De republiek van Plato

Part 24

Chapter 243,653 wordsPublic domain

IV. Zóó zal dus de verandering plaats hebben. En hoe zal vervolgens de inwendige toestand zijn? zal zij niet in sommige punten de vorige staatsregeling, in andere de oligarchie nabootsen, daar zij tusschen die twee in ligt; en zal zij niet ook eenige dingen hebben, die haar alleen eigen zijn?--Natuurlijk.--Zij zal dan denkelijk in het bewijzen van eer aan de overheden, en de verachting der krijgslieden voor landbouw, handwerken en andere geldwinningen, en het houden van gemeenschappelijke maaltijden, en het beoefenen der gymnastiek en der krijgskunst, de vorige staatsregeling navolgen.--Ja.--En de vrees voor het opdragen van het bestuur aan kundige menschen, daar die niet meer eenvoudig en streng maar bedorven zijn; en het bij voorkeur aanstellen van moedige en eenvoudige lieden; en het verkiezen van oorlog boven vrede, en het waarderen van krijgslisten en schrandere vonden; en het aanhoudend krijgvoeren; dit alles is haar bijzonder eigen.--Juist.--En zulke menschen zullen even begeerig naar schatten zijn als de oligarchen, en heimelijk goud en zilver zamenschrapen, daar zij schatkamers en eigene bergplaatsen hebben, waar zij het kunnen wegstoppen, en beslotene huizen, als ’t ware eigene nesten, waarbinnen zij zooveel als zij willen aan vrouwen, enz., besteden kunnen.--Dat is volkomen waar.--Zij zullen zeker ook gierig op hun geld zijn, daar zij het niet openlijk kunnen laten zien, en er op uit zijn om op de klap te loopen, en in ’t geheim vermaak na te jagen, en de wet, als jongens hun vader, zoeken te foppen, dewijl zij niet door overreding maar door dwang zijn opgevoed, en de ware Muze, de beschermster van de bespiegeling en de wijsbegeerte verwaarloosd, en de gymnastiek boven de muzenkunst gewaardeerd hebben.--Die staatsregeling heeft waarlijk veel goed en kwaad door elkander.--Dat is er in dooreengemengd, maar ten gevolge van het overwigt der geestkracht komt de twistgierigheid en de eerzucht in haar het meest voor den dag.--Ongetwijfeld.--Deze staatsregeling zal dus zóó ontstaan, en zóódanig wezen, om het nu maar bij deze schets te laten, en haar niet naauwkeurig uit te werken; dewijl het genoeg is den regtvaardigsten en den onregtvaardigsten in de hoofdtrekken te zien, en het een oneindig werk zijn zou alle staatsregelingen en alle karakters te beschrijven, zonder iets over te slaan.--Dat vind ik ook.--

V. Wie is nu de man, die met deze staatsregeling overeenstemt, en hoe wordt hij gevormd?--Ik geloof, zeide ~Adimantus~, dat hij in twistgierigheid veel van ~Glauco~ zal hebben.--Misschien wel, zeide ik, maar hierin geloof ik niet, dat hij op hem gelijken zal.--Waarin?--Hij moet verwaander en onbeschaafder, en wel van de muzenkunst niet geheel afkeerig, maar toch een groot vijand van welsprekendheid wezen. Ook zou zulk een mensch voor slaven hard zijn, en zich niet zoo als de goed opgeleide daar boven verheven vinden, maar jegens vrijen zachtzinnig, en zeer gehoorzaam aan de overheden, en zeer begeerig naar overheidsambten en eereposten, die hij niet door welsprekendheid of kennis, maar door dappere daden en bedrevenheid in ligchaamsoefeningen verwerven wil, daar hij veel met gymnastiek en jagt op heeft.--Dat zijn ten minste de eigenaardigheden van zulk eene staatsregeling.--Zoodanig iemand zou ook in zijne jeugd het geld minachten; maar, naarmate hij ouder werd, er meer van gaan houden, daar zijn inborst ook met die van den geldwinner overeenkomst heeft, en hij niet onverdeeld aan de deugd gewijd is, omdat zijne ziel niet door de beste wachters bewaakt wordt.--Wie zijn dat? zeide ~Adimantus~.--Dat zijn de wijsbegeerte en de muzenkunst, die alleen de ziel, waarin zij wonen, levenslang in de dienst der deugd kunnen bewaren.--Dat zegt gij goed.--Zóó is dus een jongeling, die op den timocratischen staat gelijkt.--Juist.--En zóó omtrent wordt hij gevormd. Stel u den zoon voor van een deugdzaam man, die in een slecht ingerigten staat woont, en zich buiten eereposten, overheidsambten, regtsgedingen, enz., houdt, en liever de minste wil zijn, dan zich in onaangenaamheden te steken. Laat nu dien knaap vooreerst merken, dat zijne moeder knorrig is, omdat haar man niet in de regering zit, en zij daardoor bij andere vrouwen moet achterstaan; en omdat hij weinig werk van het geld maakt, en zich met geen particuliere twisten of staatspartijen wil inlaten; en omdat hij steeds met zich zelven bezig is en haar wel niet minacht maar toch ook niet te hoog stelt: en laat hem haar hooren zeggen, dat zijn vader zich niet als een man gedraagt, maar als een lafaard, die, enz. enz.--Ja, zeide ~Adimantus~, dat zijn zoo de gewone klagten der vrouwen.--En gij weet wel, dat ook de slaven van zulke menschen somtijds heimelijk tot hunne kinderen op dezelfde wijs spreken, en wanneer zij zien, dat de vader een schuldenaar of beleediger niet in regten vervolgt, met een schijn van goedwilligheid den zoon aansporen, om, als hij een man is geworden, zich meer te laten gelden, en zich mannelijker dan zijn vader te gedragen. En als hij uitgaat, ziet en hoort hij desgelijks, dat zij, die zich slechts met hun eigen zaken bemoeijen, algemeen flaauw genoemd en weinig geacht worden, maar dat zij, die zich weten te laten gelden, tot aanzien komen. Als nu een jong mensch dat alles hoort en ziet, en van den anderen kant zijn vader hoort spreken en zijne handelwijs meer van nabij beschouwt, dan wordt hij van twee kanten getrokken, daar zijn vader zijne rede zoekt te kweeken en te ontwikkelen, en de anderen zijne begeerlijkheid en driftigheid; en daar hij uit een goed man geboren, maar door kwaad gezelschap bewerkt is, zeilt hij midden tusschen die twee door, en geeft de heerschappij over zijne ziel aan het middelste vermogen, aan de geestkracht, en wordt een hoogmoedig en eerzuchtig man.--Gij hebt de vorming van zulk een karakter volmaakt beschreven.--Wij hebben dus hier de tweede staatsregeling en den tweeden man.--Ja.--

VI. Wij willen dan nu verder de mannen en de staatsregelingen beschouwen, en wel, volgens ons plan, telkens de staatsregelingen eerst.--Dat is goed.--De staatsregeling, die nu aan de beurt ligt, is, geloof ik, de oligarchie.--Maar welke staatsinrigting noemt gij eigenlijk oligarchie?--Die op eene schatting gebouwd is, waarin de rijken regeren, en de armen geen deel aan de regering hebben.--Nu begrijp ik het.--Wij moeten dus eerst zeggen, hoe de timarchie in oligarchie overgaat.--Ja.--Dit is waarlijk ook voor een blinden te zien.--Hoe zoo?--Die bijzondere schatkamers vol goud doen die staatsregeling te gronde gaan. Want vooreerst krijgen de burgers daardoor lust om verteringen te maken, en ontduiken de wet, haar met hunne vrouwen overtredende.--Dat is te denken.--Verder maakt, denk ik, de een den ander aan den gang, tot zij allen met denzelfden geest bezield worden.--Natuurlijk.--En wanneer zij nu hoe langer hoe meer werk van het geldwinnen maken, gaan zij de deugd hoe langer hoe minder achten. Of zijn rijkdom en deugd niet zóó tegenstrijdig, dat, als de een rijst, de andere dalen moet?--Ongetwijfeld.--Als dus de rijkdom in den staat wordt geëerd, dan zijn de deugd en hare beoefenaars minder in tel dan de rijken.--Dat spreekt.--En eer kweekt beoefening, oneer verwaarloozing.--Ja.--Dus zijn dan onze burgers in plaats van twistgierig en eerzuchtig, geldgierig en schraapzuchtig geworden; en den rijken prijzen zij en stellen hem aan, maar den armen tellen zij niet.--Juist.--En dan bepalen zij bij de wet, hoe veel geld iemand hebben moet, om deel aan het bestuur te krijgen, en naarmate de staatsregeling meer of minder oligarchisch is, stellen zij de daartoe vereischte schatting hooger of lager. En als zij dien maatregel van voorzorg niet bij tijds genomen hebben, zetten zij hem met geweld door.--Zoo gaat het gewoonlijk.--Op deze wijs komt dus die staatsregeling tot stand.--Ja; maar hoe is het inwendig met haar gesteld, en welke gebreken zijn in haar op te merken?--Vooreerst, de maatstaf, die door haar gevolgd wordt. Want zie eens: als men bij het kiezen van stuurlieden op het geld zag, en den armen, hoe knap hij ook was, niet gebruiken wilde.--Dan zou er een treurige scheepvaart plaats hebben.--En is het niet evenzoo met elk ander bestuur?--Ik zou zeggen: ja.--Behalve dat van den staat? of is het daar evenzoo meê?--Neen, maar daarmeê vooral, dewijl dat het moeijelijkste en belangrijkste is.--Dat is dus het eerste gebrek van de oligarchie.--Dat blijkt.--En is dit nu zooveel minder?--Wat.--Dat zulk een staat niet één is, maar dat daarin noodzakelijk twee staten zijn, één der armen en één der rijken, die te zamen wonen en elkander belagen.--Dat is waarlijk niet minder.--En is dit mooi; dat zij bezwaarlijk oorlog kunnen voeren, omdat zij vreezen aan het volk wapens in handen te geven; en, als zij dat niet doen, te weinig manschappen voor den oorlog hebben, te meer, daar zij te gierig zijn, om veel oorlogskosten te betalen.--Dat is alles behalve mooi.--En dat in die staatsregeling zoo geheel verschillende dingen als oorlog, landbouw en geldwinnen door dezelfde menschen worden uitgeoefend, vindt gij dat goed?--In ’t geheel niet.--

VII. En let nu eens op, of hier niet voor het eerst een allerleelijkst gebrek voor den dag komt.--Wat?--Dat het mogelijk is al zijne bezittingen kwijt te raken, en dan in den staat te wonen, zonder er een deel van te zijn, geen geldwinner, handwerksman, ruiter of voetknecht, maar eenvoudig een arme genoemd wordende.--Dat gebrek vertoont zich hier het eerst.--De oligarchische staatsregeling doet er dan ook niets tegen, daar de oligarchen onmogelijk zeer rijk konden zijn, zoo de anderen niet zeer arm waren.--Juist.--Maar let nu eens hierop. Toen die verarmde nog rijk was en zijn geld verteerde, was hij toen nuttiger voor den staat, of behoorde hij toen slechts in schijn tot de bestuurders, terwijl hij in waarheid geen overheid of dienaar van den staat, maar slechts een doorbrenger zijner bezittingen was?--Hij was het eerste schijnbaar, het laatste werkelijk.--Willen wij dus zeggen, dat, gelijk in een honigraat een hommel tot nadeel van den zwerm geboren wordt, hij in een huis tot nadeel van den staat wordt gevormd?--Ja, die vergelijking is goed, ~Socrates~!--Nu heeft de natuur die gevleugelde hommels zonder angels gemaakt, doch die hommels op twee beenen hebben soms geen angels, maar soms angels van sta vast. En die zonder angels blijven tot hun dood toe bedelaars, maar die met angels worden kwaaddoeners van allerlei soort.--Dat is volkomen waar.--Wanneer gij dus ergens bedelaars ziet, kunt gij veilig besluiten, dat daar ook dieven, zakkenrollers, tempelroovers en andere kwaaddoeners verborgen zijn.--Natuurlijk.--En ziet gij nu geen bedelaars in de oligarchische staten?--Ja bij heele troepen.--Dus vermoeden wij ook, dat dáár vele kwaaddoeners met angels zijn, die door de overheden met geweld worden ondergehouden.--Natuurlijk.--En moeten wij niet zeggen, dat die personen door slecht onderwijs, slechte opvoeding en verkeerde inrigting van den staat zóó gemaakt worden?--Ja zeker.--Zóó ziet de oligarchische staat er uit, en deze gebreken heeft zij, en misschien nog meer.--Juist.--Dus hebben wij de oligarchie, die naar eene schatting de overheden aanstelt, ook afgehandeld.

VIII. Willen wij nu den op haar gelijkenden man beschouwen, en zien, hoe hij is, en hoe hij gevormd wordt?--Gaarne.--Gaat het nu met de verandering van een timocratische in een oligarchische denkwijze niet meest aldus toe?--Hoe?--Wanneer de zoon van een timocraat in het eerst zijn vader nastreeft en in zijne voetstappen wandelt, maar vervolgens ziet, hoe deze plotseling als op een klip stoot en te gronde gaat, door, nadat hij veldheer geweest is, of eene andere hooge betrekking bekleed heeft, belasterd en in een regtsgeding gewikkeld zijnde, tot dood, verbanning of eerloosheid en verbeurdverklaring van goederen veroordeeld te worden.--Zoo iets gebeurt al heel ligt.--Wanneer hij dit ziet, en er het slagtoffer van is, en zijn erfdeel missen moet, dan wordt hij natuurlijk bevreesd, en werpt eerzucht en geestkracht van haren troon in zijne ziel naar beneden, en door armoede vernederd, wendt hij zich tot het geldwinnen, en zoekt door volharding en spaarzaamheid schatten te verzamelen. Gelooft gij dus niet, dat zoo iemand dan op dien troon de begeerlijkheid en geldzucht verheft en door haar zijne heele ziel laat beheerschen?--Ja zeker.--En dan zet hij verstand en eerzucht naast dien troon op den grond, en maakt ze dienstbaar aan de geldzucht, en laat het verstand over niets anders dan over het vermeerderen van zijn geld redeneren, en de eerzucht niets anders vereeren en bewonderen dan rijkdom en rijken, en in niets anders eer stellen dan in het verwerven van geld en hetgeen daartoe dienen kan.--Door zulk eene lotwisseling wordt een eergierige het allerligtst in een geldzuchtigen veranderd.--En is dat nu een oligarch?--Zijn karakter is althans ontstaan uit het karakter, dat met den staat, waaruit de oligarchie voortkwam, overeenstemde.--Laat ons dan eens nagaan, of hij overeenkomst met de oligarchie heeft.--Dat willen wij doen.--

IX. Komt hij er vooreerst niet in het boven alles waarderen van het geld meê overeen?--Zekerlijk.--En ook daarin, dat hij zuinig en werkzaam zijnde alleen de begeerten naar noodzakelijke dingen bevredigt, en andere uitgaven nalaat, en de begeerte naar dezelve als dwaasheid onderdrukt.--Juist.--Hij is dus een gierig geldwinner, die van alles voordeel weet te trekken, hoedanige menschen meestal geprezen worden. Heeft hij nu niet veel overeenkomst met de laatstgenoemde staatsregeling?--Ik vind van ja: geld is althans én voor dien staat, én voor dien man een voorwerp van groote vereering.--En zulk een mensch heeft een weinig ontwikkeld verstand.--Dat vind ik ook, anders had hij den blinden ~Plutus~ niet tot leidsman gekozen.--Juist; maar let nu nog eens hierop. Moeten wij niet zeggen, dat er bij hem door gebrek aan beschaving hommelachtige begeerten ontstaan, die deels als bedelaars onderworpen zijn, deels als kwaaddoeners met geweld door de overige neigingen bedwongen worden?--Wel zeker.--Weet gij nu werwaarts gij zien moet, om hare kwaadaardigheid op te merken?--Nog niet.--Naar het bestieren der zaken van weezen, of zoo zij eenige andere gelegenheid hebben om straffeloos onregt te doen.--Dat is waar.--Is het nu niet duidelijk, dat hij in de andere overeenkomsten, waarin schijn van regtvaardigheid hem aanzien verschaft, zijne kwade begeerlijkheid met geweld bedwingt; niet omdat hij op redelijke gronden overtuigd is, dat het beter is die te bedwingen, maar omdat hij dit doen moet, uit vrees voor zijne bezittingen.--Voorzeker.--Gij zult echter vinden, mijn vriend! dat, zoodra zij het geld van anderen in handen krijgen, de meesten hunner van de begeerten des hommels vol zijn.--Ja, maar al te vol.--Zoo iemand is dus niet met zich zelven in vrede, maar vol tweespalt, hoewel meestal de betere begeerten de minder goede onderdrukken.--Dat is waar.--Daarom maakt zoo iemand een vrij goed figuur, hoezeer de waarachtige deugd van eene goed gevormde en zich gelijk blijvende ziel in hem niet gevonden wordt.--Ja.--En de gierige is ook een zwak mededinger, als er door onkosten te maken roem kan behaald worden, daar hij voor zijn naam geen geld wil uitgeven, en vreest de verspilzucht bij zich op te wekken; maar hij laat op echt oligarchische wijs, om rijk te blijven, zijne meeste neigingen door eenige weinigen beheerschen.--Dat is volkomen juist.--Kunnen wij nu nog twijfelen, of de gierigaard en geldwinner met de oligarchische staatsregeling overeenstemt?--Volstrekt niet.--

X. Dan moeten wij vervolgens het ontstaan en den aard der democratie beschouwen, om ook den democratischen man te leeren kennen, en hem te kunnen beoordeelen.--Zoo zullen wij althans ons zelven gelijk blijven.--En wordt nu die overgang van oligarchie in democratie niet door onverzadelijkheid in het trachten naar rijkdom te weeg gebragt?--Hoe meent gij?--Daar de overheden in dien staat door hunnen rijkdom overheden zijn, willen zij de verkwisting der jongelieden niet door wetten beteugelen, dewijl zij daar voordeel meê doen kunnen, door de bezittingen dier verkwisters te koopen, en hun geld op woeker te leenen, en zoo steeds rijker en aanzienlijker te worden.--Juist.--Blijkt het derhalve niet, dat een staat onmogelijk den rijkdom kan vereeren en tevens goede zeden onder de burgers aankweeken, maar dat hij noodzakelijk het een of het ander moet verwaarloozen?--Dat is vrij duidelijk.--Zoo worden door de oligarchie dikwijls menschen van aanleg verwaarloosd en door het niet tegenhouden der verkwisting geheel verarmd.--Dat is waar.--Deze nu zitten, denk ik, in den staat als hommels met angels, en daar zij door schulden gedrukt, of eerloos verklaard zijn, of misschien wel beiden te gelijk, haten en belagen zij degenen, die hun goed aan zich gebragt hebben, en tevens de andere rijken, en haken naar eene omwenteling.--Zoo gaat het.--De geldwinners echter zien hen over het hoofd, en steeds op voordeel bedacht zijnde, zoeken zij door telkens aan anderen geld uit te leenen hun kapitaal te vermeerderen, en maken door woeker het getal der armen en der hommels hoe langer hoe grooter.--Dat is natuurlijk.--En zij willen het uitbreken van dit kwaad niet tegengaan door de verkwisting met wetten te beteugelen, of eene andere bepaling daartoe te maken.--Welke?--Eene die met de eerste zamenhangt en de burgers dwingt de deugd te beoefenen, namelijk, dat het niet betalen van woeker geen regtsvordering aan den woekeraar geeft; want als zij die vrijwillige overeenkomsten op hun eigen gevaar moesten aangaan, zouden bijgevolg minder van de gezegde nadeelen voor den staat ontstaan.--Dat scheelt veel.--Nu echter handelen de overheden op de gezegde wijs met de onderdanen, en zij maken zich zelve en de hunnen, vooral hunne jongelieden, weekelijk en ongeschikt voor inspanning van ligchaam of geest, en niet bestand tegen vermaak en smart, en lui.--Dat kan niet anders.--En zij verwaarloozen alles behalve het geldwinnen, en maken niet meer werk van de deugd dan de armen.--Geen zier meer.--En wanneer nu, terwijl zóó de zaken staan, overheden en onderdanen elkander op reis, of bij optogten, of op zee, of in den oorlog ontmoeten en elkander in gevaren waarnemen, dan kunnen de rijken niet langer de armen minachten, maar dan zal dikwijls een arm en gehard man een verwijfden, dikken rijkaard zien hijgen en zwoegen, en onwillekeurig denken, dat zulke menschen alleen door de lafheid van hem en de zijnen rijk zijn, en dit zal hij natuurlijk niet voor zich zelven houden, wanneer hij met zijne makkers alleen is, maar zeggen: wat hebben wij hier voor ellendige kerels!--Daar ben ik zeker van.--En gelijk een voos ligchaam door een klein stootje van buiten, ja dikwijls zonder dat, in ziekte stort, zoo zal ook een staat, die in zulk een toestand is, als één der twee partijen uit een anderen oligarchischen of democratischen staat hulp krijgt, ja dikwijls zonder dat, aan binnelandsche twisten en oproer ten prooi worden.--Ongetwijfeld.--En dan ontstaat er, geloof ik, eene democratie, als de armen overwinnen, sommigen der tegenpartij dooden, anderen verbannen, en de overigen gelijk met de andere burgers in de overheidsambten doen deelen, die dan gewoonlijk door het lot bezet worden.--Ja, zoo ontstaat de democratie, hetzij zij door de wapenen tot stand komt, hetzij de oligarchen uit vrees vrijwillig toegeven.--

XI. Hoe zullen die menschen nu leven, en hoe zal die staat worden ingerigt? want nu moet de democratie voor den dag komen.--Ja.--Zijn zij niet vooreerst vrij en is de staat niet vol vrijheid en ongedwongenheid, zoodat ieder daarin doen kan, wat hij wil?--Dat zou men zeggen.--En ten gevolge daarvan rigt ieder natuurlijk zijn leven zóó in, als hij goed vindt.--Dat spreekt.--Dus kunnen vooral in dien staat allerlei soort van menschen ontstaan.--Natuurlijk.--Dan schijnt zij van alle staatsregelingen de schoonste te wezen; want gelijk een bont kleed, dat met allerlei kleuren versierd is, moet zij dan met allerlei karakters versierd er heel mooi uitzien.--Natuurlijk.--Dan zouden misschien wel velen als vrouwen en kinderen, die het bonte mooi vinden, deze staatsregeling tot de allerschoonste verklaren.--Ongetwijfeld.--Het is echter zoo gemakkelijk niet, mijn beste, in haar eene bepaalde staatsregeling te vinden.--Hoe dat?--Ten gevolge van de vrijheid heeft zulk een staat allerlei staatsregelingen, en hij, die, zoo als wij, een staat wil inrigten, moest eigenlijk naar een democratischen staat gaan, om dáár de inrigting, die hem beviel, uit te kiezen, en die na te volgen.--Hij zou waarlijk geen gebrek aan voorbeelden hebben.--En dat het in zulk een staat volstrekt niet noodig is overheid te wezen, ook al zijt gij er geschikt voor; of te gehoorzamen, als gij niet wilt; of krijg te voeren, als de staat krijg voert; of den vrede te bewaren, als de anderen dien bewaren, zoo dit u niet bevalt; of, al sluit de wet u van overheidsambten en regterlijke betrekkingen uit, u daarvan te onthouden, zoo gij er naar verlangt: is dat zoo op het oogenblik geen goddelijke en zalige wijs van leven?--Zoo op het oogenblik misschien wel.--En is onder die staatsregeling de zachtheid jegens veroordeelden niet heel lief? Of hebt gij het nooit in zulk eenen staat gezien, dat tot dood of ballingschap veroordeelden toch maar bleven en zich openlijk vertoonden, en, als konden zij zich onzigtbaar maken, rondgingen zonder dat iemand het scheen te merken of er zich aan stoorde?--Dikwijls genoeg.--En dan die inschikkelijkheid en onbekrompenheid, waarmede zij zich heenzet over ons vooroordeel, dat behalve menschen van buitengewonen aanleg, niemand goed kan worden, die niet van de spelen zijner jeugd af aan zich steeds op al wat goed is heeft toegelegd; daar zij zich in eens boven dat alles verheft, en er niet naar vraagt, welke studie hij gemaakt heeft, die zich met staatszaken wil inlaten, maar ieder vereert, die zich tot een volksvriend verklaart.--Dat is zeker heel onbekrompen.--Dit zijn zoo omtrent de eigenschappen der democratie, en zij schijnt dus eene aangename, vrije en bonte staatsregeling te wezen, die aan gelijken en ongelijken eene volkomene gelijkheid toedeelt.--Wat gij zegt, is volkomen door de ondervinding bevestigd.--