Part 5
Nadat wij het waren eens geworden, dat de regtvaardigheid deugd en wijsheid, maar de onregtvaardigheid slechtheid en dwaasheid is, zeide ik: dit hebben wij dus uitgemaakt, maar is er ook niet gezegd, dat de onregtvaardigheid sterk is? Herinnert gij u dat nog, ~Thrasymachus~?--Ja, zeide hij, maar wat gij nu zegt bevalt mij niet, en ik heb er heel wat tegen in te brengen; doch ik weet dat, zoo ik het doe, gij zeggen zult, dat ik doorsla[21]. Laat mij dus spreken zoo veel als ik wil, of, zoo gij vragen wilt, vraag dan, en dan zal ik als tegen een oud wijf, dat spookhistories vertelt, ja zeggen en knikken of schudden.--Volstrekt niet tegen uwe overtuiging in, zeide ik.--Zoo als gij wilt, daar gij mij niet laat uitpraten. Maar wat kunt gij meer verlangen?--Niets, maar, wanneer gij dit doen wilt, zoo doe het; dan zal ik vragen.--Vraag op!--Dan vraag ik, om alles geregeld te overzien, hetzelfde als daareven, namelijk, wat de verhouding is van de regtvaardigheid tot de onregtvaardigheid. Want er is gezegd, dat de onregtvaardigheid sterker is dan de regtvaardigheid, maar, nu de regtvaardigheid wijsheid en deugd is, zal het gemakkelijk blijken, dat zij sterker is dan de onregtvaardigheid, dat is dan de domheid. Niemand zou daar eigenlijk zwarigheid in zoeken, doch, ~Thrasymachus~! ik wil het niet zoo eenvoudig hebben, maar het liever aldus beschouwen. Stemt gij toe, dat er onregtvaardige staten zijn, en dat de eene staat den anderen, ja vele anderen, onregtvaardig verdrukken kan?--Zekerlijk. En dit zal de beste en die het meest volmaakt onregtvaardig is, het meest doen.--Juist, zeide ik, dat volgt uit uwe vorige stellingen. Maar let nu eens hier op. Kan een staat zonder regtvaardigheid de overmagt krijgen, en behouden, of heeft hij daartoe regtvaardigheid noodig?--Zoo de regtvaardigheid, gelijk gij daar even gezegd hebt, wijsheid is, dan heeft hij haar noodig, maar, volgens mijne leer, onregtvaardigheid.--Ik ben in mijn schik, ~Thrasymachus~! dat gij niet alleen knikt en schudt, maar heel mooi antwoordt.--Dat doe ik om u genoegen te geven.--Daar doet gij goed aan, ga zoo voort en zeg mij, of gij meent dat een staat, of een leger, of eene rooverbende, of eenige andere troep, die met gemeenschappelijke krachten eenig onregt wil uitvoeren, iets zou kunnen verrigten, zoo de deelgenooten van die onderneming elkander onregt aandeden.--Wel neen.--Dus zeker meer, zoo zij elkander geen onregt deden.--Ja zeker.--De onregtvaardigheid brengt dan ook twist voort, ~Thrasymachus~! en haat en tweedragt, maar de regtvaardigheid eensgezindheid en vriendschap: niet waar?--Het zij zoo! om u niet tegen te spreken.
XXIII. Goed, zeide ik, mijn beste! zeg mij nu dit nog. Zoo de onregtvaardigheid waar zij komt haat veroorzaakt, zal zij dan niet bij slaven en vrijen door hare verschijning haat en tweedragt verwekken, en het onmogelijk maken iets gemeenschappelijk te verrigten?--Noodzakelijk.--En wanneer zij bij twee personen ontstaat, zullen die dan niet overhoop raken en elkander en den regtvaardige tot vijanden zijn?--Ja.--Maar, mijn vriend! zoo nu de onregtvaardigheid bij één persoon ontstaat, verliest zij dan hare kracht, of heeft zij die behouden?--Zij heeft die behouden.--En blijkt die kracht niet daarin te bestaan, dat zij wat haar opneemt, hetzij een staat, of een geslacht, of een leger of wat dan ook, vooreerst door innerlijke tweedragt buiten staat stelt, om zelf iets uit te rigten, en ze vervolgens tegen zich zelven en tegen alle anderen, vooral de regtvaardigen, vijandig maakt?--Ja.--En wanneer zij in één persoon wordt opgenomen, zal zij dan niet alles veroorzaken, wat uit haren aard volgt, en hem vooreerst verhinderen te handelen, doordien hij met zich zelven in strijd is, en vervolgens tegen zich zelven en tegen alle anderen, vooral tegen de regtvaardige, vijandig maken; niet waar?--Ja.--En de Goden zijn immers ook regtvaardig, mijn vriend?--Och ja wel, zeide hij.--Dus zal de onregtvaardige een vijand der Goden zijn, ~Thrasymachus~! en de regtvaardige hun vriend.--Vermaak u gerust met die redenering, ik zal u niet tegenspreken, om bij hen niet in ongunst te komen[22].--Komaan! voltooi dan mijn vermaak door zóó te blijven antwoorden. Wij hebben nu gezien, dat de regtvaardigen wijzer en beter zijn, en meer in staat om te handelen, ja, dat de onregtvaardigen niets gezamenlijk kunnen verrigten; en dat, zoo eenige personen gezamenlijk eene moeijelijke daad volvoeren, wij ze niet volkomen onregtvaardig kunnen noemen, daar zij dan elkander niet met rust zouden laten, maar er onder hen nog eenige regtvaardigheid moet aanwezig zijn, waardoor zij ten minste elkander niet te gelijk met hunne slagtoffers onregtvaardig behandelen, en waardoor zij dat uitvoeren, wat zij nog uitvoeren; zoodat zij wel onregtvaardige daden ondernemen, maar toch slechts half bedorven zijn, daar de geheel bedorvenen en volkomen onregtvaardigen volstrekt niets kunnen uitvoeren. Dat dit zoo is begrijp ik heel goed, maar niet zoo als gij in het begin gesteld hebt. Nu moeten wij echter nog onderzoeken, wat wij tot nu toe bewaard hebben, of de regtvaardigen een beter leven hebben en gelukkiger zijn, dan de onregtvaardigen.
Uit het gezegde zou het reeds volgen, geloof ik, maar wij moeten het toch beter onderzoeken. Want wij spreken niet over koetjes en kalfjes, maar over de wijze, waarop men leven moet.--Onderzoek het dan maar.--Komaan! zeg mij dan, of gij oordeelt, dat een paard zijn eigen werk heeft.--Ja.--En verstaat gij door het werk van een paard of van iets anders, niet dat, wat daarmede alleen of althans het best kan uitgevoerd worden?--Dat begrijp ik niet.--Zóó dan! Kunt gij met iets anders zien dan met de oogen?--Neen.--En met iets anders hooren, dan met de ooren?--Neen.--Dus kunnen wij dat als het werk dier zintuigen aanmerken.--Ja.--Zoudt gij niet met een zwaard en eene zeis de ranken van een wijnstok kunnen afsnijden?--Och ja.--Maar nergens beter mede, geloof ik, dan met een snoeimes, dat daarvoor gemaakt is.--Natuurlijk.--Dus kunnen wij dat als deszelfs werk beschouwen?--Juist.
XXIV. Nu zult gij, geloof ik, beter kunnen begrijpen, wat ik daareven vroeg, of ieders werk niet dat is, wat daardoor alleen of althans het beste kan verrigt worden.--Ja, nu begrijp ik het, en dat houd ik ook voor ieders werk.--Goed. En heeft ook niet alles, wat een bepaald werk heeft, eene bepaalde deugd? Wij willen dezelfde voorbeelden gebruiken. De oogen hebben immers een werk?--Ja.--En hebben zij ook eene deugd?--Zeker.--En ook de ooren hebben werk?--Ja.--En deugd?--Ook deugd.--En geldt ditzelfde niet van alle andere dingen?--Ja.--En zouden nu de oogen hun werk goed kunnen verrigten, zoo zij hunne deugd niet hadden, maar in plaats daarvan ondeugd?--Wel neen, want gij meent, denk ik, blindheid in plaats van gezigt.--Ja, want dat is hunne deugd, en het komt er hier op aan, of niet al wat werkt door zijne deugd, zijn werk goed zal verrigten, en door zijne ondeugd, slecht.--Dat is waar.--Dus zullen ook de ooren, zoo zij hunne deugd missen, hun werk slecht verrigten?--Natuurlijk.--En datzelfde kunnen wij dus op alle dingen toepassen?--Ik vind van ja.--Komaan dan! onderzoek nu dit nog. Heeft ook de ziel een werk, dat door niets beter dan door haar kan gedaan worden? b. v. verzorgen, en besturen, en raadplegen en wat dies meer zij, zou men dat wel met regt aan iets anders dan aan de ziel als eigen werk kunnen toeschrijven?--Wel neen!--En het leven, is dat ook niet een werk van de ziel?--Zekerlijk.--En heeft de ziel ook niet hare deugd?--Ja.--En, ~Thrasymachus~! zal eene ziel ooit haar werk goed verrigten, zoo zij van hare deugd verstoken is, of is dat onmogelijk?--Dat is onmogelijk.--Dus moet men met eene slechte ziel slecht besturen en verzorgen, maar met eene goede ziel alles goed doen.--Noodzakelijk.--En zijn wij het niet eens geworden, dat de regtvaardigheid deugd der ziel is, maar de onregtvaardigheid ondeugd?--Ja.--Dus zal de regtvaardige ziel en de regtvaardige mensch goed leven, maar de onregtvaardige slecht.--Dat schijnt zoo, volgens uwe redenering.--Edoch die goed leeft is gelukkig, die kwaad leeft ongelukkig.--Natuurlijk.--Dus is de regtvaardige gelukkig, de onregtvaardige ongelukkig.--Het zij zoo.--Maar ongelukkig te zijn is niet voordeelig, gelukkig te zijn wel.--Dat spreekt.--Dus, mijn goede ~Thrasymachus~! is de onregtvaardigheid nooit voordeeliger dan de regtvaardigheid.--Vermaak u daarmede op de Bendidien, ~Socrates~!--En dat vermaak heb ik aan u te danken, ~Thrasymachus~! daar gij goed op mij geworden zijt en uwe drift hebt doen bedaren. Ik ben echter door mijne, niet door uwe schuld, nog niet tevreden, maar gelijk gulzige menschen van alles, wat wordt rondgedragen, willen proeven, voordat zij het vorige nog goed genoten hebben, zoo vind ik, dat ook wij, voordat wij het eerste punt, wat regtvaardigheid is, goed hadden uitgemaakt, dat hebben laten loopen en zijn gaan onderzoeken, of zij ondeugd en domheid, of deugd en wijsheid is, en ons vervolgens door de vraag, of de onregtvaardigheid nuttiger is, dan de regtvaardigheid, hebben laten wegslepen, en het vorige hebben laten loopen, zoodat ik nu eigenlijk uit dit gesprek nog niets weet. Want zoo lang ik niet weet, wat de regtvaardigheid is, zal ik moeijelijk kunnen oordeelen, of zij eene deugd is of niet, en hij, die haar heeft, ongelukkig is of gelukkig.
Voetnoten
[1] De Godin ~Bendin~, wier dienst eerst onlangs uit Thracie naar Athene was overgebragt.
[2] Ieder der mededingers zat te paard. Ieder wachtte zijnen voorman op, die hem de fakkel brandend moest brengen, opdat hij die brandend aan den volgenden zou overgeven.
[3] Seriphus is een der nietigste eilandjes van den Griekschen archipel.
[4] ~Cicero~ heeft reeds gezien, dat ~Plato~ ~Cephalus~ verwijdert, om zulk een eerbiedwaardig persoon niet in eene met zijne jaren minder strookende rol te doen optreden (Zie ~Stallbaums~ noot). Hij komt slechts in de inleiding voor, waar ~Plato~ hem waarschijnlijk vermeld heeft, om daardoor aan zijne inborst hulde te doen, en tevens het einde van het geheele werk voor te bereiden, door de rust en kalmte, die een regtvaardig leven bij het naderen van den dood geeft, hier aanschouwelijk voor te stellen.
[5] De Grieken noemden alles toespijs behalve het brood.
[6] De citherspeler is natuurlijk maar een voorbeeld, daar ~Socrates~ hier even goed alle andere kunstenaars en alle andere kunsten had kunnen noemen.
[7] De sophisten verwijten ~Socrates~ bij ~Plato~ telkens, dat hij alleen vraagt en nooit zijne meening zegt; en zij houden het vragen voor veel gemakkelijker dan het verklaren en beredeneren van zijn eigene meening. Dit laatste is wel op zich zelf waar, doch hij, die de Socratische vraagmethode eenigzins opmerkzaam beschouwd heeft, zal toestemmen, dat zij lang en breed van het gewone vragen verschilt, en eigenlijk een andere vorm van bewijs is, daar ~Socrates~ zijne vragen steeds zóó inrigt, dat op elke vraag maar één antwoord kan gegeven worden, en dat antwoord telkens het punt aangeeft, dat door den gang der redenering gevorderd wordt.
[8] Dit ziet op het Grieksche bijgeloof, dat zou iemand door een’ wolf werd aangezien voor hij zijne oogen op den wolf gevestigd had, daardoor zijne stem verloren ging.
[9] Het is bekend, dat ~Socrates~ doodarm was en toch van niemand geld vorderde, hoewel hij ongevraagde geschenken gaarne aannam; hetwelk hier niet op hetzelfde neêrkwam, dewijl hij den schijn van onderwijs te geven zoo veel mogelijk vermeed. Deze zijne onbaatzuchtigheid wordt door zijne leerlingen telkens in het licht gesteld, en met de inhaligheid der Sophisten vergeleken.
[10] ~Socrates~ was door het orakel van ~Apollo~ te Delphi de wijste der stervelingen genoemd. Hij zelf stelde die wijsheid daarin, dat alleen hij niet meer kennis voorwendde dan hij werkelijk bezat, maar ronduit zijne onwetendheid bekende. _Apologie_, hoofdst. V-IX. Zijn doel was klaarblijkelijk zijne toehoorders zelve aan het denken te helpen, zonder voor zich iets anders te verlangen dan den roem, dat hij hun den eersten stoot had gegeven. Zie ~Theaetetus~. Hoofdst. VI. VII.
[11] Hieruit blijkt volstrekt niet, dat ~Socrates~ die bepaling goedkeurde, daar hij ze hier alleen vasthoudt, om ~Thrasymachus~ te bestrijden. Later zal het blijken, dat ~Socrates~ (dat is ~Plato~) de regtvaardigheid wel voor nuttig hield, maar toch eene geheel andere bepaling derzelve gaf, en niet haren invloed op andere dingen, maar hare eigene wezenheid zocht uit te drukken. Dit is dan ook het vereischte van eene goede bepaling. Zie ~Krause~, _Analytische Logik_. p. 501.
[12] Natuurlijk op zich zelve, als ideaal beschouwd. Hier wordt niet gesproken van den toestand waarin de kunsten [en wetenschappen] tegenwoordig zijn, maar zij worden zóó gedacht, als zij zijn zouden, zoo zij geheel aan haar begrip beantwoordden. Overigens merke men hier op dat _kunst_ bij ~Plato~ zoowel kunst, in onzen zin, als wetenschap beteekent.
[13] Hier wordt aan de ondervinding eene tegenwerping tegen de wijsbegeerte ontleend. Deze tegenwerping is van denzelfden stempel als wanneer men het zoeken naar waarheid zoekt af te raden door te beweren, dat de menschelijke geest de waarheid (dat is _de geheele waarheid_) niet vinden kan. Zie _Opklimmend deel der Wijsbegeerte_ blz. 109 (1). De wijsbegeerte stelt idealen, de werkelijke wereld beantwoordt daaraan gebrekkig; des niet te min zijn en blijven die idealen het rigtsnoer waarnaar ieder zich regelen moet. Al is onze eindige natuur buiten staat de volmaaktheid te bereiken, volmaakbaarheid is echter een grondtrek van ons wezen, en een wezen, dat volmaakbaar is, kan meer en meer tot de volmaaktheid naderen. Zie _De Godsdienst beschouwd als de oorspronkelijke eenheid en het ware rustpunt van het zelfbewustzijn_, door ~W. Reuter~. Medegedeeld met een Voorberigt en Aanmerkingen door ~J. Nieuwenhuis~, blz. 26-32.
[14] Tiranny beteekent hier de aanmatiging van volstrekte oppermagt in een gemeenebest. Zie ~Bosscha~, _Schets der algemeene Geschiedenis_, blz. 55 (*).
[15] Deze redenering wordt somtijds sophistisch genoemd omdat de kunst van geldverdienen niet als eene afzonderlijke kunst bestaat, maar een toevoegsel is der overige kunsten. Deze aanmerking is onjuist. Al wordt in het dagelijksch gebruik der woorden het geldwinnen niet als eene afzonderlijke kunst beschouwd, zoo is het toch duidelijk, dat elke andere kunst zoowel voor niet en uit zuivere liefhebberij als om geld te verdienen kan uitgeoefend worden. Daar dus het geldverdienen steeds als toevoegsel voorkomt en met geene andere kunst noodzakelijk zamenhangt, zie ik niet in, waarom men het niet als eene afzonderlijke kunst zou mogen beschouwen, daar het toch werkelijk geene geringe bekwaamheid is zijne bedrevenheid in andere vakken tot zijn voordeel aan te wenden. Dus kan men teregt beweren, dat elke kunst haar eigenaardig doel heeft, en zoo ook de kunst van geldverdienen naar geld streeft, en dat, wanneer eene andere kunst ons geld bezorgt, dit veroorzaakt wordt, door dien haar beoefenaar tevens de kunst bezit, _de convertir_, zoo als ~Sue~ zegt, _son latin et son grec en argent_.
[16] Het is niet onbelangrijk hier de volgende plaats uit ~Xenophons~ Gedenkwaardigheden van ~Socrates~ te vergelijken. «Wanneer hij zelf iets beredeneerde, nam hij zijnen weg door die punten welke het meest door ieder werden toegestemd, daar hij dit voor de zekerste wijs van redekavelen hield. Daarom was hij ook het meest van allen, die ik gekend heb, in staat zijne toehoorders te overtuigen. En hij zeide, dat ook ~Homerus~ ~Ulysses~ daarom een overtuigend redenaar genoemd heeft, dewijl hij de kunst bezat, om zijne rede te doen voortloopen langs die punten, welke door de menschen werden toegestemd.»
Ik wil tevens deze gelegenheid aangrijpen om de opmerkzaamheid mijner lezers op nieuw te vestigen op de Nederduitsche vertaling van ~Xenophons~ Gedenkwaardigheden van ~Socrates~, onder den titel: _Xenophons, Gedenkwaardigheden van Socrates_. Uit het Grieksch vertaald, door Prof. ~J. ten Brink~, in gr. 8vo.
[17] Het hier voorkomende is welligt in veler oogen al te hatelijk, en toch heeft ~Socrates~ hier waarschijnlijk niets te veel gezegd. Door de aanhoudende burgeroorlogen en revoluties en door het toenemen in natuurkennis en den daardoor bewerkten twijfel aan de overleveringen, waarop de godsdienst steunde, waren alle beginsels van zedelijkheid ondermijnd, en het was juist bij tijds, dat ~Socrates~ door zijne scherpe dialectiek de drogredenen ontzenuwde, waarmede de misdaad in zijnen tijd werd vergoelijkt.
[18] Natuurlijk alleen voor zoo veel de muzijk aangaat. Niet den mensch als mensch, maar den musicus beschouwende, kunnen wij met regt den bekwamen musicus wijs, den onbekwamen niet wijs noemen. In dergelijke redeneringen van ~Plato~ komt telkens een werken met abstracties voor den dag, dat, hoezeer de nieuwere wijsbegeerte in het gebied van het afgetrokkene waarlijk niet vreemd is, voor onze ooren vreemd klinkt.
[19] Alle geneeskundigen, voor zoo ver zij dit waarlijk zijn, oordeelen juist ten opzigte van de hoeveelheid en de soort van spijs of drank, die voor de gezondheid goed is. Daarom wil niemand hunner meer hebben dan de juiste maat en dus ieder (natuurlijk, ceteris paribus) even veel.
[20] Deze redenering komt kortelijk hierop neder.
De waarheid is één. Dus wil de kenner der waarheid overal één en hetzelfde. Een volmaakt kenner der muzijk b. v. wil dus in elk geval hetzelfde als ieder ander kenner in dat geval wil; en zóó in ieder vak. Ieder toch, die een vak verstaat, wil wat volgens de wetten van dat vak goed is, en daar dit van ieder kenner geldt, wil de eene kenner niets boven den anderen vooruit hebben. Zoo dus iemand onbepaald meer wil dan elk ander, of hij aan hem gelijk is of niet, is hij zeker geen kenner maar een onwetende. Daar nu het voornaamste kenmerk der onregtvaardigheid juist in het onbepaalde streven naar meer dan elk ander bestaat, vertoont de onregtvaardige zich als een onwetende.
[21] De Sophisten hadden hunne grootste sterkte in geïmproviseerde redevoeringen, doch ~Socrates~ wist hen er steeds toe te krijgen, om bedaard met hem te redeneren en liet hen er dan inloopen.
[22] Het is duidelijk, dat ~Thrasymachus~ dit niet in ernst zegt, maar alleen om geen gevaar te loopen van wegens kettersche gevoelens veroordeeld te worden. Vrij wat onschuldiger ketterijen toch hadden ~Anaxagoras~ bijna het leven gekost, en ~Protagoras~ was werkelijk ter dood veroordeeld, omdat hij verklaarde niets over het al of niet bestaan der Goden te durven beslissen; later is ~Socrates~ zelf op de beschuldiging, dat hij andere Goden dan de orthodoxen vereerde en de jeugd bedierf, gedoemd om den gifbeker te drinken. In ’t voorbijgaan zij echter aangemerkt, dat deze vervolgingen minder voortsproten uit het denkbeeld, dat de Godheid hulp van menschen behoefde, om hare eer te handhaven, dan wel, omdat de staatsgodsdienst door den staat erkend was, en dus hij, die haar aanrandde, zich tegen den staat vergreep.
TWEEDE BOEK.
I. Toen ik dit gezegd had, meende ik er af te wezen, maar dit was, zoo als bleek, maar inleiding. Want ~Glauco~, die al wat hij onderneemt met kracht doorzet, was met het toegeven van ~Thrasymachus~ niet tevreden, maar zeide: ~Socrates!~ verlangt gij ons in schijn of in waarheid te overtuigen, dat het in alle opzigten beter is regtvaardig te zijn dan onregtvaardig?--Natuurlijk in waarheid, zeide ik, zoo het in mijn vermogen is.--Dan hebt gij uw verlangen nog niet. Want zeg mij eens: erkent gij het bestaan van een goed, dat ook zonder de gevolgen om zijne eigene voortreffelijkheid begeerlijk is? zoo als de blijdschap en de onschadelijke vermaken, die begeerlijk zijn, al wint men er niets bij dan het oogenblikkelijk genot.--Ja, zeide ik.--En is er ook niet zulk een, dat wij én om hetzelve én om de gevolgen begeerlijk achten? zoo als wijsheid, gezigt, gezondheid; die wij immers om beide redenen begeeren.--Zeker, was mijn antwoord.--En ziet gij niet, dat er nog eene derde soort van goed is, b. v. ligchaamsoefeningen, innemen van drankjes, geldwinnen, dat wel niet zonder bezwaar is, maar ons nut doet, en dus niet om zich zelf maar om de belooning en de gevolgen begeerd wordt.--Ja, dat is het derde, maar wat wilt gij daarmede?--Onder welke dier drie soorten stelt gij de regtvaardigheid?--Onder de schoonste, zeide ik, die én om zich zelve én om hetgeen er van komt voor waarachtig geluk onmisbaar is.--Zóó oordeelen toch de meesten niet, maar zij rekenen haar tot de moeijelijke soort, die om het voordeel en de eer moet gezocht worden, maar door hare eigene bezwaarlijkheid afschrikt.
II. Ja, dat weet ik wel, en om die zelfde reden wordt zij ook door ~Thrasymachus~ beneden de onregtvaardigheid gesteld; maar ik ben, naar het schijnt, nog al onbevattelijk.--Komaan, zeide hij, zoo gij niet van meening veranderd zijt, hoor dan mij ook eens. Ik vind, dat ~Thrasymachus~ zich veel spoediger dan noodig was door u heeft laten bezweren, en dat geen van beiden nog goed beredeneerd is; want ik wenschte wel te hooren, waarin zij eigenlijk bestaan, en welke werking zij ieder op zich zelve in de ziel uitoefenen; zonder nog te spreken van belooningen en uiterlijke gevolgen. Dus zal ik, indien het u goeddunkt, zóó doen. Ik zal de stelling van ~Thrasymachus~ weder opvatten, en vooreerst zeggen, wat men aangaande den aard en den oorsprong der regtvaardigheid beweert; vervolgens, dat allen, die haar beoefenen, dit met tegenzin doen, omdat zij noodzakelijk, niet omdat zij op zich zelve goed is; eindelijk, dat zij hierin regt hebben, daar het leven van den onregtvaardige veel beter is dan dat van den regtvaardige; te weten, zoo als men beweert, want, ~Socrates~! ik ben het daar niet mede eens[23]. Maar ik ben in de war geraakt door het gepraat van ~Thrasymachus~ en van vele anderen; te meer, daar ik nog nooit iemand de regtvaardigheid zóó boven de onregtvaardigheid heb hooren verheffen als ik dat verlang; namelijk zóó, dat zij om zich zelve geprezen wordt; en ik nog het meeste hoop heb dit van u te zullen hooren. Daarom zal ik met al mijne krachten de onregtvaardigheid prijzen, en vervolgens aan u doen zien, hoe ik u de regtvaardigheid wil hooren prijzen en de onregtvaardigheid laken. Zie eens of dit plan u bevalt.--Opperbest, zeide ik, want waarover zou een redelijk mensch liever veel spreken en hooren?--Daar zegt gij goed aan. Hoor dan nu eerst hetgeen ik het eerste zou zeggen, wat de regtvaardigheid is, en hoe zij in de wereld is gekomen.
Men zegt, dat van natuur het onregt doen een goed is en het onregt lijden een kwaad, maar dat het onregt lijden meer in het kwade dan het onregt doen in het goede uitmunt; zoodat, wanneer de menschen elkander onregt doen, en tevens onregt lijden, en aldus beiden door ondervinding leeren kennen, zij, die geen kans zien, om het eerste zonder het laatste te hebben, hun voordeel zoeken in het maken eener overeenkomst, om geen onregt te doen en het evenmin te lijden. Dat zij daarom wetten en overeenkomsten gemaakt, en het door die wetten voorgeschrevene wettig en regtvaardig genoemd hebben. Dat alzoo de regtvaardigheid is ontstaan, die tusschen het beste: het ongestraft plegen van onregt, en het slechtste: het ongewroken lijden van onregt, in het midden ligt. Dat zij bij gevolg, slechts een middending zijnde, niet omdat zij goed is bemind, maar slechts uit onvermogen om onregt te doen geëerd wordt; daar hij, die dit doen kan, en in waarheid een man is, nooit eene overeenkomst zou willen sluiten, om geen onregt te doen noch te lijden; want dat hij dan wel gek zou wezen. Dit is dus de geaardheid der regtvaardigheid, ~Socrates~! en hieruit ontstaat zij volgens deze leer.