Part 28
I. Wanneer ik nu alles nog eens naga, zeide ik, komt het mij voor, dat onze wetgeving in vele punten, maar ook vooral ten aanzien van de dichtkunst goed is.--In welk opzigt?--Daarin, dat de nabootsende dichtkunst volstrekt niet wordt toegelaten; want, nu wij de verschillende deelen der ziel beschouwd hebben, blijkt het nog veel meer en duidelijker, dat wij die moeten buitensluiten.--Hoe meent gij?--Om het u maar te zeggen, want gij zult mij bij de treurspeldichters en de anderen niet verklappen, vind ik al die soort van dichtstukken verderfelijk voor de gezindheid van zulke toehoorders, die in de kennis van het wezenlijk zijnde geen tegengift hebben.--Waarom?--Dat zal ik zeggen. Wel is waar verbiedt de genegenheid en achting, die ik van jongs af voor ~Homerus~ had, mij te spreken, daar hij van al die tragische sieraden de eerste uitvinder en leermeester schijnt te wezen; maar, dewijl een mensch niet boven de waarheid gaan mag, zal ik het toch maar zeggen.--Dat is goed.--Hoor dan; of liever, antwoord op mijne vragen.--Vraag op.--Kunt gij mij ook in het algemeen zeggen, wat nabootsing is; op het oogenblik zie ik het niet duidelijk in.--Zal ik het dan inzien?--Dat zou niet onmogelijk zijn. Dikwijls toch zien zelfs menschen met een zwak gezigt het een of ander vroeger dan scherpzienden.--Dat is waar, doch nu gij er bij zijt, zou ik het, als ik het merkte, niet eens durven zeggen; zie liever zelf toe.--Willen wij dan maar weer op onze gewone wijs onderzoeken? want wij zijn gewoon van alle enkele dingen, die denzelfden naam dragen, één idee te stellen. Dat begrijpt gij toch?--Ja wel.--Laat ons dan maar het eerste het beste nemen. Bij voorbeeld, er zijn vele rustbanken en tafels.--Ja.--En zijn wij nu niet gewoon te zeggen, dat de vervaardigers van zulke meubels de idee daarvan in het oog vatten en dan rustbanken en tafels voor het gebruik maken, en de andere dingen evenzoo? Geen dier werklieden toch maakt de idee zelve.--Wel neen.--Zie nu eens, of gij dezen kunstenaar kent.--Welken?--Die alleen alles kan maken, wat ieder ander maakt.--Dat moet al een knap en verwonderlijk persoon zijn.--Nog niet, maar spoedig zult gij dit wel meer zeggen. Diezelfde kunstenaar toch kan niet slechts alle huisraad maken, maar hij maakt ook al wat op aarde groeit en alle dieren en menschen, ja ook zich zelven, en de aarde, en den hemel, en de goden, en al wat in den hemel of in de onderwereld gevonden wordt.--Dat is al een zeer knappe toovenaar.--Gelooft gij mij niet? Zeg dan eens, of het u voorkomt, dat zulk een kunstenaar volstrekt niet bestaat, of dat er in zeker opzigt wel een maker van dat alles kan gedacht worden? Merkt gij niet, dat gij zelf dat alles in zeker opzigt zoudt kunnen maken?--In welk opzigt dan?--Het is zoo moeijelijk niet, en wordt dikwijls genoeg gedaan; het allergemakklijkst, alle kanten heenwenden; want dan zult gij nu eens de zon en de hemelsche dingen maken, dan eens de aarde, dan eens u zelven en dan weer andere menschen of dieren, huisraad, planten, enz.--Nu ja; in schijn, maar geenszins in waarheid.--Nu komt gij waar gij wezen moet. Want tot deze kunstenaars behoort, geloof ik, ook de schilder, niet waar?--Ja.--Gij zult echter, denk ik, zeggen, dat hij dat alles niet in waarheid maakt. In zeker opzigt toch maakt ook de schilder rustbanken, niet waar?--Ja, in schijn maakt hij die ook.--
II. En de maker van rustbanken maakt immers, zoo als gij daareven gezegd hebt, niet de idee van een rustbank, maar eene bepaalde rustbank?--Ja.--Maar als hij de idee niet maakt, dan maakt hij ook het eigenlijk zijnde niet, maar iets, dat daarop gelijkt[156]; en als iemand het volkomen zijn aan het werk van den rustbankenmaker of van eenig ander werkman toeschreef, zou hij dan wel de waarheid zeggen?--Volgens het oordeel van de kenners der wijsbegeerte zeker niet.--Dus moet het ons ook niet verwonderen, dat dit werk de volkomenheid der waarheid der idee mist.--Wel neen.--Willen wij nu volgens deze beginselen eens nagaan, wat eigenlijk de nabootser is?--Als het u belieft.--Zoo zijn er dan drie soorten van rustbanken; ééne in de wereld der ideën, die wij moeten zeggen, dat door God gemaakt is. Of weet gij een anderen maker?--Neen.--En ééne, die de werkman gemaakt heeft.--Ja.--En ééne, die de schilder gemaakt heeft; niet waar?--Juist.--Dus moeten die drie soorten aan drie vervaardigers, den schilder, den werkman, de Godheid worden toegekend.--Juist, aan die drie.--Hetzij nu, dat de Godheid het niet wilde, of dat er eenige noodzakelijkheid was, om er niet meer dan ééne te maken; in de wereld der ideën is maar ééne idee van een rustbank. Twee dergelijke zijn er niet gemaakt, en kunnen er niet bestaan[157].--Hoe dat?--Omdat, zoodra er slechts twee waren, er weder ééne zou voor den dag komen, wier beeldtenis deze twee droegen, en dat deze dan de eigenlijke idee van een rustbank wezen zou, niet die twee andere.--Dat is waar.--Daar nu, geloof ik, de godheid dit inzag en wel de waarachtige idee van een rustbank wilde scheppen maar geen rustbankenmaker wilde wezen, heeft zij er in de wereld der ideeën slechts ééne gemaakt.--Dat schijnt zoo.--Willen wij de godheid dus den schepper der idee noemen?--Dat is regt, want de geheele wereld der ideeën is toch haar werk.--En den schrijnwerker moeten wij dan den vervaardiger der rustbanken noemen.--Juist.--En verdient ook de schilder den naam van schepper of vervaardiger van rustbanken?--Wel neen.--Maar in welke betrekking staat hij dan tot de rustbank?--Wij kunnen hem met het meeste regt den nabootser noemen van hetgeen de anderen vervaardigd hebben.--Dus staat de nabootser op de derde plaats van de waarheid af?--Ja.--En dus geldt van den treurspeldichter, daar hij een nabootser is, en ook van al de andere nabootsers, dat zij op de derde plaats van de waarheid afstaan.--Dat blijkt.--Wij zijn het dus over den nabootser eens, maar zeg mij nu nog dit van den schilder. Zoekt hij, naar uwe meening, die ééne idee na te bootsen, of hetgeen de werklieden vervaardigd hebben?--Het laatste[158].--En zoekt hij dat zóó na te bootsen als het is, of zóó als het schijnt? want dit moet gij nog bepalen.--Hoe meent gij?--Zóó. Of eene rustbank op zijde of van voren gezien wordt, is zij daarom anders, of is zij steeds dezelfde, hoewel zij zich anders voordoet?--Het laatste, want zij blijft dezelfde.--Let nu nog eens hierop. Wat is nu het doel der schilderkunst. Zoekt zij ieder ding zoo als het is na te bootsen of zoo als het schijnt? Is zij de nabootsing van de waarheid of van den schijn?--Van den schijn.--Dus is de nabootsing ver van het ware; en het blijkt, dat zij alles daardoor maakt, dat zij van alles slechts even den schijn aanroert. Zoo zal b. v. een schilder eenen schoenmaker, of timmerman, of anderen werkman schilderen, schoon hij hun vak in het geheel niet verstaat; en toch, als hij een goed schilder is, zal hij kinderen en domme menschen, door hun die schilderij van verre te toonen, misleiden, en ze doen meenen, dat zij in waarheid een schoenmaker, enz., zien.--Natuurlijk.--Maar, mijn vriend! over al zulke dingen moeten wij zóó denken. Wanneer iemand ons zeide, dat hij eenen man ontmoet had, die alle kunsten en wetenschappen verstond, en in alles uitmuntte, dan zouden wij moeten oordeelen, dat hij een dom mensch was, en waarschijnlijk een goochelaar en nabootser ontmoet had, en zich door hem had laten foppen, zoodat hij hem voor bijzonder knap gehouden had, dewijl hij zelf niet in staat was kennis, onkunde en nabootsing te onderscheiden.--Dat is volkomen waar.--
III. Nu moeten wij de treurspeldichters en hunnen aanvoerder, ~Homerus~ beschouwen, daar men ons somtijds vertelt, dat deze dichters alle wetenschappen en kunsten verstaan, en van alle menschelijke en goddelijke dingen kennis hebben; want een goed dichter moet toch, om fraai te kunnen dichten, de zaken, waarover hij dicht, kennen, of er anders liever van zwijgen. Wij moeten dus nagaan, of die lofredenaars in handen van nabootsers gevallen zijnde zich hebben laten foppen, en niet gezien hebben, dat dit werk op de derde plaats van de waarheid afstaat en ook zonder hare kennis ligt te maken is, daar het slechts schijn is en geen wezen; of dat zij gelijk hebben, en de goede dichters inderdaad kennis hebben van die dingen, waarover zij naar het oordeel der menigte goed kunnen spreken.--Juist: dat moeten wij nagaan.--Gelooft gij nu, dat, wanneer iemand beide, het oorspronkelijke en het afbeeldsel maken kon, hij zich bij voorkeur op het maken van afbeeldsels werpen, en zich dat tot doel van zijn leven stellen zou?--Wel neen.--Maar zoo hij, geloof ik, in de dingen, die hij nabootst, in waarheid bedreven was; dan zou hij zich veel eerder op het oorspronkelijke werk dan op het nabootsen toeleggen, en dan zou hij trachten vele schoone werken als gedenkteekens na te laten; en hij zou liever de geprezene dan de prijzende wezen.--Dat denk ik ook, want dat zou hem vrij wat meer roem en voordeel aanbrengen.--Van andere dingen willen wij nu ~Homerus~ en de overige dichters geen rekenschap vragen, noch onderzoeken, of één hunner van de geneeskunst verstand had, en niet alleen maar geneeskundige spreekwijzen nabootste; en of ook eenige dichter even als ~Esculaap~ menschen gezond gemaakt of eene geneeskundige school heeft nagelaten; en ook over de andere vakken willen wij maar heenstappen; maar ten opzigte van het grootste en schoonste, dat ~Homerus~ vermeldt, van oorlog, krijgsbewind, staatsbestuur en opvoeding is het toch billijk hem eens het volgende te vragen: beste ~Homerus~! zoo gij in deugd niet op de derde plaats van de waarheid afstaat en slechts een maker van beelden, een nabootser zijt, maar op de tweede plaats, en weten kunt, welke bezigheid de menschen in den staat en in hun bijzonder leven beter maakt: zeg ons dan eens, welke staat door uw toedoen beter is ingerigt, zoo als Lacedaemon door ~Lycurgus~, en andere staten door anderen. Roemt eenige staat u als wetgever en weldoener? Italie toch en Sicilie roemen ~Charondas~, en wij ~Solon~, maar wie u? Zal hij er één kunnen opnoemen?--Ik geloof het niet, zeide ~Glauco~; want zelfs zijne school heeft nimmer iets dergelijks beweerd.--En wordt er ook verhaald van een oorlog, die onder aanvoering of leiding van ~Homerus~ met goeden uitslag gevoerd is?--Wel neen.--Of worden er van hem, als van iemand vol praktische wijsheid, vele schrandere denkbeelden over kunsten of andere verrigtingen medegedeeld, gelijk van ~Thales~ van Miletus, of van ~Anacharsis~ den Scyth[159]?--Niets van dien aard.--Maar wordt er dan welligt verhaald, dat ~Homerus~ niet in ’t openbaar maar in een kleiner kring eenigen heeft opgeleid, die zijnen omgang lief hadden en aan de nakomelingen eene Homerische levenswijze overleverden, gelijk ~Pythagoras~ juist daarom bemind werd, en zijne aanhangers nog tegenwoordig zich door de zoogenaamde Pythagorische levenswijs van anderen onderscheiden?--Niets dergelijks is bekend, ~Socrates~! Ja, zelfs schijnt de beschaving van ~Creophilus~, den vriend van ~Homerus~, nog minder geweest te zijn dan zijn naam aanduidt[160], wanneer ten minste de overlevering waar is. Want zij zegt, dat hij ~Homerus~ reeds bij zijn leven schandelijk verwaarloosd heeft.--
IV. Juist, zeide ik. Maar, ~Glauco~! meent gij, dat, als ~Homerus~ in waarheid geschikt was om de menschen te onderwijzen en beter te maken, en daarvan meer verstond dan nabootsen, hij zich niet vele vrienden, die hem eerden en beminden, zou verworven hebben? ~Protagoras~ toch van Abdera en ~Prodicus~ van Ceos en vele anderen kunnen hunne bekenden wel doen gelooven, dat zij geenen staat, ja geen huisgezin, goed zullen kunnen besturen, zoo zij hun onderwijs niet bijwonen; en om die wijsheid worden zij zoo hoog gewaardeerd, dat hunne aanhangers hen schier op de handen dragen; en zouden dan ~Homerus~ of ~Hesiodus~, zoo zij de menschen tot het verkrijgen van deugd hadden kunnen helpen, als liedjeszangers hebben moeten omzwerven, en niet veeleer door hunne tijdgenooten boven goud gewaardeerd en te huis gehouden zijn; ja zouden deze, als zij hen daartoe niet konden overreden, hen niet overal op den voet gevolgd zijn, tot dat zij genoeg van hen geleerd hadden?--Gij zegt volkomen de waarheid, ~Socrates~! geloof ik.--Dus moeten wij stellen, dat al de dichters van ~Homerus~ af nabootsers zijn van beelden van deugd en wat zij verder bezingen, doch de waarheid daarvan niet bezitten; en dat, zoo als wij zeiden, dat een schilder zonder het schoenmaken te kennen voor menschen, die dat ook niet kennen maar alleen op het uiterlijk en de kleur letten, een schoenmaker schilderen zal, ook de dichter met woorden de uitwendige gedaante der kunsten afbeeldt, zonder er iets meer dan de nabootsing van te verstaan, en daardoor aan dergelijke menschen, die alleen op de woorden letten, wanneer hij van schoenmaken[161], van krijgsbewind of van wat dan ook in zijne verzen spreekt, bijzonder goed schijnt te spreken, daar die wijze van voordragt zoo veel kracht heeft om door streeling des gehoors de menschen in te pakken. Want gij weet, hoe die voortbrengselen der dichters, als zij in gewone taal worden overgebragt, er uitzien, want zoo hebt gij ze wel gezien[162].--O ja.--En zien zij er dan niet uit als alledaagsche gezigten, wanneer de blos der jeugd die verlaten heeft?--Ja.--Let nu nog eens hierop. Zeiden wij niet, dat die nabootsende dichter van beelden geenszins de waarheid kent, maar alleen den schijn?--Ja.--Laat ons dit nu niet half besproken laten, maar geheel onderzoeken.--Zeg op.--De schilder zal b. v. toomen en een gebit schilderen.--Ja.--En de leersnijder en de smit zullen ze maken.--Ja.--En weet nu de schilder, hoe de toomen en het gebit wezen moeten? of weten dat niet eens de leersnijder en de smit, die ze gemaakt hebben, maar alleen de ruiter, die de kunst verstaat, om ze te gebruiken?--Alleen de laatste.--En is het zoo niet met alles?--Hoe?--Dat ten aanzien van alle dingen drie kunsten bestaan, de gebruikende, de vervaardigende en de nabootsende.--Ja.--En bestaat nu de deugd, schoonheid en geschiktheid van eenig werktuig, eenig dier of eenige daad niet alleen ten opzigte van het gebruik, waarvoor het bestemd is?--Juist.--Dus moet de gebruiker van ieder ding daar het meeste verstand van hebben, en aan den vervaardiger zeggen, of het in het gebruik goed of slecht is. Bij voorbeeld een fluitspeler zegt aan den fluitemaker hoe hij de fluit moet maken, en deze doet dat.--Natuurlijk.--Dus heeft de eerste kennis van goede en slechte fluiten; en de tweede gelooft hem op zijn woord.--Ja.--Dus zal omtrent de deugd of slechtheid van een werktuig de maker een ware meening hebben, daar hij met den kenner omgaat en het van hem hooren moet; maar de gebruiker heeft kennis.--Juist.--Maar zal nu de nabootser omtrent de deugd en slechtheid van hetgeen hij schildert door het gebruik kennis hebben, of ware meening door noodzakelijken omgang met een kenner, die hem zegt, hoe hij schilderen moet?--Geen van beiden.--Dus zal de nabootser geen kennis noch ware meening van de deugd of slechtheid van hetgeen hij nabootst bezitten?--Het blijkt van neen.--Maar heeft dan de nabootsende dichter wel bijzonder veel verstand van hetgeen hij bezingt?--Neen.--En toch bootst hij na, zonder van ieder ding de deugd of slechtheid te kennen, maar, zoo als blijkt, bootst hij dat na, wat aan de onbedrevene menigte schoon voorkomt.--Niets anders.--Hierover zijn wij het dus genoegzaam eens, dat de nabootser geen noemenswaardige kennis heeft van hetgeen hij nabootst, maar dat de nabootsing slechts spel, geen ernst is, en dat zij, die de tragische dichtkunst uitoefenen, allen tot klasse der nabootsers behooren.--Juist.--
V. Bij ~Zeus~! zeide ik, staan de voortbrengselen dier nabootsing nu niet op de derde plaats van de waarheid af?--Ja.--En op welk gedeelte van de ziel des menschen oefenen zij hunnen invloed uit?--Hoe meent gij dat?--Dat zal ik u zeggen. Dezelfde grootte doet zich aan ons oog verschillend voor, naarmate wij ze van nabij of van verre zien.--Ja.--En dezelfde dingen schijnen krom en regt, naarmate zij half in of geheel buiten het water gezien worden; of hol en bol, naar dat het spel der kleuren het gezigt misleidt, zoodat duidelijk al die verwarring slechts in ons zetelt, niet in de dingen zelve; en de perspectief-teekening[163], de goochelkunst en andere dergelijke bedriegerijen houden niet op van deze onze vatbaarheid voor dwaling gebruik te maken.--Dat is waar.--En zijn nu meten, wegen en tellen niet de beste hulpmiddelen, om ons niet aan het schijnbaar grootere, of zwaardere, of meerdere te hechten, maar aan hetgeen door maat, gewigt en berekening als zoodanig erkend wordt?--Natuurlijk.--En dit is het werk van het redelijke deel der ziel?--Juist.--En nu komt dikwijls, wanneer dit gemeten en de betrekkelijke grootte der dingen aangewezen heeft, de uiterlijke schijn daar niet meê overeen.--Ja.--En zeiden wij nu niet, dat hetzelfde over dezelfe dingen niet te gelijk twee tegenstrijdige meeningen kan hebben?--Ja.--Dus is het deel der ziel, dat eene meening tegen die maat koestert, niet hetzelfde, als hetgeen zich aan die maat houdt.--Dat spreekt.--Edoch wat op maat en redenering vertrouwt, is het beste deel der ziel.--Ongetwijfeld.--En wat daartegen strijdt, hoort dus tot het minder goede in den mensch.--Dat kan niet anders.--Hierop nu had ik het oog, toen ik zeide, dat de schilderkunst, of liever de nabootsing in het algemeen, ver van de waarheid haren arbeid verrigt, en zich met die eigenschappen der ziel, die ver van het verstand zijn, verbindt en verbroedert, en daarmede niets heilzaams of waarachtigs op het oog heeft.--Dat is volkomen waar.--Daar dus de nabootsing weinig waarde heeft, en zich met het minder goede in den mensch verbindt, brengt zij ook niet veel bijzonders voor den dag.--Dat schijnt zoo.--En geldt dit alleen van de nabootsing voor het gezigt, of ook van die voor het gehoor, van de dichtkunst?--Waarschijnlijk ook van de laatste.--Wij moeten dit echter niet om eene waarschijnlijke overeenkomst met de schilderkunst aannemen, maar ook hier bepaald onderzoeken, of dat deel der ziel, waarvoor de nabootsing der dichtkunst bestemd is, tot hare hoogere of lagere deelen behoort.--Juist.--Dit moeten wij nu voorop stellen, dat die nabootsing menschen nabootst, die iets ondergaan of zelf handelen, zich ten gevolge daarvan gelukkig of ongelukkig vinden, en zich daarover verheugen of bedroeven. Komt het niet alles hierop neder?--Ja.--En is nu de mensch het in dat alles met zich zelven eens; of heeft hij, even als bij het gezigt, ook bij het handelen dikwijls tegenstrijdige denkbeelden, zoodat hij met zich zelven oneens is? Doch daar herinner ik mij, dat wij dit niet meer behoeven na te gaan; want wij hebben vroeger reeds genoeg beredeneerd, dat onze ziel met ontelbare tegenstrijdigheden van dien aard vervuld is[164].--Dat is waar.--Of het waar is. Iets echter, dat wij toen hebben overgeslagen, vind ik, dat wij nu nog behandelen moeten.--Wat?--Wij zeiden toen reeds, dat een redelijk mensch, als hij zijn zoon of iets anders, dat hem veel waard is, verliest, dit gemakkelijker dan anderen zal dragen[165].--Ongetwijfeld.--Nu moeten wij nog eens nagaan, of hij het zich volstrekt niet zal aantrekken, dan wel of dit onmogelijk is, maar hij toch zijne droefheid zal matigen.--Het laatste.--Zeg mij nu nog eens dit van hem. Wanneer denkt gij, dat hij meer zal trachten zich tegen zijn verdriet te verzetten en het meester te worden, als hij door zijne gelijken gezien wordt, of als hij in de eenzaamheid is?--Natuurlijk veel meer, als hij gezien wordt.--In de eenzaamheid echter, zou hij veel durven zeggen, waarover hij zich schamen zou, als iemand het hoorde; en veel doen, wat hij niet gaarne zou willen, dat een ander zag.--Dat is wel te denken.--
VI. En wordt hij nu niet door de voorschriften der rede vermaand, om zich tegen zijn verdriet te verzetten, terwijl de hartstogt hem drijft, om er aan toe te geven?--Ja.--En als er in den mensch ten aanzien van hetzelfde tegenstrijdige neigingen zijn, dan zeggen wij immers, dat er twee deelen in hem zijn moeten?--Natuurlijk.--En is nu het ééne niet gewillig, om zich naar de voorschriften der rede te voegen?--Hoe zoo?--De rede zegt, dat het schoon is zich bij rampen zoo stil mogelijk te houden en niet knorrig te worden, daar men niet weet, wat in zulke dingen goed of kwaad is[166], en het morren toch niet helpt, en geen menschelijke zaken zoo veel belangstelling verdienen, en de droefheid ons belet datgene te doen, wat zoodra mogelijk geschieden moet.--Wat meent gij?--Over het gebeurde na te denken, en als de teerling geworpen is, zijne zaken zóó in te rigten, als de rede zegt, dat dan het beste is, en niet zich gestooten hebbende als een kind de bezeerde plaats vast te houden en een geruimen tijd te blijven schreeuwen, maar steeds zijne ziel te gewennen, om spoedig te trachten het kranke deel te genezen en wat gevallen is op te rigten, en daardoor dat gejammer te doen ophouden.--Dat is waarlijk het beste gedrag in tegenspoed.--Aan die voorschriften der rede wil nu het beste deel der ziel gehoorzamen.--Natuurlijk.--En het deel, dat ons naar het herdenken van het ongeluk en naar het weeklagen heentrekt, en zich daar niet mee verzadigen kan; moeten wij niet zeggen, dat dit redeloos, traag en lafhartig is?--Ja zeker.--En geeft nu dit laatste, het hartstogtelijke, niet velerlei stof tot nabootsing, terwijl daarentegen een redelijke, kalme gezindheid, die steeds aan zich zelve gelijk blijft, niet ligt is na te bootsen, noch uit de nabootsing gemakkelijk te herkennen, vooral voor zulk eene vergadering van allerlei menschen als in den schouwburg bijeenkomt, die van een dergelijk karakter geen denkbeeld hebben.--Dat is zoo.--Dus is natuurlijk een nabootsend dichter daar vreemd van, en zijne wijsheid is er niet op gemaakt om aan zulk een mensch te bevallen, zoo hij anders door de menigte zal worden toegejuicht; maar hij wendt zich naar de hartstogtelijke en afwisselende gemoedsgesteldheid, daar die gemakkelijk is na te bootsen.--Dat spreekt.--Dus hebben wij regt hem te nemen en tegenover den schilder te zetten, want hij gelijkt op dezen in het voortbrengen van dingen, die heel wat bij de waarheid achterstaan, en tevens daarin, dat ook hij zich niet wendt tot het beste, maar tot een van de mindere deelen der ziel. Dus doen wij billijk met hem in een staat, die goed ingerigt moet wezen, niet toe te laten, omdat hij het lagere der ziel opwekt, voedt en versterkt, maar de rede verderft; gelijk iemand, die in een staat de slechtsten magtig maakte en de beteren vervolgde; en wij zullen zeggen, dat de nabootsende dichter op dezelfde wijs in ieders ziel eene slechte staatsregeling maakt door het vleien van haar redeloos gedeelte, dat groot en klein niet kan onderscheiden, maar hetzelfde dan groot en dan klein noemt; en dat hij slechts beelden voortbrengt, maar zeer ver van de waarheid afstaat.--Dat is volkomen juist.--