De republiek van Plato

Part 4

Chapter 43,997 wordsPublic domain

XV. Het zij zoo, ~Thrasymachus~! zeide ik, maar vindt gij dat ik de woorden verdraai?--Wel zeker.--Meent gij dan, dat ik met kwade trouw en om u er te doen inloopen die vraag gedaan heb?--Neen, maar dat weet ik. Maar gij zult er niets mede vorderen; want ik zal uwe streken wel merken, en u dus beletten mij in het naauw te brengen.--Dat zal ik niet eens beproeven, mijn beste! Maar, om nu niet nog eens dezelfde grap te hebben, verzoek ik u te bepalen, of gij met dien overheidspersoon en dien sterksten, wiens voordeel de maatstaf is van het voor den minderen regtvaardige, den zoogenaamden of den eigenlijken bedoelt.--Ik bedoel hem, die in den allereigenlijksten zin overheidspersoon is. Verdraai dat nu, en vit er op, zoo gij kunt; want ik vraag u niet om verschooning. Maar gij zijt er niet toe in staat.--Denkt gij dan, dat ik dwaas genoeg ben, om een leeuw te willen scheren, of op ~Thrasymachus~ te vitten?--Gij hebt het toch, met al uwe nietigheid, daar even beproefd.--Laat ons daar een speldje bij steken. Maar zeg mij: die arts in den eigenlijken zin van daar even, is dat een geldwinner of een genezer van zieken? Spreek nu van hem, die in waarheid arts is.--Een genezer van zieken.--En de stuurman? Is de goede stuurman een opperhoofd der schepelingen of een schepeling?--Een opperhoofd der schepelingen.--Wij moeten nu niet in aanmerking nemen, geloof ik, dat hij zelf op het schip is, noch hem daarom schepeling noemen; want wij noemen hem geen stuurman, omdat hij op het schip is, maar om zijne kunst en zijn gezag over de schepelingen.--Dat is waar.--Is nu niet voor ieder ding een bepaald iets nuttig?--Zekerlijk.--En is het niet de taak der kunst, voor ieder het nuttige te zoeken en te verschaffen?--Juist.--En is er nu ook voor iedere kunst iets nuttigs buiten haar, hetwelk zij noodig heeft, of is iedere voor zich zelve genoeg, om zoo volmaakt mogelijk te zijn?--Hoe meent gij dat?--Bij voorbeeld, wanneer gij mij vroegt, of het voor het ligchaam genoeg is ligchaam te zijn, dan of het iets bovendien noodig heeft; dan zou ik zeggen: Het heeft stellig iets bovendien noodig. Immers omdat het ligchaam dikwijls niet wel is, en aan zich zelf niet genoeg heeft, is de geneeskunst uitgevonden, en deze is er geheel op ingerigt, om aan hetzelve het nuttige te verschaffen. Vindt gij, dat deze bewering juist is, of niet?--Juist.--Maar is nu de geneeskunst ook niet wel, of heeft eenige kunst eene aanvulling noodig, zoo als de oogen het gezigt en de ooren het gehoor, en wordt er dus weder een kunst vereischt, om het voor haar nuttige te zoeken en te verschaffen? Is er ook in de kunst zelve een gebrek, en behoeft iedere kunst eene andere, om het voor haar nuttige op te sporen, en die andere weder eene derde, en zoo in het oneindige; of onderzoekt zij zelve het voor haar nuttige? of liever, behoeft noch zij zelve noch eene andere het voor haar gebrek nuttige op te sporen, daar geene kunst[12] eenige fout of gebrek heeft, en ook niet bestemd is, om voor iets anders dan voor hetgeen, waarvan zij de kunst is, het nuttige te zoeken; terwijl zij zelve goed en zonder gebrek en onzuiverheid is, zoo lang zij datgene is, wat zij eigenlijk wezen moet. Zie nu eens, wanneer gij alles in den eigenlijken zin neemt, of het zóó is, of anders.--Ik vind het zóó.--Dus zoekt de geneeskunst niet wat voor haar, maar wat voor het ligchaam nuttig is?--Ja.--En de kunst der paardenfokkerij zoekt niet het voor haar, maar het voor de paarden nuttige; en geene andere kunst zorgt voor zich zelve, want zij behoeft het niet, maar voor dat, waarvan zij de kunst is.--Dat vind ik ook, zeide hij.--Maar ~Thrasymachus~! de kunsten beheerschen en besturen datgene, waarvan zij kunsten zijn.--Ook dit stemde hij zeer schoorvoetende toe.--Dus zoekt of beveelt geene kunst wat voor den sterkeren en regerenden, maar wat voor den minderen en voor haren onderdaan nuttig is.--Ook dit gaf hij eindelijk toe, hoewel hij eerst nog tegenstribbelde. Toen hij het echter had toegegeven, zeide ik: Dus onderzoekt of beveelt geen arts, als arts, het voor hem, maar het voor den zieken nuttige; want wij hebben toegestemd, dat de arts in den eigenlijken zin een genezer, en in zooverre bestuurder der zieken is, maar geen geldwinner, niet waar?--Ja.--En dat de stuurman eigenlijk een opperhoofd der schepelingen, geen schepeling is?--Ja.--Dus zal dan ook zulk een stuurman en opperhoofd niet bevelen, wat voor den stuurman, maar wat voor den schepeling, die onder hem staat, nuttig is?--Dit stemde hij met moeite toe.--Dus, ~Thrasymachus~! onderzoekt of beveelt ook niemand anders in eenigen overheidspost, voor zoover hij overheidspersoon is, wat voor hem, maar wat voor de onderdanen, wier belangen hij behartigt, nuttig is, en hun nut en voordeel houdt hij bij al zijne woorden en daden in het oog.

XVI. Toen wij nu zoover met ons gesprek gekomen waren, en allen duidelijk merkten, dat het oogpunt, waaruit de regtvaardigheid beschouwd werd, geheel veranderd was, zeide ~Thrasymachus~ op eens, in plaats van te antwoorden: ~Socrates!~ hebt gij ook eene kindermeid?--Hoe zoo? zeide ik.--Wel, die verwaarloost u dan, terwijl uwe neus verstopt is, en snuit u niet, hoe zeer gij het noodig hebt, daar gij niet eens herders en schapen kunt onderscheiden.--Wat moet dat beduiden? zeide ik.--Niets anders, dan dat gij meent, dat de herders of ossendrijvers het nut van de schapen of ossen zoeken, en die met een ander doel vet maken en verzorgen dan ten voordeele van hunne heeren en van zich zelven, en dat de overheden in de steden, zoo zij waarlijk regeren, anders over de onderdanen denken dan een herder over de schapen, en dag en nacht iets anders zoeken dan hun eigen voordeel[13]. En gij zijt zoover van de wijs ten opzigte van het regtvaardige en de regtvaardigheid en het onregtvaardige en de onregtvaardigheid, dat gij niet merkt, hoe de regtvaardigheid en het regtvaardige goed en nuttig is voor een ander, namelijk voor den sterkeren en den regeringspersoon, maar louter nadeel voor den minderen en den onderdaan; terwijl daarentegen de onregtvaardige over die waarlijk onnoozelen en regtvaardigen heerscht, doch zij als onderdanen tot nut verstrekken voor hem, die sterker is, en door hunne diensten wel hem gelukkig maken, maar geenszins zich zelven. Maar, onnoozele ~Socrates~! gij moet het zóó beschouwen, om in te zien, dat een regtvaardig mensch overal minder heeft dan een onregtvaardige. Vooreerst zult gij bij den afloop van ondernemingen, die zij gemeenschappelijk hebben tot stand gebragt, nooit zien, dat de regtvaardige meer heeft dan de onregtvaardige, maar integendeel minder; verder betaalt een regtvaardige bij alle opbrengsten en belastingen meer van een gelijk vermogen, en de onregtvaardige minder, eindelijk, wint de eerste bij gunstige gelegenheden, om het geld van den staat op te steken, niets, en de andere veel. Immers wanneer beiden een overheidsambt bekleeden, gaan behalve andere schade de bijzondere zaken van den regtvaardigen door verwaarloozing achteruit, en door zijne regtvaardigheid bekomt hij niets uit de schatkist, terwijl hij in haat komt bij zijne bloedverwanten en vrienden, omdat hij ze niet tegen de billijkheid wil bevoordeelen, maar de onregtvaardige heeft van dat alles het tegenovergestelde. Want ik heb hierbij het oog op iemand, die in de gelegenheid is, om groote winsten te doen. Zulk eenen moet gij dus beschouwen, zoo gij wilt oordeelen, hoe veel nuttiger het voor ieder afzonderlijk is onregtvaardig dan regtvaardig te zijn. En dit zult gij het duidelijkst inzien, wanneer gij het oog vestigt op de volkomenste onregtvaardigheid, en die den onregtvaardigen het allergelukkigst maakt, maar zijne slagtoffers en hen, die niet onregtvaardig willen handelen, het allerongelukkigst. Dit is de tiranny[14], die niet met stukjes en beetjes het goed van anderen in het geheim of gewelddadig ontvreemdt, maar het gewijde en het ongewijde, het goed van enkelen en van den staat met éénen slag inpakt. Wanneer iemand in één dier punten onregtvaardig handelt en dit niet kan verbergen, wordt hij gestraft, en moet groote schande verduren, want die zulke stukjes bedrijven, heeten heiligschenders, menschendieven, inbrekers, roovers, enz.; maar wanneer iemand niet slechts het geld zijner medeburgers maar hen zelve in zijne magt weet te krijgen, dan wordt hij, in plaats van die leelijke namen, door zijne medeburgers en door alle anderen, die hooren, dat hij de geheele onregtvaardigheid begaan heeft, een gunsteling van de fortuin genoemd; want men scheldt niet op de onregtvaardigheid, uit vrees voor het doen, maar voor het ondervinden van onregtvaardige handelingen. Zoo is dan, ~Socrates~! de ten top gevoerde onregtvaardigheid sterker en vrijer en koninklijker dan de regtvaardigheid, en, zoo als ik van den beginne zeide, het regtvaardige is het voor den sterkeren nuttige, maar de onregtvaardige behartigt zijn eigen nut en voordeel.

XVII. Toen ~Thrasymachus~ dit gezegd had, was hij voornemens heen te gaan, nadat hij als een badknecht ons had overgoten met eene groote hoeveelheid van woorden. De aanwezigen echter lieten dit niet toe, maar drongen hem te blijven en van het gezegde rekenschap te geven. Ook ik voegde mijn dringend verzoek bij het hunne, en zeide: ~Thrasymachus!~ gij hebt daar zulk een belangrijk onderwerp ter tafel gebragt, en wilt nu heengaan, voor dat gij behoorlijk met ons hebt onderzocht, of het zóó is, of anders. Of meent gij een punt van ondergeschikt belang te hebben aangeroerd, en niet het beginsel, waarnaar ieder onzer zijn leven moet inrigten, om het meeste geluk te genieten?--Maar denk ik er dan anders over? zeide hij.--Het schijnt zoo, zeide ik, tenzij wij u onverschillig zijn, en het u niet schelen kan, of wij beter of slechter leven, nu wij onkundig zijn van hetgeen gij zegt te weten. Maar mijn beste! wees zoo goed dit ook aan ons te verklaren; het zal u geen kwaad doen, zoo gij ons, zoo velen als wij zijn, eene weldaad bewijst. Want ik voor mij verzeker u, dat ik u niet geloof en niet van gevoelen ben, dat de onregtvaardigheid voordeeliger is dan de regtvaardigheid, zelfs wanneer men haar laat begaan en niet verhindert in hetgeen zij doen wil. Maar, mijn vriend, stel dat iemand onregtvaardig is, en òf in ’t verborgen òf door zijne magt gerust onregtvaardig kan handelen; toch overtuigt hij mij niet, dat onregtvaardigheid voordeeliger is dan regtvaardigheid. Ditzelfde is welligt met nog anderen dan mij het geval. Overtuig ons dan naar behooren, dat wij verkeerd doen, zoo wij de regtvaardigheid boven de onregtvaardigheid verkiezen.--Maar hoe zal ik u overtuigen? zeide hij. Want zoo gij door het gezegde niet overtuigd zijt, wat kan ik dan verder doen? Moet ik dan die denkbeelden in uwe ziel ingieten?--Wel neen! dat niet; maar vooreerst, blijf bij uwe grondstellingen, of zoo gij die verandert, geef dat dan duidelijk te kennen en zoek ons niet te foppen. Nu echter ziet gij, ~Thrasymachus~! want wij moeten het vorige nog eens in het oog vatten, dat gij, na van den arts in den eigenlijken zin gesproken te hebben, den herder niet meer in den eigenlijken zin hebt willen nemen, maar beweert, dat hij, voor zoo ver hij herder is, de schapen niet weidt, ten einde hun nuttig te wezen, maar als een smulpaap, die plan heeft een goeden schapenbout te eten, of als een koopman, die ze verkoopen wil; niet als een herder. En toch heeft de herderskunst geen ander doel dan hetgeen haar toevertrouwd is, zoo goed mogelijk te maken, terwijl zij zelve, wat hare eigenaardige voortreffelijkheid aangaat, genoeg is toegerust, om tot het zijn van herderskunst niets anders noodig te hebben. Evenzoo hield ik het nu ook voor ons noodzakelijk toe te stemmen, dat alle overheid in elk vak van bestuur, voor zoo ver zij overheid is, niemands voordeel zoekt dan dat van den onderdaan, die haar is toevertrouwd. Of meent gij, dat de overheden in de steden, voor zoover zij wezenlijk overheden zijn, uit eigen verkiezing het bewind voeren?--Neen, zeide hij, maar dat weet ik zeker.

XVIII. Maar, ~Thrasymachus~! merkt gij dan niet, dat geen overheidspersoon uit vrije beweging het bewind voert, maar allen loon vorderen, daar niet zij, maar de onderdanen, bij hunne regering belang hebben? Zeg mij dan eens dit. Beweren wij niet, dat iedere kunst zich daardoor van de anderen onderscheidt, dat zij eene verschillende strekking heeft? Antwoord mij nu niet tegen uwe meening, opdat wij vooruitkomen.--Ja daardoor onderscheidt zij zich.--En verschaft iedere kunst niet een aan haar alleen eigen voordeel, b. v. de geneeskunst gezondheid, de stuurmanskunst veiligheid op zee, en de andere evenzoo?--Ja.--En zoo ook de kunst van geldverdienen geld, want dat is hare strekking[15]. Of houdt gij de geneeskunst en de stuurmanskunst voor één en dezelfde? en zoo gij alles, zoo als is afgesproken, in den eigenlijken zin neemt, onderscheidt gij ze dan niet veel meer, al wordt ook soms een stuurman door de zeelucht gezond?--Ja zeker onderscheid ik ze.--En evenmin, denk ik, verwart gij de kunst van geldverdienen met de geneeskunst, al verdient iemand geld door het geven van geneesmiddelen?--Wel neen.--En hebben wij niet toegestemd, dat iedere kunst hare eigenaardige nuttigheid heeft?--Ja.--Wanneer dus alle kunstenaars een gelijksoortig voordeel genieten, dan is het duidelijk, dat zij allen daartoe buiten hunne kunst nog een gelijksoortig middel aanwenden.--Het schijnt zoo.--Wij moeten dus zeggen, dat de kunstenaars geldverdienen en hun voordeel doen, door de kunst van geldverdienen bij hunne andere bezigheid uit te oefenen.--Dit stemde hij schoorvoetend toe.--Derhalve heeft ieder, die geld verdient, dit voordeel niet van zijne kunst, maar, wanneer alles in den eigenlijken zin moet genomen worden, dan veroorzaakt de geneeskunst gezondheid, en de kunst van geldverdienen geld; de bouwkunst woningen, en de kunst van geldverdienen, die met haar te gelijk wordt uitgeoefend, geld; en aldus doen ook de overigen ieder haar werk, en behartigen het voordeel van hetgeen haar is toevertrouwd. Maar zoo zij niet om loon worden uitgeoefend, heeft dan de kunstenaar wel eenig nut van zijne kunst?--Ik zou zeggen, neen.--En doet hij ook geen nut wanneer hij voor niet werkt?--Dat wel.--Dus is het dan nu duidelijk, ~Thrasymachus~! dat geene kunst en geene overheid haar eigen voordeel zoekt, maar, zoo als wij reeds gezegd hebben, de zaken van den onderdaan besturende, daarbij het nut van hem, die minder is, op het oog heeft, niet dat van den sterksten. Daarom, vriend ~Thrasymachus~! zeide ik daar even, dat niemand uit eigen verkiezing het bewind voeren en de verwarde zaken van anderen wil in orde brengen, maar dat zij loon vorderen, daar hij, die goed eene kunst uitoefent, daarbij nooit zijn eigen voordeel, maar veeleer dat van het voorwerp der kunst bevordert, waarom ook als drangreden tot het aannemen van overheidsambten loon, b. v. geld, of eer, of boete, zoo men het afslaat, noodzakelijk is.

XIX. Hoe meent gij dat, ~Socrates~! zeide ~Glauco~. Want de twee eerste soorten van loon ken ik, maar ik vat niet, wat gij met die boete meent, en hoe gij haar mede rekent bij het spreken over loon.--Dus, zeide ik, vat gij het loon niet der uitstekendsten, om hetwelk de besten het bestuur aanvaarden? Of weet gij niet, dat geldgierigheid en eerzucht gewoonlijk wordt afgekeurd?--Ja ik.--Daarom willen de goeden niet om geld of eer het bewind voeren; want zij willen niet door openlijk geld aan te nemen, of het zich heimelijk toe te eigenen, den naam van huurlingen of van dieven bekomen; en evenmin om eer, want zij zijn niet eerzuchtig. Dus wordt er dwang en boete vereischt, om hen tot het aannemen van het bestuur te noodzaken, en daarom schijnt men het schandelijk te vinden, zoo iemand uit eigen beweging eene overheidsbetrekking zoekt, en niet wacht tot hij gedwongen wordt die aan te nemen. Nu bestaat de grootste boete daarin, dat zij, zoo zij niet zelve regeren willen, in de magt komen van minder goeden dan zij, en uit vrees daarvoor, geloof ik, dat de goeden het bewind op zich nemen. En dan aanvaarden zij het niet als iets goeds, dat hun veel genoegen zal verschaffen, maar als iets onvermijdelijks, en dat zij niet aan anderen, die er even goed of beter voor berekend zijn, kunnen opdragen. Daarom denk ik, dat, zoo er eens een staat van enkel goede menschen bestond, het niet regeren daar evenzeer zou gezocht worden als tegenwoordig het regeren, en dat het dan zou blijken, dat de ware regent niet zijn nut zoekt, maar dat van den onderdaan, en bij gevolg ieder verstandig mensch liever onder het bestuur van anderen wil staan, dan zich zelven met het bewind te belasten. Zoo geef ik dan geenszins aan ~Thrasymachus~ toe, dat het regtvaardige het voor den sterksten nuttige is; doch hierover nader, want wat ~Thrasymachus~ nu zegt, dat het leven van den onregtvaardigen veel beter is dan dat van den regtvaardigen, vind ik van veel meer gewigt. Daarom vraag ik u, ~Glauco~! wat gij verkiest, en wat u het meest met de waarheid schijnt overeen te komen.--Dat het leven van den regtvaardigen voordeeliger is.--Maar gij hebt toch gehoord, hoe vele voorregten der onregtvaardigheid ~Thrasymachus~ daar even opsomde.--Ja wel, maar ik geloof hem niet.--Willen wij hem dan trachten om te praten, zoo wij kans zien aan te toonen, dat zijne meening verkeerd is.--Gaarne.--Zoo wij dan, hem tegensprekende, stelling tegen stelling zetten en de voorregten der regtvaardigheid opsommen, en dan hij weer, en wij vervolgens nog eens, dan is het noodig de voorregten aan weerskanten te tellen en te wegen, en dan moeten er regters zijn om vonnis te vellen; maar zoo wij het, gelijk daareven, punt voor punt zamen trachten eens te worden, dan zullen wij regters en redenaars tevens zijn.--Juist.--Wat bevalt u dan nu het beste?--Het laatste zeide hij[16].--

XX. Komaan dan, ~Thrasymachus~! zeide ik, antwoord ons eens van voren af aan. Gij beweert dus, dat de volmaakte onregtvaardigheid voordeeliger is, dan de volmaakte regtvaardigheid.--Ja zeker, beweer ik dat, en ik heb reeds gezegd, waarom.--Maar hoe stelt gij het dan hiermede? Noemt gij niet de ééne deugd, de andere ondeugd?--Natuurlijk.--Immers de regtvaardigheid deugd en de onregtvaardigheid ondeugd?--Waarschijnlijk, zeide hij, omdat ik de onregtvaardigheid voor nuttig, de regtvaardigheid voor nutteloos houd.--Maar hoe dan?--Het tegenovergestelde.--Noemt gij dan de regtvaardigheid ondeugd?--Neen, maar naïve onschuld.--En dan de onregtvaardigheid zeker schuld.--Neen, maar schranderheid.--Dus, ~Thrasymachus~! houdt gij de onregtvaardigen voor schrander en goed?--Ja, zoo zij volkomen onregtvaardig kunnen zijn, en steden en volken aan zich kunnen onderwerpen. Of meent gij, dat ik van zakkenrollers spreek? Dat is ook wel voordeelig, zoo het verborgen blijft, maar het kan bij het andere niet halen.--Ik begrijp zeer goed, wat gij bedoelt; maar het bevreemdt mij, dat gij de onregtvaardigheid als deugd en wijsheid en de regtvaardigheid als het tegenovergestelde beschouwt.--En toch doe ik dat.--Dit is nog sterker dan het vorige, mijn vriend! en waarlijk niet ligt om tegen te spreken. Want zoo gij steldet, dat de onregtvaardigheid nuttig is, maar ze toch, gelijk anderen, voor ondeugd en voor iets schandelijks hieldt, dan konden wij er op de gewone wijs nog iets tegen zeggen; nu echter merk ik, dat gij zeggen wilt, dat zij schoon en sterk is, en haar ook al de andere eigenschappen zult toekennen, die men gewoonlijk aan de regtvaardigheid toekent, daar gij haar als deugd en wijsheid hebt durven beschouwen.--Dat raadt gij goed.--En toch moeten wij niet aarzelen uwe bewering te onderzoeken, zoo lang wij ten minste gelooven, dat gij in ernst spreekt. Want, ~Thrasymachus~! ik geloof nu waarlijk, dat gij niet schertst, maar wat gij zegt, inderdaad voor waarheid houdt[17].--Wat raakt het u, of ik het voor waarheid houd of niet; weerleg maar wat ik gezegd heb.--Het raakt mij eigenlijk niet, zeide ik. Maar beproef mij nu nog hierop te antwoorden. Gelooft gij, dat een regtvaardige meer dan een regtvaardige zou willen hebben?--Wel neen! want dan was hij niet beleefd en onschuldig.--En meer, dan hij door regtvaardige daden bekomen kon?--Ook niet.--En zou hij meer willen hebben dan een onregtvaardige, en dat regtvaardig vinden of niet?--Hij zou het wel zoo vinden en willen, maar niet kunnen.--Dat vraag ik niet, maar of niet een regtvaardige evenveel als een regtvaardige en meer dan een onregtvaardige zou willen hebben.--Ja, zoo is het.--En zou een onregtvaardige niet meer dan een regtvaardige en dan door regtvaardige middelen verkregen wordt, willen hebben?--Natuurlijk, daar hij meer dan alle anderen zou willen hebben.--En zal dan ook een onregtvaardige niet meer willen hebben dan een onregtvaardige en dan hetgeen hij door onregtvaardige middelen bekomt, en zal hij niet zijn best doen, om zelf het meest van allen te bekomen?--Juist.--

XXI. Dus zeggen wij dan aldus: De regtvaardige begeert niet meer te hebben dan de aan hem gelijke, maar wel dan de ongelijke, doch de onregtvaardige begeert meer te hebben dan de gelijke en dan de ongelijke.--Goed gezegd.--En de onregtvaardige is wijs en goed, maar de regtvaardige geen van beiden.--Ook dat is juist.--En gelijkt ook de onregtvaardige niet op den wijzen en goeden, maar de regtvaardige op geen van beiden.--Het spreekt van zelfs, dat, die zóó is, ook daarop gelijken moet; en, die zóó niet is, niet.--Best. Dus is ieder hunner zoodanig als die, waarop hij gelijkt.--Maar wat moet dat?--Vooreerst nog niets. Maar, ~Thrasymachus~! gij maakt immers onderscheid tusschen bedrevenen en onkundigen in de muzijk?--Ja.--Wien noemt gij wijs, en wien niet wijs?[18]--Den bedrevenen noem ik wijs, den onkundigen niet wijs.--En voor zoo ver hij wijs is goed, voor zoo ver hij niet wijs is slecht?--Ja.--En oordeelt gij niet eveneens over de al of niet bedrevenen in de geneeskunst?--Ja.--Maar gelooft gij dan nu, mijn beste! dat een bedrevene in de muzijk bij het spannen of los maken van de snaren verlangen zou, of aanspraak zou maken, om meer te hebben dan een bedrevene?--Wel neen.--En meer dan een onkundige?--Ja zeker.--En een geneeskundige, zou die ten opzigte van eten of drinken meer willen hebben dan een geneeskundige of dan hetgeen de geneeskunst voorschrijft?[19]--Zeker niet.--Maar wel meer dan de onbedrevene?--Ja.--En zie dan eens bij elke kunst en elk gebrek aan kunst, of eenig kenner iets meer zou willen doen of zeggen dan een ander kenner, dan wel of hij bij dezelfde handeling even veel zou willen hebben als de aan hem gelijke.--Het laatste is onvermijdelijk, geloof ik.--Maar zou niet de onkundige meer willen hebben niet alleen dan de kundige, maar ook dan de onkundige?--Waarschijnlijk.--En de kennende is wijs?--Ja.--En de wijze goed?--Ja.--Dus zal de goede en wijze niet meer willen hebben dan de aan hem gelijke, maar wel dan de ongelijke en tegengestelde.--Het schijnt zoo.--En de slechte en onwetende wil meer hebben dan de gelijke en dan de tegengestelde?--Waarschijnlijk.--Edoch, ~Thrasymachus~! zagen wij niet, dat de onregtvaardige meer wil hebben dan de ongelijke en dan de gelijke? of hebt gij dat niet beweerd?--Ja.--En dat de regtvaardige niet meer wil hebben dan de gelijke, maar wel dan de ongelijke?--Ja.--Dus gelijkt de regtvaardige op den wijzen en goeden, de onregtvaardige op den slechten en onwetenden.--Ja.--Edoch wij kwamen overeen, dat ieder was, zoo als die, waarop hij geleek.--’t Is waar.--Dus blijkt het, dat de regtvaardige goed en wijs is, maar de onregtvaardige onwetend en slecht[20].

XXII. Dit alles gaf ~Thrasymachus~ wel toe, doch niet zoo gemakkelijk als ik het nu vertel, maar gedwongen en op zijn best, terwijl hij geweldig zweette, door dien het heel warm was. Toen zag ik ook, wat ik nog nooit gezien had, dat ~Thrasymachus~ een kleur kreeg.