De republiek van Plato

Part 3

Chapter 34,045 wordsPublic domain

VI. Zeg dan eens, zeide ik, gij opvolger in de redekaveling! welke uitspraak van ~Simonides~ over de regtvaardigheid u zoozeer bevalt.--Deze, zeide hij: dat het regtvaardig is, ieder te geven wat men hem verschuldigd is; ik althans vind, dat hij daarin gelijk heeft.--Het is wel niet gemakkelijk, zeide ik, het gezag van ~Simonides~ te verwerpen, want hij is een wijs en goddelijk man; maar toch, wat hij hiermede zeggen wil, moogt _gij_ welligt vatten, ~Polemarchus~! _ik_ begrijp het niet. Want het is duidelijk, dat hij niet bedoelt, wat wij daar even zeiden: iemand het toevertrouwde op zijne vordering terug te geven, als hij niet bij zijne zinnen is; en dat toevertrouwde is men hen toch immers schuldig, niet waar?--Ja.--Het moet echter volstrekt niet teruggegeven worden, zoo hij het in eene vlaag van krankzinnigheid terugvraagt.--Dat is waar.--Dus meende dan ~Simonides~ iets anders, toen hij zeide, dat het regtvaardig is ieder te geven wat men hem schuldig is.--Ongetwijfeld, want hij meent, dat de eene vriend den anderen slechts goed en geen kwaad doen moet.--Ik begrijp het al, zeide ik, uwe meening is, dat hij, die een’ anderen toevertrouwd geld teruggeeft, hem niet geeft wat hij hem verschuldigd is, wanneer dat teruggeven voor de terugontvangenden schadelijk is, en de ontvangende en gevende vrienden zijn. Houdt gij dat niet voor de meening van ~Simonides~?--Zekerlijk.--Maar moeten wij dan ook onze vijanden geven wat wij hun verschuldigd zijn?--Ja zeker; wat wij hun verschuldigd zijn, zeide hij. De eene vijand toch is aan den anderen, geloof ik, kwaad verschuldigd.

VII. Dus, zeide ik, schijnt ~Simonides~, als dichter, eene raadselachtige bepaling van de regtvaardigheid gegeven te hebben. Want hij meende, geloof ik, dat het regtvaardig is, ieder te geven, wat hem toekomt, en noemde dat het verschuldigde.--Maar wat meent gij dan nu? zeide hij.--Bij ~Zeus~! zeide ik: zoo iemand hem eens vroeg: ~Simonides~! aan wie verschaft de geneeskunst wat hun verschuldigd is en toekomt, en wat verschaft zij? wat gelooft gij dan wel, dat hij zou antwoorden?--Natuurlijk, aan de ligchamen geneesmiddelen en heilzame spijs en drank.--En aan wie verschaft de kookkunst wat hun verschuldigd is en toekomt, en wat verschaft zij?--Aan de toespijs[5] den aangenamen smaak.--Goed: maar wat verschaft nu de regtvaardigheid, en aan wie?--Zoo wij ons aan het vorige moeten houden, ~Socrates~! dan verschaft zij aan vrienden en vijanden nut en schade.--Dus noemt hij het goed doen aan vrienden en kwaad doen aan vijanden regtvaardigheid?--Ik geloof van ja. Maar wie kan nu ten opzigte van gezondheid en ziekte zijnen vrienden, zoo zij ongesteld zijn, het meeste goed, en zijnen vijanden het meeste kwaad doen?--Een arts.--En wie, zoo zij op een schip zijn, ten opzigte van de gevaren der zee?--Een stuurman.--Maar wat doet dan nu de regtvaardige? In welke zaak en in welk opzigt kan hij zijne vrienden goed en zijne vijanden kwaad doen?--In het bevechten en medestrijden, geloof ik.--Het zij zoo: maar mijn beste ~Polemarchus~! is een arts wel nuttig voor hem, die niet ongesteld is?--Neen.--Of een stuurman voor hem, die niets met een schip te maken heeft?--Neen.--Dus is ook een regtvaardige niet nuttig voor iemand, die geen oorlog voert.--’t Schijnt van neen.--Maar de regtvaardigheid is toch immers ook in vredestijd nuttig?--Wel zeker.--En de landbouw ook?--Ja.--Om veldvruchten te bekomen.--Ja.--En de schoenmakerskunst?--Ja.--Om schoenen te bekomen, zult gij denkelijk zeggen.--Natuurlijk.--Maar voor welke behoefte, of om wat te bekomen, zoudt gij dan zeggen, dat de regtvaardigheid in den vrede nuttig is?--Voor de verbonden, ~Socrates~!--Met verbonden meent gij, geloof ik, al wat gemeenschappelijk gedaan wordt.--Juist.--Maar wie is dan nu een goed en bruikbaar metgezel bij het damspel, de regtvaardige of de bedreven damspeler?--De bedreven damspeler.--Maar is dan de regtvaardige misschien bij het metselen een nuttiger en beter metgezel dan de bouwkundige?--Wel neen.--Maar bij welke gemeenschap is dan de regtvaardige een beter metgezel dan de citherspeler, gelijk de citherspeler[6] beter is dan de regtvaardige, bij het gezamenlijk uitvoeren van muzijkstukken?--Bij het geld zou ik zeggen.--Behalve, geloof ik, ~Polemarchus~! bij het gebruiken van geld, wanneer men gezamenlijk voor geld een paard moet koopen of verkoopen. Dan toch is de kenner van paarden de beste, niet waar?--Ja.--En wanneer een schip moet gekocht worden, de scheepsbouwmeester of de stuurman.--Het schijnt zoo.--Maar bij welk gemeenschappelijk gebruik van het geld is dan de regtvaardige bruikbaarder dan anderen?--Wanneer het moet bewaard worden en zeker zijn, ~Socrates~!--Dus zegt gij; wanneer het niet moet gebruikt worden, maar stil liggen?--Ja.--Wanneer dus het geld nutteloos is, dan is de regtvaardigheid bij hetzelve nuttig?--Het schijnt zoo.--En wanneer een snoeimes moet bewaard worden, dan is de regtvaardigheid nuttig, maar wanneer het moet gebruikt worden, de tuinbouwkunst.--Ik geloof van ja.--Dus zult gij zeker ook zeggen, dat bij een schild en eene lier, wanneer zij bewaard en niet gebruikt moeten worden, de regtvaardigheid nuttig is, doch wanneer men ze gebruiken moet, de schermkunst en de toonkunst?--Natuurlijk.--En ten opzigte van alle andere dingen is dan, indien zij gebruikt worden, de regtvaardigheid nutteloos, maar, wanneer zij nutteloos daar neder liggen, nuttig?--Het schijnt zoo.--

VIII. Maar, mijn vriend! de regtvaardigheid is dan eigenlijk niet veel bijzonders, zoo zij slechts bij nuttelooze dingen nuttig is. Doch wij willen het nog eens aldus onderzoeken. Is niet hij, die bij het boksen, of een andere soort van vechten, het best kan slaan, ook de baas in het afweren van slagen?--Ongetwijfeld.--Is niet evenzoo hij, die het best eene ziekte voorkomen kan, het best in staat om haar te veroorzaken?--Ik zou zeggen van ja.--En is niet hij het geschikst om eene legerplaats te bewaken, die het best aan de vijanden hunne geheimste plannen weet te ontfutselen?--Zekerlijk.--Wat dus iemand goed kan bewaren, dat kan hij ook goed stelen.--Juist.--Als dus de regtvaardige goed geld kan bewaren, kan hij het ook kostelijk stelen.--Althans volgens het beredeneerde.--Dus hebben wij dan gezien, dat de regtvaardige eene soort van dief is. Ik geloof haast, dat gij dit van ~Homerus~ geleerd hebt; want hij roemt ~Autolycus~, den grootvader van ~Odysseus~ van moeders zijde, en zegt, dat hij in stelen en valsche eeden alle menschen de baas was. Dus schijnt dan volgens u, en volgens ~Homerus~, en volgens ~Simonides~, de regtvaardigheid eene soort van stelen te zijn, doch dat ten voordeele der vrienden en ten nadeele der vijanden geschiedt? was dat niet uwe meening?--Wel neen, bij ~Zeus~! zeide hij, maar ik weet niet meer, wat ik zeide. Dit houd ik echter vol, dat de regtvaardigheid aan de vrienden voordeel en aan de vijanden schade toebrengt.--Maar noemt gij nu hen vrienden, die iemand genegen _schijnen_, of die het _zijn_, ook al schijnen zij het niet? en evenzoo vijanden?--Het is ten minste natuurlijk, zeide hij, die men voor goedwillig houdt te beminnen, en die men voor kwaadwillig houdt te haten.--Maar vergissen zich dan de menschen nimmer in dit opzigt, zoodat zij velen voor goedwillig houden, die het niet zijn, en omgekeerd?--Wel zeker.--Voor hen zijn dus de goeden vijanden, en de kwaden vrienden.--Ja.--Maar dan is het tevens voor hen regtvaardig de kwaden te bevoordeelen en de goeden te schaden?--Het schijnt zoo.--Maar de goeden zijn immers regtvaardig, en afkeerig van onregt plegen?--Ja.--Dus is het volgens u regtvaardig hen, die geen onregt plegen, te schaden.--Wel neen, ~Socrates~! want er is zeker eene fout in de redekaveling.--Dus, zeide ik, is het regtvaardig de onregtvaardigen kwaad te doen, en de regtvaardigen goed te doen.--Dit bevalt mij beter dan het vorige.--Dus, ~Polemarchus~! zal het voor zoo velen, als zich in de menschen vergissen, regtvaardig zijn hunne vrienden kwaad te doen, daar zij in hunne oogen kwaad zijn, en hunne vijanden goed te doen, daar zij in hunne oogen goed zijn: en zoo zullen wij dan juist het tegenovergestelde zeggen van hetgeen wij voor het gevoelen van ~Simonides~ houden.--Dit volgt. Maar wij moeten anders redeneren; want ik geloof, dat wij vrienden en vijanden niet juist gesteld hebben.--Wat hebben wij dan verkeerd gesteld, ~Polemarchus~!--Dat die goed schijnt een vriend is.--En hoe moeten wij dat dan nu veranderen?--Dat hij, die goed schijnt, en tevens goed is, een vriend is; maar hij, die het wel schijnt maar niet is, slechts den schijn van vriend heeft; en evenzoo ten opzigte van den vijand.--Dus zal, meen ik, volgens die opvatting, de goede een vriend zijn en de kwade een vijand.--Ja.--Wilt gij dan nu eene wijziging maken in onze vorige bepaling der regtvaardigheid, dat het regtvaardig is de vrienden goed te doen en de vijanden kwaad? en moeten wij die dan dus aanvullen, dat het regtvaardig is de vrienden, zoo zij goed zijn, goed te doen en de vijanden, zoo zij kwaad zijn, te schaden?--Juist, zeide hij, zoo geloof ik dat de bepaling goed zal zijn.

IX. Maar, zeide ik, past het een regtvaardig mensch eigenlijk wel eenig sterveling kwaad te doen?--Wel zeker, zeide hij, de kwaden en vijanden moet men kwaad doen.--Maar als men paarden kwaad doet, worden zij dan beter of slechter?--Slechter.--Ten opzigte van de deugd der honden, of van die der paarden?--Van die der paarden.--En wanneer men honden kwaad doet, dan worden die zeker slechter ten opzigte van de deugd der honden en niet van die der paarden?--Natuurlijk.--Maar, mijn vriend! moeten wij dan niet evenzoo zeggen, dat, wanneer men menschen kwaad doet, zij ten opzigte van de menschelijke deugd slechter worden?--Ongetwijfeld.--En is de regtvaardigheid niet eene menschelijke deugd?--Ook dit stem ik toe.--Dus moeten de menschen, die men kwaad doet, onregtvaardig worden.--Het schijnt zoo.--Maar kunnen nu de muzijkkenners door de muzijk iemand onmuzikaal maken?--Onmogelijk.--Of kunnen de kenners der rijkunst door hunne kunst iemand de rijkunst afleeren?--Ook dat niet.--Maar kunnen dan de regtvaardigen door de regtvaardigheid iemand onregtvaardig maken? Of in ’t algemeen de goeden door de deugd iemand kwaad?--Eigenlijk niet.--De warmte brengt dan ook geen koude voort, maar het tegenovergestelde.--Ja.--En de droogte geen vochtigheid, maar het tegenovergestelde.--Natuurlijk.--En die goed is doet geen kwaad, maar het tegenovergestelde.--’t Schijnt zoo.--Edoch de regtvaardige is goed.--Zekerlijk.--Dus ~Polemarchus~! doet de regtvaardige noch vriend noch vijand kwaad, maar dit is veel meer het werk van den onregtvaardige.--Wat gij zegt, is volkomen waar, geloof ik, ~Socrates~!--Wanneer dus iemand zegt, dat het regtvaardig is ieder te geven, wat men hem verschuldigd is, en daarmede bedoelt, dat de regtvaardige zijnen vijanden kwaad moet doen, en zijnen vrienden goed, dan is hij niet wijs; want wij hebben gezien, dat het volstrekt niet regtvaardig is iemand kwaad te doen.--Dat stem ik toe, zeide hij.--Dus, zeide ik, zullen wij ons er gezamenlijk tegen verzetten, wanneer iemand zegt, dat ~Simonides~, of ~Bias~, of ~Pittacus~, of een ander der wijzen van den ouden tijd dit gezegd heeft.--Wat mij betreft, ik zal u helpen, zoo veel ik kan.--Maar weet gij, wie ik geloof, dat de regtvaardigheid heeft bepaald als het goed doen aan vrienden en kwaad doen aan vijanden?--Ik niet, zeide hij.--Ik geloof, dat het ~Periander~ was, of ~Perdiccas~, of ~Xerxes~, of ~Ismenias~, of een ander rijk man, die zich voor heel magtig hield.--Daar houd ik het ook voor.--Wij zullen dat dan maar vaststellen. Maar nu het blijkt, dat deze bepaling van de regtvaardigheid fout is, wat zou dan nu de ware wezen?--

X. Terwijl wij aan het spreken waren, was ~Thrasymachus~ reeds meer dan eens op het punt geweest, om ons in de rede te vallen, maar de andere aanwezigen, die ons gesprek gaarne tot het einde wilden hooren, hadden hem teruggehouden. Toen wij echter, nadat ik dit laatste gezegd had, beiden zwegen, kon hij niet langer stil zitten, maar in eens kwam hij als een verscheurend dier met een sprong op ons af. En ik en ~Polemarchus~ vlogen verschrikt uit elkander, maar hij stond in eens tusschen ons in en riep: ~Socrates~! welke dwaasheid bezielt u tegenwoordig, en wat staat gij daar te leuteren, en tegen elkander pligtplegingen te maken? Maar zoo het u ernst is, om te weten, wat de regtvaardigheid is, bepaal u dan niet bij vragen, en doe uw best niet om anderen dood te praten, wanneer zij u antwoorden, want gij weet heel wel, dat het gemakkelijker is te vragen dan te antwoorden[7], maar antwoord zelf en zeg, wat, volgens uw gevoelen, het regtvaardige is. En pas op dat gij niet zegt: het betamelijke, of het nuttige, of het heilzame, of het winstgevende, of het voordeelige; maar zeg mij duidelijk en naauwkeurig, wat uwe meening is; want ik zal het niet aannemen, zoo gij weer met zulke dwaasheden voor den dag komt.--Door deze woorden verschrikte ik en zag hem bevreesd aan, en ik geloof, dat, zoo ik hem niet in de oogen gezien had, voor hij het mij deed, ik mijne stem zou kwijt geweest zijn[8]. Daar hij echter reeds onder ons gesprek hoe langer hoe boozer geworden was, had ik hem eerst aangezien, en kon dus antwoorden, en zeide bevende: ~Thrasymachus!~ wees niet boos op ons. Want zoo ik en hij bij het redekavelen iets verkeerd doen, weet, dat dit dan zonder opzet gebeurt. Want wees overtuigd, dat, zoo wij goud zochten, wij het vinden daarvan niet met opzet en uit pligtpleging zouden doen mislukken, en nog veel minder dwaas genoeg zijn, om bij het zoeken van de regtvaardigheid, die veel kostelijker is dan goud, elkander toe te geven, en niet ons uiterste best te doen, om wat wij zoeken voor den dag te halen. Geloof dat niet, mijn vriend! Maar ik denk, dat wij het niet kunnen. Dus is het veel billijker, dat gij, knappe menschen, medelijden met ons hebt, dan dat gij boos op ons wordt.--

XI. Toen hij dat hoorde, lachte hij kwaadaardig, en zeide: Bij ~Hercules~! dat is die gewone veinzerij van ~Socrates~, en dat wist ik wel en zeide het de anderen vooruit, dat gij niet zoudt willen antwoorden, maar zoudt veinzen en alles liever doen, dan antwoorden, zoo men u vroeg.--Gij hebt ook zoo veel doorzigt, ~Thrasymachus~! zeide ik. Weet dan, dat zoo gij iemand vroegt, hoeveel twaalf is, en tevens tot hem zeidet: pas op, man! dat gij niet zegt: twaalf is twee maal zes, of drie maal vier, of zesmaal twee, of vier maal drie, want ik zal het niet aannemen, wanneer gij met zulke dwaasheden voor den dag komt, dat dan, zoo als gij ook zelf wel begrijpt, niemand op die vraag zou kunnen antwoorden. Maar zoo hij nu eens tot u zeide: ~Thrasymachus~, hoe wilt gij? mag ik niets zeggen van al wat gij daar hebt opgenoemd? Ook niet, mijn vriend, zoo het een van die allen is; maar moet ik dan wat anders zeggen dan de waarheid? wat zoudt gij dan daarop antwoorden?--Dat is wat moois, zeide hij. Even als of dat geval hetzelfde is.--Waarom niet? zeide ik. Doch al is het zoo niet, wanneer het maar aan den anderen zoo voorkomt, gelooft gij dan, dat hij minder zijn gevoelen zal zeggen, of wij het hem verbieden of niet?--Maar zult gij dan zoo doen? Zult gij een van de antwoorden geven, die ik u verboden heb?--Misschien wel, zoo ik er over nadenk en tot die gevolgtrekking kom.--Maar zoo ik een ander en beter antwoord geef op de vraag, wat de regtvaardigheid is, wat zijt gij dan voornemens te doen?--Wat anders, dan hetgeen een onwetende past, namelijk te leeren van hem die het weet? waartoe ik dus bereid ben.--Gij zijt wel vriendelijk, maar behalve dat leeren, moet gij geld geven.--Wacht dan maar, tot ik het zelf heb, zeide ik[9].--Dat is niets, zeide ~Glauco~. Wat het geld betreft, ~Thrasymachus~! dat zullen wij gezamenlijk voor ~Socrates~ betalen; spreek gij maar op.--Wel ja, zeide hij. Zeker, opdat ~Socrates~ weer naar gewoonte doen kan, en zelf niet antwoordt, maar anderen laat antwoorden, om ze dan rekenschap te vragen en dood te praten.--Maar, mijn beste! zeide ik, hoe zou iemand kunnen antwoorden, die vooreerst niets weet noch voorgeeft te weten, en ten andere, zoo hij al eene meening heeft, van een gewigtig persoon een verbod gekregen heeft om die te zeggen? Het is dus veel beter, dat gij spreekt, daar gij zegt het te weten en in staat te zijn het te zeggen. Doe dan niet anders, maar doe mij het genoegen van te antwoorden, en misgun aan ~Glauco~ en de anderen uw onderwijs niet.--

XII. Toen ik dit zeide, deden ~Glauco~ en de anderen hem hetzelfde verzoek. En het was duidelijk, dat ~Thrasymachus~ verlangde te spreken, om eer in te leggen, daar hij meende een zeer schoon antwoord te hebben, doch dat hij voorgaf er op gesteld te wezen, dat ik zou antwoorden. Eindelijk echter gaf hij toe, doch zeide nog eerst: dat is dan die groote wijsheid van ~Socrates~[10], zelf geen onderrigt te willen geven, maar rondgaande van anderen te leeren en daarvoor niet eens dankbaarheid te betoonen.--Hierop zeide ik: dat ik van anderen leer, ~Thrasymachus~! daarin hebt gij gelijk, maar dat ik, zoo als gij zegt, geene dankbaarheid betoon, dat liegt gij; want ik betoon die zoo veel ik kan. Doch ik kan slechts prijzen, want geld heb ik niet. Dat ik dit echter gewillig doe, zoo ik vind, dat iemand goed spreekt, dat zult gij dadelijk merken, wanneer gij wilt antwoorden, want ik heb hoop, dat gij goed zult spreken.--Hoor dan, zeide hij. Ik zeg, dat het regtvaardige niets anders is, dan het voor den sterksten nuttige. Maar waarom prijst gij niet? Zeker omdat gij niet wilt.--Als ik eerst begrijp, wat gij bedoelt, zeide ik, want nu vat ik het nog niet. Gij zegt, dat het voor den sterkeren nuttige regtvaardig is. Wat meent gij daarmede, ~Thrasymachus~? Toch niet, dat zoo ~Polydamus~, de kampvechter, sterker is dan wij en ossevleesch nuttig is voor zijn ligchaam, deze spijs dan ook voor ons, die zoo veel minder sterk zijn, nuttig en regtvaardig is?--Gij zijt laf, ~Socrates~! zeide hij, en vat mijne woorden zóó op, als u het gemakkelijkst is, om er op te vitten.--Och neen, mijn waarde! maar zeg dan wat duidelijker uwe bedoeling.--Weet gij dan niet, dat sommige Staten door Vorsten, andere door het volk, andere door de edelen bestuurd worden?--Wel zeker.--En is nu niet in iederen Staat het regerende deel het sterkste?--Natuurlijk.--Edoch nu maakt iedere regering wetten overeenkomstig met hetgeen voor haar nuttig is, de volksregering voor het volk, de vorstelijke voor den Vorst, de adelijke voor de edelen, enz. Hierdoor verklaren zij wat voor hen nuttig is regtvaardig voor de onderdanen, en die daartegen handelt straffen zij als een’ overtreder en onregtvaardigen. Dus, mijn beste! noem ik in alle Staten hetzelfde regtvaardig, te weten: wat nuttig is voor de bestaande regering. Zij nu is de sterkste, zoodat iemand, die goed redeneert, overal hetzelfde regtvaardig vindt, namelijk het nuttige voor den sterksten.--Nu, zeide ik, begrijp ik, wat gij zegt, maar, of het waar is of niet, zal ik pogen te onderzoeken. Dus, ~Thrasymachus~! houdt ook gij het regtvaardige voor het nuttige, hoewel gij mij dat antwoord verboden hadt. Alleen hebt gij er bijgevoegd: voor den sterksten.--Dat is zeker een klein toevoegsel.--Het blijkt nog niet of het groot is, maar wel, dat wij zien moeten, of gij de waarheid zegt. Want nu ook ik het regtvaardige iets nuttigs[11] noem, maar gij er wat bijvoegt, en zegt: het nuttige voor den sterksten, en ik daaromtrent onzeker ben, moeten wij dat onderzoeken.--Onderzoek het dan maar.--

XII. Dat zullen wij hebben. Zeg mij dan eens, of gij het niet voor regtvaardig houdt aan de overheden te gehoorzamen.--Ja.--Maar zijn nu alle overheden in alle Staten onfeilbaar, of kunnen zij zich ook vergissen?--Zij kunnen zich duchtig vergissen.--Maar als zij nu wetten pogen te maken, maken zij die zeker deels goed, deels niet goed?--Ik meen van ja.--Edoch goede wetten te maken is nuttige voor zich zelven te maken, en niet goede niet nuttige.--Zoo is het.--En wat zij als wet vaststellen, dat moeten de onderdanen doen, en dat is regtvaardig.--Natuurlijk.--Dus is het volgens uwe woorden regtvaardig, niet alleen het voor den sterksten nuttige te doen maar ook het tegenovergestelde, het niet nuttige.--Wat zegt gij daar?--Hetzelfde als gij, geloof ik. Maar wij willen het beter beschouwen.--Hebt gij niet toegestemd, dat de regering, wanneer zij de onderdanen beveelt, iets te doen, zich somtijds vergist omtrent hetgeen voor haar het nuttigste is, en dat het voor de onderdanen regtvaardig is te doen wat de regering beveelt. Hebt gij dat niet toegestemd?--Ik meen van ja.--Meen er dan bij, dat gij toegestemd hebt, dat het ook regtvaardig is het voor de overheden en de sterksten schadelijke te doen; want wanneer de overheden bij ongeluk bevelen wat voor hen schadelijk is, en gij beweert, dat het regtvaardig is te doen, wat zij bevelen, volgt daar niet uit, o wijze ~Thrasymachus~! dat het dan regtvaardig is het tegengestelde te doen van hetgeen gij zegt? Want dan wordt aan den minderen bevolen te doen wat voor den sterksten schadelijk is.--Dat volgt er duidelijk uit, ~Socrates~! zeide ~Polemarchus~.--Wel te verstaan, zoo gij helpt om het er uit te halen, zeide ~Clitophon~, het woord opnemende.--Die hulp is niet noodig, zeide ~Polemarchus~; want ~Thrasymachus~ zelf erkent, dat de overheden somtijds wat voor hen nadeelig is bevelen, en dat het voor de onderdanen regtvaardig is dat te doen.--Dat volgt zeker, ~Polemarchus~! omdat ~Thrasymachus~ gesteld heeft, dat het regtvaardig is te doen, wat door de overheden bevolen wordt.--En omdat hij ook gesteld heeft, ~Clitophon~! dat het voor den sterksten nuttige regtvaardig is, en na beiden gesteld te hebben, heeft toegestemd, dat de sterksten somtijds wat voor hen nadeelig is aan de minderen en onderdanen voorschrijven. Volgens al die stellingen toch is het voor den sterksten nuttige geen zier regtvaardiger dan het niet nuttige.--Maar, zeide ~Clitophon~, hij meende met het nuttige voor den sterksten hetgeen de sterkste nuttig voor zich oordeelt, en hij stelde, dat de mindere dit doen moet, en dat dit regtvaardig is.--Maar dat heeft hij niet gezegd, zeide ~Polemarchus~.--Het doet er niets toe, zeide ik, ~Polemarchus~! maar zoo ~Thrasymachus~ het nu zóó zegt, laat ons het dan maar zóó opvatten.

XIV. Zeg mij dan eens, ~Thrasymachus~! hebt gij met de bepaling van het regtvaardige, als het voor den sterksten nuttige, slechts willen zeggen: wat aan den sterksten nuttig voorkomt, hetzij het zulks is of niet! moeten wij dat voor uw gevoelen houden?--Wel neen, zeide hij, maar denkt gij dan, dat ik iemand, die dwaalt, wanneer hij dwaalt, den sterksten noem?--Ik meende van ja, was mijn antwoord, daar gij hebt toegestemd, dat de overheden niet onfeilbaar zijn, maar zich somtijds vergissen.--~Socrates!~ gij zijt een woordverdraaijer. Heet gij dan iemand arts, die zich omtrent de zieken vergist, voor zoover hij zich vergist, of iemand, die fout rekent, wanneer hij fout rekent, een rekenkundigen? Ik houd het daarvoor, dat wij alleen bij wijze van spreken zeggen, dat de arts, of rekenkundige, of letterkundige eene fout gemaakt heeft; maar dat eigenlijk ieder hunner, voor zoo ver hij dat is, wat wij hem noemen, nooit fout doet: zoodat, om naauwkeurig te spreken, daar gij toch zóó op naauwkeurigheid gesteld zijt, geen kunstenaar zich ooit vergist. Want fouten maakt ieder door dien zijne kunst hem ontschiet, dus door dien hij op dat oogenblik geen kunstenaar is; zoodat een kunstenaar, of wijze, of overheidspersoon zich nooit vergist, wanneer hij overheidspersoon, enz. is; hoewel ieder zegt: de arts heeft zich vergist en de overheid heeft zich vergist. Houd dan dit voor hetgeen ik heb willen zeggen. Dit nu druk ik letterlijk zóó uit, dat de overheid, als overheid, niet misdoet, en niet misdoende het voor haar nuttige beveelt, en dat de onderdaan dit doen moet. Zoodat ik, gelijk in den beginne, het regtvaardige bepaal als het voor den sterksten nuttige.