Part 2
III. Als de beschrevene staatsregeling gebloeid heeft, zullen de bestuurders langzamerhand de muzenkunst gaan minachten. Daardoor zullen de zeden ruwer worden, de wachters zullen zich tot eigenaars van den staat maken, ieder voor zich eigendom in bezit nemen, en de overige burgers onderdrukken.
IV. Het kenmerk dezer staatsregeling is verachting van handenarbeid en geleerdheid benevens waardering van oorlog en gymnastiek, en heimelijke inhaligheid, en schraapzucht bij de regerende klasse.
V. De daarop gelijkende man is gehoorzaam aan zijne meerderen, hard voor zijne minderen, zachtzinnig jegens zijne gelijken, een vijand van geleerdheid en vriend van ligchaamsoefening, in zijne jeugd veracht hij het geld, op zijnen ouden dag wordt hij gierig. Hij ontstaat als de zoon van een braaf man, die in een slechten staat wonende zich rustig houdt, op zijnen vader hoort schimpen en daardoor lust krijgt zich meer te laten gelden.
VI. Nu gaat de timarchie door het heimelijke schrapen in oligarchie over, want langzamerhand wordt het geld meer geëerd dan de deugd, en eindelijk bepaalt men een trap van rijkdom tot maatstaf voor het regt om meê te regeren. Die maatstaf is verkeerd, want geld brengt geen wijsheid aan. Ook staan in zulk een staat armen en rijken vijandig tegen elkander over, en die oneenigheid belemmert al zijne handelingen. Ook worden hier de beroepen vermengd.
VII. In zulk een staat hoort het pauperismus te huis, en een gevolg daarvan is het vermeerderen der bedelaars en der kwaaddoenders.
VIII. Wanneer nu een zoon van een timocraat zijnen vader het slagtoffer van staatkundige vijanden ziet worden, krijgt hij een afkeer van eerzuchtig pogen naar aanzien en werpt zich op het geldwinnen.
IX. En dan gelijkt hij op de oligarchie, want het geld gaat bij hem bovenal, en zijne meeste begeerten en neigingen worden door enkele, die met geldwinnen in verband staan, onderdrukt.
X. In een oligarchischen staat gaan de rijke geslachten in aantal en beschaving steeds achteruit, totdat eindelijk de armen hun de baas worden, eene omwenteling verwekken en de regering democratisch maken.
XI. Het kenmerk van de democratie is vrijheid voor allen, en volkomene gelijkheid van allen in regten en deel aan het bestuur.
XII. Nu zijn sommige begeerten noodzakelijk en winstgevend, andere niet noodzakelijk en verkwistend. De eerste worden door den gierigen oligarch aangekweekt, de laatste met geweld onderdrukt.
XIII. Heeft deze nu een zoon, dan zoekt hij bij hem alleen de eerste aan te kweeken, maar door omgang met liederlijke personen worden dan de laatste versterkt, en eindelijk worden daardoor in de ziel van dien zoon de verschillende begeerten ongeveer even sterk, wegen elkander op en beheerschen hem bij beurten.
XIV. De democratie wordt eindelijk volslagen teugelloosheid, en de burgers worden hoe langer hoe gevoeliger op het punt van vrijheid.
XV. Die bovenmatige vrijheid gaat in dienstbaarheid over, want in een democratischen staat zijn steeds eene menigte verkwistende ledigloopers.
XVI. Deze zoeken de rijken te plunderen en geven aan het volk ook een deel van den buit. Dan worden de rijken oligarchen en zoeken de democratie om te werpen. Vooral hebben zij het dan op den voornaamsten volksleider gemunt. Deze maakt daar gebruik van, vraagt van het volk eene lijfwacht en verheft zich tot tiran.
XVII. Dan is het uit met de vrijheid, en de tiran zoekt, om te blijven regeren, het volk te verarmen en alle krachtige, bekwame, onafhankelijke menschen uit den weg te ruimen.
XVIII. En om zich te handhaven moet hij een lijfwacht hebben, die uit huurlingen en vrijgemaakte slaven wordt zamengesteld.
XIX. Om die te onderhouden mergelt hij het volk uit, en als dat zich verzet, onderdrukt hij alle oproeren met geweld, door de hulp zijner huurlingen.
NEGENDE BOEK.
I. Om den tirannischen man goed te beoordeelen bedenke men, dat van natuur in den mensch vele onwettige begeerten huisvesten, die zich vooral in droomen openbaren.
II. Worden nu in den zoon van een democratischen man die begeerten door slecht gezelschap opgewekt, zoodat hij aan wijn en wellust verslaafd raakt, dan wordt hij tirannisch.
III. Door den wellust geprikkeld, brengt hij dan zijn geld door, en zoekt daarna door list en geweld aan geld te komen. Eerst berooft hij zijne ouders, dan wordt hij een dief of neemt dienst onder de lijfwacht van een tiran, of, als hij er kans voor ziet, onderwerpt hij zijn vaderland.
IV. Nu is de staat onder koninglijk gezag het gelukkigst, die onder een tiran het rampzaligst, en ditzelfde geldt ook van den waren wijsgeer, en den tirannischen man. ~Plato~ deelt hier mede, wat hij zelf gezien heeft.
V. In ’t algemeen is een tirannisch mensch even ongelukkig onder de heerschappij zijner driften, als een tirannisch beheerschte staat onder die van eenen tiran; maar het allerongelukkigst is een werkelijk tiran, daar die geen oogenblik zijn leven zeker is.
VI. En het ergste is, dat, naarmate dit langer duurt, zijn karakter en zijn lot hoe langer hoe meer verslimmert.
VII. Een ander bewijs is dit: Men kan de menschen in drie soorten verdeelen, wijsgeerigen, eerzuchtigen, winzuchtigen. Ieder hunner noemt zijne levenswijs de gelukkigste.
VIII. Nu wordt ieder ding beoordeeld door ondervinding, kennis en redenering. De wijsgeer heeft ondervinding van het vermaak der eer en van dat van het geldwinnen; kennis en redenering zijn alleen in zijn bezit. Dus is zijn oordeel het beste.
IX. Eindelijk zijn er drie toestanden, vermaak, smart en afwezigheid van beiden, die in vergelijking met de twee anderen, smart of vermaak wordt genoemd, maar het eigenlijke niet is. Het meeste zoogenaamde vermaak behoort op dit gebied.
X. En dat dit als vermaak wordt beschouwd, is aan de onwetendheid der menschen te wijten. Het vervullen van behoefte toch wordt als vermaak beschouwd. Nu wordt bij het meeste zoogenaamde vermaak onze behoefte door stoffelijke middelen bevredigd, en de stoffelijke wereld heeft geen deel aan het ware zijn, dus is die vervulling niet wezenlijk en het daardoor ontstaande vermaak evenmin.
XI. Ja, voor zoo ver er nog eenig zinnelijk vermaak bestaat, kan dit alleen onder de leiding der rede waarlijk genoten worden.
XII. Verder is bij den regtvaardigen het goddelijke in den mensch, bij den onregtvaardigen het dierlijke meester.
XIII. En het goddelijke wordt door alle goede handelingen, het dierlijke door alle slechte versterkt. Daarom is het ieders waarachtig belang de deugd te beoefenen.
TIENDE BOEK.
I. ~Socrates~ komt nog eens op de nabootsende kunst terug. Een schilder bootst alles na, wat met oogen gezien wordt.
II. Nu zijn de idéen het eigenlijk zijnde. De stoffelijke wereld is naar de idéen gevormd. Zij staat dus op de tweede plaats van de waarheid af. De nabootsende kunst bootst de stoffelijke wereld na. Zij staat dus op de derde plaats. En dat nog op zijn best, want zij bootst de dingen na, niet zoo als zij zijn, maar zoo als zij zich vertoonen, zonder dat zij hun eigenlijk wezen kent.
III. Dit geldt ook van de nabootsende dichters, die verzen maken over veel dingen, waarvan zij volstrekt geen kennis hebben,
IV. En dus ook alleen door onwetende menschen voor geleerd gehouden worden. Ook weet de gebruiker van eenige zaak, hoe zij wezen moet, en de vervaardiger gelooft hierin den gebruiker, maar de nabootser heeft geen kennis noch geloof op goed gezag, en gaat alleen op het uiterlijke af.
V. Daarenboven is de rede het beste deel van den mensch, en komt dikwijls met de hartstogten in strijd.
VI. De hartstogten echter zijn veel ligter na te bootsen dan de rede, en de menigte wordt door de hartstogten geregeerd. Daarom kiest de nabootsende dichtkunst de hartstogten, en is bijgevolg voor een redelijk mensch niet geschikt.
VII. Ook bederft zij de goede menschen, die zich met haar bezig houden, door hunne hartstogten op te wekken. Daarom verbanden wij haar met regt.
VIII. Er is dan ook eene oude vijandschap tusschen dichtkunst en wijsbegeerte. Daar echter de dichtkunst zoo vermakelijk is, zijn wij bereid hare verdediging aan te hooren, maar zoo zij zich niet goed kan verdedigen, willen wij er onze deugd niet aan wagen.
IX. Te meer daar de ziel onsterfelijk is. Dit wordt aldus bewezen. Een ding kan alleen door zijn eigen kwaad vergaan. Wat dus door zijn eigen kwaad niet vergaat is onvergankelijk. Het kwaad van de ziel is de ondeugd. De ondeugd doet de ziel niet vergaan.
X. Want tusschen den dood en de ondeugd vertoont zich geen onmiddellijk verband. Dus is de ziel onvergankelijk.
XI. En dit zou nog veel duidelijker blijken, als het ons gegeven was de ziel in hare zuiverheid te beschouwen.
XII. Thans kunnen wij het vroeger gestelde terugnemen en erkennen, dat de deugd wel degelijk door goden en menschen gekend en beloond wordt.
XIII.--XVI. De gevolgen van deugd en ondeugd na den dood worden hier in een mythisch verhaal medegedeeld, dat van ER, den zoon van ~Armenius~, wiens ziel eene poos zijn ligchaam verlaten en de andere wereld bezocht had, afkomstig genoemd wordt.
Beoordeeling van ~Plato’s~ Republiek door ~Aristoteles~.
Besluit.
INLEIDING.
Een uitvoerige inleiding is tot verstand van de Republiek niet noodig, daar het werk zijn eigen inleiding in zich bevat, en de lezer door eenvoudig aan ~Plato’s~ hand voort te gaan van zelfs op de hoogte komt. Een enkel woord zij daarom voldoende.
Men heeft veel getwist over het doel van de Republiek, en gevraagd, of dit werk een staatkundig of een zedekundig geschrift is. Het komt mij het beste voor ons eenvoudig aan ~Plato’s~ verklaring te houden, die hij in Boek II. Hoofdst. X. heeft afgelegd, en dus de regtvaardigheid als het eigenlijke onderwerp des boeks te beschouwen; daarbij in het oog houdende, dat bij de Grieken de enkele mensch te veel als staatsburger beschouwd werd, om in eene ontwikkeling der zedekunde slechts den enkelen mensch, niet tevens den staat te behandelen.
Wat de tijd betreft, waarin ~Plato~ de Republiek heeft te boek gesteld, zoo is Boek IX Hoofdst. IV klaarblijkelijk na ~Plato’s~ terugkomst van bet hof van ~Dionysius~ den ouderen geschreven, en in Boek VI. Hoofdst. XIV. kan men welligt toespelingen zien op ~Archytas~ van Tarente, en op ~Plato’s~ plan tot verbetering van ~Dionysius~ den jongeren. Met dat al is het bij zulk een uitvoerig werk onmogelijk den juisten tijd, waarop het geschreven is, te bepalen; te meer, daar de overlevering zegt en de lezing des boeks bevestigt, dat ~Plato~ zijne Republiek voortdurend beschaafd en gewijzigd heeft.
Nu willen wij nog kortelijk van de sprekende personen handelen.
~Socrates~ is de hoofdpersoon, doch hem te bespreken is overbodig.
~Glauco~ en ~Adimantus~ waren waarschijnlijk broeders van ~Plato~, wier gedachtenis hij in de Republiek heeft willen bewaren. Behalve hetgeen hier van hen gevonden wordt, weten wij nog uit _Xenophons Gedenkwaardigheden_, Boek III. Hoofdst. VI., dat ~Glauco~ reeds op zijn twintigste jaar zich met staatszaken wilde bemoeijen, maar toen door ~Socrates~ weerhouden is.
~Cephalus~ was de vader van den redenaar ~Lysias~. Hij schijnt van Syracuse naar Athene verhuisd te wezen. In de Republiek komt hij voor als een eerbiedwaardig grijsaard; verder is er weinig van hem bekend.
~Polemarchus~ is een zoon van ~Cephalus~, en was, zoo als uit de Republiek blijkt, zeer bevriend met ~Socrates~. Ook in den _Phaedrus_ wordt zijn aanleg voor de wijsbegeerte geroemd.
~Thrasymachus~ behoorde tot de klasse der Sophisten (Zie mijne inleiding voor den _Phaedo_, blz. 9). Vooral de welsprekendheid was zijn hoofdvak, en hij legde zich toe op een brommenden, hoogdravenden spreektrant. Ook over de natuur aller dingen schijnt hij geschreven te hebben, hoewel daarvan niets is bewaard. Zijn karakter blijkt genoeg uit de Republiek. Dat hij niet tot de minste Sophisten behoorde, kan uit de rol, die hij dáár vervult, opgemaakt worden.
EERSTE BOEK.
I. Gisteren ging ik met ~Glauco~, den zoon van ~Aristo~, naar den Piréus om de Godin[1] te aanbidden, terwijl ik tevens verlangde te zien, hoe men het feest zou vieren, daar het voor de eerste keer was. Ik vond dan ook de processie van de inwoners wel fraai, doch die uit Thracie althans niet minder. Toen wij aangebeden en alles gezien hadden, keerden wij naar stad terug. En ~Polemarchus~ de zoon van ~Cephalus~ zag ons naar huis gaan en zond zijn jonge om ons na te loopen met verzoek hem in te wachten. En de jonge pakte mij achter aan mijn kleed en zeide: ~Polemarchus~ verzoekt u te wachten. Hierop keerde ik mij om en vroeg, waar hij was. Hij komt achter ons, zeide de jonge, wacht maar. Dat willen wij doen, zeide ~Glauco~. Een oogenblik later kwam ~Polemarchus~ met ~Adimantus~ den zoon van ~Glauco~, en ~Niceratus~ den zoon van ~Nicias~ en eenige anderen, die allen van de processie kwamen. Toen zeide ~Polemarchus~: ~Socrates~! gij zijt, geloof ik, op weg naar stad.--Daar gelooft gij goed aan, zeide ik.--Maar ziet ge wel, zeide hij, hoe velen wij zijn?--Wel ja.--Slaat u dan door ons allen heen, zeide hij, of blijft hier.--Maar, zeide ik, er is nog over, dat wij u overreden om ons te laten gaan.--Maar, zeide hij, ziet gij dan kans om ons te overreden, wanneer wij niet naar u luisteren?--Dat niet, zeide ~Glauco~.--Wees dan maar overtuigd, zeide hij, dat wij niet van plan zijn te luisteren.--En ~Adimantus~ zeide: Weet gij dan niet, dat er van avond een fakkelstrijd te paard ter eere der Godin zal gehouden worden?--Te paard? zeide ik; dat is wat nieuws. Zullen zij dan om strijd al rijdende elkaar de fakkels toereiken[2]? Of hoe anders?--Juist zoo, zeide ~Polemarchus~; en dan zal er ook een nachtfeest gevierd worden, dat bezienswaardig zal wezen. En na het eten zullen wij het nachtfeest gaan bekijken, en daar vele jongelieden zien en spreken. Blijft dus, en gaat niet heen. Hierop zeide ~Glauco~: ik vind, dat wij blijven moeten. Als gij dat vind, zeide ik, dan moeten wij het maar doen.
II. Wij gingen dan naar het huis van ~Polemarchus~, en vonden daar ~Lysias~ en ~Euthydemus~, de broeders van ~Polemarchus~, en ook ~Thrasymachus~ van Chalcedon, en ~Charmantides~ den Paeaner, en ~Clitophon~, den zoon van ~Aristonymus~. Ook was ~Cephalus~ de vader van ~Polemarchus~ binnen. Ik vond hem heel oud geworden, want ik had hem in langen tijd niet gezien. Hij zat op een stoel met een kussen en had een’ krans [op het hoofd], daar hij zoo even op de binnenplaats geofferd had. Wij gingen bij hem zitten, want er stonden daar eenige stoelen in de rondte. Zoodra ~Cephalus~ mij zag, groette hij mij en zeide: ~Socrates~ gij komt waarlijk niet te dikwijls naar den Piréus, om ons te bezoeken. Dit moest gij echter doen. Want, zoo ik nog in staat was, om vlug naar stad te gaan, dan behoefdet gij niet hier te komen, maar wij zouden u gaan opzoeken; nu echter moet gij wat meer hier komen; want wees verzekerd, dat naarmate ik voor ligchamelijk vermaak ongevoeliger word, mijne liefhebberij in het redekavelen toeneemt. Doe dan niet anders, maar gun uwen omgang aan deze jongelingen, en kom bij ons als bij uwe beste vrienden. Met genoegen, zeide ik, vooral daar ik gaarne met zeer oude lieden spreek. Want daar zij een weg hebben afgelegd, dien wij waarschijnlijk ook gaan moeten, vind ik het zaak hen te vragen, of die weg ruw en lastig, of gemakkelijk en effen is. Daarom zou ik dan ook gaarne hieromtrent uwe meening hooren, daar gij reeds op dien leeftijd gekomen zijt, welken de dichters den drempel der grijsheid noemen, en van u vernemen, of gij dat een lastig tijdperk des levens vindt, of hoe anders gij er over denkt.
III. Bij ~Zeus~! zeide hij, ~Socrates~! ik zal u mijne meening zeggen. Want dikwijls zoeken, volgens het spreekwoord, lieden van mijne soort en ik elkander op. De meesten onzer jammeren dan, als wij bijeen zijn, daar zij de vermaken der jeugd terugwenschen, en zich het mingenot, de drinkpartijen, feesten en andere zulke zaken herinneren, en worden verdrietig, omdat zij zoo veel verloren hebben, en toen een best leven hadden, maar nu zoo goed als niet leven. Sommigen beklagen zich dan ook over de weinige achting hunner huisgenooten voor den ouderdom, en maken dan een treurzang op al het verdriet waarvan hun leeftijd de oorzaak is. Ik geloof echter, ~Socrates~! dat zij niet de ware oorzaak opgeven. Want zoo dit de oorzaak was, dan moest ik en alle anderen, die tot denzelfden leeftijd gekomen zijn, het ook ondervinden. Ik heb er echter ook ontmoet, die niet zoo dachten, onder anderen den dichter ~Sophocles~, die op de vraag, hoe het met zijne kracht stond, en of hij nog gemeenschap met eene vrouw kon hebben, antwoordde: foei man! ik ben zoo blijde, dat ik er af ben, als of ik eenen dollen en wreeden meester ontvlugt was. Toen vond ik, dat hij de waarheid sprak, en nu niet minder. Want waarlijk, in den ouderdom heeft men van die dingen vrij wat minder last. Wanneer toch de driften verslappen en ons niet langer prikkelen, dan gebeurt er juist wat ~Sophocles~ zeide: wij worden van vele en razende meesters verlost. Maar hiervan en van de klagten over huisgenooten is de oorzaak dezelfde, ~Socrates~! namelijk niet de ouderdom, maar de inborst der menschen. Want zoo zij redelijk en inschikkelijk zijn, dan is ook de ouderdom wel te verdragen, maar zoo niet, dan is de ouderdom, ~Socrates~! en de jeugd evenzeer vol onaangenaamheid.--
IV. Daar ik schik had in zijn gesprek en nog meer wenschte te hooren, zeide ik, om hem aan te zetten: ~Cephalus~! ik houd het er voor, dat, wanneer gij zóó spreekt, de meesten u niet gelooven zullen, maar denken, dat de gemakkelijkheid, waarmede gij den ouderdom draagt, niet uit uwe inborst, maar uit uwen rijkdom voortspruit; want, zeggen zij, de rijken hebben allerlei verkwikking.--Juist, zeide hij, zij gelooven het niet. En zij zeggen ook wel iets, maar niet zoo veel als zij meenen, daar hier het gezegde van ~Themistocles~ van toepassing is, die, toen een Seriphier[3] met hem twistte en zeide, dat hij niet door zich zelven maar door zijne vaderstad beroemd was geworden, ten antwoord gaf: dat, zoo hij een Seriphier was, zijn naam even weinig bekend zou wezen, als die van den ander, zoo hij een Athener was. Van hen toch, die niet rijk zijn, en den ouderdom niet gemakkelijk dragen kunnen, kan even zoo gezegd worden: dat ook een redelijk mensch, zoo hij arm is, den ouderdom niet gemakkelijk dragen kan, maar dat evenmin een onredelijk, zelfs al is hij rijk, vrede met zijnen toestand kan hebben.--Maar, ~Cephalus~! zeide ik, hebt gij uwe meeste bezittingen van uwe ouders geërfd, of zelf uw erfgoed vermeerderd?--Vermeerderd, ~Socrates~! och neen! ik was als financier zoo wat tusschen mijnen vader en grootvader in. Mijn grootvader toch, die denzelfden naam droeg als ik, had omtrent evenveel geërfd, als ik nu heb, en heeft het meer dan verdubbeld, en mijn vader ~Lysanias~ heeft het nog minder gemaakt dan het nu is; maar ik ben tevreden, zoo ik aan deze mijne kinderen niet minder, maar een weinig meer nalaat dan ik ontvangen heb.--Dit vroeg ik daarom, zeide ik, dewijl ik merkte, dat gij niet bijzonder aan het geld gehecht zijt.--Dit wordt meestal waargenomen bij menschen, die het niet zelve verworven hebben; maar die het zelve hebben verworven, zijn er tweemaal zoo sterk aan gehecht als de anderen. Want gelijk de dichters hunne verzen en de ouders hunne kinderen liefhebben, zoo beminnen de geldwinners het geld als hun eigen werk, meer dan de anderen, hetgeen ook blijkt uit hunne wijs van het te gebruiken. Daarom zijn zij lastig in den omgang en prijzen niets zoo zeer als rijkdom.--Dat is waar, zeide hij.--
V. Ja, of het! zeide ik. Maar zeg mij nu nog één ding. Wat is, naar uwe meening, het grootste voordeel van het bezitten van rijkdom?--Iets, zeide hij, dat ik bezwaarlijk door velen als zoodanig kan doen erkennen. Want weet, ~Socrates~! dat, wanneer iemand reden heeft, om de nabijheid van zijnen dood te vermoeden, vrees en bezorgdheid hem aanwandelen omtrent dingen, waarover hij zich vroeger niet bekommerde. Hetgeen toch van de onderwereld verteld wordt, dat die hier onregt gedaan hebben, dáár boeten zullen, waarover hij vroeger lachte, vervult dan zijne ziel met bezorgdheid, of het niet waar zou wezen; en, hetzij ten gevolge van de zwakheden des ouderdoms, hetzij omdat hij er nader bij is, het staat hem helderder voor den geest. Daardoor wordt hij dan vervuld met zorg en bevreesdheid en gaat bij zich zelven na, of hij ook iemand eenig onregt heeft aangedaan. Hij nu, die vindt, dat hij in zijn leven veel onregt gepleegd heeft, vliegt dan, gelijk de kinderen, dikwijls uit den slaap op, en leeft vol slechte verwachting; maar die zich van geen onregt bewust is, heeft steeds eene aangename en goede hoop, welke, zoo als ~Pindarus~ zegt, de verpleegster van den ouderdom is. Want, ~Socrates~! deze zegt in fraaije bewoordingen van den mensch, die in zijn leven eerbied voor menschelijk en Goddelijk regt betoond heeft: «hem vergezelt de zoete, hartverkwikkende hoop, de verpleegster van den ouderdom, welke het meest de wispelturige ziel der stervelingen bestuurt.» En in deze woorden is verwonderlijk veel waarheid. In dit opzigt nu beweer ik, dat het bezitten van geld, wel niet voor ieder, maar zeker voor een verstandig mensch, veel waarde heeft. Rijkdom toch is ten hoogste dienstig, om zonder vrees, dat men, al is het buiten opzet, iemand benadeeld of bedrogen heeft, of dat men aan een God offers of aan een mensch geld schuldig is, den overstap te doen. Hij is ook tot vele andere dingen bruikbaar, maar alles goed bezien, zou ik toch stellen, ~Socrates~! dat voor een verstandig mensch, vooral in dit opzigt de rijkdom bijzonder nuttig is.--
Uitmuntend gezegd, ~Cephalus~! zeide ik. Doch moeten wij nu de regtvaardigheid maar eenvoudig voor hetzelfde houden als de waarheid, en als het teruggeven van hetgeen men van anderen in zijne magt heeft, of kan juist dit somtijds met regt en somtijds met onregt geschieden? bij voorbeeld: ieder zou zeggen, dat, wanneer iemand van zijnen vriend, toen deze bij zijne zinnen was, wapenen in bewaring heeft gekregen, hij ze niet moet teruggeven, wanneer de ander ze in eene vlaag van krankzinnigheid terugeischt, en dat hij, die ze dan teruggaf, evenmin regtvaardig zou wezen, als iemand, die tot zulk eenen volkomen de waarheid wilde spreken.--Dat is waar, zeide hij.--Dus is het niet juist, de regtvaardigheid te bepalen tot het spreken van de waarheid en het teruggeven van het aan anderen toebehoorende.--
Dat geloof ik wel, ~Socrates~! zeide ~Polemarchus~, het woord opnemende, zoo ten minste het gezag van ~Simonides~ iets geldt.--Goed zoo, zeide ~Cephalus~, zet gij het gesprek voort. Want ik moet weder naar mijn offer terugkeeren.--Dus, zeide ik, is ~Polemarchus~ uw opvolger.--Juist, zeide hij lagchende, en hierop ging hij naar het altaar[4].--