Part 23
XV. Nu is ons nog over te bepalen, aan wie wij die studie zullen voorschrijven en op welke wijs.--Weet gij nu nog, wie wij vroeger voor overheidsposten hebben uitgekozen[140]?--Wel zeker.--Houd het er dan voor, dat wij nu in de meeste punten dezelfde soort van menschen moeten uitkiezen; want wij moeten aan de standvastigsten en moedigsten en zooveel mogelijk aan de schoonsten de voorkeur geven; en daarenboven moeten wij niet slechts edele en strenge karakters zoeken, maar zij moeten ook dien aanleg hebben, die voor deze opleiding geschikt is.--Te weten:--Zij moeten ijver voor de studie hebben en niet moeijelijk leeren, want de zielen verliezen veel ligter den moed bij zware studie dan bij zware ligchaamsoefeningen, daar de eerste haar meer van nabij treft, en niet mede door het ligchaam gedragen wordt.--Dat is waar.--Wij moeten ook menschen zoeken van een goed geheugen, en geestkracht, en lust voor arbeid in het algemeen. Of gelooft gij wel, dat bijna iemand, én tot ligchamelijken arbeid, én bovendien tot zoo groot eene studie en geestinspanning zal genegen zijn?--Zeker niemand, die niet van bijzonder goeden aanleg is.--De dwaling, die de wijsbegeerte in verachting deed komen, is dan ook daaruit ontstaan zoo als wij vroeger zeiden[141], dat onwaardigen haar aanvatten; want geen bastaarden maar wettiggeborenen hebben daar het regt toe.--Hoe meent gij?--Vooreerst moet hij, die haar zal aanvatten, niet mank gaan in arbeidzaamheid, en half arbeidzaam, half traag zijn. Dit nu heeft plaats, wanneer iemand wel houdt van ligchaamsoefeningen en jagt en andere ligchamelijke inspanning, doch niet leergierig is, noch gaarne hoort en onderzoekt, maar zich hiervoor niet wil inspannen. Ook is hij mank, die zijne arbeidzaamheid naar den anderen kant gewend heeft.--Dat is volkomen waar.--En moeten wij niet evenzoo met betrekking tot de waarheid eene ziel voor gebrekkig houden, die wel van opzettelijke leugens afkeerig is, en ze ook in anderen niet duldt, maar niet-opzettelijke gemakkelijk verdraagt, en niet verdrietig wordt, zoo zij blijkt onwetend te wezen, maar zich als een zwijn met onwetendheid bemorst.--Ongetwijfeld.--En ook ten aanzien van ingetogenheid, moed, onbekrompenheid en alle andere deelen der deugd moeten wij niet minder onderscheid maken tusschen den bastaard en den echten. Want wanneer enkele menschen of staten dat alles niet weten na te gaan, dan geven zij, zonder het te merken, aan manken en bastaarden, als aan vrienden of overheden, vaak de belangrijkste dingen in handen.--Dat gebeurt dikwijls genoeg.--Op dat alles nu moeten wij passen; want als wij gezonden naar ligchaam en ziel tot zulke studie en oefening brengen, dan zal de regtvaardigheid zelve niets op ons te zeggen hebben; en wij zullen den staat en de burgers behouden: maar brengen wij gebrekkigen derwaarts, dan doen wij juist het tegendeel en wij maken de wijsbegeerte nog meer bespottelijk.--Dat zou heel leelijk zijn.--Of het. Maar ik heb mij daar gek aangesteld.--Hoe zoo?--Wel, ik dacht er niet aan, dat hetgeen wij doen maar spel is, en sprak met te veel ernst. Onder het spreken toch dacht ik, hoe de wijsbegeerte mishandeld wordt, en maakte mij boos op de schuldigen, en daardoor heb ik, misschien wat al te ernstig gesproken.--Voor mij als hoorder volstrekt niet.--Ja maar wel voor mij als spreker. Doch laat ons nu dit niet vergeten, dat wij bij onze vorige keus oude lieden[142] kozen, en dat dit nu niet gaan kan. Want ik geef aan ~Solon~ niet toe, dat iemand ook in zijnen ouderdom veel kan leeren; daar studie hem dan nog zwaarder dan loopen valt, en alle groote inspanning voor jonge menschen past.--Dat spreekt.--
XVI. Het rekenen nu en de meetkunst en alle verdere tot de wijsbegeerte voorbereidende vakken moeten wij hun in hunne jeugd meêdeelen, en bij dat onderwijs allen dwang vermijden.--Waarom?--Omdat een vrij mensch geene wetenschap met dwang moet leeren; want gedwongen ligchaams-arbeid maakt het ligchaam niet slechter, maar in de ziel blijft niets hangen, dat met dwang geleerd wordt.--Dat is waar.--Derhalve, mijn vriend! moeten de kinderen die vakken niet met dwang maar al spelende leeren, opdat tevens des te beter ieders aard zigtbaar worde.--Dat laat zich hooren.--Herinnert gij u nu nog, dat wij zeiden, de kinderen op paarden als toeschouwers naar den oorlog te zullen brengen, en ze, als er geen gevaar was, dien van nabij te zullen laten zien, om hen als jonge honden bloed te laten proeven[143]?--Wel zeker.--Wie zich nu bij al deze inspanning, studie, en verschrikking bijzonder goed houdt, moet van de anderen worden afgezonderd.--Op welken leeftijd?--Wanneer zij van de gedwongene ligchaamsoefeningen ontslagen worden. Want zoo lang zij daarmede bezig zijn, kunnen zij niets anders doen; want vermoeijenis en slaap is hinderlijk bij het leeren, en het is ook van niet weinig belang na te gaan, hoe ieder zich van de ligchaamsoefeningen kwijt.--Natuurlijk.--Vervolgens, na den ouderdom van twintig jaren, moeten die uitverkorenen boven de anderen geëerd worden, en de vakken, die de kinderen meer door elkander leerden, moeten voor hen zoowel onderling als met de wezenheid van het zijnde in verband gebragt worden.--Alleen zulke studie is dan ook van blijvend nut voor wie ze vatten kan.--En het is ook eene belangrijke proef, om een wijsgeerig karakter aan te kennen; want die dit onderlinge verband kunnen vatten, zijn wijsgeerig van aanleg, de anderen niet.--Dat vind ik ook.--Dus moet gij, dit in het oog houdende, nagaan, wie onder hen het meest zoodanig zijn, en in de studie, den oorlog en wat verder wordt voorgeschreven bestendigheid aan den dag leggen; en deze moeten, wanneer zij dertig jaren achter den rug hebben, weder uit de uitverkorenen worden afgezonderd, en aan de proef onderworpen, of zij zonder hulp van oogen en andere zintuigen door zuivere redenering het waarachtig zijnde kunnen vatten. En hierbij moet gij bijzonder voorzigtig zijn, mijn vriend!--Hoe zoo?--Merkt gij niet, hoe groot een kwaad tegenwoordig een gevolg van het redekavelen is?--Wat bedoelt gij?--De menschen worden er losbandig door.--Dat is maar al te waar.--En vindt gij dat nu zoo vreemd en onverschoonlijk?--Hoe meent gij dat?--Bij voorbeeld: wanneer een ondergeschoven kind in veel rijkdom, een aanzienlijk geslacht en veel vleiers was opgevoed, en volwassen geworden ontdekte, dat hij niet van die ouders was, die er zich voor uitgaven, en ook zijne ware ouders niet vinden kon; hoe denkt gij dan wel, dat hij jegens die vleiers en jegens zijne voorgewende ouders zou gezind wezen, én terwijl hij van dit onderschuiven nog onkundig was, én terwijl hij het wist? Wilt gij eens hooren, wat ik er van denk?--Gaarne.--Ik denk, dat, zoo lang als hij de waarheid niet wist, hij zijn zoogenaamde ouders en andere betrekkingen boven de vleiers zou vereeren, en ze minder zou in den steek laten, als zij hem noodig hadden, en hen in woorden en daden meer zou ontzien, en in belangrijke dingen meer naar hunnen raad dan naar dien der vleiers zou luisteren.--Dat is waarschijnlijk.--Maar als hij nu de waarheid te weten kwam, dan denk ik, dat hij zou ophouden hen te vereeren en te ontzien, en zich meer naar die vleiers zou heenneigen, en hun meer dan vroeger gehoor geven en naar hunnen raad handelen en onbeschroomd met hen omgaan, maar zich, zoo hij niet heel edel dacht, om zijn voorgewende ouders en andere betrekkingen volstrekt niet meer zou bekommeren.--Het zou juist gaan, zoo als gij zegt. Maar wat heeft die gelijkenis met het redekavelen te maken?--Dat zal ik u zeggen. Van kinds af hadden wij meeningen over regt en deugd, waaraan wij steeds als aan onze ouders gehoor gaven en eere bewezen.--Dat is zoo.--En zijn er nu geen andere, daarmeê strijdende, vermaak belovende handelingen, die onze ziel vleijen en tot zich lokken, maar op goede menschen geen invloed hebben, daar zij hunne voorvaderlijke meeningen vereeren en er zich naar rigten?--Wel zeker.--Wanneer nu aan een braaf mensch, op dit standpunt, gevraagd wordt, wat schoon is, en zijne daaromtrent gevestigde meening door de redekaveling weêrlegd wordt, en hij door herhaalde weêrlegging tot de overtuiging komt, dat dit geen zier meer schoon is dan leelijk, en wanneer ditzelfde ten aanzien van het regtvaardige en goede en wat hij verder vereerde plaats heeft; hoe zal het dan met die vereering en gehoorzaamheid gesteld worden?--Die zullen dan natuurlijk verminderen.--Wanneer hij dan nu die dingen niet meer als vroeger eerbiedigt, en het ware niet vinden kan, is het dan wel waarschijnlijk, dat hij in zijne levenswijs voortaan iets anders dan het vermaak zal beoogen?--Wel neen.--En dan zal het schijnen, dat hij van ingetogen losbandig is geworden.--Dat spreekt.--
XVII. Is nu hetgeen menschen, die zóó leeren redekavelen, gebeurt, niet natuurlijk, en verdient het geen verschooning?--Ja zeker, en ook medelijden.--En moeten wij nu niet, om onze wachters van dertig jaren voor dat medelijden te bewaren, met de grootste voorzigtigheid die redekaveling aanvatten?--Ongetwijfeld.--En hoort onder die maatregelen van voorzigtigheid niet vooral deze, dat zij dezelve niet in hunne jeugd leeren? want gij weet, geloof ik, wel, dat knapen, wanneer zij pas iets van het redekavelen geleerd hebben, het als een spelletje misbruiken en altijd tegenspreken, en hunne leermeesters nabootsende, anderen weêrleggen, en als jonge honden er vermaak in scheppen, om hen, met wie zij in aanraking komen, te trekken en te plukken.--Dat is volkomen waar.--En wanneer zij nu dikwijls weêrlegd worden, en dikwijls anderen weêrleggen, dan vervallen zij er heel ligt toe, om niets van hunne vroegere meeningen voor waar te houden, en komen daardoor met de geheele wijsbegeerte bij anderen in een slechten naam.--Dat is volkomen waar.--Iemand van meer jaren echter zal zich niet gaarne met zulke dwaasheid inlaten, maar hem, die redekavelt om de waarheid te vinden, meer nabootsen dan hem, die voor de grap met het redekavelen speelt en tegenspreekt; en daardoor zal hij zelf beter worden en het vak niet in oneer maar in eer brengen.--Juist.--En behoort tot die voorzorg ook niet het reeds gezegde, dat die redekaveling aan personen van een ordelijk en bestendig karakter, en niet, zoo als tegenwoordig, aan een iegelijk, hoe weinig hij er voor deuge, moet geleerd worden?--Ongetwijfeld.--Vindt gij het nu goed, dat zij zich als tegenstuk voor de verpligte ligchaamsoefeningen tweemaal zoo lang uitsluitend met deze zielsoefeningen bezig houden?--Meent gij zes of vier jaren?--Och, stel het maar op vijf jaar. Want daarna moeten zij weder in die spelonk neêrdalen, en verschillende posten bij het leger en de vloot waarnemen, om ook in ondervinding niet beneden anderen te staan. En ook daarin moeten zij beproefd worden, of zij in alle omstandigheden standvastig blijven, of niet.--En hoeveel tijd verlangt gij daarvoor?--Vijftien jaar. En als zij dan vijftig jaar oud zijn, moeten zij, die getrouw zijn gebleven, en in allen arbeid en alle studie hebben uitgemunt, eindelijk tot het hoogste gebragt worden, en wij moeten hen nopen, om het oog hunner ziel te verheffen tot de bron van alle licht, en het goede zelve gezien hebbende, zich dat als voorbeeld te stellen, om er den staat en de enkele burgers en zich zelven naar te vormen, en meest met de wijsbegeerte bezig zijnde, zich echter ieder op zijne beurt de moeite der staatszaken te getroosten, en den staat voor deszelfs welzijn te besturen; niet omdat dit aangenaam, maar omdat het noodig is; en evenzoo weer anderen hiertoe op te leiden, ten einde even goede wachters van den staat achter te laten, wanneer zij zelve naar de gelukkige eilanden verhuizen. En wij moeten op staatskosten voor hen gedenkteekenen en offers instellen, zoo de ~Pythia~ het goedkeurt, als voor goden; zoo niet, als voor zalige en heilige menschen.--~Socrates!~ gij hebt die bestuurders zoo mooi afgebeeld, alsof gij een beeldhouwer waart.--En de bestuurderessen ook, ~Glauco~! want gij moet in het oog houden, dat ik niet méér van mannen gesproken heb dan van vrouwen, voor zoo ver ook deze hiertoe geschikt zijn.--Dat is goed, daar zij, zoo als besproken is, alles met de mannen moeten gemeen hebben.--En stemt gij ook toe, dat hetgeen wij van den staat en de slaatsregeling gezegd hebben geen hersenschim is, maar, al is het wat moeijelijk, toch in dat ééne geval uitvoerbaar is, wanneer waarachtige wijsgeeren een staat in handen krijgen, en wat tegenwoordig roem heet verachtende, het goede en in ’t bijzonder het regtvaardige boven alles stellen, zich daaraan dienstbaar maken, en hunnen staat er op inrigten, om dit te laten bloeijen?--Hoe meent gij dit laatste?--Wanneer zij alle inwoners, die ouder zijn dan tien jaren, uit de stad naar het land zenden, en de kinderen, om ze buiten den invloed van de zeden der ouders te houden, onder hun opzigt nemen, en volgens de levenswijs en de wetten, die wij besproken hebben, opvoeden. Zoo toch zal onze staatsregeling het snelst en gemakkelijkst tot stand komen en bloeien, en het volk, dat haar aanneemt, gelukkig maken.--Zekerlijk; en ik geloof, ~Socrates~! dat gij goed hebt aangewezen, hoe zij, zoo dit in ’t geheel gebeurt, zal tot stand komen.--Nu hebben wij, geloof ik, genoeg gezegd, én over deze staatsregeling, én over den man, die aan haar gelijk is, want hoe die man wezen moet, is nu klaarblijkelijk.--Dat vind ik ook; en wij kunnen dit dus als afgehandeld beschouwen.
Voetnoten
[124] Zie _Theaetetus_, Hoofdst. XXIII--XXV.
[125] Deze beschouwing van het onderwijs wordt uitvoeriger in den _Theaetetus_ behandeld. Zie aldaar Hoofdst. VI. en VII. Zie ook _Phaedo_, Cap. XVIII.
[126] Boek V. Hoofdst. XIV.
[127] Boek II. Hoofdst. XVII.
[128] Boek III. Hoofdst. XII.
[129] Boek II. Hoofdst. XVII. en Boek III. Hoofdst. IX.
[130] Boek III. Hoofdst. VIII.
[131] ~Plato~ schijnt hier te bedoelen, dat alle betrekkingsbegrippen uit de zinnen alleen slechts gebrekkig gekend worden en eene tegenstrijdigheid bevatten. Wanneer b. v. drie dingen van verschillende grootte gezien worden, dan vertoont zich het middelste kleiner dan het grootste en grooter dan het kleinste, en dus groot en klein te gelijk. Hierdoor wordt het nadenken opgewekt, want onwillekeurig komt daardoor de vraag in ons op: wat is groot? en wat is klein? enz.
[132] B. v. één leger bevat vele soldaten, ééne lijn is tot in het oneindige deelbaar, enz.
[133] De cijfers of de steentjes, waarvan men zich oudstijds bij het rekenen bediende, zijn niets dan hulpmiddelen voor de verbeelding en het geheugen, maar eigenlijk komt alles alleen op de getallen zelve neder.
[134] Hiermede is het bestaan van breuken niet in strijd. Eene bepaalde eenheid moge deelbaar zijn, _de eenheid_, als afgetrokken begrip beschouwd, sluit de deelen uit. Of zulk eene eenheid werkelijk bestaat, is hier de vraag niet. In de denkbare wereld bestaat zij wel degelijk.
[135] De studie der rekenkunst was voor de Grieken veel zwaarder dan voor ons, daar zij een veel gebrekkiger stelsel van cijfers hadden, en b. v. twintig niet door twee en nul, honderd niet door één en twee nullen, maar ieder door een eigen teeken uitdrukten.
[136] Zie mijne inleiding op den _Phaedo_, blz. 6.
[137] De leer der in één vlak getrokken lijnen wordt hier _meetkunst_ genoemd; de eigenlijke leer der vlakken schijnt aan Plato onbekend geweest te zijn; de stereometrie beschouwt hij als een afzonderlijk vak. De oorzaak van dit laatste is daarin te zoeken, dat de meetkunst oorspronkelijk, zoo als ook de naam aanduidt, landmneetkunst was, en dus alleen met in één vlak getrokken lijnen te doen had.
[138] Zie mijne inleiding op den _Phaedo_, blz. 8, 9. ~Albrecht~, _Handboek der Philosophie_, blz. 133-137.
[139] Boek VII. Hoofdst. II.
[140] Boek II. Hoofdst. XV. XVI. Boek III. Hoofdst. XIX. XX.
[141] Boek VI. Hoofdst. IX.
[142] Boek III. Hoofdst. XX. en VI. Hoofdst. XI.
[143] Boek V. Hoofdst. XIV.
ACHTSTE BOEK.
I. Dit kunnen wij dus vaststellen, ~Glauco~! dat in een volmaakten staat gemeenschap van vrouwen, kinderen, opvoeding, en bezigheden in oorlog en vrede moet plaats vinden, en dat zijne koningen uit hen moeten gekozen worden, die in wijsbegeerte en krijgskunst uitmunten.--Dit staat vast.--En wij zijn het ook daarover eens, dat, wanneer de overheden zijn aangesteld, zij de krijgslieden naar zulke woningen, als wij beschreven hebben, zullen brengen, waarin niemand iets voor zich alleen zal hebben, maar alles aan allen gemeen is. En verder hebben wij, zoo gij het u herinnert, besproken, waarin hunne bezittingen bestaan zullen.--Ik herinner mij, dat, volgens ons gevoelen, geen hunner iets van die dingen moet bezitten, waarop men tegenwoordig zoo veel prijs stelt; maar dat zij als oorlogslieden en wachters tot loon voor hunne moeite door de anderen moeten onderhouden worden, en slechts voor hun eigen oefening en voor den staat te zorgen hebben.--Juist. Maar, dewijl dit nu is afgehandeld, moeten wij ons herinneren, hoe wij hier gekomen zijn, om denzelfden weg nog eens terug te gaan.--Dat is niet moeijelijk, want gij zeidet omtrent even als nu, dat gij een staat zoo als den behandelden en een daarop gelijkenden man voor goed hieldt, hoezeer gij, zoo als gebleken is, nog een schooner staat en man hadt achtergehouden. Maar verder zeidet gij, dat, als deze goed is, de andere staatsregelingen slecht zijn. En van die andere hebt gij, als ik mij niet vergis, vier soorten onderscheiden, die wel verdienden dat wij er over nadachten, en hare gebreken benevens de op haar gelijkende mannen beschouwden; opdat, als wij ze allen gezien hadden, en den besten zoowel als den slechtsten man hadden uitgevonden, wij zouden kunnen nagaan, of de beste nu de gelukkigste en de slechtste de ongelukkigste is, of niet. En, toen ik vroeg, welke die vier staatsregelingen waren, vielen ~Polemarchus~ en ~Adimantus~ in de rede; waarop gij het woord weer hebt opgenomen en hier zijt aangeland[144].--Dat hebt gij u zeer goed herinnerd.--Pak het dan nu nog eens van denzelfden kant aan, en doe mij nu eens een genoegen door hetzelfde te zeggen, dat gij toen voornemens waart.--Als ik het maar kan.--Och ik verlang maar te weten, welke vier soorten van staatsregeling gij bedoelt.--Dat verlangen kunt gij gemakkelijk verkrijgen, want ik bedoel de algemeen bekende; vooreerst de vermaarde Cretensische en Lacedaemonische staatsregeling; ten tweede de weinig minder geprezene oligarchie, eene soort die evenwel vol is van groote gebreken; verder de daarop volgende, te weten de democratie; en eindelijk de echte tiranny, die de vierde en laatste ziekelijke toestand van een staat is. Of weet gij nog eene andere in het oog loopende soort? De vorstendommen toch en verschillende soorten van koningrijken vallen tusschen deze in, en men kan ze in menigte zoo bij barbaren als bij Grieken vinden.--Ja er zijn er genoeg, en die er wonderlijk uitzien.--
II. Ziet gij nu niet in, dat er even zoovele soorten van menschen als van staatsregelingen zijn moeten? Of meent gij, dat die staatsregelingen ergens anders uit ontstaan dan uit de zeden der burgers, die, wanneer zij veranderen, het overige meêslepen?--Nergens anders uit.--En als er nu vijf hoofdsoorten van staten zijn, dan zijn er dus ook vijf van enkele menschen.--Natuurlijk.--En wij hebben hem, die op de aristocratie (regering der besten) gelijkt, reeds behandeld, en mogen hem goed en regtvaardig noemen.--Ja.--Dus moeten wij nu de niet goeden behandelen, te weten: den twistgierigen en eerzuchtigen, die met de Lacedaemonische staatsregeling overeenkomt, den oligarchischen, den democratischen en den tirannieken; ten einde, als wij den onregtvaardigsten gevonden hebben, hem tegenover den regtvaardigsten te stellen, en dan juist te kunnen beoordeelen, in welke verhouding de volkomene regtvaardigheid en onregtvaardigheid tot geluk en ongeluk staan; om óf op raad van ~Thrasymachus~ de onregtvaardigheid, óf volgens het reeds besprokene de regtvaardigheid na te jagen.--Zoo moeten wij doen.--Willen wij dan nu, gelijk wij begonnen zijn met eerst de staatsregeling, omdat die meer in het oog valt, en dan den enkelen mensch te beschouwen, zoo ook nu eerst de eerzuchtige staatsregeling, (want een anderen naam weet ik er niet voor, tenzij wij ze timocratie of timarchie noemen) en dan den op haar gelijkenden man beschouwen; vervolgens de oligarchie en den oligarchischen man; daarna de democratie en den democratischen man; om eindelijk de tiranny bezien hebbende, de tirannieke ziel in het oog te vatten, en dan over het voorgestelde ons oordeel te kunnen uitspreken.--Dat vind ik goed, want dan wordt die beschouwing en beoordeeling geregeld afgehandeld.--
III. Komaan dan, laat ons pogen te zeggen, hoe eene timocratie uit eene aristocratie kan geboren worden. Vindt gij het niet natuurlijk, dat elke verandering van staatsregeling door hen wordt veroorzaakt, die de magt in handen hebben, wanneer zij niet eensgezind zijn; daar zoo lang zij eensgezind blijven, ook al zijn zij weinig in getal, hun gezag niet kan omgeworpen worden?--Ja; zeker.--Hoe zal dan nu zulk eene verandering bij ons plaats hebben, en hoe zal er oneenigheid tusschen onze wachters en overheden ontstaan? Willen wij, als ~Homerus~, de Muzen bidden, ons te zeggen, hoe er het eerst twist ontstaan is, en haar dan een deftig antwoord in den mond leggen?--Hoe meent gij?--Ongeveer aldus: Een zóó ingerigte staat zal wel niet ligt geschokt worden; maar dewijl al wat ontstaan is weer vergaan moet, zal ook zulk eene inrigting niet altijd blijven, maar ontbonden worden. Die ontbinding zal zóó plaats hebben. Niet alleen de planten, maar ook de dieren zijn op sommige tijden beter tot voortplanting geschikt dan op andere. Den juisten tijd nu voor de voortplanting van uw geslacht zullen uwe overheden, hoe wijs zij ook zijn, niet altijd kunnen treffen; maar zij zullen zich somtijds daarin vergissen en op een ongunstig oogenblik kinderen laten telen, die bijgevolg niet edelaardig noch gelukkig zijn zullen. Vervolgens zullen zij wel de besten uit die kinderen tot hunne opvolgers aanstellen, maar, dewijl deze toch minder goed zijn, zullen zij, de magt hunner ouders in handen gekregen hebbende, beginnen met als wachters ons, Muzen te minachten en eerst de muzenkunst, vervolgens de gymnastiek minder dan betaamt te waarderen. Ten gevolge daarvan zullen de jongelingen minder beschaafd worden. Deze zullen, later overheden geworden zijnde, niet in staat zijn het gouden, zilveren, koperen en ijzeren geslacht[145] goed uit elkander te houden. Wanneer nu zilver met ijzer en goud met koper vermengd wordt, ontstaat daaruit ongelijkheid en gebrek aan overeenstemming, waarvan twist en vijandschap het onvermijdelijk gevolg is. Dit moet als de oorzaak van alle oneenigheid beschouwd worden.--Ik moet zeggen, dat de Muzen goed geantwoord hebben.--Dat was van Muzen ook wel niet anders te denken.--En wat zeggen zij nu verder?--Als die twist ontstaat, trekken dat ijzer en koper naar het doen van winst en het verkrijgen van huizen en landerijen en goud en zilver; maar het goud en zilver daaraan geen behoefte hebbende, omdat zij van nature rijk zijn, trekken de zielen naar de deugd en naar den ouden toestand. Wanneer zij nu hierover getwist en gestreden hebben, maken zij eindelijk de overeenkomst, dat zij het land en de huizen verdeelen, en ieder een bijzonder eigendom nemen, en dat zij de overige burgers, die vroeger als vrije menschen, vrienden en voeders door hen bewaakt werden, onder het juk brengen, en ze tot schatpligtige landbouwers vernederen, terwijl zij den oorlog en de wacht voor hunne rekening nemen.--Ik vind het zeer waarschijnlijk, dat die verandering zóó plaats heeft.--En is deze staatsregeling nu niet in het midden tusschen de aristocratie en de oligarchie?--Ja.--