Part 25
XII. Let nu eens op, hoe een enkel dusdanig mensch zal wezen? Willen wij niet weer eerst, zoo als wij bij den staat gedaan hebben, zijne vorming nagaan?--Ja.--Gaat het daar niet zóó mede toe? Die oligarchische gierigaard heeft een zoon, dien hij natuurlijk in zijn eigen denkwijs zoekt groot te brengen.--Dat spreekt.--Die zoon moet dus evenzoo zijne begeerten, voor zoo ver zij tot verkwisting, niet tot geldwinnen, leiden, en niet noodzakelijk zijn, met geweld onderdrukken.--Juist.--Willen wij dan voor de duidelijkheid eerst eens vaststellen, welke begeerten noodzakelijk zijn, welke niet?--Dat is goed.--Kunnen wij die niet met regt noodzakelijk heeten, welke wij niet kunnen uitroeijen, en die, als zij vervuld worden, ons voordeel aanbrengen? Beiden toch zijn ons door de natuur ingeplant, niet waar?--Ja.--Die hebben dus regt op den naam van noodzakelijk.--Volkomen.--En die men van jongs af zijn best doende kan meester worden, en die aanwezig zijnde geen goed maar dikwijls kwaad doen, kunnen wij die allen niet met regt niet-noodzakelijk heeten?--Voorzeker.--Willen wij er nu van beiden één tot voorbeeld nemen, om ze allen daaraan te kennen?--Met genoegen.--Is dan de begeerte naar eten, voor zoo ver de gezondheid en welstand des ligchaams dit vordert, niet noodzakelijk?--Ja.--Die naar spijs in ’t algemeen is in beide opzigten noodzakelijk, voor zoo ver zij nuttig is, en voor zoo ver zij geen voldoening krijgende, den dood ten gevolge heeft.--Ja.--En die naar toespijs, voor zoo ver de welstand des ligchaams daardoor bevorderd wordt?--Die ook.--En de begeerte, die verder gaat, en allerlei lekkernijen verlangt, kan, door haar van jongs af tegen te gaan, bedwongen worden, en is schadelijk voor het ligchaam en voor de helderheid en ingetogenheid van den geest, en verdient daarom den naam van niet-noodzakelijk.--Juist.--de laatste soort nu kan verkwistend genoemd worden; de eerste daarentegen winstgevend, omdat hare vervulling ons in geschiktheid voor ons werk doet winnen.--Dat is zoo.--En kunnen wij van die naar minvermaak niet hetzelfde zeggen?--Ja.--En zijn nu niet die menschen, die wij hommels genoemd hebben, de zoodanigen, die met zulke niet-noodzakelijke begeerten vervuld zijn en daardoor geregeerd worden; terwijl de gierige oligarchen slechts aan de noodzakelijke onderworpen zijn?--Voorzeker.--
XIII. Laat ons nu nog eens zeggen, hoe een democratisch man uit een oligarchischen gevormd wordt. Naar mij voorkomt gaat dit meestal zóó toe.--Hoe?--Wanneer een jongeling op de gezegde wijze zonder goed onderwijs en gierig grootgebragt van de honig der hommels proeft, en kennis maakt met vurige, listige dieren, die hem allerlei telkens afwisselende vermaken verschaffen, dan kunt gij vasstellen, dat in zijne ziel de oligarchische regeringsvorm voor den democratischen plaats maakt.--Dat kan niet anders.--Zal nu niet, gelijk de staat door uitheemsche ondersteuning der ééne partij veranderde, die jongeling veranderen, door dat ééne der twee soorten van begeerten in zijne ziel door gelijksoortige van buiten ondersteund wordt?--Ongetwijfeld.--En als nu zijn vader of zijne andere betrekkingen met vermaningen en straffen het oligarchische deel zijner ziel ondersteunen, dan ontstaat er in zijn binnenste twist en oneenigheid.--Natuurlijk.--En soms wordt dan, geloof ik, het democratische deel door het oligarchische overwonnen, en, als schaamte bij hem opkomt, worden sommige begeerten geknakt, andere geheel verdreven; zoodat hij zich wederom ordelijk gedraagt.--Dat gebeurt somtijds.--Door de onverstandige opvoeding des vaders worden evenwel andere aan de verdrevene verwante begeerten gevoed, en nemen in menigte en sterkte toe.--Zoo gaat het gewoonlijk.--En die trekken hem dan tot denzelfden omgang, en daardoor worden zijne begeerten hoe langer hoe meer.--Dat spreekt.--En eindelijk overrompelen deze den burgt zijner ziel, daar zij merken, dat die niet bezet is door wetenschap, goede studie en juiste begrippen, die in den geest van door de goden geliefde menschen de beste wachters zijn.--Juist.--En dan wordt diezelfde plaats ingenomen door leugens en dwalingen en allerlei valsche denkbeelden.--Ja.--En dan gaat hij ook weer openlijk met zijne vroegere kennissen om. Wanneer dan zijne betrekkingen het spaarzame deel zijner ziel willen bijstaan, sluiten die valsche redeneringen de poorten van den burgt en laten noch die hulptroepen noch vermaningen van andere vrienden, die als gezanten komen, daarbinnen, en overwinnen die met geweld; en drijven de schaamte, haar onnoozelheid noemende, in ballingschap, en werpen de ingetogenheid uit, haar flaauwheid heetende en haar beschimpende; en de matigheid en spaarzaamheid voor boerschheid en onbekrompenheid uitmakende, jagen zij die met behulp van allerlei nuttelooze begeerten op de vlugt.--Zoo gaat het.--En als dan de ziel, die door haar bezet is en in hare geheimenissen wordt ingewijd, ledig en schoon is gemaakt, brengen zij overmoed, bandeloosheid, doorbrenging en onbeschaamdheid met groote statie naar binnen, die door mooije namen vergoelijkende, daar zij den overmoed flinkheid, de bandeloosheid vrijheid, de doorbrenging onbekrompenheid, en de onbeschaamdheid onverschrokkenheid noemen. Wordt op die wijs een jongeling niet na eene opvoeding, die hem slechts de noodzakelijke begeerten leerde vervullen, tot het botvieren en inwilligen der niet noodzakelijke noch nuttige gebragt?--Ongetwijfeld.--En daarna wijdt, denk ik, zulk een persoon zijn geld, tijd en moeite zonder onderscheid aan het vervullen van noodige en niet noodige begeerten; en als hij zoo gelukkig is van niet geheel door uitspattingen bedorven te worden, maar bij het toenemen in jaren, als hij uitgeraasd heeft, een deel der verdrevene weer opneemt en zich niet geheel door de nieuwe laat beheerschen, dan geeft hij aan al die begeerten gelijke regten, en laat zich telkens door de voorkomende, als of die het geloot had, besturen, totdat zij vervuld is, en eene andere hare plaats inneemt, daar hij er geene veracht, maar allen gelijkstelt.--Juist.--En dan wil hij de waarheid niet hooren noch in zijne ziel binnenlaten, wanneer iemand zegt, dat sommige begeerten zich op schoone en goede vermaken rigten, en andere op slechte, en dat men de eerste moet aankweeken en in eere houden, maar de andere bedwingen en ten onder brengen; maar dat alles ontkent hij en beweert, dat alle gelijk zijn en dezelfde aanspraak hebben.--Dat is de gewone handelwijs van die menschen.--En zóó brengt hij zijn leven door, dagelijks zijne opkomende begeerten vervullende, nu eens dronken zijnde en naar fluitenspel luisterende, dan eens water drinkende en vastende, dan weer eens de gymnastiek beoefende, en op een anderen tijd volstrekt niets uitvoerende, of zelfs zich wel eens met de wijsbegeerte bezig houdende. Dikwijls bemoeit hij zich ook met staatkunde, en spreekt en handelt dan naar zijne oogenblikkelijke invallen. En als hij eens zin in de krijgsdienst krijgt, maakt hij daar werk van; en op een anderen tijd zoekt hij weer schatten te verzamelen. In zijn leven is orde noch regelmaat, maar hij noemt zulk een leven vrij en gelukkig en blijft er steeds in volharden.--Dat is volkomen het leven van den voorstander van gelijkheid.--En ik geloof, dat die man even bont en afwisselend van zeden en even mooi als die staat is; en velen zouden gaarne zulk een leven navolgen, dat allerlei soort van staatsregelen en levenswijzen in zich bevat.--Dat is zoo.--Dien man kunnen wij dus naast de democratie stellen, en hem zelven met regt democratisch noemen.--Met het volste regt.--
XIV. Nu moeten wij nog de mooiste staatsregeling en den mooisten man, de tirannij en den tiran gaan beschouwen.--Juist.--Komaan dan, mijn vriend, hoe ontstaat de tirannij? want het blijkt reeds, dat zij door eene verandering in de democratie wordt te weeg gebragt.--Dat blijkt.--Wordt nu de tirannij niet ongeveer op dezelfde wijs uit de democratie geboren als deze uit de oligarchie?--Hoe dat?--Het goed, waarnaar men streefde en de oligarchie inrigtte, was immers de rijkdom?--Ja.--En was niet onverzadelijk jagen naar hetzelve, met verwaarloozing van al het overige uit geldbejag, de oorzaak van den ondergang dier staatsregeling?--Zekerlijk.--En doet nu niet insgelijks het goed, dat de democratie najaagt, haar te gronde gaan?--Wat meent gij?--De vrijheid. Want deze wordt toch in een democratischen staat als zijn grootste voorregt geprezen, en men zegt immers, dat juist daarom zulk een staat de eenige geschikte verblijfplaats voor een vrijzinnig mensch is.--Dat wordt meermalen gezegd.--Maakt dan nu niet het onverzadelijk najagen van dit goed, met verwaarloozing van het overige, dat deze staatsregeling omslaat en in tirannij moet veranderen?--Hoe meent gij dat?--Wanneer, geloof ik, een democratische staat, die naar vrijheid dorst, slechte schenkers tot voorstanders krijgt, en door bovenmatig gebruik daarvan dronken wordt, dan bestraft men de overheden, zoo zij niet heel zacht zijn en veel vrijheid geven, als slechte menschen en oligarchen.--Dat is het gewone.--En die aan de overheden gehoorzamen worden als vrijwillige slaven en laaghartigen veracht, maar de overheden, die zich als onderdanen, de onderdanen, die zich als overheden gedragen, worden in ’t bijzonder en in ’t openbaar geprezen en vereerd. Is in zulk een staat de vrijheid niet alles?--Natuurlijk.--En de regeringloosheid dringt dan ook in de huizen en strekt zich ten laatste tot over de beesten uit.--Hoe zoo?--Wel; de vader gewent zich aan zijne zonen gelijk te wezen en die te ontzien; en de zoon stelt zich aan den vader gelijk en eerbiedigt of vreest zijne ouders niet langer, om toch maar vrij te wezen; en de dáár wonende of vertoevende vreemden stellen zich gelijk aan de burgers.--Zoo gaat het.--Er gebeuren dan nog meer kleinigheden van dien aard: de leermeester ontziet en vreest zijne leerlingen, en de leerlingen hebben geen eerbied voor leermeesters of opvoeders. En in ’t geheel stellen de jongeren zich in woorden en daden op ééne lijn met de ouderen, en de ouderen dalen tot de jongeren af, en zijn vrolijk en aardig, om den schijn van knorrigheid en heerschzucht toch vooral te mijden.--Juist.--En de hoogste trap van vrijheid, mijn vriend, is deze, dat gekochte slaven en slavinnen even vrij zijn als hunne meesters. En de gelijkheid en vrijheid, die tusschen mannen en vrouwen plaats vindt, hadden wij nog haast vergeten te noemen. Verder; om nu maar alles wat ons voor den mond komt te zeggen, iemand, die het niet wist, zou niet gelooven hoeveel vrijer de huisdieren hier zijn dan elders. Want hier wordt het spreekwoord bewaarheid: «gelijk de jufvrouw is, zoo is haar hondeke.» Ook de paarden en ezels bewegen zich vrij, en loopen op straat de menschen tegen het lijf, die niet uit den weg gaan, enz.--Dat weet ik bij ondervinding.--En, om nu alles in eens te zeggen, gij merkt, hoe gevoelig dit alles de zielen der burgers maakt, zoodat zij om den minsten dwang boos worden, en dien niet dulden, en ten laatste zelfs geen geschrevene of ongeschrevene wetten meer eerbiedigen, om toch volstrekt niets boven zich te hebben.--Daar weet ik van te getuigen.--
XV. Deze schoone en onbekrompene staatsregeling nu is, naar mij voorkomt, mijn vriend! de bron der tirannij.--Onbekrompen is zij zeker; maar wat verder?--Dezelfde ziekte, die de oligarchie deed te gronde gaan, ontstaat hier door de vrijheid nog veel meer, en verderft ook de democratie. En in waarheid pleegt bij weersgesteldheid, bij planten, bij dieren, en vooral ook bij staatsregelingen overmaat in eenig opzigt eene groote verandering in het tegenovergestelde te weeg te brengen.--Dat schijnt zoo.--Overmaat van vrijheid schijnt dus ook bij enkelen en bij staten in bovenmatige slavernij te veranderen.--Dat zou men zeggen.--Dan moet ook de tiranny uit de democratie ontstaan; uit de hoogstmogelijke vrijheid de hoogstmogelijke en ergste slavernij.--Dat laat zich hooren.--Dit was het echter, geloof ik, niet, wat gij meendet; maar wel, hoedanig eene ziekte zoowel de oligarchie als de democratie in ’t verderf stort.--Juist.--Ik bedoel dat geslacht van ledige, verkwistende menschen, waarvan de moedigsten voorgaan en de lafhartigsten volgen; waarvan wij de eersten bij hommels met angels, de laatsten bij hommels zonder angels vergeleken hebben.--En te regt.--Dezen nu zijn in elke staatsregeling even hinderlijk als slijm en gal in het ligchaam. Een goed geneesheer en wetgever van een staat moet dan ook niet minder dan een goed bijenhouder zorgen, vooreerst, dat zij niet ontstaan, en ten anderen, als zij ontstaan, dat zij zoo spoedig mogelijk met de honigraten, waarin zij nestelen, worden uitgeroeid.--Dat is volstrekt noodig.--
XVI. Laat ons het dan zóó aanpakken, om duidelijker te zien, wat wij willen.--Hoe?--Laat ons in een democratischen staat drie deelen onderscheiden, die er dan ook waarlijk in gevonden worden. Want vooreerst ontstaat in haar door de vrijheid de gezegde soort van menschen, en wel niet minder dan in de oligarchie.--Dat is zoo.--Zij zijn echter hier veel erger dan dáár.--Hoe dat?--Omdat zij dáár veracht en van overheidsposten uitgesloten waren, konden zij zich niet oefenen noch magtig worden; maar in eene democratie hebben zij meestal den boventoon. De vinnigsten hunner voeren dan het woord en moeijen zich met staatszaken, en de anderen gonzen rond de regtbanken en dulden geen tegenspraak, zoodat in zulk een staat de meeste dingen door hen bestuurd worden.--Juist.--Aanhoudend scheidt zich echter nog een tweede partij uit het volk af.--Welke?--Als ieder zijn best doet, om geld te verzamelen, dan worden de geschiktste menschen meestal de rijkste.--Dat spreekt.--Dan zijn zij het ook, van wie de hommels den meesten honig afhalen.--Natuurlijk; want van hem, die weinig heeft, is niet veel te halen.--Die rijken kan men dus het voeder der hommels noemen.--Daar hebben zij veel van.--En de derde partij is het eigenlijke volk, dat van zijnen arbeid leeft, en zich weinig met staatszaken bemoeit, en weinig bezit, hetwelk in eene democratie in de volksvergadering de grootste magt uitoefent.--Dat is zoo, maar het heeft geen lust die magt dikwijls te gaan uitoefenen, zoo het niet ook wat van den honig krijgt.--Het krijgt er dan ook voortdurend zoo veel van, als de toongevers van de rijken kunnen afhalen, hetwelk zij zóó aan het volk uitdeelen, dat zij zelve het meeste houden.--Ja zóó krijgt het ook wat.--Maar dan worden, geloof ik, zij, van wie dat wordt afgehaald, genoodzaakt zich met woorden en daden zooveel zij kunnen te verdedigen.--Natuurlijk.--En daarom worden zij, ook al verlangen zij geen omwenteling, door de anderen beschuldigd, dat zij tegen de democratie zamenspannen en oligarchisch gezind zijn.--Dat spreekt.--En eindelijk, wanneer zij zien, dat het volk, niet uit eigen beweging, maar uit onwetendheid en misleid door de lasteraars, hen poogt te mishandelen, dan worden zij willens of onwillens oligarchen, niet uit eigene beweging, maar omdat zij door die kwade hommels gestoken worden.--Dat kan niet anders.--Daardoor ontstaan dan twisten, aangiften, pleitgedingen, enz.--En is nu het volk niet gewoon steeds éénen tot leider te nemen, en dien tot groot aanzien te verheffen?--Ja.--Hieruit blijkt het dus, dat, als er een tiran opkomt, die uit niets anders ontstaat, dan uit den wortel der volksleiding.--Dat blijkt.--En hoe begint nu die verandering van volksleider in tiran? Is het niet duidelijk, dat dit plaats heeft, wanneer het met dien volksleider gaat, zoo als in de overlevering aangaande den tempel van ~Zeus Lycaeus~ in Arcadie?--Hoe is die overlevering?--Dat hij, die bij het offermaal van het menschenvleesch, dat onder het andere vleesch fijn gehakt is, geproefd heeft, onvermijdelijk een wolf wordt. Of hebt gij dat nooit gehoord?--Ja wel.--Wie dan nu als leider van een naar hem luisterend volk, zich niet van het bloed zijner medeburgers onthoudt, maar door valsche beschuldiging, zoo als die menschen gewoon zijn, geregtelijke moorden laat plaats hebben, en met zijn verfoeijelijke tong en mond menschenbloed proeft, en verbanning, ter doodbrenging, afschaffing van schulden, verdeeling van landerijen te weeg brengt; over hem is het besloten, óf door zijne vijanden verdelgd te worden, óf zich tot tiran te verheffen, en zóó van een mensch in een wolf te veranderen.--Dat kan niet anders.--Hij begint dan met openlijken krijg tegen allen, die geld hebben.--En als hij dan moet wijken, maar tegen den zin zijner vijanden terugkeert, dan keert hij terug als een volkomen tiran.--Dat spreekt.--En als dezen hem dan niet tot dood of ballingschap kunnen laten veroordeelen, trachten zij hem heimelijk te vermoorden.--Zoo gaat het.--En dan is het een gewone maatregel van ieder, die in het streven naar tirannij tot hier gekomen is, dat hij van het volk eenige wachters verzoekt, opdat de voorstander des volks veilig moge wezen.--Juist.--En dan geeft het volk die, voor hém bevreesd zijnde en voor zich zelf geen kwaad duchtende.--Ja.--En als dan de rijken, die den naam van vijanden der democratie hebben, dat zien, vlugten zij, en schamen zich niet lafhartig te zijn.--Zij zouden zich dan ook niet voor de tweede keer kunnen schamen.--En die uit hen gegrepen wordt, is aan den dood gewijd.--Dat kan niet anders.--En dan blijkt het, dat die voorstander des volks niet verslagen is, maar zijne tegenstanders verslagen hebbende, zelf aan het hoofd van den staat is gekomen, en van een voorstander des volks in een tiran is veranderd.--Dat is onvermijdelijk.--
XVII. Laat ons nu het geluk van zulk een man en van den staat, waarin hij ontstaan is, beschouwen.--Met vermaak.--In den eersten tijd is hij vriendelijk en voorkomend jegens allen, die hij ontmoet, en zegt: dat hij geen tiran is; en belooft veel aan enkelen en aan het volk, en scheldt schulden kwijt, en verdeelt akkers onder het volk en onder zijne vrienden, en veinst goedwilligheid en voorkomendheid jegens allen.--Natuurlijk.--Maar wanneer hij de vijanden van binnen deels bevredigd, deels bedwongen, en van dien kant rust bekomen heeft, dan verwekt hij telkens weer oorlog, opdat de burgers eenen aanvoerder noodig hebben.--Dat spreekt.--En ook om hen door opbrengsten te verarmen, en ze daardoor te beletten hun werk te verzuimen en hem lagen te leggen.--Natuurlijk.--En ook om allen, die hij voor vrijzinnig en voor vijanden van zijn oppergezag houdt, onder een goed voorwendsel door de vijanden te laten ombrengen; om dit alles moet een tiran aanhoudend oorlog verwekken.--Dat moet hij.--En daardoor moet bij telkens meer bij de burgers in haat komen.--Ongetwijfeld.--En ook zullen de moedigsten zijner partijgangers, die hem verheven hebben en nu magtig zijn, vrijelijk tegen hem en tegen elkander hunne afkeuring over den gang des bestuurs te kennen geven.--Dat is wel denkelijk.--Die allen moet de tiran, om te blijven regeren, uit den weg ruimen, tot dat hij onder zijne vrienden of vijanden geen uitstekend persoon meer heeft overgelaten.--Dat spreekt.--Dus moet hij scherp toezien, wie moedig, onbekrompen, verstandig of rijk is; en hij is zóó gelukkig van die allen, willens of onwillens, vijandig te moeten behandelen, tot dat hij den staat van hen gezuiverd heeft.--Dat is een fraaije zuivering.--Ja, het is juist het tegenovergestelde van hetgeen de geneesheeren met het ligchaam doen; want dezen nemen het slechtste weg en laten het beste blijven, maar hij handelt omgekeerd.--Hij kan moeijelijk anders doen, zoo hij zijn gezag wil behouden.--
XVIII. Dan is hij in de rampzalige noodzakelijkheid van óf met de minstwaardigen te wonen en door dezen ook nog gehaat te worden, óf zijn leven te verliezen.--Dat is zoo.--En naarmate hij door die handelwijs meer bij de burgers gehaat wordt, heeft hij meer en getrouwer lijfwachters noodig.--Natuurlijk.--En wie zijn nu die getrouwen, en vanwaar zal hij ze bekomen?--Velen zullen van zelfs komen aanvliegen, als hij maar loon geeft.--Het schijnt, dat gij vreemde hommels uit allerlei landen bedoelt.--Juist; zóó meen ik het.--En zal hij die ook niet willen hebben, die in zijn eigen land te vinden zijn.--Wie meent gij?--Slaven, die hij aan de burgers ontneemt en vrij maakt, om ze onder zijne lijfwacht te steken.--Wel zeker, daar kan hij het allermeest op rekenen.--Dat is dan toch diep rampzalig, dat hij zich op zulke vrienden en getrouwen moet verlaten, na het verdelgen der vorigen.--Ja, dat is nu niet anders.--En deze zijne vrienden bewonderen hem dan, en de jonge burgers sluiten zich bij hen aan, maar alle edeldenkenden haten en ontvlieden hem.--Ongetwijfeld.--Heet nu het treurspel niet wijs, en munt ~Euripides~ daar niet in uit?--Wat moet dat?--Wél, omdat wij dáár het diepzinnige gezegde gehoord hebben, dat de tirannen wijs worden door den omgang met wijze mannen. Hij zegt dus: dat zij, die met een tiran omgaan, wijs zijn.--Ja, en hij prijst de tiranny als iets goddelijks, en zegt er nog vrij wat meer van, en de andere dichters doen hetzelfde.--Daar dan nu die treurspeldichters zoo wijs zijn, zullen zij het ons en de staatkundigen van onze kleur niet kwalijk nemen, dat wij hen in onzen staat niet opnemen, omdat zij de tiranny prijzen.--Ik denk van neen, voor zoo ver zij ten minste beschaafd zijn.--Zij zullen dan, denk ik, de andere staten rondreizen, en zangers met schoone, sterke, heldere stemmen huren, en voor het verzamelde volk de tiranny of de democratie als de beste staatsregeling prijzen.--Waarschijnlijk.--En dan worden zij natuurlijk daarvoor betaald en geëerd, vooral door de tirannen, maar toch ook door de democratische staten. Maar naarmate zij komen bij staten, die op een hooger trap staan, blijven die eerbewijzingen meer achter, daar deze niet zoo hoog kunnen klimmen.--Dat is natuurlijk.--
XIX. Doch wij zijn van ons onderwerp afgedwaald; laat ons liever eens zeggen, waarvan die schoone, talrijke, bonte, steeds afwisselende troepen des tirans zullen onderhouden worden.--Hij zal eerst de schatten der tempels en de goederen der veroordeelden aanspreken, en, zoolang die strekken, weinig belastingen van het volk eischen.--En als dat geld op is?--Dan zal hij zich zelven, en zijne gasten, vrienden en vriendinnen uit zijn vaderlijk goed onderhouden.--Ik begrijp u, zeide ik; gij meent, dat het volk, dat den tiran geteeld heeft, hem met de zijnen mag voeden.--Natuurlijk.--Maar, als dan het volk boos wordt, en zegt: dat een volwassen zoon niet door zijn vader moet onderhouden worden, maar omgekeerd; en dat het hem niet geteeld en verheven heeft, om zelf, als hij groot was geworden, zijn eigen slaven te dienen, en hem met zijne dienaars en een hoop vreemden te voeden, maar om door zijn bestuur van het juk der rijken en der edelen verlost te worden; en als het hem beveelt met zijne vrienden den staat te ruimen, zoo als een vader zijnen zoon met diens luidruchtige gasten uit het huis zet?--Dan zal het volk merken, welk een schepsel het teelde, koesterde en groot bragt; en dat het zijne meerderen poogt uit te drijven.--Wat zegt gij daar? Zal de tiran zijnen vader durven verdrukken, en, als hij niet gehoorzaamt, afrossen?--Ja zeker, na hem eerst ontwapend te hebben.--Dan is een tiran, volgens uwe woorden, een slecht kind jegens zijnen ouden vader, ja zoo goed als een vadermoorder; en is dit dan wel volmaakte tiranny; en dan is, volgens het spreekwoord, het volk, om den rook van de gehoorzaamheid aan vrijen te ontgaan, in het vuur der dienstbaarheid aan slaven gevallen; en dan heeft het, in plaats van die groote, bovenmatige vrijheid, zich de drukkendste en bitterste slavernij op den hals gehaald.--Juist; dat is er gebeurd.--Hebben wij nu niet voldoende besproken, hoe de democratie in tiranny overgaat, en hoe de natuurlijke gesteldheid is van die laatste?--Geheel voldoende.--
Voetnoten
[144] Boek. IV. Hoofdst. XVIII. en Boek V. Hoofdst. I.
[145] Boek III. Hoofdst. XXI.
NEGENDE BOEK.