, het oordeel gemakkelijk zij, wie gelukkiger is.--

V. Wel, ~Glauco~! zeide ik, wat hebt gij daar beiden als in eene afbeelding aanschouwelijk en zonder omwindsels voorgesteld.--Ik heb mijn best gedaan. Doch daar zij nu zoo zijn, is het, geloof ik, geen kunst meer, te beredeneren, welk leven ieder moet verwachten. Dat zal ik dan nu doen. Doch, zoo ik onbetamelijke dingen zeg, ~Socrates~! geef dan daarvan de schuld niet aan mij, maar aan hen, die de onregtvaardigheid boven de regtvaardigheid prijzen. Zij zullen zeggen, dat de regtvaardige gegeeseld, gepijnigd, gebonden, blindgemaakt, en na allerlei ander kwaad verduurd te hebben, gekruisigd zal worden, en daardoor leeren zal, dat men liever regtvaardig moet schijnen, dan zijn. Dat dus de woorden van ~Aeschylus~ veel meer op den onregtvaardigen passen. Want, dat die, de werkelijkheid en niet het gepraat der menschen tot maatstaf nemende, liever onregtvaardig wil zijn dan schijnen, «en in zijnen geest eenen vruchtbaren akker bewerkt, waaruit wijze plannen ontspruiten.» Dat hij vooreerst, door regtvaardig te schijnen, overheidsambten bekomt, dat hij vervolgens trouwt met wie hij wil, zijne kinderen uithuwelijkt, zoo als hij wil, alle verbindtenissen aangaat, die hij begeert, en daarenboven zijne beurs vult, daar hij geen zwarigheid ziet in onregtvaardige winst. Dat hij in twisten en regtsgedingen de overhand behoudt en zijne tegenstanders meester wordt, en daardoor rijkdom verwerft, en zijne vrienden kan weldoen en zijne vijanden schaden; en dat hij behoorlijke, ja prachtige offers en wijgeschenken aan de goden kan geven, en ze dus veel beter dan de regtvaardige kan dienen; zoodat hij ook natuurlijk aan de goden veel aangenamer is dan de regtvaardige. Zoo zeggen zij, ~Socrates~! dat door goden en menschen aan den onregtvaardige een veel beter leven bezorgd wordt dan aan den regtvaardige.--

VI. Toen ~Glauco~ dit gezegd had, wilde ik er op antwoorden, maar zijn broeder ~Adimantus~ zeide: ~Socrates!~ gij meent zeker, dat er al genoeg gezegd is?--Hoe zoo? zeide ik.--Het allernoodzakelijkste is nog overgeslagen.--Dan moet gij maar aanvullen wat bij uw broeder ontbreekt. Het door hem gezegde is echter al genoeg, om mij neêr te werpen en mij te beletten aan de regtvaardigheid te hulp te komen.--Dat baat niet, zeide hij, dit moet gij ook nog hooren. Wij moeten ook de redeneringen nagaan van hen, die de regtvaardigheid prijzen en de onregtvaardigheid laken, opdat hetgeen ~Glauco~, naar ik meen, bedoelt, nog duidelijker worde.

Ouders en opvoeders zeggen en vermanen hunne kinderen en kweekelingen, dat men regtvaardig zijn moet, doch prijzen dan de regtvaardigheid zelve niet, maar het voordeel, dat er uit te halen is, daar een goede naam de weg is tot posten, rijke huwelijken, en wat ~Glauco~ meer toeschreef aan den onregtvaardige, die voor regtvaardig doorgaat. Zij weiden dan alleen wat meer uit over de gevolgen van dien goeden naam, want zijn zij eens aan de eer bij de goden, dan noemen zij onmetelijke voordeelen op, die zij zeggen, dat de goden aan de braven geven, zoo als die goede ~Hesiodus~ en ~Homerus~ zeggen, «dat de goden de eikenboomen, ten voordeele der regtvaardigen, van boven vruchten, in het midden honig laten voortbrengen, en dat hunne woldragende schapen met rijke vruchten beladen zijn, enz.,» of «dat, zoo een goed en goddelijk Koning de regtvaardigheid vereert, de zwarte aarde hem tarwe en gerst opbrengt, zijne boomen door de vruchten ombuigen, zijne kudden niet misdragen, en de zee hem visch oplevert.» En ~Musaeus~ en zijn zoon ~Eumolpus~ geven nog voortreffelijker belooningen uit naam der goden aan de regtvaardigen; want zij doen hen in het huis van ~Hades~ aanliggen, en in vrolijke drinkgelagen met kransen op het hoofd den geheelen tijd dronken doorbrengen, als ware eene eeuwige dronkenschap de schoonste belooning der deugd. En anderen strekken de belooningen der goden nog verder uit, want zij zeggen, dat de kindskinderen en het nageslacht van den deugdzame en regtvaardige zullen bloeijen. Zulke loftuitingen maken zij op de regtvaardigheid, maar de goddeloozen en onregtvaardigen dompelen zij in den Hades in een moeras, of laten ze in een zeef water scheppen; en bij hun leven voorspellen zij hun een slechten naam en wat ~Glauco~ meer als straffen van hem, die regtvaardig is, maar onregtvaardig schijnt, heeft opgegeven, dat alles zeggen zij van de onregtvaardigen, maar verder niets. Dit is dus hetgeen tot lof en berisping van beiden gezegd wordt.

VII. Daarenboven, ~Socrates~! moet gij nog andere oordeelvellingen over regtvaardigheid en onregtvaardigheid in het oog vatten, die zoowel bij dichters als in de taal van het dagelijksch leven dikwijls voorkomen. Allen zeggen toch uit éénen mond, dat matigheid en regtvaardigheid wel schoon, maar moeielijk en lastig zijn; doch, dat ongebondenheid en onregtvaardigheid aangenaam en ligt verkrijgbaar, en slechts door de meening der menschen en de gewoonte schandelijk zijn. En de meesten oordeelen, dat onregtvaardigheid meer winst geeft dan regtvaardigheid, en zijn bereid slechte menschen, zoo zij rijk en magtig zijn, gelukkig te noemen, en hun zoowel in ’t openbaar als ieder voor zich eer te bewijzen, maar zwakken en armen te verachten en over het hoofd te zien, al erkennen zij ze ook voor beter dan de anderen. En het vreemdst van allen is, hetgeen van de goden beweerd wordt, dat de goden dikwijls aan braven ongeluk en ellende hebben toegedeeld, en aan slechten het tegenovergestelde. Ook zwerven er bezweerders en wigchelaars rond aan de deuren der rijken en maken hun wijs, dat zij van de goden het vermogen gekregen hebben, om door offers en tooverformulieren de slechte daden van iemand of van zijne ouders met vermaak en feesten te verzoenen; en, zoo zij hunne vijanden willen schaden, die met weinig omslag te kunnen benadeelen, of zij regtvaardig of onregtvaardig zijn, daar zij met bezweringen en geheimzinnige spreuken de goden, zoo als zij zeggen, kunnen overhalen, om hun ten dienst te staan. En dit alles bevestigen zij met de getuigenis van dichters, die b. v. van het gemakkelijke der ondeugd zingen: «De ondeugd kan men ligtelijk in overvloed bekomen; de weg derwaarts is vlak en zij woont digt in de buurt: maar de goden hebben het zweet gesteld voor de deugd, en de weg tot haar is hobbelig en steil.»

Anderen halen ~Homerus~ aan tot getuige voor de mogelijkheid, dat de menschen de goden van zin doen veranderen, wanneer hij zegt: «Zelfs de goden zijn te verbidden, en wanneer iemand overtreden of gezondigd heeft, bevredigt men ze met smeekgebeden, gaven, geloften, plenging van wijn en offerdamp.»

Ook vertoonen zij vele boeken van ~Musaeus~ en ~Orfeus~, afstammelingen van de maan of van de Muzen, zooals zij zeggen, volgens welke zij offers verrigten, en enkele menschen, ja geheele staten, doen gelooven, dat er verzoening en reiniging is van misdaden door offers en aangename feesten, die zoowel voor levenden als voor dooden van kracht zijn, en die zij mysteriën noemen; bewerende, dat zij ons voor alle kwaad hier namaals vrijwaren, terwijl zij, die deze offers verzuimen, een schrikkelijk lot te wachten hebben.

VIII. Wanneer wij nu, mijn beste ~Socrates~! letten op al deze uitspraken over deugd en ondeugd, en over het gevoelen van goden en menschen omtrent beiden, wat moeten wij dan wel denken, dat de zielen van leergierige en vlugge jongelingen, die op al wat zij hooren toevliegen, daaruit voor gevolgtrekkingen zullen maken, aangaande de meest verkieselijke levenswijs? Waarschijnlijk zou zulk een wel eens tot zich zelven de woorden van ~Pindarus~ zeggen: «moet ik door regt of door kromme wegen een hoogen muur binnenkomen, om mij daarmede zoolang ik leef te omschansen?» Want, naar ik hoor, deugt de regtvaardigheid zonder den schijn nergens voor, ja veroorzaakt klaarblijkelijk nadeel en moeite; maar de onregtvaardige, die zich met een schijn van regtvaardigheid omgeeft, heeft een heerlijk leven. Daar dus, zoo als de wijzen zeggen, de schijn de waarheid overwint en meester is van het geluk, moet ik mij daarop geheel toeleggen, en, van voren eene groote vertooning van deugd makende, achter mijnen rug, zoo als ~Archilochus~ zegt, een voordeel aanbrengend en slim vosje verbergen. Maar, zal iemand zeggen, het is niet gemakkelijk altijd zijne slechtheid verborgen te houden. Nu ja, is daarop ons antwoord, groote dingen zijn altijd moeijelijk; maar toch moeten wij, om gelukkig te zijn, volgens het oordeel van ieder, dien weg op. Dan moeten wij zamenspanningen en verbonden maken, en er zijn ook leermeesters in de kunst van overreden, die ons de bekwaamheid verschaffen, die wij in de volksvergadering en voor de regtbank noodig hebben, zoodat wij door overreding en geweld ons wel van de straf zullen vrijwaren. Maar tegen de goden helpt geen bedrog of geweld. Welnu, zoo die niet bestaan of zich niet om de menschen bekommeren, dan behoeven wij geen moeite te doen om voor hen verborgen te blijven, en zoo zij er zijn en zich met ons bezig houden, dan kennen wij ze toch slechts uit de dichters, die hunne afkomst hebben medegedeeld. Edoch diezelfde dichters zeggen, dat zij door offers en geloften en wijgeschenken kunnen bevredigd en gewonnen worden. En wij moeten hen òf in beide punten òf in geen van beiden gelooven. Zoo wij dus gelooven moeten, dan is het zaak onregt te bedrijven, en van de winst offers te doen. Want regtvaardigen worden slechts door de goden niet gestraft, maar missen het voordeel der onregtvaardigheid, doch onregtvaardigen doen winst, en kunnen door smeekgebeden hunne overtredingen en zonden weer goed maken, en er alzoo toch behouden afkomen. Doch in den Hades zullen wij, of onze kindskinderen, straf boeten voor hetgeen hier is misdreven? Och, mijn vriend! zal hij zeggen, de mysteriën en de goden, die reiniging verschaffen, vermogen zooveel, gelijk de grootste staten zeggen en de zonen der goden, die als dichters en profeten zijn opgetreden, ons leeren.

IX. Op welken grond zouden wij dan nog aan de regtvaardigheid de voorkeur geven boven de grootste onregtvaardigheid? Immers, zoo wij die laatste onder een bedriegelijken schijn van deugd weten te verbergen, zullen wij het in leven en dood, bij goden en menschen naar onzen zin hebben, zoo als volgt uit de verklaringen van de meeste en knapste menschen. Hoe is het na al het gezegde mogelijk, ~Socrates~! dat iemand van eenige geestkracht, rijkdom, ligchaamssterkte of afkomst de regtvaardigheid wil vereeren, en niet uitbarst in lagchen, wanneer hij haar hoort prijzen? Wanneer dus iemand kan aantoonen, dat het gezegde valsch is, en duidelijk inziet, hoe voortreffelijk de regtvaardigheid is, dan heeft hij echter geduld met de onregtvaardigen en wordt niet boos op hen, daar hij weet, dat, behalve een enkele, die door zijnen goddelijken aanleg de onregtvaardigheid verfoeit, of zich op grond van hetgeen hij weet, daarvan onthoudt, niemand vrijwillig de regtvaardigheid beoefent, maar door lafheid, of ouderdom, of eenige andere zwakheid afkeerig is van het onregt, dat hij niet kan plegen. En dit blijkt vooral daaruit, dat ieder hunner, zoodra hij in de gelegenheid is, zooveel onregt doet als hij kan. En van dit alles is geene andere oorzaak dan deze, ~Socrates~! dat, zoo als hij en ik reeds in den beginne tot u zeiden, van u allen, die de regtvaardigheid prijst, te beginnen van die wijzen uit den heldentijd, waarvan nog uitspraken overig zijn, tot op de menschen van onze dagen, nooit iemand de onregtvaardigheid anders gelaakt of de regtvaardigheid geprezen heeft dan wegens de schande en straf of de belooning en eer, die er op volgen; maar de eigenaardige kracht, die ieder van haar, al merken goden en menschen het niet, in de door haar bewoonde ziel uitoefent, heeft nooit iemand in gewone taal of in verzen behoorlijk behandeld, noch aangetoond, dat de eene het grootste inwendige kwaad, de andere het grootste goed der ziel is. Want zoo gij allen steeds aldus hadt gesproken, en ons dit van onze jeugd hadt ingeprent, dan behoefde de een van ons den ander niet in het oog te houden, opdat hij geen onregt zou doen, maar dan was ieder voor zich de beste bewaker, daar hij dan vreezen zou, door het doen van onregt, zich zelven ongelukkig te maken. Dit, ~Socrates~! en misschien nog meer dan dit, zouden ~Thrasymachus~ en anderen over regtvaardigheid en onregtvaardigheid kunnen zeggen, wanneer zij, op eene wijs, die ik moet afkeuren, de kracht van beiden verkeerd voorstelden. Maar ik spreek nu, om de waarheid te zeggen, dit gevoelen zoo goed als ik kan voor, omdat ik van u het tegendeel wensch te hooren. Beredeneer dan voor ons, niet alleen, dat de regtvaardigheid beter is dan de onregtvaardigheid, maar om welken eigenaardigen invloed op hare bezitters, de eene goed, de andere kwaad moet genoemd worden. En laat de meening van anderen er buiten, zoo als ~Glauco~ reeds gezegd heeft. Want zoo gij dat verzuimt, dan moeten wij, daar die meening valsch kan zijn, zeggen, dat gij niet het regtvaardig zijn, maar het regtvaardig schijnen verheft, en niet het onregtvaardig zijn, maar het schijnen laakt, zoodat gij ons dan raadt onregtvaardig te zijn, maar dit verborgen te houden, en het met ~Thrasymachus~ eens zijt, dat regtvaardigheid goed is voor anderen, en nuttig voor den sterksten, maar het onregt nuttig en voordeelig voor den pleger zelven, en slechts schadelijk voor den minderen. En daar gij hebt toegestemd, dat de regtvaardigheid behoort tot het grootste goed, hetwelk én om de gevolgen, én veel meer nog om zich zelf moet gezocht worden, b. v. zien, hooren, wijsheid, gezondheid, en wat meer door zijnen aard, niet door de meening, echt goed is; zoo moet gij de regtvaardigheid prijzen om het nut, dat zij door zich zelve, in tegenstelling van de onregtvaardigheid, haren bezitter aanbrengt, maar het aan anderen overlaten belooningen en meeningen te roemen. Want ik zou het van anderen nog kunnen dulden, dat zij de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid wegens meening en vergelding prezen en laakten, maar van u, met uw welnemen, niet, dewijl gij uw geheele leven dóór juist dit punt hebt onderzocht. Beredeneer ons dan niet slechts, dat de regtvaardigheid beter is dan de onregtvaardigheid, maar ook, welke kracht ieder op zich zelve, hetzij goden en menschen haar opmerken of niet, op haren bezitter uitoefent, en waarom zij dus voor goed of voor kwaad moet gehouden worden.

X. Ik had altijd veel schik in den inborst van ~Glauco~ en ~Adimantus~ gehad, maar nu was ik vooral met hen ingenomen en zeide: Jongens! ~Critias~ heeft teregt, nadat gij in den strijd bij ~Megara~ roem behaald hadt, van u gezongen: «Zonen van ~Aristo~, goddelijk geslacht van dien beroemden man.»

Dit keur ik daarom goed, mijne vrienden! omdat er waarlijk iets goddelijks in u zijn moet, zoo gij niet gelooft, dat de onregtvaardigheid, die gij zóó kunt voorspreken, beter is dan de regtvaardigheid. En dat gij dit niet gelooft, meen ik uit uwe overige levenswijs te mogen besluiten, want uwe woorden zouden mij haast doen twijfelen. Des te grooter is echter nu mijne verlegenheid, want ik zie geen kans om de regtvaardigheid te helpen, en ik geloof, dat ik daartoe niet in staat ben, daar gij door hetgeen ik meende zoo mooi aan ~Thrasymachus~ bewezen te hebben niet overtuigd zijt, dat zij beter is dan de onregtvaardigheid; en aan den anderen kant kan ik haar niet in den steek laten, want ik vrees, dat het goddeloos is de regtvaardigheid te hooren beschimpen, zonder, zoo lang men nog adem heeft en spreken kan, hare zaak te bepleiten. Dus is het het beste haar zoo goed te verdedigen als ik kan. Nu hebben ~Glauco~ en de overigen mij verzocht haar toch vooral te helpen en de redekaveling niet af te breken, maar te onderzoeken, wat de regtvaardigheid en de onregtvaardigheid is, en hoe het staat met het nut, dat door ieder van haar wordt aangebragt. Dit onderzoek echter is, naar mijn oordeel, niet van weinig beteekenis, maar vordert, meen ik, een scherp gezigt. Daar wij nu, zou ik zeggen, niet bijzonder knap zijn, moeten wij er op dezelfde wijze naar zoeken, als wanneer ons was opgegeven, terwijl ons gezigt niet zeer scherp was, kleine letters van verre te lezen: daar het dan, geloof ik, eene uitkomst zou wezen, zoo wij diezelfde letters grooter en verder van elkander wedervonden, en dat laatste schrift eerst mogten lezen, om het eerste er dan meê te vergelijken.--Zeker, zeide ~Adimantus~; maar, ~Socrates~! weet gij dan zulk een hulpmiddel bij het onderzoek naar de regtvaardigheid?--Ik zal het u zeggen, zeide ik. Wij zijn het immers eens, dat de regtvaardigheid zoowel in een enkel mensch als in eenen geheelen staat gevonden wordt?--Ja.--En is een staat niet grooter dan een mensch?--Natuurlijk.--Misschien zou dan in het grootere de regtvaardigheid ook meer in het groot aanwezig zijn, en dáár gemakkelijker kunnen opgespoord worden. Zoo gij dus wilt, zullen wij eerst onderzoeken, wat zij in eenen staat is, en vervolgens, met behulp der vergelijking van het grootere met het kleinere, ditzelfde bij den enkelen mensch nasporen.--Dat vind ik goed.--Wanneer wij dus beredeneren, hoe een staat geboren wordt, dan zullen wij ook den oorsprong der regtvaardigheid en der onregtvaardigheid in hem kunnen nagaan.--Waarschijnlijk.--En als dat geschied is, hebben wij dan niet meer kans om hetgeen wij eigenlijk zoeken te vinden?--Veel meer.--Dus moeten wij zien, of wij dat tot stand kunnen brengen, want ik geloof, dat het niet ligt is. Vindt gij dat goed?--Ja, zeide ~Adimantus~, dat moeten wij doen.--