Part 26
I. Nu blijft ons, geloof ik, nog over den tirannischen man te beschouwen en te zien, hoe hij uit den democratischen voorkomt, hoedanig hij is, en of zijn leven gelukkig heeten moet.--Ja, hij is nog over.--Weet gij nu, wat mij nog niet voldoet?--Wat meent gij?--Wij hebben den aard en de kracht der begeerte niet genoeg uiteengezet; en als dit gebrekkig is behandeld, zal hetgeen wij zoeken niet duidelijk worden.--Maar dat is immers nog te verhelpen?--Wel zeker; let maar eens op, wat ik wil nasporen. Het is dit. Van de niet noodzakelijke vermaken en begeerten houd ik sommige voor onwettig, en geloof, dat zij wel in alle menschen opkomen, maar door de wetten en de betere begeerten met behulp der rede onderdrukt, sommigen geheel verlaten, of althans bij hen zeer gering en zwak worden, bij anderen daarentegen sterker en meer zijn.--Welke bedoelt gij daarmede?--Die in den slaap voor den dag komen; want wanneer het redelijke, zachtzinnige, heerschende deel der ziel rust, maar het dierlijke en wilde, vooral na veel eten of drinken, zich verheft, en den slaap van zich afwerpt, en poogt heen te gaan en zijne natuur uit te vieren, dan weet gij, dat het alles durft doen, en zich van alle schaamte en ingetogenheid losmaakt. Dan toch ziet men er, in den droom, geen zwarigheid in, om bij zijne moeder, bij beesten of bij goden te liggen, of om moord te bedrijven, of verbodene spijzen[146] te eten; met één woord, dan wordt er geene dwaasheid of onbeschaamdheid nagelaten.--Dat zegt gij volkomen naar waarheid.--Maar wanneer iemand bij gezonden toestand en matige levenswijs zich te slapen legt, na zijne rede gewekt en met schoone redeneringen en bespiegelingen gevoed te hebben, en tot volkomen bewustheid van zich zelven gekomen te zijn; terwijl de begeerte door gebrek noch overmaat is geprikkeld, opdat zij zich rustig houde en het beste deel der ziel door hare blijdschap of smart niet beroere, maar dat op zich zelf late nadenken, en naar kennis van ’t verledene, tegenwoordige of toekomende streven; en wanneer hij evenzoo het driftige getemd heeft, en bij zijn slapen gaan op niemand boos was, maar die twee deelen der ziel tot kalmte gebragt, en het derde, de zitplaats van het verstand, opgewekt hebbende, zich ter ruste begeeft: dan komt hij het digtst aan de waarheid, en dan zijn de droomen het minst onwettig.--Dat is volkomen waar.--Dit hebben wij nu wat heel uitvoerig besproken, maar onze meening is deze, dat in ieder, hoe ingetogen hij zich voordoe, eene schrikkelijke, woeste, wettelooze soort van begeerten huisvest, die onder het droomen voor den dag komt. Zie eens, of gij vindt dat ik gelijk heb?--Ik vind van ja.--
II. Herinner u nu nog eens, hoe wij gezegd hebben, dat het karakter is van den democratischen man. Hij was ontstaan uit eenen jongeling, opgevoed door eenen gierigen vader, die alleen de nuttige begeerten goedkeurde, en de niet noodzakelijke, maar slechts naar spel en sieraad hakende verachtte: niet waar?--Ja.--En door om te gaan met aardiger lieden, en die vol waren van de daareven vermelde begeerten, kreeg hij neiging tot allerlei overmoed en tot het aannemen van hunne zeden, daar de gierigheid zijns vaders hem tegenstond; maar, daar bij van natuur beter was dan zijne bedervers, en van twee kanten getrokken werd, koos hij een middelweg, en, naar hij meende, de juiste maat houdende, leefde hij niet bekrompen noch slecht en werd van oligarchisch democratisch.--Ja, zoo was en is nog tegenwoordig het algemeene oordeel over zulk een mensch.--Stel nu, dat hij ouder geworden zijnde, weer een jongen zoon heeft, die in zijne zeden is opgevoed.--Best.--Stel nu verder, dat het dezen evenzoo gaat als zijnen vader, dat hij tot alle losbandigheid wordt aangezet, en dat deze door hen, die hem aanzetten, vrijheid genoemd wordt; en dat zijn vader en overige nabestaanden die matige begeerten te hulp komen, maar dat die anderen, die knappe toovenaars en tirannenfabriekanten, daartegen in werken, en, vreezende den jongeling te zullen verliezen, zijne matige begeerten weten te doen zwichten voor den wellust, die met regt bij een gevleugelden grooten hommel kan vergeleken worden.--Juist.--En wanneer dan nu de andere begeerten rond dien hommel gonzen, en bedwelmd door reukwerk, balsem, kransen, wijn en wat meer bij die losbandige vermaken behoort, hem steeds grooter maken en voeden, en van den angel des verlangens voorzien; dan wordt dat opperhoofd der ziel door de driften als lijfwacht gediend en viert aan zijne woede den teugel, en doodt of verbant alle nog aanwezige goede en schaamachtige meeningen en begeerten, tot dat hij de ziel van alle ingetogenheid gezuiverd en haar met dolheid vervuld heeft.--Dat is volmaakt de geboorte van een tirannisch mensch.--En wordt niet om diezelfde reden de wellust reeds door de ouden een tiran genoemd?--Waarschijnlijk.--En heeft ook een beschonken mensch niet eenigzins een tirannischen aard?--Ongetwijfeld.--En een razende en half krankzinnige poogt en hoopt niet slechts over menschen maar zelfs over goden te heerschen.--Wel zeker.--Zoo wordt dan een mensch volkomen tirannisch, wanneer hij van natuur, of door levenswijs, of door beiden aan wijn en wellust verslaafd en zwartgallig geworden is.--Ongetwijfeld.--
III. Zoo wordt zulk een man dus gevormd, maar hoe leeft hij?--Dat moet gij maar liever zeggen.--Komaan dan! Zij, wier ziel door den wellust beheerscht wordt, vieren, geloof ik, in ’t gezelschap van hoeren feesten, drinkgelagen, smulpartijen, enz.--Dat spreekt.--En dan komen er iederen dag en nacht vele nieuwe, hevige begeerten te voorschijn, die heel wat vertering te weeg brengen.--Ja, die komen er in menigte.--En daardoor worden hunne inkomsten spoedig opgemaakt.--Natuurlijk.--En daaruit komen dan weer schulden en achteruitgang voort.--Dat kan niet anders.--En als alles op is, dan schreeuwen natuurlijk die vele en sterke begeerten om voldoening, en dan wordt zulk een mensch én door de andere begeerten, én vooral door den wellust als met prikkels voortgedreven, en zoekt in zijne razernij, wien hij door list of geweld kan berooven, om maar geld te bekomen.--Zoo gaat het.--En dan is hij in de noodzakelijkheid om óf van alle kanten geld zamen te slepen, óf door onvaldane begeerten rampzalig gekweld te worden.--Dat kan niet anders.--En dan zal bij, gelijk de later bijkomende begeerten de vroegere in zijne ziel van het hunne beroofd hebben, zijn vader en moeder willen berooven en plukken, nadat hij zijn eigen vermogen heeft doorgebragt.--Ongetwijfeld.--En als dezen dat niet toelaten, zal hij dan niet eerst zijne ouders trachten te bestelen en te bedriegen?--Ja.--En als dat niet gaan wil, berooft en plundert hij ze met geweld.--Dat is denkelijk.--En als nu die oude lieden zich daartegen verzetten, zal hij zich dan van tirannieke daden onthouden?--Ik heb niet veel moed ten opzigte van zijne ouders.--Maar zal hij dan om een hoer, die hij onlangs heeft lief gekregen en best missen kan, zijne ouders, zijne oudste en onmisbaarste vrienden, slaan en als slaven behandelen?--Dat zal hij.--Het is toch rampzalig een tirannischen zoon ter wereld te brengen!--Dat is het wel.--En als hij nu van zijne ouders niet meer halen kan, en een groote zwerm van begeerten zich in hem heeft gevestigd, dan zal hij in een huis zoeken in te breken, of ’s nachts de voorbijgangers te berooven, en vervolgens zelfs de tempels bestelen; en onder dit alles zullen de begrippen zijner jeugd over goed en kwaad verdrukt worden door de lijfwachters van den wellust, die onlangs losgebrokene begeerten, welke vroeger, toen hij nog democratisch was en door zijn vader en de wetten bestuurd werd, slechts in den droom losbraken; en onder de tiranny van den wellust zal hij steeds zoodanig wezen als hij vroeger soms in den droom was, en geen moord, heiligschennis of gruweldaad ontzien; maar de wellust, zelf als opperheer zich aan niets storende, zal hem, die zijn slaaf is, als een werkelijk tiran zijnen staat, allerlei misdaden doen plegen, tot onderhoud van hem en van zijne metgezellen, die deels van buiten door slechten omgang zijn aangebragt, deels van binnen door hem en door die slechte levenswijs zijn voor den dag geroepen en losgemaakt. Is dat niet het leven van zulk een mensch?--Juist.--En als er nu weinigen van die soort in een staat zijn, en de andere burgers zich ordelijk gedragen, dan verhuizen zij en worden lijfwachters van een vreemden tiran, of verhuren zich als krijgslieden in den eenen of anderen oorlog, of, zoo daartoe geene gelegenheid is, dan doen zij te huis allerlei klein kwaad.--Wat meent gij?--Zij maken zich schuldig aan diefstal, inbraak, zakkerollen, tempelschennis, menschenroof, enz.; en, als zij goed kunnen spreken, winnen zij geld met valsche getuigenissen en beschuldigingen, die zij laten afkoopen.--Vindt gij dat klein kwaad, als er maar niet veel zulke menschen zijn?--Het kleine is klein met betrekking tot het groote, en dit alles komt in slechtheid en verderfelijkheid voor den staat in geene vergelijking met een tiran. Want wanneer zulken ergens talrijk zijn en vele navolgers hebben, en hun aantal opmerken, dan zijn zij het, die met de dwaasheid des volks den tiran telen, namelijk dien hunner, die in zijn eigen gemoed door den grootsten tiran beheerscht wordt.--Dat is ook billijk, want die deugt daar het meest voor.--En als de burgers zich vrijwillig onderwerpen, dan is het goed; maar, als zij zich verzetten, dan zal hij met behulp zijner rotgezellen zijn vaderland, even als vroeger zijne ouders, verdrukken en in slavernij houden; en dan is zijn doel bereikt.--Ja dan is hij klaar.--En is het niet de gewone handelwijs van zulk een mensch, voor hij het zóó ver gebragt heeft, óf met vleijers om te gaan, die hem in alles ten dienste staan, óf, als hij iets noodig heeft, zich te vernederen en in allerlei bogten te wringen, en den schijn van vriendschap aan te nemen, om, als hij zijn zin heeft, zich weer als een vreemde te gedragen?--Juist.--Dus is een tirannisch mensch in zijn geheele leven niemands vriend, maar steeds heer of knecht van anderen; terwijl hij van ware vrijheid en opregte vriendschap volstrekt geen denkbeeld heeft.--Ongetwijfeld.--Dus verdient hij den naam van valsch.--Ja.--En ten volle dien van onregtvaardig, zoo wij ten minste in het vorige goed besproken hebben, wat de regtvaardigheid is.--Ten volle.--Laat ons nu nog eens kort zamenvatten, hoe de allerslechtste zal wezen. Het is dus iemand, die werkelijk zóó doet als wij zeiden dat soms in den droom gedaan wordt.--En dat is dus hij, die volkomen tirannisch gezind zijnde, de oppermagt in handen krijgt; en naarmate hij die langer behoudt, wordt hij dat meer.--Dat kan niet anders, zeide ~Glauco~, die het woord weder opnam.
IV. Zal nu hij, die gebleken is de slechtste te wezen, zich ook als den ongelukkigsten vertoonen, en wel in waarheid, (want het oordeel der menigte komt hier niet in aanmerking) des te ongelukkiger, naarmate hij langer en meer tiran geweest is?--Dat kan niet anders.--En zou dan ook hierin de tirannische man aan den tirannisch beheerschten staat, de democratische aan den democratischen enz., gelijk zijn?--Natuurlijk.--Dus staan die mannen tot elkaar ten opzigte van deugd en geluk in dezelfde verhouding als de staten.--Juist.--En hoe staat nu een tirannisch beheerschte staat tot eenen onder koninklijk gezag, zoo als wij het eerst besproken hebben?--Die zijn juist het tegenbeeld van elkander, want de eene is allervoortreffelijkst; de andere allerslechtst.--Wie nu die ééne en die andere is, zal ik maar niet eens zeggen; dat is duidelijk genoeg. Maar denkt gij nu evenzoo over hun geluk en ongeluk? Laat ons nu niet in de war raken, door alleen op den tiran en zijne grooten te letten, maar, zoo als het hoort, den geheelen staat van nabij bezien, om goed te kunnen oordeelen.--Die vordering is billijk; en dan is het duidelijk voor ieder, dat geen staat ellendiger is dan een tirannisch beheerschte, en geen gelukkiger dan een onder koninklijk gezag.--Zou ik nu niet een even billijke vordering doen, als ik zeide, dat wij, om ook de mannen te beoordeelen, hunnen inwendigen toestand moeten nagaan, en niet als kinderen door den uiterlijken glans der tiranny verblind worden, maar daar door heen zien; en dat wij dus allen naar hem hooren moeten, die er over kan oordeelen en zulk een tiran van nabij, in zijn huiselijk leven in het midden der zijnen, waar hij zich het meest zonder zijn tooneelkleed vertoont, en ook in de gevaren, die hem van den kant des volks dreigen, gezien heeft; en als ik hem, die dat alles gezien had, verzocht te berigten in welke verhouding ten opzigte van geluk of ongeluk een tiran tot de anderen staat[147].--Voorzeker.--Willen wij dan eens onderstellen, dat wij hierover kunnen oordeelen en het hebben waargenomen; opdat het mogelijk zij een antwoord op onze vragen te krijgen?--Dat is goed.--
V. Komaan dan, beschouw het aldus: Houd de gelijkheid van den staat en den man in het oog, en zeg mij, ieder op zijne beurt beschouwende, hoe hun lot is.--In welk opzigt meent gij?--Om eerst van den staat te spreken; noemt gij een tirannisch beheerschten staat vrij of dienstbaar?--Zoo dienstbaar mogelijk.--Maar gij ziet daarin toch heeren en vrijen.--Ja enkelen; maar over ’t geheel is zijn beste deel in schandelijke en ellendige slavernij.--En als nu de man op den staat gelijkt, dan moet ook in hem dezelfde betrekking plaats hebben, en zijne ziel vol slavernij en dienstbaarheid wezen, en deze vooral hare beste deelen drukken, terwijl haar kleinste, slechtste en onzinnigste deel heerschappij voert.--Dat kan niet anders.--En noemt gij zulk eene ziel nu vrij of dienstbaar?--Natuurlijk dienstbaar[148].--Edoch een dienstbare en tirannisch beheerschte staat doet volstrekt niet wat hij wil.--Wel neen.--Dus doet ook eene tirannische ziel volstrekt niet wat zij wil, als men ten minste de geheele ziel beschouwt; maar steeds door razernij overmeesterd, is zij vol verwarring en berouw.--Dat kan niet anders.--En is een tirannisch beheerschte staat rijk of arm?--Arm.--Dus moet ook eene tirannische ziel arm en gebrekkig wezen.--Juist.--En moet zulk een staat en zulk een man niet vol vrees zijn?--Voorzeker.--En gelooft gij ergens, in eenigen staat, meer gejammer, zuchten, geween en ellende te zullen vinden?--Nergens.--En denkt gij, dat ditzelfde in eenig mensch meer zal wezen dan in den tirannischen, door begeerten en wellust verdwaasden?--Onmogelijk.--En om dit alles, en meer dergelijke dingen, hebt gij den tirannisch beheerschten staat den allerongelukkigsten genoemd.--Dat was toch immers goed?--Wel zeker. Maar wat zegt gij nu op diezelfde gronden van den tirannischen man?--Dat hij verreweg de ellendigste van allen is.--Dat zegt gij nog niet goed.--Hoe zoo?--Hij is nog niet de allerellendigste.--Wie dan?--Dezen zult gij misschien nog ellendiger vinden.--Wien?--Die van tirannischen aard zijnde niet ambteloos blijft, maar ongelukkig genoeg is, om door de omstandigheden in de gelegenheid gesteld te worden zich tot tiran te verheffen.--Naar aanleiding van het vorige, geloof ik, dat gij de waarheid zegt.--Ja, maar dat moet gij niet gelooven, maar heel naauwkeurig beredeneren; daar toch goed of slecht te leven het allerbelangrijkste onderwerp van onze beschouwing is, en wij daar op dit oogenblik mede bezig zijn.--Dat is zoo.--Onderzoek dan eens, of ik iets zeg. Want ik vind, dat wij het hieruit moeten afleiden.--Waaruit?--Uit die klasse van menschen, die rijk zijn en vele slaven houden. Dezen toch regeren zoo als de tiran over velen, hoewel over een minder aantal dan hij.--Ja.--Gelooft gij nu, dat zij gerust zijn en niet vreezen voor hunne slaven?--Waarom zouden zij ook vreezen?--Nergens om; maar weet gij, hoe dat komt.--Ja, omdat de geheele staat iederen burger beschermt.--Juist.--Maar als één man, die vijftig of meer slaven had, eens met zijne vrouw, kinderen, bezittingen en slaven in eene onbewoonde plaats werd gebragt, waar geen vrije hem helpen kon, zou hij dan niet vreezen, dat hij met zijne vrouw en kinderen door die slaven zou vermoord worden?--Natuurlijk.--En zou hij dan niet genoodzaakt zijn sommigen zijner slaven te vleien en hun veel te beloven, en zonder reden de vrijheid te schenken, en zóó van zijne eigene bedienden afhankelijk te worden?--Dat spreekt; anders zou hij spoedig zijn leven kwijt raken.--En als er dan eens velen in zijne buurt kwamen wonen, die niet dulden wilden, dat de ééne mensch den anderen in slavernij hield, maar, zoo zij eenen slavenhouder konden beet krijgen, dien de grootste straffen deden ondergaan?--Dan zou hij het nog veel erger hebben, daar hij dan van alle kanten door vijanden zou bewaakt worden.--En zit een tiran, die uit zijnen aard, zoo als wij besproken hebben, vol is van allerlei vrees en begeerte, nu niet in zulk eenen kerker? Is het hem alleen onder de inwoners van zijn land niet onmogelijk, om, hoe hij er ook naar verlange, zich op reis te begeven en iets te gaan zien van hetgeen vrije menschen gaarne beschouwen, b. v. de Olympische spelen; daar hij zich als eene vrouw in zijn buis moet verbergen, en de andere burgers moet benijden, die kunnen op reis gaan en zich met vermakelijke schouwspelen verlustigen.--Dat is volkomen waar.--
VI. Wordt dus het ongeluk van den tirannischen man, dien gij reeds voor den ellendigsten van allen hield, niet nog door zulke onaangenaamheden vermeerderd, als hij niet ambteloos blijft leven, maar door het noodlot wordt gedwongen, zich tot tiran op te werpen; en, terwijl hij zich zelven niet beheerschen kan, anderen te regeren, even als iemand, die hoewel ziekelijk en zwak van ligchaam, niet rusten mag, maar zijn heele leven door met anderen moet vechten?--Daar heeft hij veel van, ~Socrates~! en gij hebt volkomen gelijk.--Dus is dit het allerellendigste lot, ~Glauco~! en de werkelijke tiran heeft het dan nog erger dan hij, wiens leven gij het ergste genoemd hebt.--Voorzeker.--Dus is in waarheid, al denken sommigen er anders over, de waarachtige tiran een slaaf in de hardste dienstbaarheid en slavernij, en een vleier van de slechtste menschen; en zijne begeerten worden volstrekt niet vervuld, maar hij heeft aan het meeste gebrek en blijkt, als men zijn heele ziel beschouwt, inderdaad arm te wezen, en zijn heele leven door vol te zijn van vrees, en driften, en smart; zoo hij ten minste gelijkt op den staat, waarover hij regeert. En dat doet hij toch?--Wel zeker.--En zullen wij van hem niet daarenboven nog het vroeger besprokene zeggen, dat hij door zijn bewind hoe langer hoe meer afgunstig, onregtvaardig, beroofd van vrienden, goddeloos en vol van allerlei slechtheid moet worden, en dat hij daardoor vooreerst zelf ongelukkig wezen, en ten andere zijne naasten evenzoo maken moet?--Dat kan geen verstandig mensch tegenspreken.--Komaan, zeg gij dan als een kunstregter van zangers, wie de eerste, tweede, enz., in geluk is, en beoordeel naar de rij den koninklijken, timocratischen, oligarchischen, democratischen en tirannischen man.--Dat is gemakkelijk te beoordeelen. Want ik zet ze in trap van geluk en deugd eenvoudig in dezelfde volgorde, waarin zij zijn binnengekomen.--Willen wij dan een omroeper aannemen, of wil ik het uitbazuinen, dat de zoon van ~Aristo~ den besten en regtvaardigsten tot den gelukkigsten verklaart, en dat dit de koninklijke is, die zich zelven beheerscht; maar den slechtsten en onregtvaardigsten tot den ellendigsten, en dat dit de tirannische is, die én zich zelven én zijnen staat tiranniseert?--Ik hecht er mijn zegel aan.--Wil ik er dan bij zeggen: dat dit zoo zijn zal, of goden en menschen hen kennen of niet?--Dat is goed.--
VII. Het zij zoo. Hier hebben wij dus één bewijs; als gij wilt, kunnen wij het echter ook aldus beredeneren.--Hoe?--Daar, gelijk een staat uit drie deelen bestaat, ook in ieders ziel drie deelen gevonden worden[149], zal er nog een tweede bewijs mogelijk zijn.--Welk?--Dit. Elk dezer drie heeft, geloof ik, zijn eigen vermaak en begeerte.--Hoe zegt gij?--Het ééne deel was dat, waarmede iemand leert; het andere dat, waarmede hij boos wordt, aan het derde konden wij om zijne bontheid geen eigen naam geven, maar benoemden het naar hetgeen daarin het meest en het sterkst voor den dag kwam. Want wij noemden het begeerte, wegens de kracht der begeerten naar spijs, drank, mingenot, enz.; en ook geldgierigheid, omdat zulke begeerten vooral met behulp van het geld vervuld worden.--En te regt.--En zoo wij nu zeiden, dat het voorwerp van zijn vermaak en zijne begeerte de winst is, zouden wij dan daardoor niet het best alles tot één hoofdpunt terugbrengen; ten einde te weten, wat wij bedoelen, wanneer wij van dit deel der ziel spreken: en wanneer wij het geldgierig noemden, zouden wij het dan met den regten naam noemen?--Ik vind van ja.--En zeggen wij niet, dat de geestkracht zich geheel op het sterk zijn, overwinnen, en roem behalen geworpen heeft?--Ja.--Zoo wij die dus twistgierig en eerzuchtig noemden, zou dat dan goed zijn?--Best.--Verder is het voor ieder duidelijk, dat hetgeen, waarmede wij leeren, geheel op de kennis van de waarheid gerigt is, en zich het minst van allen om geld en roem bekommert.--Volkomen.--Als wij dat dus leergierig en wijsgeerig noemden, zouden wij dan goed doen?--Ja.--En nu heerscht in de zielen het ééne of het andere van dezen, naar het uitkomt.--Juist.--Daarom moeten wij ook zeggen, dat er oorspronkelijk drie soorten van menschen zijn, wijsgeerige, eerzuchtige en winzuchtige.--Ja.--En dus ook drieërlei vermaak, overeenkomstig met deze drie soorten?--Natuurlijk.--Nu begrijpt gij zeker wel, dat: als gij drie zulke menschen ieder op zijne beurt vroegt, wiens levenswijze de aangenaamste is, ieder de zijne zou noemen; en dat de geldwinner zou zeggen, dat bij het geldwinnen het vermaak van den roem of der wetenschap niet in vergelijking komt; zoo zij ten minste geen geld opbrengen?--Dat spreekt.--En de eerzuchtige, vindt die het vermaak van het geldwinnen niet gemeen, en dat van het leeren, voor zoo ver de wetenschap geen roem aanbrengt, geen rook en ijdelheid?--Juist.--Laat ons dan ook maar stellen, dat de wijsgeer de andere vermaken, in vergelijking van de kennis der waarheid en het aanhoudend beoefenen der wetenschap, niet eens als waarachtig vermaak beschouwt, en zegt, dat zij inderdaad noodzakelijk zijn, daar hij er niet naar zou omzien, zoo hij door de noodzakelijkheid daartoe niet gedwongen werd.--Daar ben ik het stellig meê eens.--