Part 27
VIII. Aangezien nu het vermaak en de levenswijze van deze drie soorten zamen twisten, niet wie schooner of leelijker, noch wie beter of slechter, maar wie aangenamer en vrijer van smart is; hoe zouden wij dan kunnen weten, wie gelijk heeft?--Daar weet ik volstrekt geen raad op.--Beschouw het dan eens aldus: Waaraan moet men iets toetsen, om het juist te beoordeelen? Immers aan ondervinding, kennis en redenering? Is er wel een betere toetssteen?--Wel neen.--Denk nu eens na, wie van die drie menschen de meeste ondervinding van al die soorten van vermaak heeft. Heeft de geldwinner welligt meer ondervinding van het vermaak der wetenschap dan de wijsgeer van dat van het geldwinnen?--Wel neen, zeker niet. Want de laatste moet het vermaak van het geldwinnen van zijne jeugd af proeven, daar hij zonder geld niet kan leven; maar de geldwinner behoeft het vermaak van het beoefenen der wetenschap niet te proeven noch te ondervinden; ja zelfs, als hij het wilde, zou hij dat bezwaarlijk kunnen.--Dus heeft de wijsgeer in ondervinding van dat tweeërlei vermaak heel wat op den geldwinner vooruit.--Ongetwijfeld.--En hoe staat hij tot den eerzuchtigen? Heeft hij minder ondervinding van het vermaak der eerbewijzingen, dan deze van dat der wetenschap?--Wel neen. Want, als allen hun doel bereiken, genieten zij allen dat eerste; want de rijke wordt door velen geëerd, en de moedige en geleerde desgelijks, zoodat allen het vermaak der eerbewijzingen bij ondervinding kennen; maar het vermaak van de kennis der waarheid kan niemand proeven behalve de wijsgeer.--Deze oordeelt dus het beste van allen, voor zoo ver de ondervinding betreft.--Dat scheelt veel.--En kennis bij die ondervinding is alleen zijn deel.--Juist.--En het werktuig, waarmede die beoordeeling verrigt moet worden, is niet in het bezit van den winzuchtigen of eergierigen, maar van den wijsgeer.--Welk werktuig?--Het moet immers door redenering beoordeeld worden?--Ja.--En de redenering is juist het werktuig van den laatsten.--Voorzeker.--Als het nu het best door rijkdom en winst werd beoordeeld, dan zou immers de lof en berisping van den geldwinner het naast bij de waarheid komen?--Dat spreekt.--En als dit door roem, overwinning en dapperheid geschiedde, was dan de eerzuchtige en twistgierige niet de baas?--Natuurlijk.--Maar nu het door ondervinding, kennis en redenering beslist wordt?--Nu is de lof van den wijsgeer noodzakelijk het digtst bij de waarheid.--Als er dus drieërlei vermaak gesteld wordt, dan is dat van het deel der ziel, waarmede wij leeren, het aangenaamste?--Natuurlijk; en dus verdient in het prijzen zijner levenswijze de wijsgeer het meeste geloof.--En aan welke levenswijs en welk vermaak geeft de regter de tweede plaats?--Natuurlijk aan die van den krijgszuchtigen en eergierigen; want deze komt nader bij den eersten dan de geldwinner.--Dus komt dan het vermaak van den geldwinner het laatste.--Dat spreekt.--
IX. Zoo heeft dan de regtvaardige twee overwinningen op den onregtvaardigen behaald, doch om hem nu, als in de Olympische spelen, ter eere van ~Zeus~, die hem redde, de beslissende derde overwinning te doen behalen, moet gij nog bedenken, dat het vermaak der anderen buiten den wijzen niet eens het waarachtige noch zuivere vermaak is, maar slechts een flaauw afbeeldsel daarvan, gelijk ik meen een wijs man te hebben hooren zeggen: als dat eens waar was, zouden zij toch wel geheel en al verslagen zijn.--Dat spreekt; maar hoe meent gij dit?--Zóó denk ik het te vinden, wanneer gij door uw antwoorden mij bij het zoeken wilt helpen.--Vraag op.--Zeg mij dan eens: stellen wij smart en vermaak niet tegen elkander over?--Ja.--En erkennen wij ook niet het bestaan van eenen toestand zonder vreugd of smart?--Juist.--En beschouwt gij dien niet als eene rust der ziel, die tusschen deze beiden invalt?--Ja.--Herinnert gij u niet, wat de zieken zeggen, terwijl zij ziek zijn.--Wat bedoelt gij?--Dat niets aangenamer is dan de gezondheid, maar dat zij dit vóór hunne ziekte zoo niet hadden ingezien.--Dat heb ik dikwijls gehoord.--En hoort gij ook niet wel eens menschen, die pijn hebben, zeggen, dat er niets aangenamer is, dan van pijn bevrijd te wezen?--Wel zeker.--En gij weet, denk ik, nog vele andere omstandigheden, waarin de menschen, smart hebbende, vrijheid en rust van smart, niet het vermaak, als het aangenaamste prijzen.--Die rust komt hun dan waarschijnlijk aangenaam en begeerlijk voor.--En wanneer iemand uitscheidt met vermaak hebben, dan is het rusten van dat vermaak hem smartelijk.--Natuurlijk.--Zoo zal dan de rust, die wij zeiden, dat tusschen beiden inlag, zoowel vermaak als smart wezen.--Dat schijnt zoo.--Maar kan nu wat geen van beiden is beiden zijn?--Ik vind van neen.--Edoch de gewaarwording van het vermaak en die van de smart zijn beiden eene soort van beweging in de ziel, niet waar?--Ja.--En wat noch vermakelijk noch smartelijk is, bleek immers daareven eene rust te zijn, die tusschen deze beiden invalt?--Juist.--Is het dan wel goed: geen smart te hebben aangenaam, geen vermaak te hebben smartelijk te noemen?--Wel neen.--Dus is de rust niet aangenaam noch smartelijk, maar schijnt zoo in vergelijking van het aangename en smartelijke; en deze gewaarwordingen doen ons het echte vermaak niet kennen, maar zijn eigenlijk zinsbegoocheling.--Dat volgt.--Let dan eens op het vermaak, dat niet uit smart wordt geboren; opdat gij niet telkens weer meenen moogt, dat in ons tegenwoordig leven vermaak eigenlijk het ophouden van smart, en smart het ophouden van vermaak is.--Wat meent gij?--Er zijn genoeg soorten van, maar gij moet vooral eens letten op het vermaak van den reuk. Dit toch wordt op eens zeer groot, hoewel er geen smart voorafging; en als het ophoudt laat het geen smart achter.--Dat is volkomen waar.--Dus moeten wij niet gelooven, dat zuiver vermaak gelijk staat met afwezigheid van smart, en smart met die van vermaak.--Neen.--De meeste zoogenaamde vermaken echter, die door middel des ligchaams de ziel bewegen, zijn eigenlijk niets anders dan het ophouden van smarten.--Dal is zoo.--En staat het niet evenzoo met het vóórproeven van vermaak en smart, dat verwacht wordt?--Ja.--
X. Weet gij waar ik dus die aandoeningen meê vergelijk?--Nog niet.--Gij kent het onderscheid tusschen boven, midden en beneden.--Wel zeker.--Gelooft gij dan niet, dat, als iemand zich van beneden naar het midden beweegt, hij meenen zal naar boven te gaan; en dat, als hij in het midden gekomen is, en neerziet naar het punt, waarvan hij is uitgegaan, hij meenen zal boven te wezen, indien hij ten minste het waarachtige boven niet kent?--Ongetwijfeld.--Maar als hij nu weder naar beneden ging, dan zou hij meenen naar beneden te gaan, en hij zou goed oordeelen.--Dat spreekt.--En dat alles zou daardoor veroorzaakt worden, dat hij het waarachtige boven, midden en beneden niet kende.--Dat is duidelijk.--Kunt gij u dan verwonderen, dat menschen, die de waarheid niet kennen, zoowel over vele andere dingen verkeerde begrippen hebben, als ook over vermaak en smart en wat daar tusschen ligt zóó denken, dat zij, wanneer zij naar het smartelijke gaan, goed oordeelen en zich met regt bedroeven, maar, wanneer zij van de smart naar het middelste komen, zich verbeelden volop vermaak te genieten, en als iemand, die uit onbekendheid met het wit grijs tegenover zwart stelde, uit onbekendheid met het vermaak verlossing van smart verkeerdelijk tegenover smart stellen?--Wel neen, dat is geen wonder, maar veel meer, zoo het anders was.--Bedenk nu nog eens dit: zijn honger, dorst, enz., niet eene soort van gebrek in het ligchaam?--Ja.--En zijn onkunde en onverstand niet eene soort van gebrek in de ziel?--Voorzeker.--En worden niet die twee soorten van gebrek door voedsel en door kennis vervuld?--Ja.--En waarmeê wordt een gebrek meer in waarheid vervuld, met hetgeen meer, of met hetgeen minder bestaat?--Met hetgeen meer bestaat.--En wat van beiden heeft meer deel aan het waarachtige zijn: spijs, drank, toespijs, enz.; of ware meening, verstandskennis, redekennis, en wat meer tot de deugd gerekend wordt[150]? Beoordeel dit eens aldus: Wat vindt gij, dat meer in waarheid bestaat: hetgeen zich aan het onveranderlijke, onsterfelijke en ware aansluit en zelf zoodanig is, en in het zoodanige gevonden wordt; of hetgeen aan het veranderlijke en sterfelijke zich aansluit en zelf zoodanig is, en in het zoodanige wordt gevonden?--Ongetwijfeld het eerste.--En is het onveranderlijke nu niet even verwant met de wetenschap als met het zijn?--Ja.--En ook met de waarheid?--Ook daarmede.--En wat minder met de waarheid verwant is, is immers ook minder verwant met het zijn?--Dat spreekt.--Is nu niet al wat tot de pleging des ligchaams behoort minder verwant met de waarheid en het zijn, dan al wat betrekking op de ziel heeft?--Ongetwijfeld.--En doet hierin ook het ligchaam zelf niet onder voor de ziel?--Zeker.--En wat nu met hetgeen meer waarlijk bestaat vervuld wordt en zelf meer waarlijk is, wordt dat niet in waarheid meer vervuld, dan hetgeen, dat met het minder waarlijk bestaande vervuld wordt, en zelf minder waarlijk is?--Natuurlijk.--Zoo het dus aangenaam is met hetgeen aan onze natuur verwant is ons gebrek te vervullen, dan moet hetgeen meer in waarheid met het meer wezenlijk bestaande wordt aangevuld, meer waarachtig vermaak veroorzaken dan hetgeen aan het minder wezenlijk bestaande deelachtig wordt, en minder in waarheid wordt aangevuld, en dus ook een onzekerder en minder waarachtig vermaak bekomt.--Dat kan niet anders.--Die dus van verstand en deugd verstoken steeds met feesten, smulpartijen, enz., bezig zijn, bewegen zich, naar het schijnt, van beneden naar het midden en terug, en gaan dáár hun leven door op neer; maar hebben nooit hierover heen het ware boven gezien en nog veel minder bereikt, noch zich in waarheid met het wezenlijk bestaande vervuld, noch het bestendige en zuivere vermaak geproefd; maar als vee voortdurend naar beneden ziende, en zich naar de aarde en naar de tafels bukkende, brengen zij hunnen tijd door met eten, drinken, hun geslacht voortplanten, enz.; en om meer daarvan te hebben, schoppen, stooten en vermoorden zij elkander met ijzeren horens en hoeven; daar zij nooit verzadigd worden, omdat zij zich niet met hetgeen wezenlijk bestaat vervullen en het deel van hun wezen, dat zij aanvullen, het verkregene niet kan behouden.--Hierop zeide ~Glauco~: ~Socrates!~ gij beschrijft daar juist naar waarheid het leven der meeste menschen.--Zijn dan ook hunne vermaken niet noodzakelijk met smart vermengd, en slechts beelden en schaduwen van het ware vermaak, die hunne kleur aan de naastelkanderstelling ontleenen, en daardoor heel wat vertoonen, en hevige begeerte bij de dwazen opwekken, en strijd veroorzaken; zoo als ~Stesichorus~ zegt, dat de strijd bij Troje om een beeld van ~Helena~ gevoerd is, daar men de ware niet kende?--Dat kan niet anders.--
XI. En heeft nu hetzelfde niet plaats ten opzigte van de geestkracht, wanneer iemand uit eerzucht, twistgierigheid of knorrigheid met nijd, geweld en drift, zonder verstand of rede te gebruiken, zich door eer, overwinning of wraak zoekt te bevredigen?--Voorzeker.--Willen wij ons dan maar verstouten te zeggen, dat zelfs de begeerten, die bij de winzucht en de twistgierigheid behooren, wanneer zij zich bij het najagen van het vermaak door kennis en redenering laten leiden, en slechts dat nemen, wat de rede haar aanwijst, het meest, voor zoo ver dit mogelijk is, waarachtig vermaak bekomen zullen, daar zij dan de waarheid volgen; en dat zij dan ook het natuurlijkste vermaak zullen krijgen, nademaal voor ieder het beste tevens het natuurlijkste is?--Dat stem ik toe.--Als zich dus de geheele ziel door de rede laat leiden; en geen harer deelen in opstand is, dan volbrengt zij niet slechts in het overige hare taak en is regtvaardig; maar dan geniet ook ieder harer deelen het beste, en, zoo veel mogelijk, het meest waarachtig vermaak.--Ongetwijfeld.--En als een der andere deelen de baas wordt, dan moet dat deel niet slechts zijn eigen vermaak missen, maar ook de andere deelen vreemd en niet waarachtig vermaak doen najagen.--Juist.--En wat het verst van de wijsbegeerte en de rede verwijderd is doet zulks het meest.--Dat spreekt.--En is dit niet hetzelfde, als dat wat het verst van wet en orde verwijderd is?--Natuurlijk.--En dat zijn de wellustige en tirannische begeerten.--Juist.--En de koninklijke en ordelijke begeerten zijn er het minst van verwijderd.--Ja.--Dus is de tiran het verst van het waarachtig en natuurlijk vermaak verwijderd, en de koning het minst.--Dat spreekt.--En dus zal de tiran het onaangenaamste, de koning het aangenaamste leven hebben.--Dat kan niet anders.--En terwijl nu de goede en regtvaardige den slechten en onregtvaardigen zoo zeer in vermaak overtreft, zal hij hem in betamelijkheid en schoonheid van leven, en in deugd nog heel wat meer overtreffen.--Daar is geen twijfel aan.--
XII. Goed. Nu wij echter zoo ver zijn gekomen, moeten wij het vroeger gezegde, waardoor wij hierheen gebragt zijn, weer opnemen. Er was gezegd, dat de onregtvaardigheid nuttig is voor den volmaakt onregtvaardigen, die den schijn der regtvaardigheid weet aan te nemen[151]; niet waar?--Ja.--Dit nu moeten wij weer opnemen, nadat wij het zijn eens geworden, welke de kracht der regtvaardigheid en die der onregtvaardigheid is.--Hoe meent gij?--Laat ons nu al sprekend een afbeeldsel van de ziel vormen, opdat hij, die dat beweerde, eens hoore, wat hij eigenlijk beweerde.--Hoedanig een afbeeldsel?--Een van denzelfden aard als de monsters in de fabelen, de ~Chimaera~, ~Scylla~, ~Cerberus~, enz., die uit vreemdsoortige wezens waren zamengesteld.--O zoo!--Vorm dan vooreerst de gedaante van een bont en veelkoppig beest, van rondom bezet met de koppen van tamme en wilde dieren en met het vermogen begaafd, om die te veranderen en nieuwe te voorschijn te brengen.--Dat is een heele kunst, doch daar woorden gemakkelijker dan was of klei zijn te vormen, willen wij het maar doen.--Vorm nu nog de gedaante van een leeuw, en die van een mensch, maar laat de eerste verreweg de grootste zijn, de tweede daarop in grootte volgen.--Dat is gemakkelijker; ik heb het al klaar.--Vereenig nu deze drie gedaanten met elkander, zoodat zij als ’t ware tot één geheel zamengroeijen.--Het is geschied.--Omgeef dat alles nu met de gedaante van een mensch, zoodat voor iemand, die het binnenste niet zien kan, maar alleen het buitenste omkleedsel waarneemt, niets dan een mensch zigtbaar is.--Best.--Laat ons nu hem, die beweert, dat het voor dezen mensch nuttig is onregt te doen, en dat regtvaardig te handelen voor hem niet nuttig is, onder het oog brengen, dat hij eigenlijk beweert, dat het hem nuttig is door rijkelijk voedsel dat veelkoppige beest benevens den leeuw te versterken, maar den inwendigen mensch door gebrek uit te putten, zoodat hij de twee anderen wel volgen moet; en die twee anderen niet aan elkaar te gewennen of genegen te maken, maar ze elkander te laten bijten, bevechten en opeten.--Dat is het juist, wat de lofredenaar der onregtvaardigheid beweert.--En zegt de lofredenaar der regtvaardigheid niet, dat men met woorden en daden den inwendigen mensch moet versterken, en hem als een landman voor dat veelkoppige beest laten zorgen, door daarin het tamme te kweeken en te verplegen, maar den groei van het wilde te beletten; en dat men hem den leeuw tot medehelper moet geven, om alles te zamen te verzorgen en eensgezind te maken?--Juist; dat zegt de lofredenaar der regtvaardigheid.--Dus spreekt dan in alle opzigten de lofredenaar der regtvaardigheid de waarheid, en die der onregtvaardigheid is een leugenaar. Want ten aanzien van het vermaak, van den roem, en van het nut, zegt hij, die de regtvaardigheid prijst, wat waar is; doch hij die haar berispt, spreekt onzin en berispt, wat hij in het minste niet kent.--Dat vind ik ook.--Laat ons hem dan zachtjes ompraten, want hij dwaalt niet met opzet, zeggende: beste vriend! moeten wij niet zeggen, dat het goede en slechte daarom door de wet onderscheiden wordt, dewijl het goede de dierlijke deelen der natuur aan het menschelijke of liever aan het goddelijke onderwerpt, maar het slechte juist het omgekeerde doet? zal hij dat toestemmen, of niet?--Zeker wel, als hij naar mij hooren wil.--Is het dan volgens deze redenering voor iemand nuttig op eene onregtmatige wijs goud te verkrijgen, terwijl daardoor tevens zijn beste deel aan het slechtste wordt onderworpen? of als hij voor dat goud zijn zoon of dochter in slavernij bragt bij woeste en slechte menschen, zou hem dat wel nut doen, en zou hij het op die voorwaarde wel willen hebben; en als hij dan daardoor zijn goddelijkste deel aan het goddeloosste en slechtste zonder deernis onderwerpt, is hij dan niet rampzalig, en ontvangt hij het dan niet op nog veel verschrikkelijker voorwaarde dan ~Eriphyle~, die voor een halsketen haren man[152] in het verderf stortte.--Ongetwijfeld, zeide ~Glauco~, want ik zal maar voor hem antwoorden.--
XIII. En wordt de ongebondenheid ook niet juist daarom afgekeurd, dewijl zij dat verschrikkelijke, groote, veelkoppige beest sterker maakt dan goed is?--Natuurlijk.--En wordt er niet over trotschheid en kwaadaardigheid geklaagd, wanneer de leeuwen- en slangennatuur bovenmate vermeerderd en versterkt is?--Voorzeker.--En over weelde en verwijfdheid, wanneer men dezelve verslapt en lafhartig maakt?--Dat spreekt.--En klaagt men niet over vleierij en laagheid, wanneer iemand de geestkracht aan dat veelkoppige beest onderwerpt, en haar door deszelfs onverzadelijkheid laat verschoppen; en van jongs af zijn best doet, om haar van een leeuw in een aap te veranderen?--Ongetwijfeld.--En waarom worden verscheidene beroepen als vernederend beschouwd? Is het niet, omdat zij het beste deel der ziel zwak maken; zoodat dit de andere niet kan regeren, maar ze dient en alleen voor hunne drogredenen ooren heeft?--Dat schijnt zoo.--En zeggen wij niet, dat zulke menschen, om onder hetzelfde bestuur als de beste te staan, aan dien besten, die door het goddelijke in zijn binnenste bestuurd wordt, dienstbaar moeten zijn; niet tot nadeel van den dienstbaren, gelijk ~Thrasymachus~ meende[153], maar omdat het voor ieder beter is bestuurd te worden door het goddelijke en redelijke, liefst door dat in hem zelven, maar bij gebrek daarvan door een ander van buiten, opdat door die eenheid van bestuur onder allen zoo veel gelijkheid en broederschap besta als mogelijk is?--Juist.--En iets dergelijks wordt ook duidelijker door de wet bedoeld, daar zij alle burgers van den staat beschermt; en ook door de opvoeding der kinderen, daar wij ze niet vrij laten, voordat wij in hun binnenste als in eenen staat eene staatsregeling tot stand gebragt hebben, en door onze rede de hunne ontwikkeld en die tot hunnen bewaker en opziener gemaakt hebben; waarna wij ze vrij laten.--Dat is duidelijk.--Zullen wij het dan nog in eenig opzigt voordeelig noemen onregtvaardig of ongebonden te zijn, of iets schandelijks te doen, waardoor men slechter wordt, maar meer rijkdom of ander vermogen bekomt?--Wel neen.--Of zullen wij zeggen, dat het nuttig is, als men kwaad doet, verborgen te blijven en niet gestraft te worden? Of wordt niet hij, die verborgen blijft, nog slechter; terwijl bij hem, die ontdekt en gestraft wordt, het dierlijke deel wordt getemd en bedwongen, maar het redelijke vrij gemaakt; zoodat zijn geheele ziel zich ten goede keerende en ingetogenheid, regtvaardigheid en wijsheid verwervende zoo veel meer in waarde wint dan een ligchaam, dat sterkte, schoonheid en gezondheid bekomt, als de ziel meer waarde heeft dan het ligchaam[154]?--Het laatste stem ik volkomen toe.--En zal nu de verstandige niet steeds met al zijne kracht daarnaar streven, en vooreerst die wetenschappen eeren, die zijne ziel zóó kunnen maken, maar de andere gering achten?--Dat spreekt.--Verder zal hij bij de verpleging en voeding zijns ligchaams zich dat dierlijke, redelooze vermaak niet ten doel stellen; maar veel meer niet eens op zijne gezondheid zien en niet vooral zijn best doen, om sterk, gezond en schoon te wezen, zoo dit de ingetogenheid niet bevordert; doch steeds zal het blijken, dat hij de harmonie zijns ligchaams aan de bevordering van die der ziel dienstbaar maakt.--Voorzeker, zoo hij althans een waarachtig dienaar der muzen is.--En evenzoo zal hij met het geld handelen, en dit niet door den lof der menigte van zijn stuk gebragt onder aanhoudende kwelling aanhoudend trachten te vermeerderen.--Dat vind ik ook.--Maar ziende naar zijne inwendige staatsregeling, zal hij zijn best doen om daar binnen niets door overdaad of gebrek van zijn plaats te brengen, en dit zoo veel mogelijk bij zijne inkomsten en uitgaven in het oog houden.--Ongetwijfeld.--En ook eereposten zal hij uit hetzelfde oogpunt beschouwen, en er dus gaarne in deelen, voor zoo ver hij gelooft, dat ze hem beter zullen maken; maar alle eer, die zijne stemming kan bederven, zal hij in zijne bijzondere en openbare betrekkingen ontwijken.--Maar als hij daarvoor bezorgd is, zal hij zich dan wel met de staatszaken bemoeijen?--In eene staatsregeling volgens zijne beginselen zeker wel, doch mischien in zijn vaderland niet dan in bijzonder gunstige omstandigheden.--Ik begrijp u, zeide hij. Gij zegt in de staatsregeling, die wij juist besproken hebben, die in woorden bestaat, doch denkelijk wel nergens op aarde.--In den hemel[155] is echter misschien haar voorbeeld zigtbaar voor hem, die het zien en zich er naar vormen wil. Of zij evenwel bestaat of niet, doet er niets toe; want in alle gevallen zal de wijze alleen in haar zich met staatszaken bemoeijen, anders nergens.--Dat laat zich denken.--
Voetnoten
[146] Waarschijnlijk wordt hier vooral het eten van voor offers bestemd vleesch bedoeld.
[147] Zie mijne vertaling van den _Phaedo_, blz. 5.
[148] Zie _Opklimmend deel der Wijsbegeerte_, blz 46, 47, de noot.
[149] Boek IV. Hoofdst. XIV.
[150] Zie mijne vertaling van den _Phaedo_, blz. 53, (3), en blz. 64-66.
[151] Boek II. Hoofdst. V.
[152] De wigchelaar ~Amphiaraus~ voorzag, dat hij in oorlog zou omkomen, en verstak zich, om niet gedwongen te worden mede te trekken. Zijne vrouw liet zich door een gouden halsketen omkoopen, om zijne schuilplaats te verraden.
[153] Boek I. Hoofdst. XVI.
[154] Boek II. Hoofdst. XIX. ~Ahrens~, _Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde_, vrij vertaald door Dr. ~J. Nieuwenhuis~, II. 231, 232. _Phaedo_, Hoofdst. LXII.
[155] In de wereld der ideën. Zie mijne vertaling van den _Phaedo_, blz. 67. (3).
TIENDE BOEK.