De republiek van Plato

Part 29

Chapter 293,762 wordsPublic domain

VII. Wij hebben evenwel het ergste nog niet gezegd. Want dat die dichtkunst zelfs hen, die zich betamelijk gedragen, op weinigen na, bederft, dat is het allerergste.--Als zij dat doet, natuurlijk.--En dat doet zij. Hoor maar eens. Wij allen toch, zelfs de besten niet uitgesloten, ~Homerus~ of een anderen treurspeldichter eenen held hoorende nabootsen, die zich in rampspoed met vele woorden beklaagt, en jammert, en zich op de borst slaat, scheppen daar vermaak in en geven er ons aan over en volgen hem met deelneming, en beijveren ons hem, die ons het meest in die stemming brengt, als den besten dichter te prijzen.--Dat is waar.--En wanneer wij daarentegen zelve in ongeluk komen, dan stellen wij onzen roem integendeel daarin, dat wij ons bedaard houden en ons zelven beheerschen, daar dit mannelijk, en het andere, dat wij te voren prezen, verwijfd is.--Dat is óók waar.--Maar is het dan in den haak, op het zien van zulk een gedrag, waarover wij ons zelven zouden schamen, geen afkeuring te gevoelen, maar ons te vermaken en het mooi te vinden?--Dat is eigenlijk ongerijmd.--Toch niet; zoo gij het aldus beschouwt.--Hoe?--Als gij bedenkt, dat dat deel onzer ziel, hetwelk bij onze persoonlijke rampen wordt onderdrukt en belet zich met geween en gejammer naar zijnen lust te verzadigen, dan door die dichters verzadigd wordt, en daarin behagen schept, terwijl ons beste deel, als het door redenering en oefening niet genoeg ontwikkeld is, de wacht verwaarloost, dewijl het lot van andere menschen beschouwd wordt, en er toch niets schandelijks in steekt, een ander, die den naam van regtschapen heeft, al jammert hij ten onpas, te prijzen en te beklagen, en wij geen lust hebben van het vermaak, dat wij daardoor genieten, afstand te doen en het heele gedicht te verwerpen. Weinigen toch zijn in staat te begrijpen, dat wij die beoordeeling van vreemde lotgevallen van zelfs op de onze overbrengen, want dat, als wij daarbij onze weekhartigheid gevoed hebben, deze in onze eigene rampen moeijelijk is onder te houden.--Dat is volkomen waar.--En geldt het nu niet ook van het belagchelijke, dat potsen, die men zich schamen zou zelf te maken, in de nabootsing van het blijspel gaarne gehoord en niet afgekeurd worden, daar wij hier evenzoo handelen als bij het treurige? Want de lust tot potsenmaken, die wij door de rede bedwongen, om ons niet weg te gooijen, laten wij dan los, en merken niet, dat wij, als zij dáár versterkt is, haar dikwijls meê naar huis dragen en ons belagchelijk aanstellen.--Juist.--En ten opzigte van wellust en toorn, en andere begeerten en aangename of onaangename gewaarwordingen, waarmeê wij telkens te doen hebben, heeft de dichterlijke nabootsing dezelfde uitwerking. Want zij begiet hetgeen zij moest laten verdorren, en maakt dat in ons heerschende, wat wij moeten beheerschen, zoo wij beter en gelukkiger in plaats van slechter en rampzaliger zullen worden.--Dat kan ik piet tegenspreken.--Wanneer gij dus, ~Glauco~! lofredenaars van ~Homerus~ ontmoet, die zeggen, dat deze dichter Griekenland beschaafd heeft, en dat men, om de menschelijke zaken te leeren behartigen, hem moet bestuderen en naar zijne voorschriften zijn geheele leven moet inrigten, dan zult gij hen wel liefhebben en erkennen, dat zij hun best doen om braaf te wezen, en toestemmen, dat ~Homerus~ een groot dichter en de vader van het treurspel geweest is; maar gij zult niet uit bet oog verliezen, dat _wij_ geen andere dichtkunst dan gezangen ter eere der goden en lofdichten op edele daden in den staat moeten opnemen; en dat, als wij die slechts op vermaak doelende muze in toonkunst of verzen toelaten, vermaak en smart in plaats van wetten en redelijke overtuiging onzen staat regeren zullen.--Dat is volkomen waar.--

VIII. Dit zij de verdediging onzer vroegere uitspraak over de dichtkunst, en strekke ten bewijs, dat wij haar met regt uit den staat verbannen hebben, daar wij niet anders konden. Laat ons, om niet van hardheid en onbeschaafdheid beschuldigd te worden, haar nu nog herinneren, dat er een oud verschil tusschen de wijsbegeerte en de dichtkunst bestaat, gelijk te zien is uit gezegden als deze: _het hondje, dat tegen zijn meester blaft_, of: _die sterk is in dwaselijk zwetsen_, of: _waar ’t volk regeert, dat God beweert te kennen_, of: _die ernstig over kleine zaken twisten, en door gebrek enz._, en uit ontelbare andere blijken van oude vijandschap. Met dat al moeten wij zeggen, dat, als de slechts op vermaak doelende dichtkunst en nabootsing haar regt om in een goeden staat te wonen bewijzen kunnen, wij bereid zijn ze toe te laten; daar wij, al mag de waarheid er niet voor achterstaan, gaarne bekennen willen door haar gestreeld te worden. Of wordt gij niet door haar gestreeld, mijn beste, vooral wanneer gij haar in de werken van ~Homerus~ beschouwt?--Wel zeker.--Dus is het billijk, dat zij, om weêrom te mogen komen, zich in verzen verdedige.--Juist.--Wij zullen ook hare voorstanders, die geen dichters maar liefhebbers der dichtkunst zijn, de vergunning geven haar in proza te verdedigen, en te bepleiten, dat zij niet slechts aangenaam, maar ook nuttig voor de staten en de burgers is; en wij zullen bereidwillig toeluisteren, daar wij er bij winnen zullen, als zij niet slechts aangenaam maar ook nuttig blijkt te wezen.--Natuurlijk.--Maar zoo niet, dan, mijn vriend! moeten wij als iemand, die eene verkeerde liefde met geweld onderdrukt, hoezeer door onze opvoeding eene groote liefde voor die dichtkunst in ons ontstaan is, haar ja wel vriendelijk en met achting bejegenen, maar zoo lang zij zich niet voldoende geregtvaardigd heeft, aan onze redenering vasthouden, en oppassen niet weder tot eene verkeerde liefde voor haar te vervallen. Wij zullen dan bedenken, dat wij zulk eene dichtkunst niet als waarachtig en prijselijk vereeren moeten, maar dat de toehoorders, uit vrees voor omkeering van de staatsregeling in hun binnenste, voor haar op hunne hoede moeten zijn, en het besprokene over de dichtkunst niet uit het oog moeten verliezen.--Daar ben ik het volmaakt mede eens.--Het is dan ook van meer belang dan het schijnt, ~Glauco~! of men goed of slecht is: zoodat eer, noch rijkdom, noch magt, noch dichtkunst waardig is, dat om haar de regtvaardigheid en de overige deugd verwaarloosd worde.--Naar aanleiding van het gesprokene stem ik dat geheel toe; en dat zal, denk ik, een iegelijk doen.--

IX. En nu hebben wij nog de grootste aan de deugd verknochte en voorgestelde belooningen niet eens doorloopen.--Die moeten al heel groot zijn, als zij de gezegde nog overtreffen.--Maar wat is eigenlijk groot in een kleinen tijd? En klein is toch het geheele tijdsverloop van de kinderjaren tot de grijsheid in vergelijking met den geheelen tijd.--Zoo goed als niets.--En moet een onsterfelijk wezen dan van zulk een kort tijdsverloop, en niet van den geheelen tijd werk maken?--Eigenlijk niet, maar wat bedoelt gij daarmede?--Begrijpt gij dan niet, dat onze ziel onsterfelijk is, en nimmer vergaat?--Toen zag ~Glauco~ mij met verwondering aan, en zeide: Wel neen ik! kunt gij dat bewijzen?--Ik hoop van ja, zeide ik, en gij kunt het ook, want het is volstrekt niet moeijelijk.--Voor mij wel, en ik zou dus gaarne dat niet moeijelijke bewijs eens van u hooren.--Met vermaak.--Zeg op dan.--

Gij maakt immers onderscheid tusschen goed en kwaad?--Wel zeker.--Denkt gij daarover dan even als ik?--Hoe?--Dat al wat vernietigt en bederft kwaad is, en al wat behoudt en bevoordeelt goed.--Ja.--En heeft nu niet ieder ding zijn eigen kwaad en goed; b. v. de oogen de blindheid, en het ligchaam in ’t algemeen de ziekte, het graan den brand, het hout de verrotting, het koper en ijzer den roest, met één woord ieder ding zijn eigen kwaad?--Ja.--En wanneer dat kwaad eenig ding treft, maakt het dat slechter en eindigt met het te vernietigen.--Natuurlijk.--Dus doet ieders eigen kwaad en eigene slechtheid ieder ding vergaan, of, als dat het niet verdelgt, kan iets anders dit nog veel minder doen. Het goede toch of het onverschillige is geen oorzaak van verderf.--Onmogelijk.--Maar als wij dus iets vinden, dat wel een eigen kwaad heeft, waardoor het slecht wordt, maar dat daardoor toch niet wordt ontbonden en vernietigd; kunnen wij dan niet besluiten, dat dit ding niet vergaan kan?--Natuurlijk.--En is er nu ook een eigen kwaad voor de ziel, dat haar slecht maakt?--Wel zeker; alles wat wij daareven besproken hebben, de onregtvaardigheid, losbandigheid, lafhartigheid en dwaasheid.--Kan nu een van deze haar ontbinden en vernietigen? Pas op, dat wij nu niet gefopt worden, meenende, dat een onregtvaardig en dwaas mensch, wanneer hij op onregt betrapt wordt, door die onregtvaardigheid, als slechtheid der ziel, vergaat. Doe liever aldus: gelijk het kwaad des ligchaams, de ziekte, het ligchaam verteert en verderft, tot dat het ophoudt een ligchaam te zijn, zoo komt al het genoemde door zijn eigen kwaad, dat er zich aan hecht en het verteert; tot vernietiging; niet waar?--Ja.--Komaan dan! beschouw ook de ziel op dezelfde wijs.--Als de onregtvaardigheid en overige ondeugd zich aan haar hecht en in haar nestelt, verteert en verderft deze haar dan, tot dat zij haar van het ligchaam gescheiden en gedood heeft?--Wel neen, dat volstrekt niet.--Het is echter ondenkbaar, dat de slechtheid van iets anders een ding zal doen vergaan, dat door zijne eigene slechtheid niet vergaat.--Dat is ondenkbaar.--Bedenk dan ook eens, ~Glauco~! dat wij de vernietiging des ligchaams niet aan de slechtheid van het voedsel, waarin die ook bestaan moge, toeschrijven, maar oordeelen, dat, als de slechtheid van het voedsel in het ligchaam de slechtheid des ligchaams te weeg brengt, hetzelve ten gevolge van dat voedsel door zijn eigen slechtheid, de ziekte, vernietigd wordt; terwijl wij nooit zullen meenen, dat door de slechtheid van het voedsel, hetwelk toch heel iets anders dan het ligchaam is, het daarvan verschillende ligchaam vernietigd wordt; tenzij het eigenaardige kwaad des ligchaams ten gevolge van hetzelve wordt opgewekt.--Juist.--

X. Op dezelfde wijs nu moeten wij, zoo niet door de slechtheid des ligchaams in de ziel de haar eigene slechtheid wordt veroorzaakt, nimmer meenen, dat de ziel door een vreemd kwaad zonder hare eigene slechtheid vernietigd wordt, dewijl zij dan door het kwaad van iets anders vergaan zou.--Dat laat zich hooren.--Dus moet óf deze redenering weerlegd worden, óf, zoolang zij niet weerlegd is, moeten wij ontkennen, dat door koorts of eenige andere ziekte of verwonding, ook al sneed men het geheele ligchaam in kleine stukjes, de ziel vergaat, tenzij men bewijzen kan, dat zij door die rampen des ligchaams zelve onregtvaardiger en goddeloozer wordt; maar wij moeten niet toegeven, dat, als een vreemd kwaad in een ander ding ontstaat, iets, wat dan ook, dat van zijn eigen kwaad verschoond blijft, daardoor kan vernietigd worden.--Maar, denkelijk zal wel nooit iemand bewijzen, dat de zielen der stervenden door den dood onregtvaardiger worden.--En als iemand onze redenering van nabij durft aantasten, en, om de onsterfelijkheid der zielen niet te moeten erkennen, durft zeggen, dat de stervende slechter en onregtvaardiger wordt; dan zullen wij oordeelen, dat, als hij, die dat zegt, gelijk heeft, de onregtvaardigheid eene doodelijke ziekte is, en door haar eigen kracht hen, die haar krijgen, doet sterven, en wel meer of minder snel, naar mate zij meer of minder hevig is; en dat niet, gelijk men nu zegt, de onregtvaardigen door de straffende hand van anderen gedood worden.--Bij ~Zeus~! de onregtvaardigheid was zoo erg niet, als zij doodelijk was voor hem, die haar kreeg, want dan was zij eene verlossing van rampen; maar ik geloof, dat zij integendeel, als zij kan, de anderen doodt, maar hem, die haar heeft, zoo veel mogelijk in ’t leven en tevens uit den slaap houdt; zoo ver is het er van daan, dat zij doodelijk zou wezen.--Dat zegt gij goed. Want als de eigene slechtheid en het eigen kwaad der ziel haar niet kan dooden en vernietigen; dan zal een kwaad, dat de strekking heeft om iets anders te verdelgen, haar nog veel minder doen vergaan.--Nog veel minder.--En daar zij dus door geen kwaad, noch vreemd, noch eigen wordt vernietigd, is zij natuurlijk eeuwig en bijgevolg onsterfelijk.--Dat spreekt.--

XI. Dit kunnen wij dus als uitgemaakt beschouwen. Maar, als dit zoo is, dan begrijpt gij ook, dat het aantal zielen steeds hetzelfde blijft. Want als er geene vergaat, kan dit niet verminderen; en ook niet vermeerderen, want, zoo het getal der onsterfelijke dingen vermeerderde, moesten er sterfelijke dingen onsterfelijk worden, en dan zou eindelijk alles onsterfelijk zijn[167].--Dat is waar.--Dit moeten wij echter niet meenen, want het houdt geen steek; noch ook, dat de ziel inwendig vele verschillende eigenschappen en deelen bevat.--Hoe zegt gij?--Het is niet denkelijk, dat iets onsterfelijks, zoo als wij gezien hebben dat de ziel is, uit vele deelen bestaat en niet op de allerbeste en eenvoudigste wijs is zamengesteld[168].--Dat is niet te denken.--Dat dus de ziel onsterfelijk is, moet uit onze tegenwoordige en andere redeneringen worden toegestemd; maar om te weten, hoe zij wezenlijk is, moet men haar niet beschouwen, zoo als zij zich nu door de gemeenschap met het ligchaam en andere rampen beschadigd voordoet, maar zij moet door de redenering in hare zuiverheid beschouwd worden; en dan zal men haar nog veel schooner vinden en nog vrij wat duidelijker de regtvaardigheid en onregtvaardigheid en wat wij verder besproken hebben, doorzien. Hetgeen wij er nu van gezegd hebben, is, naar het zich op het oogenblik voordoet, wel waar; doch wij hebben de ziel in zulk eenen toestand gezien als waarin sommigen zeggen den zeegod ~Glaucus~ gezien te hebben, wiens oude gedaante moeijelijk kan herkend worden, daar zijn ligchaam door de golven gebeukt en beschadigd is, en er schelpen, zeegras, enz., aan zijn vastgegroeid, zoodat zijn uiterlijk meer op een beest dan op zijne vroegere gedaante gelijkt. In zulk een toestand beschouwen wij ook de ziel ten gevolge van ontelbare rampen. Gij moet echter derwaarts zien, ~Glauco~!--Werwaarts?--Naar hetgeen de wijsbegeerte van haar leert; en gij moet bedenken, in welken omgang zij is; en welke omgang eene behoefte is voor haar, die verwant is aan het goddelijke, onsterfelijke, eeuwige; en hoe zij worden zou, als zij zich daaraan geheel kon overgeven en door die aandrift uit de zee, waarin zij ligt, werd opgeheven en bevrijd van al die onreinigheden, waarmede zij nu ten gevolge van die zoogenaamd gelukkige smulpartijen van rondsom begroeid is. En dan zou men haar kunnen zien, zoo als zij er wezenlijk uitziet, en kunnen beoordeelen of zij enkel- of meervoudig is, en hoe het eigenlijk met haar staat[169]. Nu hebben wij, geloof ik, hare lotgevallen, en de verschillende gedaanten, die zij in het menschelijk leven aanneemt, voldoende behandeld.--Ongetwijfeld.--

XII. Wij hebben dus het overige in onze redenering op zij gezet, en niet gesproken van het loon of den roem der regtvaardigheid, zoo als gij zeidet, dat ~Hesiodus~ en ~Homerus~ doen; en wij hebben gevonden, dat de regtvaardigheid zelve voor de ziel zelve het allerbeste is, en dat deze regt handelen moet, ook al had zij den ring van ~Gyges~, en den helm van ~Hades~ nog bovendien.--Juist.--Maar ~Glauco~! zouden wij nu niet zonder ergernis daarenboven aan de regtvaardigheid en de overige deugd het loon kunnen toewijzen, dat om harentwil aan de ziel door goden en menschen bij het leven en na den dood wordt gegeven?--Wel zeker.--Geeft mij dan maar terug wat ik u geleend heb.--Wat meent gij?--Hetgeen ik u heb toegegeven, dat de regtvaardige onregtvaardig mogt schijnen en de onregtvaardige regtvaardig[170]. Want gij meendet, dat, al kan zoo iets goden en menschen niet verborgen blijven, wij het toch om de redenering eens moesten veronderstellen; ten einde de regtvaardigheid zelve met de onregtvaardigheid te kunnen vergelijken. Herinnert gij het u niet?--Wel zeker.--Daar nu die vergelijking heeft plaats gehad, vraag ik het geleende terug, en vorder in naam der regtvaardigheid, dat gij het oordeel van goden en menschen over haar in rekening brengt; opdat de belooningen erkend worden, die zij door de openlijke meening aan hare vrienden geeft; nu het toch gebleken is, dat zij hen door hare innerlijke waarde gelukkig maakt en hare vereerders niet teleurstelt.--Dat is eene billijke vordering.--Dus zult gij vooreerst dit wel toegeven: dat de goden zeer goed weten, of iemand regtvaardig is of niet.--Gaarne.--En als zij het weten, dan is de eerste bij de goden bemind en de tweede gehaat; zoo als wij in den beginne toestemden.--Ja.--En die bij de goden bemind is, ontvangt van de goden niets dan goed, tenzij hem eenig onvermijdelijk gevolg van vroegere zonden aankleeft.--Dat spreekt.--Dus moeten wij omtrent den regtvaardigen besluiten, dat als hij door armoede of ziekte of een ander schijnbaar kwaad getroffen wordt, dit hem bij zijn leven, of na zijnen dood, tot heil zal gedijen. Want nooit wordt hij door de goden verwaarloosd, die zijn best wil doen om regtvaardig te wezen en door het beoefenen der deugd zich, zoo veel een mensch dat kan, aan de godheid gelijk te maken[171].--Zoo iemand wordt natuurlijk door hen, op wie hij gelijkt, niet verwaarloosd.--En moeten wij nu niet omtrent den onregtvaardigen het tegendeel verwachten?--Voorzeker.--Dit is dus de belooning, die de regtvaardige van de goden ontvangt.--Ik vind van ja.--En hoe staat hij tegenover de menschen? Is het hier niet in waarheid zóó meê gesteld, dat slimme onregtvaardigen met hardloopers kunnen vergeleken worden, die de eerste helft van de baan met glans afleggen, maar de tweede niet, en in het eerst met snelheid voortvliegen, maar naderhand bespot worden en met hangende ooren onbekranst wegloopen; terwijl de ware hardloopers aan het einde den prijs ontvangen en bekranst worden? Gebeurt het niet meestal evenzoo met de regtvaardigen, dat zij aan het einde van iedere handeling, en van iedere gemeenschappelijke onderneming, en aan het einde van hun leven roem behalen en den prijs van de menschen ontvangen?--Ongetwijfeld.--Dus zult gij mij nu wel vergunnen van hen hetzelfde te zeggen, wat gij van de onregtvaardigen gezegd hebt. Dan zal ik zeggen, dat de regtvaardigen, als zij ouder worden, in hunnen staat, zoo zij willen, de overheidsposten bekleeden, en zich verzwageren met wie zij willen; en al wat gij meer van de anderen gezegd hebt, zeg ik nu van hen. En aan den anderen kant zeg ik van de onregtvaardigen, dat de meesten hunner, al blijven zij in hunne jeugd verborgen, aan het einde van de baan bespot en op hun ouden dag door vreemden en burgers smadelijk bejegend, gegeeseld, gepijnigd en gedood worden. Dat alles zeg ik nu op mijne beurt dat zij ondergaan zullen. Wilt gij mij dat nu vergunnen?--Wel zeker; want wat gij zegt is billijk.--

XIII. Dit zijn dan ongeveer de belooningen en gaven, die den regtvaardigen bij zijn leven van goden en menschen behalve de eigenaardige voorregten der regtvaardigheid te beurt vallen.--En die zijn waarlijk schoon en zeker.--Zij komen echter in geen vergelijking met hetgeen beiden na hunnen dood te wachten staat. En dit moet gij ook nog hooren; opdat beiden in onze redenering alles ontvangen wat hun toekomt.--Zeg op; want weinig dingen zou ik liever hooren.--Hetgeen ik u ga zeggen, is geen laffe fabel, gelijk de beschrijving van de oude wereld bij ~Homerus~, maar een verhaal van een dapper man, van ER, den zoon van ~Armenius~, van geboorte een Pamphylier[172]; die op het slagveld gevallen zijnde, toen op den tienden dag de reeds verrotte lijken werden weggenomen, nog in het minst niet vergaan was; en toen men hem naar huis gebragt en op den twaalfden dag op den brandstapel gelegd had, weder levend werd en verhaalde, wat hij in de andere wereld gezien had. Hij nu zeide, dat zijne ziel, na het ligchaam verlaten te hebben, in gezelschap van vele andere op eene heilige plaats was gekomen, waar twee openingen in den grond naast elkander, en twee andere in den hemel daar tegenover waren. Dat in de ruimte daar tusschen regters zaten, die de regtvaardigen naar de opening in den hemel aan den regterkant zonden, na op hunne borst een teeken ter aanduiding van het vonnis vastgehecht te hebben; en de onregtvaardigen naar de opening in den grond aan den linkerkant, terwijl dezen insgelijks teekens van al wat zij gedaan hadden, maar op den rug, meêdroegen. En dat die regters, toen hij naderde, zeiden, dat hij aan de menschen de dingen, die daar gebeurden, moest berigten, en dat zij hem dus gelastten oplettend te hooren en te zien naar alles wat in die plaats voorviel. Dat hij daarop de zielen, wier vonnis was uitgesproken, door de ééne opening in den hemel of in den grond zag weggaan; terwijl uit de andere in den grond zielen, die er morsig en bestoven uitzagen, opstegen, en uit de andere in den hemel reine zielen nederdaalden. En dat allen, die aankwamen, er uitzagen, alsof zij eene lange reis hadden afgelegd, en met blijdschap zich gezamenlijk op het veld nedervleiden, en elkander groetten, zoo zij bekenden waren; en dat die uit den grond of uit den hemel kwamen de anderen vroegen, wat zij ondervonden hadden. En dat de eersten jammerend en weenend verhaalden, wat hun op de reis onder de aarde, die duizend jaar geduurd had, wedervaren was; en de anderen van allerlei vreugde spraken en van verwonderlijk schoone dingen, die zij gezien hadden. Om dit alles meê te deelen, ~Glauco~! zou te lang ophouden, maar hetgeen hij zeide kwam daarop neder, dat zij voor iedere door haar gepleegde ongeregtigheid tiendubbeld straf leden, en daarom, dewijl het leven van een mensch op honderd jaar werd gerekend, duizend jaar beneden vertoefden; en dat zij, die velen hadden doen omkomen, en staten of legerplaatsen verraden en in slavernij gestort hadden, of aan eenig ander schelmstuk medepligtig waren, tiendubbele smart voor elke misdaad ontvingen; en dat evenzoo zij, die goede daden verrigt en regtvaardig en vroom geleefd hadden, naar evenredigheid beloond werden. En over hen, die terstond na de geboorte gestorven waren, of slechts kort geleefd hadden, zeide hij eenige dingen van weinig belang. En hij verhaalde, dat verachting der goden of der ouders en eigenhandige moord bijzonder erg gestraft werden. Want hij zeide gehoord te hebben, dat de een den anderen vroeg, waar ~Ardiéus de Groote~ was. Deze ~Ardiéus~ nu was reeds voor duizend jaar tiran eener stad in Pamphylie geweest, en had zijnen vader en ouderen broeder vermoord en nog vele andere gruwelen bedreven. Hij zeide, dat de ondervraagde had geantwoord: hij is nog niet gekomen, en zal wel volstrekt niet komen.