De republiek van Plato

Part 1

Chapter 13,740 wordsPublic domain

DE REPUBLIEK VAN PLATO.

DE

REPUBLIEK

VAN

PLATO,

IN HET NEDERDUITSCH OVERGEBRAGT

DOOR

D^{r}. D. BURGER, JR.

AMSTERDAM, P. N. VAN KAMPEN. 1849.

VOORBERIGT.

_Door den Heer_ VAN KAMPEN _uitgenoodigd, om na het vertalen van den_ Phaedo _en den_ Theaetetus, _mijne krachten tot de overbrenging van_ Plato’s Republiek _in te spannen, deinsde ik in den beginne voor dien arbeid terug. Eindelijk echter heeft mijne genegenheid voor dat boek, hetwelk op mijn eigen ontwikkeling een grooten invloed heeft uitgeoefend, en de overweging, dat_ PLATO _uit geen zijner schriften beter kan gekend worden, mij doen besluiten het werk op mij te nemen, vooral, daar het tegenwoordig welligt meer dan vroeger als heilzaam kan beschouwd worden_, Plato’s Republiek _toegankelijk te maken._

_Een paar plaatsen heb ik eenigzins bekort. Die het oorspronkelijke niet kennen, zullen er niets door missen; en de literatoren, die mijne vertaling misschien in handen nemen, zullen mij, hoop ik, gelijk geven._

_Ik heb weinig aanteekeningen bij den text gevoegd._ Plato’s Republiek _is voor den vertaler moeijelijk, maar na de vertaling blijft er weinig over, dat nog eene opzettelijke verklaring noodig heeft. Daarenboven was veel van hetgeen nog opheldering zou behoeven, door mij reeds vroeger behandeld. In zulke gevallen heb ik mij vergenoegd derwaarts te verwijzen._

_Hiermede geef ik mijn werk aan mijne lezers over, in de hoop dat zij na de lezing mij de getuigenis zullen geven, dat ik niet vruchteloos gearbeid heb._

INHOUD.

INLEIDING.

EERSTE BOEK.

I. ~Socrates~, met ~Glauco~ naar den Piréus gegaan zijnde, wordt door ~Polemarchus~ den zoon van ~Cephalus~ te gast genoodigd.

II. Hij vindt ~Cephalus~ aan het verrigten van huisselijke Godsdienst en raakt met hem aan het spreken over den ouderdom.

III. ~Cephalus~ verklaart, dat de ouderdom voor een redelijk mensch heel goed te verdragen is.

IV. Maar geeft toe, dat rijkdom dit veel gemakkelijker maakt.

V. En vooral dienstig is, om vóór den dood gepleegd onregt te vergoeden. ~Socrates~ neemt hieruit aanleiding tot het opperen der vraag, wat regtvaardigheid is. ~Cephalus~ echter verwijdert zich, en ~Polemarchus~ zet het gesprek voort.

VI. ~Polemarchus~ verdedigt hierop de bepaling van ~Simonides~: dat het regtvaardig is ieder te geven wat men hem verschuldigd is, en legt dit zóó uit: zijne vrienden goed en zijne vijanden kwaad te doen.

VII. ~Socrates~ leidt daaruit de bepaling af: de regtvaardigheid is ieder te geven, wat hem toekomt, maar bewijst, dat die bepaling verkeerd is, omdat in ieder bepaald vak niet de regtvaardigheid, maar de ééne of andere bepaalde kennis ons leert te geven wat onzen metgezel toekomt, en dus de regtvaardigheid zich dan alleen in het bewaren zou vertoonen.

VIII. Ja, zelfs zou men kunnen bewijzen, dat zij dan even goed op het stelen betrekking had. Ook is het verkeerd te zeggen, dat zijne vrienden goed, zijne vijanden kwaad te doen regtvaardig is, daar dikwijls vrienden en vijanden heel anders zijn dan zij schijnen.

IX. Ook is het ondenkbaar, dat eene goede eigenschap, zoo als de regtvaardigheid, het doen van kwaad zou wettigen. Dus is de voorgestelde bepaling der regtvaardigheid verwerpelijk.

X. ~Thrasymachus~ mengt zich hierop in het gesprek, beschuldigt hen van dwaasheid.

XI. En geeft te kennen, dat hij het beter weet, waarop hij wordt uitgenoodigd het te zeggen.

XII. Hij zegt: dat het regtvaardige dat is, wat nuttig is voor den sterksten, dat is voor de bestaande regering.

XIII. En dat het voor de onderdanen regtvaardig is te doen, wat de overheid beveelt. ~Socrates~ toont aan, dat deze bepalingen in strijd zijn, zoodra men aanneemt, dat de overheid zich somtijds ten opzigte van het nuttige kan vergissen.

XIV. ~Thrasymachus~ antwoordt, dat de overheid _als overheid_ onfeilbaar is.

XV. ~Socrates~ beredeneert nu, dat iedere kunst, dus ook die van regeren, niet het nut van hem, die haar uitoefent, maar van haar voorwerp beoogt.

XVI. ~Thrasymachus~ bestrijdt dit uit de ondervinding en toont aan, dat overheden, vooral tirannen, wel degelijk hun eigen nut zoeken, en dat overal het voordeel aan den kant van den onregtvaardigen is, en de regtvaardigen het voordeel van anderen bevorderen.

XVII. ~Socrates~ echter toont aan, dat hier de overheid niet zoo als zij wezen moest genomen wordt, want dat de wezenlijke overheid slechts het heil der onderdanen beoogt.

XVIII. En dat het voordeel, dat de kunstenaar zelf van zijne kunst trekt, eene bijkomende zaak is, die niet in de kunst zelve ligt; waarom ook alle overheden loon vorderen.

XIX. En als de overheid niet betaald wordt, nemen goede menschen zulke posten slechts waar, om kwaad te verhoeden. Ook is het een leugen, dat de onregtvaardigheid gelukkiger maakt dan de regtvaardigheid.

XX. ~Thrasymachus~ houdt dit echter vol en noemt de onregtvaardigheid wijsheid en de regtvaardigheid domheid.

XXI. Waarop ~Socrates~ aantoont, dat overal het onbepaalde streven naar meer, dat den onregtvaardigen kenmerkt, een teeken van domheid, en het houden van de juiste maat een teeken van wijsheid is.

XXII. Ook is de onregtvaardigheid niet sterk, want zij maakt overal tweedragt.

XXIII. En verlamt dus alle werkzaamheid.

XXIV. Daar verder niets zijn werk goed kan doen, als het zijne deugd mist, kan ook de ziel haar werk niet goed doen, als zij niet regtvaardig is.

TWEEDE BOEK.

I. ~Glauco~ oppert het bezwaar, dat gewoonlijk de regtvaardigheid beschouwd wordt als nut aanbrengend, maar op zich zelve lastig.

II. Hij wil dus weten, wat de regtvaardigheid zelve is, zonder op bijkomende omstandigheden te letten. Daarom zal hij de regtvaardigheid bestrijden en ~Socrates~ haar verdedigen. Vooreerst zegt hij, dat de regtvaarheid niets is dan eene uit zwakheid aangegane overeenkomst, om elkander geen kwaad te doen.

III. Verder vindt ieder de onregtvaardigheid eigenlijk beter dan de regtvaardigheid, want niemand zou regtvaardig blijven, als hij ongestraft onregtvaardig kon wezen.

IV. Om ze nu goed te kunnen beoordeelen, moet de regtvaardige zoowel als de onregtvaardige als volmaakt beschouwd worden, en dus ook de eerste onregtvaardig, de tweede regtvaardig schijnen.

V. Waarvan het gevolg zal zijn, dat de regtvaardige vervolgd, en de onregtvaardige vereerd wordt.

VI. ~Adimantus~ voegt hier nog bij, dat allen, die de regtvaardigheid prijzen, dit slechts om de gevolgen doen.

VII. Ja, dat voorspoedige onregtvaardigen algemeen geëerd worden, en zelfs, volgens het algemeene gevoelen, door plegtigheden en offers de goden kunnen omkoopen.

VIII. Deze leer heeft den verderfelijksten invloed op de zedelijkheid.

IX. Hiertegen kan niets helpen dan de ontwikkeling van de eigenaardige kracht der regtvaardigheid en onregtvaardigheid.

X. Om de bepaling der regtvaardigheid te vinden, besluit ~Socrates~ haar in eenen staat op te sporen.

XI. Een staat komt voort uit behoefte aan wederzijdsche hulp. De onmisbaarste burgers zijn boeren, handwerkslieden en kooplieden.

XII. Ook zijn er eene markt, kramers en daglooners noodig.

XIII. Spoedig komt ook de weelde binnen en vermeerdert de behoeften en de beroepen.

XIV. Hiervoor is een grooter gebied noodig, en door dat streven naar uitbreiding ontstaat oorlog, die dan weer wachters noodig maakt; want één mensch moet maar één beroep uitoefenen.

XV. Een goed wachter moet als een goede wachthond scherp van waarneming, vlug, sterk, moedig en driftig zijn, en tevens vriendelijk jegens zijne medeburgers.

XVI. Tot dit laatste is het noodig, dat hij wijsgeerig van aanleg zij.

XVII. Nu moeten die wachters worden opgeleid, en wel door muzenkunst en gymnastiek. Het eerste van allen moet men zorgen, dat aan de kinderen geen onzedelijke sprookjes aangaande de goden verhaald worden, gelijk er vele bij de dichters voorkomen.

XVIII. Vooreerst moeten zij niet hooren, dat God de bron van kwaad is, maar alleen van goed.

XIX. En dus ook alleen tot verbetering straft. Verder mogen zij niet hooren, dat God van gedaante verandert, daar niets hem veranderen kan.

XX. En hij te volmaakt is om zich zelven te veranderen, en te waarachtig om de leugen niet te haten.

XXI. En ook de onwaarheid nergens toe noodig heeft.

DERDE BOEK.

I. Ook moeten zij geen akelige voorstellingen van de onderwereld hooren, om niet voor den dood bevreesd te worden.

II. Verder moeten klagten over dooden hun niet voorgezongen worden, vooral niet van goden.

III. Ook uitbundig gelach en liegen moet niet geduld worden; en verzen, waarin ingetogenheid wordt aangeprezen, zijn goed te keuren, andere af te keuren.

IV. Ook alle gedichten, die verhalen, hoe goden of helden door hartstogten meêgesleept worden, zijn verwerpelijk.

V. Om het kwade voorbeeld en omdat het onwaar is, mag geen kwaad van goden of halve goden verteld worden.

VI. Verder kan een verhaal met of zonder nabootsing zijn ingerigt.

VII. Wat van die twee is beter? Volgens het beginsel, dat één mensch één werk doen moet, kan één mensch bezwaarlijk vele rigtingen goed nabootsen.

VIII. Ook is het nabootsen van verkeerdheden schadelijk voor het karakter.

IX. Al is dus het eenvoudige verhaal, of dat, waarin alleen goede menschen worden nagebootst, minder onderhoudend, zoo moet het toch alleen worden toegelaten.

X. Ook weekelijke en klagende zangwijzen zijn te verwerpen, maar krachtige en bedaarde goed te keuren. Daarom zijn ook eenvoudige muzijkinstrumenten boven instrumenten met groote verscheidenheid van toonen te verkiezen.

XI. Ook de versmaten moeten volgens hetzelfde beginsel gekozen worden.

XII. En verder moet in alle kunstvoortbrengselen de waarachtige schoonheid tot regel dienen.

XIII. Ook de gymnastiek moet vooral daarnaar streven, dat de wachters geschikt voor den oorlog worden, weshalve eene matige levenwijs is aan te bevelen.

XIV. Een gevolg hiervan is groote eenvoudigheid in regtspleging en geneeskunst.

XV. In een goeden staat moet dan ook die langdradige geneeswijze verworpen worden.

XVI. Daarom moet er goed toegezien worden bij de keus van geneesmeesters en regters.

XVII. Verder houde men bij de opleiding door muzenkunst en gymnastiek vooral de ziel op het oog, en zoeke daarin de juiste harmonie van kracht en zachtmoedigheid aan te kweeken.

XVIII. Want de gymnastiek ontwikkelt de geestkracht en de muzenkunst de geschiktheid voor de wijsbegeerte.

XIX. Nu moeten de besten der wachters tot overheden worden aangesteld. De besten zijn zij, die het bestendigst de meening vasthouden: dat zij alles moeten doen, wat voordeelig voor den staat is.

XX. Daartoe is het noodig hen aanhoudend op de proef te stellen, en aan hen, die volharden, het bestuur in handen te geven.

XXI. Verder moeten wij het denkbeeld: dat onze burgers kinderen van hun land zijn, en dat er onder de menschen eene aangeborene ongelijkheid bestaat, onder hen zoeken te verspreiden.

XXII. Nu moeten de wachters eene legerplaats in de stad betrekken, en daarin door andere burgers zóó onderhouden worden, dat zij juist genoeg hebben. Afgesloten woningen en privaat eigendom mogen zij niet bezitten.

VIERDE BOEK.

I. ~Adimantus~ maakt hier de tegenwerping, dat de wachters op die wijs niet gelukkig zijn zullen; maar ~Socrates~ antwoordt, dat de geheele staat de hoofdzaak is, en dat al de burgers aan zijnen bloei moeten dienstbaar zijn.

II. Verder moeten rijkdom en armoede zoo veel mogelijk buiten de grenzen gehouden worden. Maar als die staat met een rijken staat oorlog krijgt? zegt ~Adimantus~. ~Socrates~ antwoordt: goed geoefende krijgslieden kunnen ligt tegen overmagt vechten, en in alle andere staten is zeer ligt verdeeldheid te zaaijen.

III. Ook moet bij het bepalen der grenzen gezorgd worden, dat de eenheid van den staat niet verloren ga, en ditzelfde behoort tot rigtsnoer van alle inwendig bestuur te verstrekken. De hoofdzaak is de opvoeding.

IV. En daarom moet vooral bij de muzenkunst de wacht gehouden worden. Want als de opvoeding goed is, worden alle verdere bepalingen van zelfs gevonden, en kunnen dus hier ligt worden overgeslagen.

V. En zonder dat is er, hoe men ook lappe en verandere, niets aan een staat te doen.

In het godsdienstige moet het orakel van Apollo geraadpleegd worden.

VI. Nu is deze staat wijs, en die wijsheid huist in de overheid.

VII. Ook is hij moedig, en die moed huist in de wachters, die nooit de hun ingeprente meeningen omtrent het al of niet verschrikkelijke laten varen.

VIII. Verder moet de ingetogenheid gezocht worden. Deze bestaat vooral in beheersching der lusten door de rede, en inwendige harmonie van de verschillende deelen der ziel.

IX. Deze beheersching en harmonie heeft in den nieuwen staat plaats, en dus is die ingetogen.

X. Verder doet ieder in den staat zijn eigen werk, zoowel de overheid als de krijgslieden en de menschen der andere beroepen; en dit is een van de heilzaamste dingen voor den staat.

XI. Deze eigenschap is regtvaardigheid. Nu zijn dezelfde rigtingen in de enkele menschen, als in den staat, want uit de eersten komen zij in den laatsten.

XII. Nu is dezelfde zaak in hetzelfde opzigt nooit in twee elkander uitsluitende toestanden.

XIII. Wanneer verder bij betrekkingensbegrippen het ééne lid eenvoudig is, is het andere dit ook, en omgekeerd.

XIV. Zoo haakt b. v. de dorst op zich zelven eenvoudig naar drinken. Als dus iemand, die dorst heeft, toch niet wil drinken, werken er twee verschillende krachten op zijne ziel. Meest behooren die tot rede of begeerte. Als derde deel komt hier de toorn bij,

XV. Die gewoonlijk de rede bijstaat.

XVI. Nu kunnen wij zeggen, dat in een enkel mensch de wijsheid in de rede huist; de moed in het toornige deel der ziel, dat steeds het oordeel der rede, omtrent het al of niet verschrikkelijke volgt; de ingetogenheid in den geheelen mensch, voor zoo ver rede, toorn en begeerte in goede harmonie met elkander zijn; de regtvaardigheid ook in den geheelen mensch, voor zoo ver rede, toorn en begeerte ieder zijn eigen werk doen.

XVII. De regtvaardigheid werkt dus op het inwendige van den mensch, en eerst ten gevolge daarvan werkt zij naar buiten.

XVIII. Onregtvaardigheid en alle andere ondeugd is bij gevolg een verkeerde, onnatuurlijke toestand en verhouding van de gezegde deelen, en dus is deugd gelijk aan gezondheid, ondeugd aan ziekte der ziel. Dus is deugd geluk, ondeugd ongeluk. Dit moet echter naauwkeuriger bezien worden, en daarom is het goed door vergelijking met de staten na te gaan, welke vormen van ondeugd er gevonden worden.

VIJFDE BOEK.

1. ~Socrates~ wordt door ~Adimantus~ verzocht, om vóór hij verder gaat de gemeenschap der vrouwen en de opvoeding uitvoeriger te bespreken.

II. Waartoe ~Socrates~ na veel tegenstribbelen besluit.

III. Vooreerst moeten de vrouwen dezelfde opvoeding krijgen als de mannen.

IV. Dit is niet in strijd met de stelling, dat verschil van aard verschillend werk vordert.

V. Want over ’t geheel hebben vrouwen denzelfden aanleg als mannen, maar zijn in alles zwakker.

VI. Dus moeten ook uit haar de beste gekozen worden, en dan is het heel wel mogelijk, ze even als de mannen op te leiden, en voor de veredeling van de geheele burgerij is dat allerheilzaamst.

VII. Verder moet bij de wachters gemeenschap van vrouwen plaats hebben. De overheden moeten eerst de beste vrouwen uitkiezen.

VIII. Vervolgens moet de voortteling bepaald door de overheden geregeld worden, opdat slechts goede, krachtige menschen kinderen verwekken. Dit kan door eene kunstige wijs van loten geschieden.

IX. Ook moet die voortteling onder aanroeping der goden plaats hebben, en in ’t geheel moet de zaak, om haar groot gewigt, met ernst behandeld worden.

X. Nu is onderlinge eensgezindheid en belangstelling het grootste goed voor een staat.

XI. En die onderlinge eensgezindheid wordt vooral door de gemeenschap van vrouwen en kinderen veroorzaakt.

XII. Daardoor en doordien zij geen eigendom hebben, worden ook alle twisten over mijn en dijn afgesneden.

XIII. Zulke wachters zullen den staat doen bloeijen en door de andere burgers steeds geëerd worden, waardoor zij een zeer gelukkig leven zullen hebben.

XIV. Verder moeten de kinderen zoo jong mogelijk den oorlog zien.

XV. En dappere mannen moeten beloond en na hunnen dood als helden vereerd worden. De krijgslieden moeten Grieksche staten in den oorlog zoo menschelijk mogelijk behandelen.

XVI. Steeds bedenkende, dat alle Grieken stamgenooten zijn. Barbaren echter behoeven zij niet te ontzien.

XVII. Deze staatsregeling is een ideaal, dat natuurlijk nergens geheel verwerkelijkt is.

XVIII. En zij zal nooit werkelijk worden, voordat de wijsgeeren het bestuur in handen krijgen.

XIX. Hiertoe bedenke men echter, dat slechts zij, die alle wetenschap liefhebben, wijsgeeren zijn.

XX. Ware wetenschap is op het algemeene gerigt. Kennis op hetgeen is, onkunde op hetgeen niet is, meening op hetgeen tusschen zijn en niet zijn invalt.

XXI. Want als twee verschillende vermogens kunnen kennis en meening niet op hetzelfde voorwerp gerigt zijn.

XXII. Verder is de kennis op de eeuwige idéen, de meening op het zinnelijke, de stoffelijke wereld gerigt. Die naar de eerste streeft, is een wijsgeer, die naar de laatste streeft, niet.

ZESDE BOEK.

I. Wijsgeeren kunnen dus beter dan anderen het ideaal, dat in den staat moet verwerkelijkt worden, aanschouwen, en zijn goed voor wachters, als zij tevens praktische geschiktheid hebben.

II. En die hebben zij, want een echt wijsgeer is ingetogen, onbekrompen, regtvaardig, liefderijk, bevattelijk en niet bevreesd voor den dood.

III. Men ziet echter gewoonlijk, zegt ~Adimantus~, dat wijsgeeren slechte of althans onbruikbare menschen zijn.

IV. Dit is, zegt ~Socrates~, aan den onwijsgeerigen aard der meeste regeerders te wijten.

V. Verder is een wijsgeerige aanleg zoo als in II is opgegeven.

VI. Maar de beste aanleg wordt bij slechte opleiding het slechtste. Nu heeft vooreerst de openbare meening geweldig veel kracht op ieders gemoed.

VII. Verder gebruikt de menigte ook dwang, en dringt haar oordeel aan ieder op, en daardoor wordt goed en kwaad, schoon en leelijk, enz., niet naar zijnen aard, maar hare meening beoordeeld.

VIII. Daarenboven munt iemand van goeden aanleg overal uit, en wordt daardoor spoedig in allerlei praktische betrekkingen gewikkeld.

IX. Als dan de besten er zijn afgevallen, wordt de wijsbegeerte door ongeschikte menschen aangepakt, die haar natuurlijk misbruiken, en dan slechte wijsgeeren heeten.

X. En wanneer enkele wezenlijk geschikten door bijzondere omstandigheden voor de wijsbegeerte bewaard blijven, zien zij geen kans bij den tegenwoordigen toestand der maatschappij eenig nut te doen, en leven voor zich zelven, en heeten onbruikbare wijsgeeren.

XI. Dus kan de wijsbegeerte slechts in een staat als den beschrevenen bloeijen, mits zij niet door knapen, maar door volwassenen en vooral grijsaards met ijver beoefend worde.

XII. En als zulke waarachtige wijsgeeren aan het hoofd van een staat komen, zal alles goed gaan, en de wijsbegeerte hare eer weerom krijgen.

XIII. Hieruit blijkt, dat de wijsbegeerte ten onregte veroordeeld wordt.

XIV. En daar het niet onmogelijk is, dat er eens een wijsgeer aan het hoofd van een staat komt, is onze staatsregeling niet geheel en al onbestaanbaar.

XV. De overheden nu moeten met zorg gekozen worden, en zijn weinig in getal, want zelden gaan vlugheid en bestendigheid zamen; en er hoort veel toe, om geschikt te zijn voor de hoogste wetenschap.

XVI. Daartoe wordt tevens eene langdurige opleiding gevorderd. Die hoogste wetenschap is de idee van het goede.

XVII. Die wetenschap is moeijelijk maar tevens volstrekt noodig.

XVIII. Nu is het niet wel doenlijk het goede zelf te beschrijven, maar zijn beeld in de zinnelijke wereld kunnen wij opgeven. Van alle zinnen is het gezigt het edelste, en wordt door het schoonste hulpmiddel, het licht, tot zijne werking in staat gesteld.

XIX. De bron van dat licht is de zon, en die zon is in de zigtbare wereld het beeld van hetgeen het goede is in de denkbare wereld.

XX. Nu vervallen de voorwerpen der zigtbare wereld in twee deelen, beelden en werkelijke dingen, en die der denkbare ook in twee deelen:

XXI. De meetkunstige waarheden, en de zuivere metaphysische begrippen. In dezelfde orde als deze vier deelen komen deze vier vermogens van den geest: vermoeden, geloof, verstandskennis, redekennis.

ZEVENDE BOEK.

I. Stel nu dat menschen in een hol bij schemerlicht hun leven doorgebragt, en daar niets dan schaduwen gezien hadden.

II. Als dan één hunner naar boven werd gebragt, zou dit hem eerst smart veroorzaken, maar als hij boven gewend was, zou hij niet weer naar beneden willen, en als hij nog eens naar beneden kwam, daar niet meer op zijne plaats wezen.

III. Het hol is de zigtbare wereld; de plaats boven is de denkbare wereld; de persoon die naar boven gaat, is de wijsgeer. Dus is het geen wonder, dat de wijsgeeren weinig belangstelling of bekwaamheid in de zaken van het dagelijksch leven betoonen.

IV. Daarom is het onderwijs eigenlijk omwenden der ziel van de zinnelijkheid naar de waarheid, en daarom kan een staat slechts goed bestuurd worden, als de wijsgeeren gedwongen worden, zich harer aan te trekken.

V. Want zijn zij eens weer aan de zaken van het dagelijksch leven gewend, dan besturen zij die beter dan iemand anders; en voor de rust van den staat is het heilzaam, dat de regerende personen het regeren als een last, niet als een voorregt, beschouwen.

VI. Om nu die omkeering der ziel te doen plaats hebben, moeten de wachters eerst in het rekenen onderwezen worden.

VII. Vooreerst is de kennis daarvan praktisch noodig. Ten andere zijn alle waarnemingen, die eenige tegenstrijdigheid opleveren, geschikt om het oordeel te scherpen.

VIII. En juist in dit opzigt is de leer der getallen bijzonder nuttig.

IX. Hierop volgt de meetkunst, én om hare praktische nuttigheid, én om hare opleiding tot de kennis der eeuwige waarheden, én om haren heilzamen invloed op andere studie.

X. Daar nu de ontwikkeling van den geest hier de hoofdzaak is, volgt ook, al is zij praktisch nutteloos, als derde studievak de stereometrie. Hierop volgt de sterrekunde, mits die wijsgeerig behandeld worde,

XI. En dus niet empirie maar zuivere berekening de grondslag dezer studie uitmake.

XII. Hierop volgt de theorie der muzijk, die ook door berekening, niet door empirie moet behandeld worden. Al deze studievakken moeten met elkaar in verband gebragt en het algemeene daaruit ontwikkeld worden. Nu volgt eindelijk de wijsgeerige redeneerkunde.

XIII. Het is hier de plaats niet, die uitvoerig te behandelen, maar zeker is het, dat alleen langs den voorgeschrevenen weg waarachtig wijsgeerige kennis tot stand komt.

XIV. Dus is de wijsbegeerte de kroon der wetenschappen, en dus moeten de bestuurders van den staat tot haar worden opgeleid.

XV. Nu kieze men de personen, die deze opleiding ontvangen, zeer zorgvuldig, en zie behalve op het reeds gezegde ook vooral toe, of zij wel arbeidzaam en waarheidlievend zijn.

XVI. Dan moet men van jongs af beginnen ze op te leiden, en bij iederen overgang in een nieuw tijdperk de besten uitkiezen. Vooral zorge men bij het onderwijs in de wijsgeerige redeneerkunde hen niet tot twijfelaars in ’t zedelijke te maken.

XVII. Daartoe is het goed hen niet te jong daarmeê bekend te maken, en dit vak niet aan een iegelijk te leeren. Vervolgens moeten zij in praktische betrekkingen ondervinding opdoen, en dan het bestuur bij beurten opnemen, en zich het overige van den tijd met de wijsbegeerte bezig houden.

ACHTSTE BOEK.

I. Nu komen de slechte staatsregelingen aan de beurt, zij zijn: de timocratie, de oligarchie, de democratie, en de tirannij.

II. En na iedere staatsregeling moet de man behandeld worden, die in karakter met haar overeenstemt.